CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 28 november 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A.
De onderhavige zaak betreft het besluit van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen (verweerster) van 30 september 1983 om A. Vlachou (verzoekster) niet tot interinstitutioneel vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83 toe te laten.
1.
Na in 1971 haar studies aan de universiteit te hebben voltooid en daarna enige tijd te hebben gewerkt — onder meer van januari 1975 tot december 1980 bij een uitgeverij van juridische literatuur te Athene — is verzoekster, na voor een vergelijkend onderzoek te zijn geslaagd, in 1981 in dienst van het Europees Parlement getreden. Per 1 maart 1981 werd zij aangesteld als vertaler op proef in rang LA 7, salaristrap 3 (besluit van de secretarisgeneraal van het Europees Parlement van 29 juli 1981).
Bij overeenkomst van 8 december 1981 heeft de Rekenkamer verzoekster per 1 december 1981, aanvankelijk voor een termijn van twee jaar, aangesteld als tijdelijk functionaris in rang LA 5, salaristrap 2 (reviseur).
Na afloop van deze overeenkomst bleef verzoekster op grond van een overeenkomst van 25 november 1983 voor nog een bijkomend jaar in dienst als vertaler in rang LA 6, salaristrap 3.
Na te zijn geslaagd voor intern vergelijkend onderzoek CC/LA/14/83 werd verzoekster per 1 maart 1984 als ambtenaar op proef aangesteld. Gelet op haar vorming en beroepservaring werd zij overeenkomstig artikel 3, lid 1, van besluit nr. 81/5 van de Rekenkamer van 3 december 1981 inzake de indeling der personeelsleden, in rang LA 6, salaristrap 3, ingedeeld. Op 1 december 1984 werd zij tot ambtenaar in vaste dienst benoemd.
2.
Voor de bezetting van een van de twee posten van de loopbaan LA 5/4 die voor de Griekse afdeling van de talendienst waren voorzien, publiceerde verweerster op 26 april 1983 een aankondiging van intern vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 (reviseur/hoofdvertaler).
Volgens punt V.2. van voornoemde aankondiging was voor de toelating tot het onderzoek onder meer „een praktijkervaring van ten minste zes jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking” vereist.
Verzoekster nam aan dit vergelijkend onderzoek deel, doch werd niet benoemd, aangezien de jury haar slechts als tweede op de lijst van geschikte kandidaten had geplaatst. De regelmatigheid van dit vergelijkend onderzoek is aan de orde in zaak 143/84.
Op 2 juni 1983 publiceerde verweerster aankondiging van interinstitutioneel vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83 ter voorziening in een vacature van sectiehoofd/reviseur in de loopbaan LA 5/4. Volgens punt V.2. van deze aankondiging was voor de toelating tot het onderzoek „een beroepservaring van ten minste tien jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking” vereist. Evenals in aankondiging van vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82, was ook hier voorzien, dat aanstelling in beginsel zou geschieden in de aanvangsrang (LA 5).
De aan het ambt verbonden functie werd als volgt omschreven:
„—
Het leiden van de Griekse vertaalsectie;
—
Het reviseren van vertalingen of eventueel vertalen zonder revisie;
—
Het toezicht houden over terminologie-, documentatie- of andere werkzaamheden van specifiek taalkundige aard;
—
Het begeleiden van de voortgezette beroepsopleiding van de vertalers.”
In zijn eindverslag van 16 september 1983 aan het tot aanstelling bevoegde gezag, stelde de jury van vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83 vast dat geen enkele sollicitant aan de toelatingsvoorwaarden voldeed, meer bepaald dat niemand de in punt V.2. verlangde „praktijkervaring van ten minste tien jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking” had. De jury was dan ook niet in staat, een lijst van geschikte kandidaten op te stellen.
Bij brief van 30 september 1983 deelde de Rekenkamer verzoekster mee, dat de jury haar niet tot het vergelijkend onderzoek had toegelaten op grond dat zij niet aan het vereiste van tien jaar ervaring in een relevante verantwoordelijke betrekking voldeed.
Op 24 november 1983 verzocht verzoekster de Rekenkamer onder meer vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83 te staken om vervolgens door middel van een intern vergelijkend onderzoek in de vacature te kunnen voorzien. Op 22 december 1983 diende zij een klacht in, met het verzoek de weigering haar tot interinstitutioneel vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83 toe te laten ongedaan te maken, het vergelijkend onderzoek in zijn geheel te annuleren en ter voorziening in de vacature een vergelijkend onderzoek binnen de instelling te organiseren.
Bij besluit van 30 maart 1984 wees verweerster deze klacht af, met name op grond dat het Ambtenarenstatuut en's Hofs bindende rechtspraak het tot aanstelling bevoegde gezag niet de mogelijkheid biedt om toe te zien op de jurywerkzaamheden, inzonderheid wat de gronden voor toelating of afwijzing van een sollicitant betreft.
Het verzoek het interinstitutioneel vergelijkend onderzoek te annuleren en een intern vergelijkend onderzoek te organiseren, achtte verweerster niet ontvankelijk, subsidiair ongegrond. Niet alleen was het verzoek te laat ingediend, doch bovendien had verweerster alle mogelijkheden om in de vacature te voorzien, in de in artikel 29 Ambtenarenstatuut bedoelde volgorde, onderzocht. Zij zou evenwel niet verplicht zijn om iemand te bevorderen of over te plaatsen of om een intern vergelijkend onderzoek te organiseren wanneer zij tot de slotsom komt, dat het in verband met de eisen van de dienst de voorkeur verdient, in de vacature te voorzien door een interinstitutioneel vergelijkend onderzoek te organiseren.
Het onderhavige beroep is in de eerste plaats gericht tegen de besluiten waarbij verzoekster niet tot vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83 werd toegelaten, en waarbij is geweigerd het gehele vergelijkend onderzoek te annuleren. Haar laatste vordering heeft verzoekster in haar repliek evenwel nog slechts als subsidiair verzoek aangemerkt, en ter terechtzitting heeft zij ten slotte deze vordering laten vallen.
3.
De conclusies van partijen aan het einde van de mondelinge behandeling kunnen als volgt worden samengevat:
a)
Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:
—
te verklaren dat de jury ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet tot het vergelijkend onderzoek kon worden toegelaten,
—
mitsdien voor recht te verklaren, dat de jury zijn werkzaamheden zal hervatten,
—
in elk geval verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
b)
Verweerster concludeert dat het den Hove behage:
—
het beroep te verwerpen,
—
verzoekster te verwijzen in alle kosten.
4.
Bij brief van 11 maart 1985 heeft het Hof verweerster uitgenodigd
a)
het Hof de normen mee te delen die de jury bij de uitlegging van de toelatingsvoorwaarden heeft gehanteerd,
b)
het procesverbaal over te leggen van de jurybijeenkomst tijdens welke bedoelde normen zijn toegepast.
In antwoord op deze brief van het Hof heeft verweerster andermaal het procesverbaal van de jurybijeenkomst van 16 september 1983 overgelegd, dat reeds als bijlage 2 bij het verweerschrift in het dossier was opgenomen.
5.
Tijdens de mondelinge behandeling om een toelichting verzocht over de door de jury bij de uitlegging van de toelatingsvoorwaarden gehanteerde normen, heeft verweerster het volgende verklaard:
„om tot sectiehoofd te kunnen worden benoemd, moesten de sollicitanten réviseur zijn geweest; aangezien geen der sollicitanten tien jaar ervaring had als réviseur, werden alle sollicitaties afgewezen; de daarbij gehanteerde normen zijn ter kennis van één van de sollicitanten gebracht, die zich daarmee tevreden stelde.”
B.
In mijn conclusie zal ik hierna telkens eerst verzoeksters grieven en het verweer van de Rekenkamer vermelden, en mijn eigen standpunt onmiddellijk daarop laten aansluiten.
1.
a)
Verzoekster betoogt dat zij is beschaamd in haar gewettigd vertrouwen dat zij in de door verweerster gedane toezeggingen had gesteld. Voordat zij bij verweerster in dienst trad, hadden een lid van de Rekenkamer en hoge ambtenaren haar ter zake van haar toekomstige loopbaan bepaalde toezeggingen gedaan. Met name zou haar zijn meegedeeld dat haar benoeming in vaste dienst voor verweerster niet meer dan een formaliteit was.
Verweerster antwoordt daarop, dat verzoekster bij haar aanstelling geen toezeggingen met betrekking tot haar benoeming in vaste dienst zijn gedaan. Het is haar overigens niet duidelijk, hoe een beweerde schending van het vertrouwensbeginsel van invloed kan zijn voor de onderhavige procedure.
b)
Of verzoekster bij haar indiensttreding bij de Rekenkamer bepaalde toezeggingen zijn gedaan, is niet ter zake dienend. Krachtens het Ambtenarenstatuut, inzonderheid artikel 29, moet bij de aanstelling van ambtenaren een bepaalde procedure worden gevolgd, zodat toezeggingen die buiten dit kader vallen, onwettig en dus onverbindend zouden zijn.
2.
a)
Voorts verwijt verzoekster de Rekenkamer dat de jury's voor vergelijkende onderzoeken CC/LA/20/82 en CC/LA/-4/83 — die dezelfde samenstelling hadden — binnen een korte tijdsspanne aan in identieke bewoordingen gestelde toelatingsvoorwaarden een verschillende uitlegging hebben gegeven. In het eerste vergelijkende onderzoek is het vereiste van „een praktijkervaring in een relevante verantwoordelijke betrekking” minder streng geïnterpreteerd dan in het tweede.
Aangezien het om toelatingsvoorwaarden van objectieve aard gaat, zou kunnen worden nagegaan of aan deze voorwaarden is voldaan. Bij de vaststelling van objectieve criteria beschikt de jury niet over enige beoordelingsmarge.
Verweerster daarentegen verdedigt de opvatting dat zij, als tot aanstelling bevoegd gezag, niet bevoegd is om werkzaamheden van de jury en inzonderheid de gronden voor toelating of afwijzing van een sollicitatie, te beoordelen. Zij zou derhalve niet kunnen afwijken van de door de jury aan het begrip „relevante verantwoordelijke betrekking” gegeven uitlegging.
Nochtans is de jury volgens verweerster in het onderhavige geval terecht tot de bevinding gekomen dat de sollicitatie niet kon worden aanvaard. Waar het om een vacature van sectiehoofd ging, heeft de jury op grond van de aard van de post van de sollicitanten ten minste een ervaring als réviseur van enig belang als voorwaarde gesteld. Een aantoonbare beroepservaring van een bepaalde minimumduur kon dan ook niet volstaan: zij moest daarnaast ook geheel of gedeeltelijk — door de jury uit te maken — op een hoog niveau zijn verworven.
Een vergelijking met de toelatingsvoorwaarden van vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 zou niet mogelijk zijn, aangezien beide verschillende vacatures betroffen. Gelet op het uiteenlopende doel van de twee vergelijkende onderzoeken, mochten de jury's voor de beoordeling van de beroepservaring van de sollicitanten verschillende normen aanleggen.
b)
In de eerste plaats moet hier worden uitgemaakt, of deze toelatingsvoorwaarde een objectief criterium is, dat door de rechter kan worden getoetst, dan wel of het een criterium is dat door de jury nader moest worden beoordeeld. In laatstbedoeld geval kunnen de jurybesluiten niet op hun inhoud worden getoetst, aangezien de jury dan over een beoordelingsmarge beschikte, zodat alleen nog de vraag zou behoeven te worden onderzocht, of de procedure een regelmatig verloop had gekend.
In de aankondiging van het vergelijkend onderzoek is sprake van „een praktijkervaring van ten minste tien jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking”. Blijkens de aankondiging ging het hierbij om een vacature van sectiehoofd/reviseur.
De aankondiging geeft evenwel geen aanwijzing, wat onder „praktijkervaring in een verantwoordelijke betrekking” moet worden verstaan. De toelatingsvoorwaarden zijn dus níet aldus geformuleerd dat de toepassing van een aantal objectieve normen kan volstaan om te weten of aan die voorwaarden is voldaan.
De jury had derhalve vóór de toelating van de sollicitanten tot het vergelijkend onderzoek de daarbij te hanteren normen moeten vaststellen. Dit volgt zowel uit het feit dat de aankondiging vaag is geformuleerd, als uit artikel 5 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut. Ingevolge bedoeld artikel 5, eerste alinea, neemt de jury in eerste instantie enkel kennis van de dossiers van de sollicitanten, en stelt zij de lijst vast van de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. Kunnen deze voorwaarden evenwel niet zonder meer worden toegepast, doch moet vooraf de strekking ervan door de jury nader worden uitgelegd, dan moet zij vóór het onderzoek van de toelating de normen voor de uitlegging van de toelatingsvoorwaarden vaststellen. Zou de jury deze normen namelijk niet vaststellen, dan zou zij achteraf niet in staat zijn, de in artikel 5, zesde alinea, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut bedoelde lijst van geschikte kandidaten op correcte wijze op te stellen; deze lijst moet immers vergezeld gaan van een met redenen omkleed verslag.
Ik ben dan ook van mening, dat artikel 5, derde alinea, van bijlage III analoog dient te worden toegepast, wanneer een vage norm in een aankondiging van vergelijkend onderzoek inhoudelijk door de jury nader dient te worden uitgewerkt.
In het eindverslag van de jury van het vergelijkend onderzoek van 16 september 1983 is evenwel geen enkele aanwijzing te vinden dat de jury bedoelde normen voor de uitlegging van de toelatingsvoorwaarden zou hebben vastgesteld. In het verslag wordt enkel vastgesteld dat geen enkele sollicitant aan de toelatingsvoorwaarden voldeed, meer in het bijzonder dat zij niet de in punt V.2. van de aankondiging verlangde „praktijkervaring van ten minste tien jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking” hadden.
Blijkens dit verslag heeft de jury dus kennelijk nagelaten, vorenbedoelde normen vast te stellen.
In het algemeen heeft verweerster wel opgemerkt, dat zij voor alle andere talensecties waarin een vacature van sectiehoofd moest worden vervuld, een „relevante” beroepservaring van lange duur (tien jaar) als voorwaarde had gesteld; daaronder had zij een ervaring verstaan die ten minste gedeeltelijk als reviseur was opgedaan.
Door het Hof schriftelijk om inlichtingen verzocht over de vaststelling van deze normen, heeft verweerster zich ertoe bepaald andermaal een exemplaar van het eindverslag van de jury over te leggen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij dan verklaard dat zij alle sollicitanten die geen aantoonbare beroepservaring van tien jaar als reviseur hadden, niet tot de rest van de procedure heeft toegelaten.
Deze handelwijze van de jury is niet verenigbaar met bijlage III bij het Ambtenarenstatuut. Aangezien in geval van vage toelatingsvoorwaarden mijns inziens artikel 5, derde alinea, van bijlage III analoog dient te worden toegepast, dus evenals voor de beoordeling van bewijsstukken waarderingsnormen moeten worden vastgesteld, wil ik verwijzen naar het arrest van 14 december 1965 (zaak 21/65, Morina, Jurispr. 1965, blz. 1334) ( 1 ), waarin het Hof heeft overwogen:
„Dat, aangezien de jury met name heeft nagelaten de normen te noemen, op basis waarvan zij de bewijsstukken in kwestie heeft beoordeeld, aan het verslag een essentieel element ter ondersteuning van de erin vervatte voorstellen ontbreekt;
dat de jury daardoor het bepaalde in de zesde alinea van artikel 5 van bijlage III van het Statuut heeft geschonden.”
Deze overwegingen van het Hof kunnen ook volledig in de onderhavige zaak worden toegepast. Hetzelfde geldt voor de motivering van bedoeld arrest, waarin het Hof heeft gesteld:
„Dat de in die bepalingen vervatte vormvoorschriften als wezenlijk moeten worden beschouwd;
dat inderdaad het vooraf bepalen van beoordelingsnormen ertoe strekt zekerheid te verschaffen dat het onderzoek van de bewijsstukken objectief en vrij van willekeur zal geschieden;
dat anderzijds het vereiste van een ‚met redenen omkleed’ verslag voor het tot aanstelling bevoegde gezag de gelegenheid moet openen een oordeelkundig gebruik te maken van zijn vrijheid van keuze, hetgeen veronderstelt dat het gezag zowel ingelicht wordt over de algemene normen die de jury heeft toegepast als over de uitvoering die zij daaraan gegeven heeft ten aanzien van de op de lijst van geschikte kandidaten geplaatste sollicitanten;
dat, aangezien de hogerbedoelde vormvoorschriften ook in het belang van de sollicitanten zijn voorgeschreven, de schending ervan, ten opzichte van de mededingers die uitgeschakeld zijn, een nadeel in de zin van artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren oplevert.”
Blijkens het eindverslag van de jury en verweersters verklaringen tijdens de mondelinge behandeling, heeft de jury niet zodanige normen vastgesteld. Bijgevolg moet verweersters besluit verzoekster niet tot vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83 toe te laten, nietig worden verklaard.
Aan deze conclusie zou niet worden afgedaan wanneer de jury bedoelde toelatingsvoorwaarde inderdaad aldus had omschreven dat tien jaar beroepservaring als réviseur was vereist, aangezien dit criterium niet in haar verslag is vermeld.
Het staat trouwens lang nog niet vast of dit in deze vorm een juiste norm zou zijn geweest. Gelijk verweerster zelf namelijk heeft verklaard, was bij andere vergelijkende onderzoeken ter voorziening in vergelijkbare vacatures in andere taalgroepen minstens tien jaar beroepservaring vereist, die slechts voor een deel uit revisiewerk behoefde te bestaan. Dit was evenwel een reden te meer om normen voor de waardering van de beroepservaring vast te stellen. Wenste de jury dan van de tot dan geldende praktijk af te wijken, dan had zij deze beslissing in ieder geval moeten toelichten.
3.
Op de grief dat verweerster bij de beoordeling van de duur van verzoeksters beroepservaring kennelijk een fout heeft gemaakt, kan in de onderhavige procedure niet meer worden ingegaan, daar er geen normen voor de beoordeling van de beroepservaring bekend zijn, respectievelijk niet regelmatig zijn vastgesteld.
4.
Ook op verzoeksters grief van misbruik van bevoegdheid, doordat het nooit in verweersters bedoeling zou hebben gelegen het vergelijkend onderzoek met een positief resultaat af te sluiten, behoeft hier niet te worden ingegaan, aangezien het voor verzoekster bezwarende besluit van verweerster hoe dan ook nietig moet worden verklaard.
5.
Naast de nietigverklaring, vordert verzoekster nog dat verweerster wordt gelast, dat de jury haar werkzaamheden moet hervatten.
Deze vordering kan niet worden toegewezen, aangezien het Hof in een procedure overeenkomstig artikel 179 EEG-Verdrag enkel het voor verzoekster bezwarende besluit nietig kan verklaren, doch verweerster niet kan gelasten, welke gevolgen zij aan de uitspraak dient te verbinden (arrest van 28 oktober 1980, zaak 2/80, Dautzenberg, Jurispr. 1980, blz. 3107, en de conclusie van advocaatgeneraal Warner, inzonderheid blz. 3123), arrest van 15 december 1966, zaak 62/65, Serio, Jurispr. 1966, blz. 808). Ingevolge het algemene beginsel van artikel 176 EEG-Verdrag is de instelling welke de vernietigde handeling heeft verricht, evenwel toch reeds gehouden de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.
Ter zake van deze vordering acht ik dan ook geen beslissing nodig.
6.
a)
Ten slotte wil ik kort ingaan op het argument van verweerster, dat zij ingevolge's Hofs rechtspraak niet bevoegd was om het jurybesluit in te trekken of te herzien. De jury zou souverein en onafhankelijk zijn, zodat het tot aanstelling bevoegde gezag niet bevoegd is en het niet aan dit gezag staat om de regelmatigheid van de door de jury gevolgde procedure te controleren.
b)
In dergelijke algemene termen gesteld, gaat verweersters argument niet op.
Toegegeven moet worden dat de jury weliswaar onafhankelijk is wat de materiële waardering van de bewijsstukken en de examens betreft. Wat dit aangaat, beschikt hij over een beoordelingsmarge. Dit hangt samen met de aard van het vergelijkend onderzoek, en valt onder meer af te leiden uit's Hofs arresten van 9 oktober 1974 (gevoegde zaken 112, 144 en 145/73, Campogrande, Jurispr. 1974, blz. 957), 16 maart 1978 (zaak 7/77, von wullerstorff, Jurispr. 1978, blz. 769) en 9 februari 1984 (arrest van 9 februari 1984, gevoegde zaken nrs. 316/82 en 40/83, Kohier, Jurispr. 1984, blz. 641).
Deze onafhankelijkheid van de jury is evenwel beperkt tot de materiële waardering van de bewijsstukken en de examens, als bedoeld in voormelde arresten, waarin het met name ging om de beoordeling van de geschiktheid van de sollicitant, (arrest van 9 oktober 1974), de waardering van de relevante beroepservaring (arrest van 16 maart 1978) en van de beroepsbekwaamheid (arrest van 9 februari 1984).
Deze onafhankelijkheid ontslaat de jury evenwel niet van de verplichting om de wettelijke bepalingen in acht te nemen. In zijn conclusie in zaak 23/64 (Vandevyvere, Jurispr. 1965, blz. 222) heeft advocaatgeneraal Gand dit treffend als volgt gekenmerkt:
„Het staat vast dat de vrijheid van de jury haar begrenzing vindt in de op haar rustende verplichting om de wettelijke bepalingen betreffende het vergelijkend onderzoek in acht te nemen: de algemene teksten, de regeling van het vergelijkend onderzoek met al haar aspecten, welke bij voorbeeld nauwkeurig het karakter van het examen kan vaststellen, de aan ieder van deze toegekende coëfficiënten. De jury vormt daarentegen het hoogste gezag wanneer zij binnen de hierboven genoemde grenzen de verschillende sollicitanten onderscheidenlijk waardeert en hun cijfers toekent of classificeert.”
Dit onderscheid tussen rechtsgebondenheid en waarderingsvrijheid is van belang om uit te maken, welke bevoegdheden het tot aanstelling bevoegde gezag tegenover de jury bezit. In voornoemd arrest van 16 maart 1978 in zaak 7/77 oordeelde het Hof dat de klachtprocedure geen zin heeft waar het een grief betreft tegen besluiten van een jury van een vergelijkend onderzoek, daar het tot aanstelling bevoegde gezag niet over de middelen beschikt om deze besluiten te herzien. Dit geldt evenwel enkel wanneer de jury binnen de grenzen van haar opdracht op regelmatige wijze waardeert, doch niet wanneer zij wettelijke bepalingen naast zich neerlegt, aangezien zij daartoe ondanks haar materiële onafhankelijkheid niet bevoegd is.
Het tot aanstelling bevoegde gezag heeft dus niet enkel het recht doch ook de plicht om toe te zien op de wettigheid van de werkzaamheden van de jury en eventueel om onwettige jurybesluiten te vernietigen, mits het de feitelijke onafhankelijkheid van de jury bij de beoordeling van bewijsstukken en examens eerbiedigt.
Dit is ook vereist vanuit het oogpunt van een doelmatige en efficiënte rechtsbescherming. Het gaat niet aan om een ambtenaar die door een kennelijk onwettige handelwijze van een jury is benadeeld, te verplichten om de veel langer durende procedure voor het Hof van Justitie te volgen, terwijl het tot aanstelling bevoegde gezag reeds de mogelijkheid heeft om in het kader van de administratieve procedure van artikel 90 van het Ambtenarenstatuut de bezwaren van de betrokkene uit de weg te ruimen.
In het onderhavige geval heeft verweerster dit evenwel nagelaten.
7.
Aangezien aldus de primaire vordering moet worden toegewezen en enkel de vordering tot vaststelling van de concrete rechtsgevolgen moet worden afgewezen, welke gevolgen verweerster hoe dan ook aan het arrest zal moeten verbinden, lijkt het mij redelijk, overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering verweerster te verwijzen in alle kosten.
Daaraan staat niet in de weg dat verzoekster aanvankelijk ook nietigverklaring van het vergelijkend onderzoek in zijn geheel heeft gevorderd. Bij letterlijke interpretatie van het beroep was deze vordering in tegenspraak met de andere vorderingen, zodat zij kennelijk als subsidiaire of alternatieve vordering was bedoeld. In repliek heeft verzoekster zulks duidelijk laten blijken, en tijdens de mondelinge behandeling heeft zij uiteindelijk deze vordering laten vallen. Mijns inziens lijkt het dan ook niet nodig, verzoekster overeenkomstig artikel 69, paragraaf 4, van het Reglement voor de procesvoering voor een deel in de proceskosten te veroordelen.
C.
Concluderend geef ik het Hof mitsdien in overweging:
1)
het op 30 september 1983 ter kennis van verzoekster gebrachte besluit van verweerster om haar niet tot vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83 toe te laten, nietig te verklaren;
2)
het beroep voor het overige te verwerpen;
3)
verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
( 1 ) Dit arrest in de zaak-Morina, dat betrekking had op het EEG- en EGA-ambtenarenstatuut (verordening EEG nr. 31/EGAnr. 11, PB 1962, blz. 1385), kan ook voor het Statuut voor EG-ambtenaren gelden, aangezien de respectieve bijlagen III identiek zijn geformuleerd.
Full & Egal Universal Law Academy