CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 14 mei 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een krachtens artikel 177 EEG-Verdrag ingediend prejudicieel verzoek, gedateerd 13 juni 1984, van de cour d'appel te Rennes in een aldaar ingesteld hoger beroep tegen een vonnis van het tribunal correctionnel te Saint-Nazaire van 6 december 1983.
In deze strafprocedure worden Binet en twee andere personen, allen exploitanten van „Leclerc”-benzinestations, vervolgd wegens overtreding van de Franse minimumprijsvoorschriften voor de detailverkoop van motorbrandstoffen, met name ministerieel besluit nr. 82-13/A van 29 april 1982. Verdachten hebben verzocht om ontslag van rechtsvervolging met het betoog, dat de nationale regeling waarvan overtreding hen wordt telastgelegd, onverenigbaar was met de bepalingen van het EEG-Verdrag. Ten einde dit vraagstuk te kunnen oplossen, heeft de cour d'appel te Rennes het Hof de navolgende vragen voorgelegd :
„1)
Is de invoering door een van de Lid-Staten van een regeling die voorziet in maximumkortingen voor de verkoop van motorbrandstoffen aan de verbruikers, verenigbaar met de artikelen 3, 5 en 30 EEG-Verdrag?
2)
Laat artikel 36 EEG-Verdrag toe dat een Lid-Staat om dwingende redenen van openbare orde een dergelijke regeling betreffende de produktie, de distributie en het verbruik van motorbrandstoffen invoert?”
Deze zelfde nationale regeling kwam reeds aan de orde in zaak 231/84, Cullet, waarin het Hof op 29 januari 1985 uitspraak heeft gedaan. Afgezien van het feit dat de zaak Cullet een civielrechtelijk geding betrof waarin een verbod op het overtreden van de betrokken voorschriften was gevraagd, terwijl het hier gaat om een strafvervolging ter zake van deze voorschriften, hebben beide zaken in wezen betrekking op dezelfde problemen van gemeenschapsrecht. De artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag worden in de vragen van de nationale rechter niet genoemd, en blijkens het arrest Cullet (r.o. 15-18) zouden deze artikelen op zichzelf ook niet van toepassing zijn op een geval als het onderhavige.
De opmerkingen van de Commissie voegen niets wezenlijks toe aan hetgeen in de zaak Cullet voor het Hof is gesteld. Alle vragen met betrekking tot de artikelen 3, 5 en 30 zijn in dat arrest reeds beslist. Evenmin als in die zaak (cf. r.o. 32-33), is in casu aangetoond dat de importbeperkingen gerechtvaardigd zouden zijn op grond van artikel 36, waardoor het in artikel 30 neergelegde verbod van maatregelen van gelijke werking toepassing zou missen.
Om de redenen vermeld in het arrest van 29 januari 1985 in de zaak Cullet, dienen de vragen van de cour d'appel te Rennes mijns inziens te worden beantwoord als volgt:
„1)
De artikelen 3, sub f, en 5 EEG-Verdrag verzetten zich niet tegen een nationale regeling, volgens welke de nationale autoriteiten minimumprijzen voor de detailverkoop van motorbrandstoffen vaststellen.
2)
Artikel 30 EEG-Verdrag verzet zich tegen een dergelijke regeling, wanneer bij de vaststelling van de minimumprijs uitsluitend wordt uitgegaan van de overnameprijzen van de binnenlandse raffinaderijen en deze overnameprijzen gekoppeld zijn aan een plafondprijs die uitsluitend op de kostprijzen van de binnenlandse raffinaderijen is gebaseerd ingeval de Europese motorbrandstoffennoteringen meer dan 8% van die kostprijzen afwijken.
3)
Niet is komen vast te staan dat de toepasselijkheid van het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag op een dergelijke regeling door de bepalingen van artikel 36 EEG-Verdrag wordt uitgesloten.”
De nationale rechter zal moeten beslissen over de kosten van partijen in het hoofdgeding. Over de kosten van de Commissie en van de Franse Republiek behoeft niet te worden beslist.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy