CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 26 september 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Einde 1978 ging een Duits douanekantoor over tot de tariefindeling van goederen die door Telefunken uit Japan waren ingevoerd. Het ging om receiver/platenspeler/cassettespeler-combinaties, die tezamen met twee luidsprekers werden aangeboden in één kartonnen doos en in de facturen van de Japanse leveranciers waren omschreven als
„Telefunken Music Center 3022 BF, ... complete with two speaker boxes ...”
Luidens de prospectus voor de detailverkoop werd elke combinatie aangeboden met „twee optimaal passende luidsprekerboxen”.
Het douanekantoor deelde al die goederen, luidsprekers inbegrepen, in onder post 85.15 A II van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT), betreffende
„A)
Zend- en ontvangtoestellen voor radiotelefonie of voor radiotelegrafie; zend- en ontvangtoestellen voor radio-omroep en televisie (ontvangtoestellen met ingebouwd toestel voor het opnemen of voor het weergeven van geluid daaronder begrepen) en televisiecameraa's :
...
III)
Ontvangtoestellen, ook indien met ingebouwd toestel voor het opnemen of voor het weergeven van geluid.
...”
De goederen van deze post zijn onderworpen aan een autonoom recht van 22% en een conventioneel recht van 14%.
Telefunken betwistte deze tariefindeling, voor zover zij ook voor de luidsprekers gold, en verzocht om indeling hiervan onder post 85.14 van het GDT:
„85.14
Microfoons en statieven daarvoor, luidsprekers, elektrische laagfre-quentversterkers”,
waarvoor het autonome recht 18% en het conventionele recht 7% bedroeg.
Nadat het Finanzgericht Hamburg de vordering van Telefunken had toegewezen, stelde de Duitse douaneadministratie, ondersteund door het Bondsministerie van Financiën, „Revisions”-beroep in bij het Bundesfinanzhof. Dit onderzocht of het begrip „functionele eenheid” uit de Toelichtingen op de IDR-Nomenclatuur (hierna: IDR-toelichtingen) in de onderhavige zaak wel bruikbaar was en of de vraag reeds was beantwoord in 's Hofs rechtspraak over dat begrip.
Daar het echter meende dat de in de rechtspraak gegeven antwoorden het niet mogelijk maakten om het begrip functionele eenheid te onderzoeken in onmiddellijk verband met de normatieve inhoud van het GDT zelf en niet enkel met de IDR-toelichtingen die uit het GDT moeten voortkomen, heeft het Bundesfinanzhof het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat een receiver/platenspeler/cassettespeler-combinatie, aangeboden met twee voor gebruik met de combinatie bestemde luidsprekers, als één goed onder post 85.15 van het gemeenschappelijk douanetarief valt ?”
2.
Naast Telefunken en de Commissie hebben ook de Italiaanse en de Franse regering opmerkingen in deze zaak ingediend.
Alle partijen lijken het eens te zijn met de constatering van de verwijzende rechter, dat de omstandigheid dat de goederen in geding tezamen ter inklaring zijn aangeboden, geen reden is om ze onder eenzelfde post in te delen. Van afzonderlijke indeling zou slechts dan geen sprake kunnen zijn, wanneer uit het GDT zou volgen dat combinatie en luidsprekerboxen tezamen als één goed zijn te beschouwen en om die reden onder één enkele post kunnen vallen.
Er zijn drie verschillende oplossingen voorgesteld.
Volgens Telefunken en de Italiaanse regering moeten de goederen afzonderlijk worden ingedeeld: de combinaties onder post 85.15 van het GDT en de luidsprekers onder post 85.14.
Telefunken wijst op de veranderingen in de sector moderne elektronica, die met name een sterke ontwikkeling te zien geeft van de modulaire techniek, die het mogelijk maakt de modules geleidelijk aan te kopen. Die modules zouden daardoor zelfstandige goederen in de zin van het GDT zijn geworden. Daar de luidsprekers niet zijn ingebouwd, zouden zij niet als elementen van een combinatie kunnen worden beschouwd, aangezien zij niet één enkele functie hebben, maar ook met andere toestellen kunnen worden gebruikt.
De Italiaanse regering betoogt met name, dat de luidspekers geen elementen van de combinaties zijn en dat zij met toestellen van verschillend type kunnen worden gebruikt, hetgeen de toepassing van het begrip „functionele eenheid” zou. uitsluiten.
Daarentegen is de Franse regering van mening, dat de goederen als een assortiment moeten worden beschouwd en dat het dus geen zin heeft het door de verwijzende rechter genoemde begrip functionele eenheid erbij te halen. Zij beroept zich op Algemene bepaling A 3 b) voor de toepassing van het GDT, betreffende de tariefindeling van goederen opgemaakt in assortimenten. Volgens deze bepaling moeten
„mengsels, werken welke zijn samengesteld uit of mét verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen opgemaakt in stellen of assortimenten, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a), worden ingedeeld naar de stof of naar het goed, waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald.”
Daaruit concludeert de Franse regering dat, nu het assortiment zijn wezenlijk karakter aan de combinatie ontleent, het in zijn geheel onder post 85.15 A III moet worden gebracht.
De Commissie van haar kant houdt het erop, dat goederen die tezamen ter inklaring en te koop worden aangeboden, een functionele eenheid vormen in de zin van de IDR-toelichtingen betreffende aantekening 3 bij afdeling XVI.
Deze aantekening 3 bepaalt:
„Voor zover niet anders is bepaald worden combinaties van machines van verschillende soorten, welke bestemd zijn om gezamenlijk te functioneren en welke één geheel vormen, alsmede machines met twee of meer verschillende (afwisselende of aanvullende) functies, ingedeeld naar de hoofdfunctie, welke kenmerkend is voor het complex.”
Volgens de desbetreffende toelichtingen
„... is deze aantekening niet van toepassing indien een machine of toestel bestaat uit afzonderlijke elementen, die zijn ontworpen om gezamenlijk één welbepaalde functie te verrichten, zoals bedoeld in één van de posten van hoofdstuk 84 of wat vaker het geval is, van hoofdstuk 85. De omstandigheid dat deze elementen bijvoorbeeld om praktische redenen afzonderlijk zijn opgesteld en enkel met elkaar zijn verbonden door middel van... elektrische kabels, staat indeling van het geheel onder de post, die in verband met de functie van toepassing is, niet in de weg.”
Volgens de Commissie moet het begrip functionele eenheid kunnen worden gebruikt voor de uitlegging van een tariefpost van de hoofdstukken 84 en 85. Het zou echter van belang zijn, er een restrictieve toepassing aan te geven, daar het in de aangehaalde toelichting eng wordt omschreven. De luidsprekers zouden slechts bestemd zijn om van een der componenten van de combinatie afkomstige impulsen hoorbaar te maken, en het geheel zou één functie hebben, namelijk het van een receiver/platenspeler/cassettespeler-combinatie afkomstige geluid hoorbaar te maken. Alle betrokken goederen zouden daarom onder post 85.15 A III van het GDT vallen. Het feit dat elementen van het geheel ook met een ander toestel kunnen functioneren, zou niet van belang zijn, voor zover zij maar niet voor een andere, in een andere tariefpost omschreven functie kunnen worden gebruikt en voor zover zij maar tezamen worden aangeboden.
Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie gepreciseerd dat, zo de luidsprekers gescheiden van de combinatie doch ter completering daarvan werden ingevoerd, de functionele eenheid toch zou blijven bestaan. Hij voegde daaraan toe datj wanneer het Hof zou oordelen dat het niet om een functionele eenheid gaat, de Commissie de toepassing zou aanbevelen van Algemene bepaling A 3 b) voor de toepassing van het GDT, zoals voorgesteld door de Franse regering. Het begrip assortiment zou iets ruimer zijn dan het begrip functionele eenheid; men zou daarbij moeten denken aan een voor een bepaalde behoefte of werkzaamheid noodzakelijk samenstel van goederen.
3.
Uit de diversiteit van de voorgestelde oplossingen blijkt wel, hoe moeilijk de keuze is die wij moeten maken. In deze zaak zal het Hof vooral de rechtsgrondslag en werkingssfeer van het begrip functionele eenheid moeten verduidelijken.
De verwijzende rechter heeft immers te kennen gegeven, dat hij voorlichting wenst over juist dit begrip, waarnaar weliswaar op bepaalde plaatsen in de IDR-toelichtingen wordt verwezen, maar waarvan moet worden vastgesteld of het teruggaat op het GDT, „want alleen dit is de rechtsnorm waarop het rechterlijk onderzoek zich moet richten”.
's Hofs arrest van 9 februari 1984 (zaak 60/83, Metro, Jurispr. 1984, blz. 671) lijkt mij een antwoord op deze eerste vraag te bevatten. Bij de beantwoording van een vraag over de toepassing van het begrip functionele eenheid op een goed van hoofdstuk 14 van het GDT (kasregisters) citeerde het Hof zonder enig voorbehoud de IDR-toelichtingen, met name die betreffende aantekening 3 bij afdeling XVI, om vervolgens te overwegen
„... dat deze toelichtingen bedoeld zijn om machines en toestellen, bestaande uit verschillende elementen die onder verschillende tariefnummers vallen, onder een bepaald tariefnummer te kunnen brengen, wanneer het complex is ontworpen om één bepaalde, in dat tariefnummer bedoelde functie te kunnen vervullen.”
Daarmee erkende het stilzwijgend doch onvermijdelijk de normatieve waarde van de toelichtingen. Deze uitlegging, die door geen der partijen ter discussie is gesteld, dient mijns inziens thans niet weer in twijfel te worden getrokken. Wat stellen wij nu vast ? Het gaat in casu niet, in de zin van aantekening 3 bij afdeling XVI, om een combinatie van — samengevoegde — machines en evenniin om een verzameling onderdelen in de zin van aantekening 2 b) bij dezelfde afdeling. Wij hebben hier te maken met een specifiek geval, dat niet uitdrukkelijk in de gemeenschapsnorm — het GDT — is voorzien. Mitsdien zijn de toelichtingen volgens 's Hofs vaste rechtspraak het juiste instrument voor de uitlegging van het GDT.
Met de Commissie kan worden aangenomen, dat; het begrip functionele eenheid de grondslag vormt van een aantal algemene bepalingen voor de uitlegging van het GDT en van de inlei'dende aantekeningen bij afdeling XVI, bijvoorbeeld Algemene bepaling A 2 a) en aantekening 3 bij afdeling XVI. Meer nog, het is door uit te gaan van de toelichtingen, dus door er een referentiewaarde aan toe te kennen, dat het Hof het begrip functionele eenheid heeft toegepast.
Met betrekking tot de draagwijdte van dit begrip heeft de Commissie terecht beklemtoond, dat het beperkend moet worden uitgelegd, juist om te voorkomen dat het toepassingsgebied van een tariefpost ten onrechte en ten koste van andere zou worden verruimd. Dit is overigens de zin van het arrest Metro (reeds aangehaald), waarin het Hof erop wijst, dat zodra een van de elementen waaruit het in te delen produkt is samengesteld, „onafhankelijk van de andere elementen, en voor andere functies dan die welke aan het geheel toekomen, kan worden gebruikt” (r.o. 9), de IDR-toelichtingen die de inhoud van dat begrip bepalen, niet van toepassing kunnen zijn.
De Commissie lijkt echter van deze uitleggingsregel af te wijken waar zij stelt, dat de functie waarom het in post 85.15 A III gaat, die is van een „ontvangtoestel, ook indien met ingebouwd toestel voor het opnemen of voor het weergeven van geluid”, zulks op grond dat zonder luidsprekers de combinatie niet volledig zou zijn.
Leest mèn deze specifieke tariefpost op de juiste wijze, dan kan men niet anders dan vaststellen dat het ook zonder luidsprekers zeer wel mogelijk is om, bijvoorbeeld, een bepaalde uitzending te ontvangen en op te nemen (men behoeft enkel maar de frequentie van de zender te kennen). De functie waarop in genoemde post wordt gedoeld, is wel degelijk het ontvangen van een uitzending. De luidsprekers zijn daar echter niet voor nodig. Zij hebben een eigen, zelfstandige functie^ namelijk het hoorbaar maken van de uitzending, terwijl het wezenlijke kenmerk bij post 85.15 A III de ontvangst is, die mogelijk is zonder dat men iets hoort.
Hieruit blijkt wel dat het begrip functionele eenheid mijns inziens in de onderhavige zaak niet van toepassing is; ik meen dan ook dat de vraag van het Bundesfinanzhof ontkennend moet worden beantwoord.
4.
Wat een eventuele toepassing van Algemene bepaling A3 b) voor de toepassing van het GDT betreft, stel ik vast dat de verwijzende rechter daaromtrent geen vraag heeft gesteld. Hieraan zij echter toegevoegd, dat ook wanneer men aanneemt dat het in casu om een goederenassortiment gaat, die bepaling een expliciete oplossing geeft. Van indeling volgens het wezenlijk karakter dat het geheel ontleent aan een der goederen van het assortiment, kan slechts sprake zijn wanneer die goederen niet kunnen worden ingedeeld volgens bepaling A 3 a), volgens welke „de post met de meest specifieke omschrijving voorrang heeft boven posten met een meer algemene strekking”. De luidsprekers vallen echter uitdrukkelijk onder een specifieke bepaling.
5.
Concluderend geef ik in overweging, de vraag van het Bundesfinanzhof té beantwoorden als volgt:
— Een geheel van goederen dat op het ogenblik van de invoer bestaat uit verschillende elementen die in eenzelfde verpakking worden aangeboden, namelijk enerzijds een receiver/platenspeler/cassettespeler-combinatie en anderzijds twee afzonderlijke luidsprekers, kan niet worden beschouwd als een functionele eenheid en dus ook niet als een enkel goed in de zin van een ontvangtoestel met ingebouwd toestel voor het opnemen of voor het weergeven van geluid, dat uitsluitend onder post 85.15 A III van het GDT valt.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy