CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 15 mei 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Drünert voerde in oktober en december 1978 449 partijen balsahout uit Ecuador in de Bondsrepubliek Duitsland in.
Na een onderzoek te hebben ingesteld, deelde het Hauptzollamt Bremen 381 partijen in onder tariefpost 44.13 van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT), die betrekking heeft op
„hout (niet ineengezette plankjes voor parketvloeren daaronder begrepen), geschaafd, geploegd of van sponningen voorzien, afgeschuind of op dergelijke wijze bewerkt”.
Volgens het Hauptzollamt waren de tegenover elkaar gelegen smalle zijden zo glad geschaafd, dat geen zaagsporen meer te zien waren.
Daarop werd een invoerrecht van 5% van de waarde van de goederen geheven.
Drünert had het hout bij invoer evenwel als volgt aangegeven :
„balsahout, overlangs gezaagd doch niet verder bewerkt, loofhout met een dikte van 52 mm en meer”.
Zij verzocht om indeling in tariefpost 44.05 GDT, betreffende
„hout, enkel overlangs gezaagd of enkel gesneden of geschild, met een dikte van meer dan 5 mm”.
Aldus ingedeeld, zijn de goederen vrijgesteld van invoerrechten.
Drünert kwam tegen het besluit van de douane in beroep bij het Finanzgericht Bremen, dat haar in het gelijk stelde.
In „Revision” heeft het Bundesfinanzhof vastgesteld, dat het Hof van Justitie zich vooralsnog niet heeft uitgesproken over de uitlegging van tariefpost 44.05, en dat de juiste toepassing van deze tariefpost niet in die mate voor de hand ligt dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. Van oordeel, dat de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur in strijd zijn met de bewoordingen van tariefpost 44.05, heeft het Bundesfinanzhof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet tariefpost 44.05 van het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat daaronder valt overlangs gezaagd balsahout met een dikte van meer dan 5 mm, dat op twee tegenover elkaar gelegen smalle zijden zo glad is gemaakt, dat het geen zaagsporen meer vertoont ? Zo neen, valt dit hout dan onder tariefpost 44.13 van het gemeenschappelijk douanetarief ?”
2.
Allereerst moet het volgende worden rechtgezet: blijkens de onweersproken memorie van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de vaststellingen ter terechtzitting is het balsahout, dat de vorm heeft van een parallellepipedum met een dikte van meer dan 5 mm, niet — gelijk in het vonnis van het Finanzgericht Bremen en in de verwijzingsbeschikking van het Bundesfinanzhof is gesteld — op de smalle zijden gladgemaakt, maar op de twee grote vlakken; bij de litigieuze 381 bundels vertoonden deze grote vlakken derhalve geen zaagsporen meer.
Blijkens het feitenrelaas in het vonnis a quo werd het balsahout in een eerste fase vierkant gezaagd met grote cirkelzagen; daarna werd het in speciale ovens gedroogd en vervolgens bewerkt op een vlakbank; voor de nationale rechter is kennelijk niet bestreden, dat dit laatste noodzakelijk is om de kwaliteit van het hout te kunnen vaststellen. Daarop werd het hout overlangs gezaagd en met een betrekkelijk fijne cirkelzaag aan twee zijden gladgeschaafd. Na deze bewerkingen werd het hout gesorteerd en overeenkomstig de bestellingen gebundeld.
Deze toelichtingen zijn noodzakelijk voor een beter begrip van de zaak. Er zij evenwel aan herinnerd, dat het Hof in het kader van artikel 177 „niet bevoegd is een communautaire regel op een bepaald geval toe te passen, doch wel aan de nationale rechter interpretatiegegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht kan verstrekken, die voor hem van waarde kunnen zijn bij de toepassing van deze regel” (arrest van 23 oktober 1975, zaak 35/75, Matisa, Jurispr. 1975, blz. 1205).
3.
Volgens Drünert wordt niet betwist, dat het balsahout als gewoon gezaagd hout is aan- en doorverkocht. Bij latere sortering door de douane bleek dat slechts 11,77% van de ingevoerde planken een glad oppervlak had, ofschoon alle planken dezelfde behandeling hadden ondergaan.
Volgens de toelichtingen bij tariefpost 44.05, zou een aanvullende bewerking na het zagen geen beletsel vormen voor indeling in deze tariefpost.
Luidens de derde alinea van de toelichting bij deze tariefpost, zou daartoe ook behoren licht geschaafd hout waarop de zaagsporen niet zijn verdwenen.
Ingevolge twee tariferingen van 18 mei 1972 kan onder post 44.05 voorts worden ingedeeld:
—
„Hout in de vorm van een parallellepipedum, verkregen door boomstammen tweemaal door een speciale machine te voeren... Het op deze wijze verkregen hout is over het algemeen iets gladder dan het door zagen verkregen hout, maar de sporen van de bewerking, die heeft plaatsgevonden, zijn evenwel nog zichtbaar” (ref. nr. 076);
—
„Overlangs gezaagd hout waarvan met een speciale machine (‚Sizer’) een zijde of twee aanliggende zijden zijn geëgaliseerd om de door de met hoge snelheid werkende zaagmachine veroorzaakte ongelijkheden in de afmetingen weg te nemen; daardoor worden produkten met gelijke afmetingen verkregen, hetgeen het verpakken, het transporteren en het later bewerken vergemakkelijkt” (ref. nr. 075).
Verzoekster in het hoofdgeding baseert zich vooral op laatstbedoelde tarifering, en stelt dat het enige verschil met het onderhavige geval hierin bestaat, dat met de „Sizer” twee aanliggende zijden glad kunnen worden gemaakt, terwijl de vlakbank, die met twee tegenover elkaar gelegen assen werkt, twee tegenover elkaar liggende vlakken gladslijpt. Waar de „Sizer” verschillen in afmetingen wegwerkt, dient de vlakbank uitsluitend om het onderzoek en de indeling van het produkt mogelijk te maken. De ingreep is gelijk, aangezien in geen van beide gevallen sprake is van „intensieve bewerkingen die een afgewerkt of minstens half afgewerkt produkt tot gevolg hebben”, een noodzakelijke voorwaarde voor indeling onder tariefpost 44.13; is aan deze voorwaarde niet voldaan, dan valt het hout onder tariefpost 44.05.
Volgens de Commissie vormt de tariefindeling van het onderhavige hout weliswaar een grensgeval, maar moet balsahout dat geen zaagsporen meer vertoont, onder post 44.13 worden gebracht. Zij betwijfelt, of balsahout op de vlakbank moet worden bewerkt om de kwaliteit ervan te kunnen vaststellen, en is van mening dat zulks ook mogelijk is zonder de oppervlakken glad te maken. Volgens de toelichting bij tariefpost 44.05 valt hieronder ook licht geschaafd hout dat nog de zaagsporen vertoont. Luidens de toelichting bij tariefpost 44.13 moet het hout evenwel onder deze post worden gebracht, indien één hoofdvlak of één zijvlak is geschaafd.
Tarifering nr. 075 van 18 mei 1972 is in casu nauwelijks van belang, aangezien zij betrekking heeft op hout waarvan twee aanliggende zijden zijn geëgaliseerd ten einde ongelijkheden in de afmetingen weg te nemen; balsahout, een zachte houtsoort, kan reeds bij de eerste bewerking in de juiste afmetingen worden gezaagd. Voorts zijn de afmetingen niet beslissend voor het latere gebruik van balsahout, hetgeen niet kan worden gezegd voor het egaliseren van de oppervlakken: het hout wordt doorgaans gebruikt voor modelbouw, en wordt in stokjes of schrootjes gesneden, die gelijkmatige afmetingen moeten hebben. Het gladmaken van de oppervlakken is van groot belang, aangezien die bewerking de handelswaarde van het hout verhoogt.
Met betrekking tot het tweede deel van de prejudiciële vraag is Drünert van oordeel dat hout onder tariefpost 44.05 valt zolang het niet onder tariefpost 44.13 kan worden ingedeeld. Post 44.13 is alleen van toepassing op hout dat door intensieve bewerking een afgewerkt of minstens half afgewerkt produkt is geworden.
De Commissie is van mening dat, bij gebreke van nadere bepalingen, hout dat niet onder tariefpost 44.05 valt, onder tariefpost 44.13 moet worden gebracht. Dit is echter geen algemene regel, daar in bepaalde gevallen andere tariefposten de voorkeur verdienen.
4.
Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat „in het belang van de rechtszekerheid en van de werkzaamheden der administratie”, „het beslissend criterium voor de indeling van waren onder het douanetarief in de regel in de kenmerken en objectieve eigenschappen der produkten moet worden gezocht” (arresten van 22 december 1973, zaak 128/73, Past, Jurispr. 1973, blz. 1277, r.o. 3, en van 23 maart 1972, zaak 36/71, Henck, Jurispr. 1972, blz. 187, r.o. 4).
De posten 44.05 en 44.13 van het gemeenschappelijk douanetarief maken deel uit van een nomenclatuur (hoofdstuk 44), waarvan de indeling is gebaseerd op de minder of meer ingrijpende aard van de bewerkingen die het hout heeft ondergaan. Eerst komen brandhout en houtafval, dan onbewerkt of enkel ontschorst of ruw gehakt hout, gevolgd door vierkant gezaagd hout (44.04), hout, enkel overlangs gezaagd, met een dikte van meer dan 5 mm (44.05), en dan hout dat een grondige bewerking heeft ondergaan (44.06 tot 44.19). Aan het einde van het hoofdstuk komen een aantal produkten voor die uit houten onderdelen zijn vervaardigd.
Gelijk de vertegenwoordiger van de Commissie heeft opgemerkt, is de indeling van hoofdstuk 44 gebaseerd op de mate waarin het hout door mensenhand is bewerkt. Het is de bedoeling, de werkgelegenheid in de Gemeenschap te beschermen door in beginsei invoerrechten te heffen over elk produkt dat in het land van uitvoer een bewerking heeft ondergaan die ook in de invoerende Lid-Staat kan plaatsvinden.
De tariefposten 44.05 en 44.13 maken derhalve deel uit van een logisch gestructureerd geheel, hetgeen wordt bevestigd aan het begin van de toelichting bij post 44.13, waar het heet:
„Deze post omvat hout (o.m. planken), dat na vierkant te zijn bekakt of gezaagd, geschaafd is om het vlak te maken, en waarvan de zijkanten meestal zijn bewerkt om het aaneen- of ineenzetten te vergemakkelijken” (cursivering van mij),
met dien verstande dat
„als geschaafd hout wordt aangemerkt, hout waarvan ten minste één van de hoofdvlakken of één van de zijvlakken is geschaafd.”
Op het eerste gezicht leiden zowel de omschrijving der twee tariefposten als de bewoordingen van de toelichtingen tot de conclusie, dat het objectieve kenmerk van het hout dat bepalend is voor de indeling, het uiterlijk is, dat wil zeggen gladgeschaafd (post 44.13) of niet (post 44.05).
Voor deze opvatting pleiten de derde alinea van de toelichting bij tariefpost 44.05, waarin sprake is van licht schaven „zonder dat de zaagsporen zijn verdwenen”, en voormelde tarifering nr. 076, waarin eveneens sprake is van „sporen van de bewerking”. In de andere tarifering wordt weliswaar niet verwezen naar nog bestaande zaagsporen, doch blijkens de motivering gaat het hier om een bewerking die tot doel heeft, „de verschillen in afmetingen weg te nemen”, welk aspect in de onderhavige zaak niet aan de orde is.
Buiten kijf staat dus dat het uiterlijk van het hout een objectief kenmerk is, dat als maatstaf kan dienen bij de indeling in een van beide thans in geding zijnde tariefposten. Het is evenwel vaste rechtspraak, dat het beslissende criterium „in de regel” of „in beginsel” in de objectieve kenmerken der produkten moet worden gezocht (arresten van 22 november 1973, r.o. 3, en van 23 maart 1972, r.o. 4). Het Hof heeft daarmee erkend, dat dit criterium ontoereikend kan zijn. Dit „grensgeval”, zoals de Commissie het uitdrukt, toont zeer goed aan hoezeer het in bepaalde gevallen noodzakelijk kan zijn, een aanvullend criterium te hanteren. Zo is niet gesteld, dat de ingevoerde partijen balsahout een verschillende behandeling hadden ondergaan. Toch waren slechts bepaalde bundels op de twee tegenover elkaar gelegen vlakken gladgemaakt, wat tot de litigieuze indeling heeft geleid, terwijl de andere partijen op alle vlakken zaagsporen vertoonden. Dat dezelfde planken, die dezelfde behandeling hebben ondergaan, uitsluitend op grond van het uiterlijk anders worden ingedeeld, is onlogisch en in strijd met het vereiste van rechtszekerheid.
In dergelijke gevallen heeft het Hof zich steeds beijverd om dit vereiste te verenigen met het streven, de nationale rechter de middelen aan de hand te doen om een passende oplossing te vinden voor het betrokken geval. Met betrekking tot de uitleggingsmethoden heeft het Hof voor recht verklaard :
„zolang gemeenschapsrechtelijke bepalingen ter zake ontbreken, komt aan de verklarende toelichtingen en de indelingsadviezen, voorzien in het Verdrag inzake de nomenclatuur voor de indeling van goederen in de douanetarieven ... het gezag toe van waardevolle hulpmiddelen bij de uitlegging der tariefposten van het gemeenschappelijk douanetarief” (arrest van 23 oktober 1975, zaak 35/75, Matisa, Jurispr. 1975, blz. 1205, r.o. 2).
In zoverre blijkt uit de toelichtingen bij de litigieuze tariefposten, dat er tussen het enkele zagen als bedoeld in post 44.05 en de ingewikkelde bewerkingen van post 44.13, tussenstadia bestaan waarbij een aanvullende bewerking plaatsvindt — bij voorbeeld licht schaven —, die evenwel geen beletsel vormt voor indeling in tariefpost 44.05.
In deze gevallen kan het noodzakelijk zijn, een beroep te doen op een aanvullend criterium. Het Hof heeft zich op die weg begeven en, met voorbijgaan van de strikte grenzen van de definities, een onderzoek ingesteld naar de redenen van een ten opzichte van de basisbewerking bijkomende bewerking, waarvan werd betwijfeld of zij al dan niet van belang was voor de tariefindeling.
Zo verklaarde het Hof in voormelde zaak 128/73, waarin het ging om het onderscheid tussen „enkel gelooide” en „overige” schapehuiden, dat wil zeggen huiden die een bewerking hadden ondergaan waardoor zij voor dadelijk gebruik geschikt waren, dat moest worden nagegaan wat het doel was van de bijkomende behandeling, die in het betrokken geval bestond in het toevoegen van vet bij het looien. Met de overweging dat het onontbeerlijk kan zijn vet aan de looistof toe te voegen alvorens in het land van invoer tot de tweede fase van bewerking kan worden overgegaan, verklaarde het Hof
„dat het bevoegde nationale gezag heeft uit te maken of zodanige toepassing als een wezenlijk tot het looiproces behorende bewerking — bedoeld om het leder in goede staat te houden zonder het voor dadelijk gebruik geschikt te maken — is te beschouwen” (r.o. 6, cursivering van mij).
Blijkens de bewoordingen van tariefpost 44.05, de toelichtingen daarbij en de betrokken tariferingen moet „enkel gezaagd hout” achteraf nog een bewerking ondergaan en is het zagen slechts een voorbereidende bewerking (in afwachting van transport of verpakking, of om een latere bewerking te vergemakkelijken). Tariefpost 44.13 heeft betrekking op bewerkingen waarvan schaven de minst ingrijpende is en die ertoe strekken, het hout, althans de behandelde oppervlakken, zijn definitieve vorm te geven. Deze vorm is noodzakelijk voor later gebruik, dat volgens de toelichting vooral bestaat uit aaneen- of ineenzetten. Tariefpost 44.13 impliceert dus dat het hout, in de vorm die het door de betrokken bewerkingen heeft gekregen, dadelijk wordt gebruikt.
Daaruit volgt dat wanneer het hout een bewerking heeft ondergaan die sterk lijkt op schaven, met dien verstande dat het na die bewerking niet dadelijk in de vorm van een plank met twee gladgemaakte tegenover elkaar gelegen oppervlakken kan worden gebruikt, niet noodzakelijkerwijs onder tariefpost 44.13 valt. Indien derhalve de bevoegde nationale rechter van oordeel is dat op de vlakbank behandeld, zelfs gedeeltelijk gladgemaakt hout, nogmaals een bewerking moet ondergaan vóór het kan worden gebruikt voor het doel waarvoor het bestemd is, staat behandeling op de vlakbank op zich niet aan indeling onder tariefpost 44.05 in de weg. Indien er in dit opzicht evenwel nog twijfel bestaat, kan de nationale rechter afzien van toepassing van een aanvullend criterium en zich beperken tot het principiële objectieve criterium, te weten het uiterlijk van het hout.
5.
Op het tweede deel van de vraag van het Bundesfinanzhof, te weten of het hout noodzakelijkerwijs onder tariefpost 44.13 valt wanneer het niet onder tariefpost 44.05 kan worden gebracht, is geen sluitend antwoord mogelijk. Weliswaar bestaat er een onmiskenbaar verband tussen de twee tariefposten, doch ook hier staat het aan de bevoegde nationale instantie om dit verband te bepalen en vast te stellen, met welke andere tariefpost de concrete kenmerken overeenstemmen.
6.
Mitsdien concludeer ik, dat het Hof in antwoord op de vraag van het Bundesfinanzhof voor recht verklare:
—
Hout met een dikte van meer dan 5 mm, dat op twee tegenover elkaar gelegen oppervlakken zo glad is gemaakt dat er geen zaagsporen meer te zien zijn, kan onder tariefpost 44.05 van het gemeenschappelijk douanetarief worden gebracht, voor zover de bewerking waarbij het hout, nadat het enkel overlangs was gezaagd, glad is gemaakt, een latere bewerking met het oog op het gebruik van het hout voor het doel waarvoor het bestemd is, niet overbodig maakt.
—
Komt het hout niet in aanmerking voor indeling onder tariefpost 44.05, dan staat het aan de bevoegde nationale instantie om aan de hand van het uiterlijk van het hout vast te stellen, of het onder tariefpost 44.13 dan wel onder een andere tariefpost valt.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy