CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 23 januari 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Verzoeker, G. Bernardi, is geboren in 1937. Hij werkte sedert 10 oktober 1966 als vertaler in de Italiaanse vertaalafdeling van het Europees Parlement, waar hij per 1 april 1975 tot de rang LA 5 werd bevorderd.
Bij besluit van de voorzitter van het Europees Parlement van 5 maart 1982 is verzoeker per 1 maart 1982 op pensioen gesteld; de in artikel 59, lid 1, vierde alinea, van het Ambtenarenstatuut bedoelde invaliditeitscommissie was namelijk van oordeel dat hij aan de in artikel 78 van het Statuut gestelde voorwaarden voldeed. Derhalve werd hem een invaliditeitspensioen van 70% van zijn salaris toegekend.
De tweede en de derde alinea van voormeld artikel 78 luiden als volgt:
„Indien de invaliditeit het gevolg is van een ongeval tijdens of in verband met de dienst, van een beroepsziekte..., bedraagt het invaliditeitspensioen 70% van het laatste basissalaris van de ambtenaar.
Indien de invaliditeit aan een andere oorzaak is te wijten, bedraagt het invaliditeitspensioen evenveel als het ouderdomspensioen waarop de ambtenaar recht gehad zou hebben bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, indien hij tot deze leeftijd in dienst zou zijn gebleven.”
Volgens het Europees Parlement is het pensioen van G. Bernardi op deze derde alinea gebaseerd.
2.
Voordat de zaak aan de invaliditeitscommissie werd voorgelegd, had G. Bernardi evenwel bij brief van 27 maart 1979, met in bijlage een medisch attest van dokter Castrica (Rome) en een van dokter Conraux (Straatsburg), om toepassing verzocht van de krachtens artikel 73, lid 1, van het Statuut vastgestelde Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: de Regeling). In dat verband verklaarde hij dat hij sedert enige tijd leed aan een „chronische laryngofaryngitis, gepaard met een kennelijke en ongeneeslijke atrofie van de neuskeelholte en veelvuldige periodes van dysfonie”. Volgens het medisch attest van dokter Castrica was deze aandoening het gevolg van de omgeving en de omstandigheden waarin verzoeker werkte.
Was naar aanleiding van dit verzoek vastgesteld dat verzoeker geheel of gedeeltelijk blijvend invalide was wegens een beroepsziekte, dan had G. Bernardi ingevolge artikel 73, lid 2, sub b en c, van het Statuut naast het reeds toegekende pensioen, aanspraak kunnen maken op uitkering van een kapitaal.
Op verzoek van G. Bernardi is de in de Regeling voorziene procedure ingeleid. Deze procedure omvat twee fasen :
—
de eerste fase van het op initiatief van de administratie ingestelde medische onderzoek, die uitmondt in een ontwerpbesluit van het tot aanstelling bevoegde gezag betreffende de erkenning van de ziekte als beroepsziekte, dat te zamen met dé conclusies van de door de instelling aangewezen arts of artsen ter kennis van de betrokkene wordt gebracht (artikelen 17, lid 2, 19 en 21 van de Regeling);
—
de tweede fase, die eerst ingaat wanneer de ambtenaar het niet eens is met het ontwerpbesluit en binnen zestig dagen na de kennisgeving ervan verzoekt om instelling van een medische commissie, die bestaat uit drie artsen, van wie de eerste door het tot aanstelling bevoegd gezag, de tweede door de ambtenaar en de derde in onderlinge overeenstemming door de eerste twee artsen wordt aangewezen. Wanneer niet binnen de gestelde termijn een dergelijk verzoek wordt ingediend, „neemt het tot aanstelling bevoegd gezag het besluit conform het medegedeelde ontwerp” (artikelen 21, eerste en derde alinea, en 23, lid 1, van de Regeling).
Uit de bijlagen bij het verzoekschrift en uit het verweerschrift en de dupliek valt het volgende af te leiden.
Op 10 juni 1980 deelde J. M. Mutter, hoofd van de afdeling Sociale zaken van het Europees Parlement, Bernardi schriftelijk mee dat dokter De Meersman, die hem in opdracht van de instelling op 22 februari 1980 had onderzocht, van oordeel was dat zijn aandoening niet een gevolg was van zijn arbeidsomstandigheden. „Mitsdien”, aldus de brief, „kan Uw aandoening niet als een beroepsziekte worden erkend”. Mutter verzocht Bernardi, hem mee te delen of hij akkoord ging met dit besluit, en stelde hem op de hoogte van het feit dat hij in geval van betwisting zich tot de in artikel 23 van de Regeling voorziene medische commissie kon wenden, met dien verstande dat wanneer het advies van de medische commissie zou overeenstemmen met dat van de raadgevende arts, een deel van de kosten ten laste van Bernardi zou komen.
In zijn antwoord van 19 juni 1980 betwistte de betrokkene de bevindingen van dokter De Meersman, verzocht hij „formeel” om raadpleging van de medische commissie en deelde hij de naam mee van zijn eigen arts, dokter Fidotti te Rome.
Op 28 juli 1980 bevestigde Mutter de ontvangst van deze brief en wees hij erop dat de medische commissie eerst bijeen kon komen nadat zij in het bezit was van het definitieve rapport van dokter De Meersman, dat eerst kon worden opgesteld na ontvangst van de resultaten van het onderzoek dat diende te worden uitgevoerd door dokter Stumper; Bernardi werd verzocht „zo spoedig mogelijk” met deze specialist een afspraak te maken. „Het spreekt vanzelf”, vervolgde Mutter, „dat indien de medische commissie bijeenkomt, wij contact zullen opnemen met dokter Fidotti”.
Op 22 mei 1981 schreef het hoofd van de afdeling Sociale zaken Bernardi de volgende brief:
„Mijnheer,
Ik heb de eer U mee te delen dat dokter De Meersman, na kennis te hebben genomen van het rapport van dokter Stumper, zijn eerste conclusie handhaaft en van oordeel is dat Uw aandoening niet als een beroepsziekte kan worden aangemerkt. Bijgevolg kan, zoals U in Uw brief van 19 juni 1980 hebt verzocht, een aanvang worden gemaakt met de procedure voor de medische commissie.
Overigens zend ik overeenkomstig Uw verzoek vandaag nog een afschrift van de twee rapporten van dokter De Meersman aan dokter Fidotti.
...”
Op 15 december 1981 onderzocht de medische commissie, bestaande uit dokter Fidotti, dokter De Meersman, aangewezen door het Europees Parlement, en professor Van Den Eeckhaut, in onderlinge overeenstemming aangewezen door de eerste twee artsen, Bernardi te Brussel. Door zijn twee collega's met de opstelling ervan belast, zond professor Van Den Eeckhaut, op 3 juni 1983 het rapport met de conclusies van de medische commissie aan de medische dienst van het Europees Parlement; het was door hemzelf en door dokter De Meersman ondertekend, doch niet door dokter Fidotti. Op 13 oktober 1982 had dokter Fidotti professor Van Den Eeckhaut namelijk een eigen ontwerprapport doen toekomen, waarna hij op 21 april 1983 een telegram stuurde waarin hij hem verzocht voorlopig geen enkel document in te dienen. In dit telegram werd ook een met redenen omklede brief in het vooruitzicht gesteld die, ofschoon hij gedateerd was 23 mei 1983, eerst na 3 juni bij professor Van Den Eeckhaut aankwam. Professor Van Den Eeckhaut en dokter De Meersman bleven evenwel bij de conclusies van het rapport van de medische commissie.
In dit rapport werd meer in het bijzonder gesteld dat „de dysfonie en andere klachten van G. Bernardi niet op een ziekelijke aandoening zijn terug te voeren en... wellicht kunnen verdwijnen zelfs wanneer hij als vertaler blijft werken, ...”.
Ik wil er nog op wijzen dat de brief van dokter Fidotti onmiddellijk aan de medische dienst van het Europees Parlement is doorgezonden, en dat hem is meegedeeld dat zijn collega's bij de conclusies van het rapport van de medische commissie bleven.
Bij brief van 4 oktober 1983 stelde het hoofd van de afdeling Sociale zaken van het Europees Parlement Bernardi in kennis van het rapport van de medische commissie, waarin de conclusies van dokter De Meersman werden bevestigd, en deelde hij betrokkene mee, dat hij, waar de bevindingen van de medische commissie in overeenstemming waren met het ontwerpbesluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, dat krachtens artikel 21 te zijner kennis was gebracht, ingevolge artikel 23, lid 2, derde alinea, van de Regeling, moest opkomen voor het honorarium en de kosten van de arts die hij had aangewezen om hem in de commissie te vertegenwoordigen, alsmede voor de helft van het honorarium en de kosten van de derde arts, en werd hem dienovereenkomstig verzocht, als vergoeding van het honorarium en de kosten van professor Van Den Eeckhaut een bedrag van 43050 BFR aan het Europees Parlement over te maken.
Bij brief van 19 oktober 1983 liet betrokkene weten dat hij de bevindingen van de medische commissie betwistte. Hij opperde twijfels omtrent de regelmatigheid van de door de commissie gevolgde procedure en weigerde het gevorderde honorarium en de kosten te betalen. Bovendien verlangde hij vergoeding van zijn reiskosten in verband met de raadpleging van de dokters Cis,
Vigan en Lieschke, wier in het kader van de procedure voor de invaliditeitscommissie opgestelde certificaten waren vertaald en door Bernardi aan de medische commissie waren voorgelegd. Ten slotte verlangde hij ook nog vergoeding van de kosten van vertaling van deze attesten.
Bij brief van 10 november 1983 wees het hoofd van de afdeling Sociale zaken dit verzoek af, en verzocht hij betrokkene andermaal, dat hij binnen een maand 43050 BFR zou overmaken.
Op 19 november 1983 diende Bernardi een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in, die op ,19 maart 1984 stilzwijgend werd afgewezen.
Later werd een bedrag van 4305 BFR per maand in mindering gebracht op zijn pensioen.
3.
Daarop heeft Bernardi onderhavig beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 10 november 1983, alsmede van „elke andere daaraan vooronderstelde, verwante en/of daarop volgende handeling”, inzonderheid van voormeld besluit van 10 november 1983 houdende bevestiging van het besluit van 4 oktober 1983.
Ik zal het verzoekschrift niet in bijzonderheden herhalen, aangezien het reeds in het rapport ter terechtzitting is samengevat.
U zult hebben opgemerkt, dat het Hof wordt verzocht het Europees Parlement op het punt van de naleving van sommige statutaire regels tot de orde te roepen, bepaalde handelingen te gelasten en „meer subsidiair...”, de „onregelmatigheid” van de bevindingen van de medische commissie „te onderzoeken”.
In wezen strekt het verzoek van G. Bernardi tot:
—
nietigverklaring van de procedure vóór de raadpleging van de medische commissie, van de raadpleging zelf, en van de op basis van het advies van voormelde commissie genomen besluiten van het Europees Parlement en bijgevolg tot heropening van de betrokken procedure met een nieuw, regelmatig tot stand gekomen en door de bevoegde instantie ter kennis gebracht „ontwerp-besluit”;
—
veroordeling van het Europees Parlement om hem een voorlopige uitkering te betalen alsmede, na afsluiting van deze nieuwe procedure, het kapitaal waarop artikel 73, lid 2, sub b, of subsidiair sub c, van het Statuut aanspraak verleent in geval van blijvende algehele invaliditeit of, subsidiair, van gedeeltelijke invaliditeit als gevolg van een beroepsziekte, in voorkomend geval „de uitkering naar billijkheid te begroten”;
—
veroordeling van het Europees Parlement tot vergoeding aan hem van de kosten die hij heeft gemaakt om zich aan de door het Europees Parlement verlangde medische onderzoeken te onderwerpen en van de kosten van vertaling van de naar aanleiding daarvan opgestelde medische rapporten.
Tot staving van zijn conclusies voert Bernardi volgende middelen aan:
a)
De medische commissie is op onregelmatige wijze samengesteld, omdat het hoofd van de afdeling Sociale zaken destijds niet gemachtigd was om als tot aanstelling bevoegd gezag op te treden, en omdat het Europees Parlement in zijn brief van 10 juni 1980, waarbij het hem de voorlopige conclusies van dokter De Meersman van 14 maart 1980 in de onderzoeksfase meedeelde, niet eveneens de medische attesten van de dokters Cis en Lieschke (respectievelijk gedagtekend 5 december 1979 en 23 april 1981) in aanmerking had genomen. Voorts viel uit de conclusies van de dokters De Meersman en Stumper zelf op te maken dat verzoekers beroepswerkzaamheden een„medeoorzaak” waren van zijn chronische ziekte. Verzoeker had dus „per vergissing” overijld om instelling van de medische commissie verzocht, te meer omdat de attesten van de dokters Cis en Lieschke hem niet te zamen met het ontwerpbesluit ter kennis waren gebracht. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan in zijn ontwerpbesluit niet naar believen van de medische conclusies afwijken of zich op voorlopige conclusies baseren; na het eerste rapport van dokter De Meersman was hij namelijk nog door dokter Stumper onderzocht en op 24 februari 1981 werd het definitieve rapport opgesteld.
Bovendien heeft het tot aanstelling bevoegde gezag, door hem 70% van zijn basissalaris toe te kennen, impliciet doch noodzakelijkerwijs erkend dat zijn ziekte en invaliditeit hun oorsprong vonden in zijn beroepswerkzaamheden, als bedoeld in artikel 78, tweede alinea, van het Statuut.
Ofschoon de procedure voor het op pensioen stellen, bedoeld in artikel 78 van het Statuut, en die voor de vaststelling van uitkeringen in geval van beroepsziekte, bedoeld in artikel 73 van het Statuut, onderscheiden procedures zijn, volgt evenwel uit 's Hofs rechtspraak (arresten van 15. 1. 1981, zaak 731/79, B./Parlement, Jurispr. 1981, blz. 107, en van 12. 1. 1983, zaak 257/81, K./Raad, Jurispr. 1983, blz. 1) dat zij „parallel lopen” en dat de besluiten waarmee zij worden afgesloten niet kennelijk in tegenspraak mogen zijn.
b)
De door de medische commissie gevolgde procedure was eveneens onregelmatig, omdat professor Van Den Eeckhaut en dokter De Meersman geen rekening hadden gehouden met hun eigen eerdere conclusies ten gunste van verzoekers standpunt. Belangrijker nog is, dat in het rapport van de commissie geen melding is gemaakt van de opmerkingen van dokter Fidotti, wat neerkomt op een gebrekkige motivering. De handtekening van deze arts, die verzoekers belangen vertegenwoordigde, achtte men niet noodzakelijk, en het „zogeheten definitieve rapport” was hem niet meegedeeld.
4.
Het Europees Parlement concludeert tot verwerping van het beroep, op grond dat het gedeeltelijk niet ontvankelijk en voor het overige ongegrond is.
Wat de ontvankelijkheid betreft, stelt verweerder dat het Hof niet bevoegd is om louter declaratoire uitspraken te doen of om een administratie te gelasten bepaalde handelingen te verrichten. Evenmin kan het tegen de conclusies van de medische commissie in, rechtstreeks de uitbetaling van een kapitaal of van een voorlopige uitkering gelasten noch zelf naar billijkheid het bedrag van deze uitkering vaststellen.
Voorts stelt het Parlement zich op het standpunt, dat de primair geformuleerde conclusies zonder voorwerp zijn. De procedure van de artikelen 19 tot 21 van de Regeling werd tot in details nageleefd, en het hoofd van de afdeling Sociale zaken heeft op 1 maart 1982 machtiging verkregen „om ten aanzien van ambtenaren van alle rangen de artikelen... 72 en 73 van het Statuut toe te passen”, zodat het definitieve besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag op dit punt wordt gedekt. De conclusies strekkende tot het nemen van een besluit in antwoord op de klacht zijn niet ontvankelijk, aangezien de klacht reeds stilzwijgend is afgewezen op 19 maart 1984.
De verzoeken om vergoeding van de reiskosten in verband met de onderzoeken door de dokters Cis, Vigan en Lieschke en van de vertaalkosten voor hun attesten staan volkomen los van de procedure betreffende de erkenning van verzoekers aandoening als een beroepsziekte. Aangezien deze verzoeken daarenboven eerst in verzoekers brief en klacht van respectievelijk 19 oktober en 19 november 1983 zijn geformuleerd, en zij niet binnen de in artikel 90 van het Statuut voorziene termijn zijn ingewilligd, kunnen zij bij ontstentenis van een voorafgaande klacht niet het voorwerp uitmaken van een beroep bij het Hof van Justitie (artikel 90, lid 2, van het Statuut).
Nog steeds met betrekking tot de ontvankelijkheid, verklaart het Europees Parlement ten slotte, dat de conclusies van de medische commissie een voorbereidende handeling zijn, waartegen niet afzonderlijk kan worden opgekomen. Verzoeker vordert evenwel niet nietigverklaring van het op 4 oktober 1983 door het tot aanstelling bevoegde gezag meegedeelde besluit. Zijn subsidiaire of meer subsidiaire conclusies zijn bijgevolg niet ontvankelijk.
Wat de zaak ten gronde betreft, verklaart het Parlement dat het in een brief van 14 november 1980 aan verzoeker heeft meegedeeld dat met toepassing van artikel 17 van de Regeling de dokters De Meersman en Stumper waren aangewezen. Door na het eerste onderzoek door dokter De Meersman om raadpleging van de medische commissie te verzoeken en zich aan het onderzoek door die commissie te onderwerpen, heeft verzoeker erkend dat de bestreden procedure een regelmatig verloop heeft gehad.
De bevindingen van de invaliditeitscommissie en die van de medische commissie zijn in geen enkel opzicht tegenstrijdig, aangezien volgens verweerder uit het document betreffende de berekening van de invaliditeitspensioenrechten blijkt, dat daarbij artikel 78, derde alinea, van het Statuut is toegepast.
Wat nu de beweerde onbevoegdheid van het hoofd van de afdeling Sociale zaken betreft, merkt het Europees Parlement op dat de secretarisgeneraal bij besluit van 1 maart 1982 deze ambtenaar heeft gemachtigd „om ten aanzien van ambtenaren van alle rangen de artikelen 59 (lid 4, laatste alinea), 72 en 73 van het Statuut toe te passen”.
Wat de grief betreft dat het „ontwerp-be-sluit” conform moet zijn aan de conclusies van de door de administratie voor het onderzoek aangewezen artsen, refereert verweerder aan het arrest van 29 november 1984 (zaak 265/83, Suss, Jurispr. 1984, blz. 4029), waarin het Hof verklaarde dat „de administratie aan de conclusies van een door haar aangewezen arts niet is gebonden” en dat zij „met inachtneming van de nodige objectiviteit haar standpunt bepaalt” (r.o. 18).
Wat de grieven betreffende de procedure voor de medische commissie betreft, zou verzoeker niet kunnen stellen dat onvoldoende is rekening gehouden met de opmerkingen van de te zijner vertegenwoordiging aangewezen artsen, te meer waar naast dokter Fidotti ook dokter Castrica van de commissie mocht deelnemen aan het onderzoek dat hij op 15 december 1981 heeft ondergaan. De opmerkingen van de artsen Fidotti en Castrica zijn zorgvuldig onderzocht, doch hebben de beide andere leden van de commissie niet kunnen overtuigen.
Dat dokter Fidotti het rapport van de medische commissie niet heeft ondertekend, bewijst dat er tussen hem en de meerderheid van de commissie een verschil van mening bleef bestaan en het rapport waarin de opvatting van de meerderheid is neergelegd, moet overeenkomstig 's Hofs rechtspraak (inzonderheid het arrest van 21.5.1981, zaak 156/80, Morbelli, Jurispr. 1981, blz. 1357), worden geacht geldig te zijn in de zin van het Statuut, met alle gevolgen rechtens.
Ten slotte volgt volgens verweerder uit voormeld arrest-Suss, dat de medische commissie, die volkomen onafhankelijk is, geenszins gebonden is aan de conclusies van vroegere medische onderzoeken. Het onderzoek van het Hof, aldus het eerder genoemde arrest-Morbelli, kan zich niet uitstrekken tot de definitieve medische beoordelingen die in regelmatige omstandigheden tot stand zijn gekomen. De bevoegdheid van het Hof is dus beperkt tot toezicht op „de samenstelling en de regelmatige werking van de in de artikelen 19 en 23 bedoelde commissies” (r.o. 20).
5.
Over de ontvankelijkheid kan ik kort zijn. Zoals het Europees Parlement terecht opmerkt, is het Hof — aldus artikel 91, lid 1, van het Statuut — in geschillen tussen een gemeenschapsinstelling en een van haar personeelsleden bevoegd om uitspraak te doen over „de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht”, in de bewoordingen van artikel 91, lid 1, van het Statuut, dat bepaalt, dat het Hof van Justitie bij geschillen van geldelijke aard volledige rechtsmacht heeft. Het staat derhalve aan het Hof in voorkomend geval vergoeding te gelasten van de schade die een personeelslid heeft geleden ten gevolge van een onwettig handelen of nalaten dat inbreuk maakt op zijn rechten en dat is toe te rekenen aan de instelling waartoe hij behoort.
Hier eindigt de bevoegdheid van het Hof, dat niet bevoegd is handelingen te gelasten.
Wat nu meer in het bijzonder bij voorbeeld de krachtens artikel 21 van de Regeling op de administratie rustende verplichting betreft, is het Hof bevoegd bij een eventueel verzuim van de instelling ter zake een sanctie op te leggen, doch het kan de instelling niet gelasten over te gaan tot de betekening waartoe zij ingevolge deze bepaling is gehouden. De door het Europees Parlement op dit punt opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet dus worden aanvaard.
Het verzoek om vergoeding van de reis- en vertaalkosten in verband met de onderzoeken van de dokters Vigan, Cis en Lieschke is, om de door verweerder aangevoerde redenen, eveneens niet ontvankelijk.
Het — klassieke — onderscheid tussen declaratoire en constitutieve arresten is u bekend. Declaratoire arresten bepalen zich ertoe, een reeds bestaande rechtstoestand te bevestigen, terwijl constitutieve arresten een nieuwe rechtstoestand in het leven roepen.
Het is niet zeker dat de obscure duidelijkheid van dit onderscheid waarvan de strekking onzeker is en dat in de rechtsleer niet algemeen ingang heeft gevonden, ons nader tot de oplossing van het onderhavige geschil brengt.
In feite behoeft het Hof het Europees Parlement, dat trouwens nooit het tegendeel heeft beweerd, niet eraan te herinneren dat het zich strikt aan de ter zake geldende regels van het Statuut dient te houden; de vraag is alleen of het dat in het onderhavige geval ook heeft gedaan.
Ten slotte dien ik nog in te gaan op twee excepties van niet-ontvankelijkheid, die mijns inziens moeten worden verworpen. De eerste omdat, anders dan het Europees Parlement beweert, Bernardi uitdrukkelijk de nietigverklaring van het besluit van 4 oktober 1983 vordert. De tweede omdat het middel dat de vordering zonder voorwerp zou zijn, aangezien in casu de procedure volledig regelmatig is verlopen, in feite niet een exceptie van niet-ontvankelijkheid doch een verweermiddel ten gronde is.
6.
De grond van de zaak.
Ik wil er meteen al op wijzen dat er geen enkele tegenspraak is te ontdekken tussen het besluit van de medische commissie en de toekenning van een invaliditeitspensioen van 70%. Er zijn namelijk geen valabele argumenten in te brengen tegen de met de afrekening gestaafde verklaring van het Europees Parlement, dat dit percentage met toepassing van artikel 78, derde alinea, is toegekend op basis van de dienstanciënniteit van Bernardi en niet op grond dat de invaliditeit aan een beroepsziekte zou zijn toe te schrijven.
Mitsdien moet in de eerste plaats worden onderzocht, of de procedure in de fase van het medisch onderzoek al dan niet een regelmatig verloop heeft gekend. Dus worden de volgende vragen onderzocht:
—
is het medisch onderzoek, bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Regeling, regelmatig verlopen ?
—
is het ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 21, eerste alinea van de Regeling, op regelmatige wijze vastgesteld en ter kennis van de betrokkene gebracht ?
Het medisch onderzoek werd toevertrouwd aan dokter De Meersman, die dit samen met zijn collega dokter Stumper, op een zodanige wijze heeft uitgevoerd, dat er geen aanleiding bestaat om dit te laken.
Wat het ontwerpbesluit betreft, liggen de zaken minder eenvoudig. Vreemd genoeg, heeft dit de vorm van een drieluik.
Het eerste luik is voormelde brief van 10 juni 1980, waarbij verzoeker wordt verzocht mee te delen of hij akkoord gaat met de negatieve conclusie van dokter De Meersman en met het dienovereenkomstige ontwerpbesluit dat het tot aanstelling bevoegde gezag voornemens is te nemen, en hij eraan wordt herinnerd dat hij zich in geval van betwisting tot de medische commissie kan wenden. Aan de in artikel 21, eerste alinea, bedoelde materiële voorwaarden leek dus te zijn voldaan, indien althans niet achteraf was gebleken, dat de medische conclusies slechts voorlopig waren.
Deze voorlopige aard zal eerst aan het licht treden in het tweede luik, de brief van 28 juli 1980. Hoe het ook zij, nog voor de ontvangst van laatstbedoelde brief, verzocht Bernardi bij brief van 19 juni 1980 om raadpleging van de medische commissie.
Het derde luik is de brief van 22 mei 1981, met als belangrijkste punten: de definitieve conclusies die de voorlopige conclusies bevestigen, worden ter kennis van Bernardi gebracht, aan wie wordt meegedeeld dat conform zijn verzoek van 19 juni de medische commissie om advies zal worden verzocht.
Duidelijk zij gesteld dat deze handelwijze naar mijn gevoel beslist geen schoolvoorbeeld van goed bestuur is. Een ontwerpbesluit behoort niet gebaseerd te zijn op voorlopige conclusies. Deze zijn weliswaar definitief geworden en de brief van 22 mei 1981 heeft die van 10 juni 1980 bevestigd, doch het ware beter geweest, indien het ontwerpbesluit eerst na die datum was vastgesteld. Toen had Bernardi voor de in het Statuut voorziene keure moeten worden geplaatst om zich bij de conclusies van het onderzoek neer te leggen dan wel om ze te betwisten en de zaak voor te leggen aan de medische commissie.
Doch zelfs slecht geassembleerd als zij zijn, kunnen deze drie luiken naar mijn gevoel toch als een geheel worden beschouwd, dat materieel in overeenstemming is met de voorschriften van de artikelen 17, lid 2, en 21, eerste alinea, van de Regeling.
Bovendien moet het ontwerpbesluit zijn vastgesteld en ter kennis gebracht door de bevoegde instantie, anders gezegd, in de woorden van artikel 21 van de Regeling, door het tot aanstelling bevoegde gezag.
Hoe ligt dat in de onderhavige zaak ? In artikel 2, eerste alinea, van het Statuut, wordt gesteld dat
„Iedere instelling bepaalt welke gezagsorganen bij haar de bevoegdheden uitoefenen die... aan het tot aanstelling bevoegde gezag toekomen.”
Dit artikel, dat in wezen gelijkluidend is aan de vroegere artikelen 2 van de Statuten van de ambtenaren van de EEG en van de EGA [verordeningen nrs. 31 (EEG) en 11 (EGA) van de Raad van 18. 12. 1961, PB 1962, nr. 45], machtigt de instellingen om ter zake een regeling van bevoegdheidsverdeling en -delegatie vast te stellen.
Uit het door het Parlement overgelegde besluit nr. 175/62 van het Europees Parlement van 12 december 1962 blijkt, dat voor ambtenaren van de categorie van Bernardi de bevoegdheden die bij artikel 73 van het Statuut en bij de ter uitvoering daarvan vastgestelde Regeling aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn verleend, worden uitgeoefend door de secretarisgeneraal, aan wie machtiging wordt verleend om zijn uitvoerende bevoegdheid op administratief vlak te delegeren aan de directeurgeneraal van de administratie (punt d, sub i, van het besluit). Deze delegatie werd versoepeld bij besluit van het bureau van het Europees Parlement van 16 februari 1982, naar luid waarvan de secretarisgeneraal gemachtigd is om zijn bevoegdheden te delegeren, zonder dat nader wordt vermeld aan wie hij mag delegeren.
De secretarisgeneraal heeft zijn bevoegdheid ter zake evenwel eerst aan het hoofd van de afdeling Sociale zaken gedelegeerd op 1 maart 1982, dus na de drie voormelde brieven waarvan de laatste van 22 mei 1981 dateert. Zij had geen terugwerkende kracht, en kon deze overigens ook niet hebben.
Wat zijn nu de gevolgen daarvan voor de wettigheid van het ontwerpbesluit en van de kennisgeving ervan ?
In dit verband wil ik twee arresten van het Hof aanhalen.
In het eerste, het meer recente arrest (van 30.5. 1973, zaak 46/72, De Greef, Jurispr. 1973, blz. 543) overwoog het Hof in een geval waarin het ging om de aanwijzing van de instantie, belast met het horen van een ambtenaar in een tuchtzaak, dat een krachtens artikel 2 van het Statuut genomen besluit eerder dient te worden aangemerkt als „een verdeling van werkzaamheden binnen de diensten der Commissie” dan als „een strenge toedeling van bevoegdheden in dier voege dat niet-inachtneming tot nietigheid van buiten het betrokken kader vallende handelingen leidt” (r.o. 18).
Het Hof bakende evenwel dadelijk de grenzen van deze soepelheid af; het verklaarde namelijk dat subdelegatie of afwijking van de door de Commissie ter zake van bevoegdheidsverdeling vastgestelde criteria „slechts tot nietigheid van een handeling der administratie kan leiden wanneer daardoor afbreuk dreigt te worden gedaan aan een der waarborgen welke het Statuut de ambtenaren toekent of aan de regelen van behoorlijk bestuur op het stuk van het personeelsbeheer” (r.o. 21).
Kennelijk dacht het Hof daarbij aan een vroeger arrest waarnaar advocaatgeneraal Trabucchi in zijn conclusie had verwezen. Dit is het tweede arrest waarop ik zinspeelde; het betrof een geding tussen dezelfde partijen als in de onderhavige zaak (arrest van 16. 3. 1971, zaak 48/70, Bernardi, Jurispr. 1971, blz. 175). In deze zaak had de secretarisgeneraal van het Europees Parlement een adjunct-vertaler aangewezen om ad interim een ambt van vertaler te vervullen. Op verzoek van Bernardi werd deze aanwijzing nietig verklaard, op grond dat voormeld besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 12 december 1962 in dergelijke aangelegenheden niet de secretarisgeneraal, doch — op voorstel van deze laatste — de voorzitter bevoegd verklaarde.
Aan deze twee arresten kan een criterium worden ontleend dat is gebaseerd op het door advocaatgeneraal Trabucchi gesuggereerde onderscheid tussen enerzijds voorbereidende en uitvoerende handelingen en anderzijds besluiten die door de instelling uit hoofde van haar „discretionaire bevoegdheid” zijn genomen, waardoor zij wordt „gebonden” (conclusie van advocaatgeneraal Trabucchi in zaak 46/72, Jurispr. 1973, blz. 557).
7.
Welke zijn nu de gevolgen van dit alles voor het „ontwerpbesluit”, bedoeld in artikel 21 van de Regeling ?
Men zou daarin een besluit kunnen zien dat voortvloeit uit de discretionaire bevoegdheid en de instelling bindt, temeer omdat artikel 21, derde alinea, bepaalt dat, wanneer de betrokkene het ontwerpbesluit niet binnen de gestelde termijn betwist, „het tot aanstelling bevoegde gezag het besluit neemt conform het medegedeelde ontwerp”. In deze fase heeft het tot aanstelling bevoegde gezag dus een gebonden bevoegdheid.
In deze optiek zou men kunnen overwegen, het door een destijds onbevoegde instantie genomen en ter kennis gebracht besluit nietig te verklaren, waardoor alle latere handelingen, met name de raadpleging van de medische commissie en het besluit van 4 oktober 1983, nietig zouden zijn.
Zou dit echter niet blijk geven van een te groot formalisme ? Ter zake wil ik twee opmerkingen maken.
a)
Wordt het ontwerpbesluit niet betwist, dan kan het tot aanstelling bevoegde gezag slechts zich ernaar voegen, mits evenwel het ontwerpbesluit door de bevoegde instantie is vastgesteld. Anders bindt deze handeling het tot aanstelling bevoegde gezag niet.
Indien de ambtenaar de medische commissie om advies verzoekt, heeft het ontwerpbesluit geen gevolgen voor wat het eventuele verband tussen de ziekte en de beroepswerkzaamheden van de betrokkene betreft, aangezien het tot aanstelling bevoegde gezag ter zake een beslissing neemt na het advies van de medische commissie te hebben ingewonnen.
In beide gevallen is het dus het besluit waarmee de procedure wordt afgesloten, en niet het ontwerpbesluit, dat de rechtspositie van de ambtenaar bezegelt. Het ontwerpbesluit moet dus als een voorbereidende handeling worden aangemerkt, in weerwil van het bepaalde in artikel 23, lid 2, derde alinea, van de Regeling, betreffende het opkomen voor de kosten van de werkzaamheden van de medische commissie. In dit verband wil ik overigens erop wijzen, dat ingevolge de vierde alinea het tot aanstelling bevoegde gezag in uitzonderlijke gevallen kan besluiten, dat alle kosten voor rekening van de instelling komen.
b)
De nietigheid welke als sanctie op een onregelmatigheid wordt gesteld, beschermt de rechten van degene die belang heeft bij het onregelmatige besluit. De vraag is dus, of het ontwerpbesluit dat Bernardi ter kennis is gebracht de aan zijn rechtspositie ontleende waarborgen aantast.
Indien het ontwerpbesluit niet was betwist en het tot aanstelling bevoegde gezag, ten onrechte van oordeel dat het gebonden was door een handeling van een onbevoegde instantie, zich verplicht had gevoeld artikel 21, derde alinea, van de Regeling toe te passen, dan was een bevestigend antwoord mogelijk geweest. Doch zelfs in dat geval zouden de rechten van betrokkene veeleer door het gelijkluidende besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag dan door het ontwerpbesluit zijn aangetast.
Hoe het ook zij, in casu is dat niet het geval. Bernardi heeft de medische commissie laten bijeenroepen en het besluit van 4 oktober 1983 is op het rapport van deze commissie en niet op het ontwerpbesluit gebaseerd.
Ik ben derhalve van mening dat het middel, ontleend aan de onbevoegdheid van de instantie die het ontwerpbesluit heeft vastgesteld en ter kennis gebracht, moet worden verworpen.
8.
Aan de rest van de procedure lijkt mij geen smet te kleven. De medische commissie werd op regelmatige wijze samengesteld en heeft regelmatig gefunctioneerd. Dokter Fidotti, en ook dokter Castrica, die geen lid was, konden vrij opmerkingen maken. Er zijn bijna achttien maanden verlopen tussen het eerste voorlopige rapport van 29 december 1981 en het definitieve rapport van 3 juni 1983 van de commissie. Deze vertraging, die hoofdzakelijk is ontstaan door initiatieven van dokter Fidotti, heeft deze laatste ten volle benut om zijn collega's te overreden, hetgeen niet is gelukt. Zijn weigering om het definitieve rapport te ondertekenen maakt het niet ongeldig. Tegen het besluit van 4 oktober 1983 ten slotte, dat is vastgesteld door een instantie aan wie op regelmatige wijze de bevoegdheid daartoe was gedelegeerd, valt niets in te brengen.
9.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging het beroep van Bernardi te verwerpen, en met betrekking tot de kosten de artikelen 69, paragraaf 2, eerste alinea, en 70 van het Reglement voor de procesvoering toe te passen.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy