CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
PIETER VERLOREN VAN THEMAAT
van 16 oktober 1985
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I — Inleiding
In de onderhavige zaak wordt Uw Hof voor de eerste maal geconfronteerd met de belangrijke en in de literatuur, alsmede in de aanhangige procedure omstreden vraag, in hoeverre aan „belanghebbenden” in de zin van artikel 93, tweede lid, van het EEG-Verdrag een recht van beroep toekomt tegen een beslissing van de Commissie een procedure als in dat voorschrift bedoeld te beëindigen, omdat aan haar aanvankelijke bezwaren tegen de betrokken steunmaatregel naar haar oordeel voldoende is tegemoet gekomen. De vraag heeft, aldus geformuleerd, uiteraard een betrekkelijk algemene strekking. Haar beantwoording zal in zoverre ook voor de controle op de naleving van artikel 92 van het EEG-Verdrag belangrijke gevolgen kunnen hebben, die boven het belang voor de onderhavige zaak uitgaan. De vraag heeft daarnaast echter specifieke aspecten, die van geval tot geval kunnen verschillen. De complicaties, die in de onderhavige zaak de beantwoording van de vraag naar de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep bemoeilijken, vereisen in elk geval een juist inzicht in de belangrijkste feiten.
Ik zal derhalve in mijn conclusie om te beginnen de samenvatting van de belangrijkste feiten en van het procesverloop uit het rapport ter terechtzitting overnemen (deel II van deze conclusie). Voor de afzonderlijke behandeling van de door de Commissie uitgesproken twijfels over de ontvankelijkheid van het beroep, die Uw Hof deden besluiten ambtshalve tot afzonderlijke behandeling van de ontvankelijkheidsvraag over te gaan, is inderdaad ook naar mijn oordeel deze samenvatting van de belangrijkste feiten voldoende.
Vervolgens zal ik aan de hand van de tijdens de procedure schriftelijk en mondeling door partijen naar voren gebrachte argumenten in de eerste plaats mijn oordeel over de vraag in het algemeen geven (deel III van deze conclusie). Daarna zal ik (in deel IV van mijn conclusie) op enkele door de Commissie vermelde specifieke aspecten van de onderhavige zaak ingaan.
Tenslotte zal ik dan (in deel V van mijn conlusie) mijn bevindingen samenvatten en mijn eigenlijke conclusie formuleren.
II — De feiten en het procesverloop
1.
Op 1 juni 1983 heeft het Syndicat Professionnel de l'Industrie des Engrais Azotés te Parijs (hierna: SPIEA), belast met de studie en de verdediging van de algemene belangen van de Franse producenten van stikstofhoudende kunstmest, namens onder meer de ondernemingen Cofaz en SCGP, bij de Commissie een klacht ingediend betreffende het voorkeurtarief voor de levering van aardgas bestemd voor de ammoniakproduktie, dat in Nederland wordt toegekend aan Nederlandse producenten van stikstofhoudend kunstmest.
Voorts hebben ook de Belgische en de Franse regering en een Duitse onderneming bezwaar gemaakt tegen het Nederlandse voorkeurtarief.
2.
Na bovenbedoelde klachten te hebben onderzocht, en kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de Nederlandse regering, heeft de Commissie op 25 oktober 1983 besloten de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag in te leiden. Zij heeft dit besluit in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 1 december 1983 (PB 1983, C 327, blz. 3) bekendgemaakt, en zodoende de andere belanghebbenden dan de Lid-Staten aangemaand haar binnen drie weken hun opmerkingen te doen toekomen. In deze mededeling geeft de Commissie voorts te kennen, dat de betrokken steunregeling een systeem is waarbij de Nederlandse regering via de Gasunie speciale kortingen verleent bij wege van een tweeledige prijstarievenstructuur, die tot gevolg heeft dat de kosten van aardgas als grondstof voor Nederlandse producenten van ammoniak worden verlaagd. De Commissie beschouwt deze tariefstructuur als een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag, die niet in aanmerking komt voor toepassing van één van de uitzonderingsbepalingen in artikel 92, lid 3.
Daarop heeft de SPIEA, met gebruikmaking van de in hogerbedoelde mededeling geboden mogelijkheid, zich bij brief van 6 januari 1984 andermaal tot de Commissie gericht, en heeft zij in haar opmerkingen haar klacht van 1 juni 1983 bevestigd en met nadere bijzonderheden toegelicht.
3.
Tegelijkertijd heeft de Commissie, naar aanleiding van de klacht van de Franse regering van 11 juli 1983, de procedure van artikel 170 EEG-Verdrag ingeleid en bij brief van 4 november 1983, de Nederlandse regering uitgenodigd haar opmerkingen kenbaar te maken.
4.
Op 13 maart 1984 heeft de Commissie krachtens artikel 170 EEG-Verdrag een tot de Franse en de Nederlandse regering gericht, en met redenen omkleed advies uitgebracht betreffende het voor de levering van aardgas aan de Nederlandse producenten van stikstofhoudende meststoffen toegekende voorkeurtarief. In bedoeld advies stelt de Commissie vast dat het Koninkrijk der Nederlanden, door via de Gasunie aan de Nederlandse producenten van ammoniak en van stikstofhoudende meststoffen een voorkeurtarief toe te kennen voor de levering van aardgas, de krachtens artikel 93 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Bovendien houdt zij het standpunt dat zij in voorkomend geval in het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag zal innemen, in beraad.
5.
In het vooruitzicht van de definitieve beraadslaging van de Commissie in de procedure van artikel 93, heeft de SPIEA op 28 maart 1984 een nota laten toekomen aan de kabinetten van de Franse leden van de Commissie. Daarin heeft zij haar bezwaren uiteengezet tegen de inmiddels door de Gasunie gewijzigde aardgastariefregeling. Zij wijst er met name op, dat deze tweede regeling in feite een poging is om het voorkeurtarief waartegen de klacht van 1 juni 1983 was gericht, in een andere vorm te handhaven.
6.
Bij telexbericht van 14 april 1984, heeft de Nederlandse regering de Commissie meegedeeld dat de Gasunie per 1 november 1983 het bij wege van een tweeledig tarief aan de producenten van ammoniak en stikstofhoudende meststoffen toegekende voorkeurtarief (anders gezegd, de regeling waartegen de klacht van de SPIEA was gericht, alsmede de tweede regeling waartegen de SPIEA bij nota van 28 maart 1984 bezwaar heeft gemaakt) heeft afgeschaft, en met terugwerkende kracht tot 1 november 1983 aan zijn industriële tariefregeling een nieuw tarief heeft toegevoegd, het zogeheten „F”-tarief, ten behoeve van de in Nederland gevestigde industriële grootverbruikers — met uitsluiting van de energiesector —, waarvoor alle verbruikers in aanmerking komen die:
—
minstens 600 miljoen kubieke meter aardgas per jaar verbruiken, met een bedrijfstijd van 90% of meer;
—
instemmen met een naar goeddunken van de Gasunie gehele of gedeeltelijke onderbreking van de leveringen, met een korte aanzeggingstermijn;
—
instemmen met de levering van aardgas van uiteenlopende calorische waarde.
Het nieuwe tarief dat aan de verbruikers die deze voorwaarden aanvaarden, in rekening wordt gebracht, ligt op het niveau van het zogeheten „E”-tarief, met een korting van 5 cent per kubieke meter.
7.
Tijdens haar bijeenkomst van 17 april 1984, heeft de Commissie besloten de krachtens artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag tegen de Nederlandse regering ingeleide procedure betreffende het aardgastarief voor de Nederlandse producenten van ammoniak en stikstofhoudende meststoffen, stop te zetten, op grond dat het nieuwe „F”-tarief verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Zij heeft bij brief van 18 mei 1984 de Nederlandse regering daarvan in kennis gesteld. Bij brief van 24 april 1984 heeft zij haar besluit eveneens meegedeeld aan de SPIEA. Daarin wijst zij erop dat zij tot de conclusie is gekomen, dat dit nieuwe tarief, dat naar het oordeel van de Commissie deel uitmaakt van de Nederlandse algemene tariefstructuur voor binnenlandse verbruikers en op sectorieel vlak niet discriminerend is, in geen enkel opzicht als overheidssteun kan worden aangemerkt. De hoge bedrijfstijd en de voorwaarden waaronder aan de industriële grootverbruikers kan worden geleverd, leveren voor de Gasunie grote besparingen op. Aangezien in het huidige prijsniveau van het „F”-tarief niet de volledige waarde is ingecalculeerd van de kosten die de Gasunie met deze contracten op de levering uitspaart, is het „F”-tarief in vergelijking met de aan andere grootverbruikers in rekening gebrachte prijzen economisch en commercieel gerechtvaardigd.
8.
Na kennis te hebben genomen van voormelde brief, heeft de SPIEA bij brief van 22 mei 1984 de Commissie haar bezwaren nopens bovenvermelde conclusies meegedeeld en om nadere toelichting verzocht. Bij brieven van 26 en 27 juni 1984, heeft de Commissie deze toelichting verstrekt en de bezwaren weerlegd.
9.
Het procesverloop
Verzoeksters hebben op 2 juli 1984 beroep ingesteld, waarbij zij concluderen dat het den Hove behage:
—
het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, dat verzoekster bij brief van 24 april 1984 ter kennis is gebracht, nietig te verklaren doordat het een schending van de artikelen 92 en 93, lid 2, EEG-Verdrag vormt;
—
de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in alle kosten, tot staving waarvan later bewijsstukken zullen worden overgelegd.
In haar verweerschrift neergelegd op 9 augustus 1984, concludeert de Commissie dat het den Hove behage:
—
het beroep niet ontvankelijk te verklaren;
—
subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
—
verzoeksters in de kosten te verwijzen.
De Commissie is van mening dat haar besluit om de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag te beëindigen, verzoeksters niet rechtstreeks en individueel raakt, zodat niet is voldaan aan de in artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag gestelde voorwaarde die iedere natuurlijke of rechtspersoon moet vervullen om een beroep tot nietigverklaring te kunnen instellen.
Verzoeksters daarentegen zijn de mening toegedaan, dat het bestreden besluit hen rechtstreeks en individueel raakt.
Luidens artikel 92, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering, kan het Hof in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid, welke van openbare orde zijn, in behandeling nemen.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid over te gaan.
III — De vraag naar de ontvankelijkheid van beroepen van belanghebbenden tegen het beëindigen van een procedure ex artikel 93, lid 2, EEG-verdrag in het algemeen
1. Het standpunt van de Commissie
1.1. Bestrijding van individueel geraakt zijn van verzoeksters
De Commissie, die op zichzelf niet betwist dat de gewraakte handeling een besluit is waartegen krachtens artikel 173 EEG-Verdrag beroep kan worden ingesteld, is ten aanzien van de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep om te beginnen van mening, dat blijkens artikel 189 de beschikking in beginsel alleen de daarin met name genoemde adressaten aangaat, en dat niemand buiten deze adressaten beroep kan instellen. De mogelijkheid die artikel 173, tweede alinea, opent voor derden, is dus niet zozeer een uitzondering ten gunste van andere personen dan de adressaten van een beschikking, als wel een gelijkstelling van bepaalde derden met de met name genoemde adressaten. Bij zulk een gelijkstelling moet restrictief te werk worden gegaan. Het enkele feit dat de betrokkene door een beschikking is „benadeeld”, is in dit opzicht niet voldoende.
a)
Het is volgens de Commissie vaste rechtspraak van het Hof (arrest van 15.7.1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 205) dat zij die niet de adressaten ener beschikking zijn, moeten doen blijken van zekere bijzondere hoedanigheden, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseren en hen derhalve individualiseren op soortgelijke wijze als de adressaat. Wat verzoeksters betreft, vloeit zulks beslist niet voort uit de omstandigheid dat zij door de Gasunie zijn gediscrimineerd bij wege van het tarief zoals in voege vóór de tariefregeling waartegen het onderhavige beroep is gericht. De hoedanigheid van ammoniakproducenten kan hen evenmin ten opzichte van ieder ander individualiseren, aangezien het „F”-tarief niet langer uitsluitend voor ammoniakproducenten geldt.
b)
Wat er ook van zij, de Commissie is van mening dat, zelfs indien zich een daadwerkelijke en kennelijke discriminatie heeft voorgedaan, de ondernemingen die door het toekennen van steun aan derden in een ongunstige positie zijn komen te verkeren, niet zijn benadeeld in hun rechtspositie tegenover de Commissie, indien deze ten onrechte mocht hebben vastgesteld dat er geen sprake is van een steunmaatregel. De artikelen 92 en 93 verlenen aan particulieren geen subjectief recht om een ingrijpen vanwege de Commissie te verlangen. In het kader van de toepassing van de artikelen 92 en 93 beschikken particulieren slechts over een louter procedureel recht, te weten het recht om na te zijn aangemaand, hun opmerkingen te maken, vooraleer de Commissie in negatieve zin beschikt. Indien de Commissie daarentegen in positieve zin beschikt en vaststelt dat er geen sprake is van een steunmaatregel of dat de betrokken steunmaatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, dan laat zulks de rechtspositie van de particulieren onverlet, ongeacht of zij zelf de steun genieten dan wel concurrenten zijn van de begunstigden.
c)
De Commissie is van mening dat de betrokkenheid van verzoeksters bij het inleiden en het verloop van de procedure van artikel 93, lid 2, hen niet in die mate individualiseert dat zij kunnen worden gelijkgesteld met een adressaat als bedoeld in voormeld arrest-Plaumann. De objectieve situatie van door een beschikking individueel geraakt te zijn, kan voor verzoeksters niet zonder meer voortvloeien uit de omstandigheid dat zij uit eigen beweging en uit beweeggronden die alleen hen zelf aangaan, in een fase van de administratieve procedure zijn tussengekomen. De procedure van artikel 93, lid 2, is ingeleid door de Commissie, waarbij de contacten met verzoeksters geen ander oogmerk hadden dan de Commissie voor te lichten. Zo moet ook het feit worden gezien dat verzoeksters van de bestreden beschikking in kennis zijn gesteld.
d)
Volgens de Commissie kan de positie van verzoeksters tijdens de administratieve procedure niet worden vergeleken met die welke bij artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962 (PB 1962, L 13, blz. 204) is erkend. Ook al hadden verzoeksters een subjectief recht om de Commissie te verzoeken een einde te maken aan de inbreuk bestaande in een tweeledig voorkeurtarief ten gunste van de Nederlandse ammoniakproducenten, welke inbreuk overigens geenszins vaststaat, dan nog zou daarmee niet ipso facto komen vast te staan dat zij belang hebben bij een beroep tegen de beschikking van de Commissie, die van mening is dat het niveau van het „F”-tarief in geen enkel opzicht kenmerken vertoont van een steunmaatregel van een staat.
e)
Volgens de Commissie bestaat bij verzoeksters verwarring tussen twee begrippen, enerzijds de verenigbaarheid of onverenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt als bedoeld in artikel 92 EEG-Verdrag, waarover alleen de Commissie onder toezicht van het Hof zich kan uitspreken, en anderzijds de onwettigheid van een niet meegedeelde steunmaatregel, die voortvloeit uit de niet-nakoming van artikel 93, lid 3. Waar het Hof aan artikel 93, lid 3, rechtstreekse werking heeft toegekend in die zin dat deze bepaling formele maatstaven behelst die door de nationale rechter kunnen worden gehanteerd (arresten van 19. 6. 1973, zaak 77/72, Capolongo, Jurispr. 1973, blz. 611, en van 11.12.1973, zaak 120/73, Lorenz, Jurispr. 1973, blz. 1471), en ten gunste van de particulieren rechten in het leven roept die de nationale rechter moet beschermen, kan niet worden gesteld dat in zulke omstandigheden voor een benadeelde onderneming geen enkele mogelijkheid van beroep openstaat.
f)
Tenslotte verwijst de Commissie naar 's Hofs arrest van 17 september 1980 (zaak 730/79, Philip Morris, Jurispr. 1980, blz. 2671), waaruit zij, voor wat het onderhavige geding betreft, afleidt dat de bestreden beschikking verzoeksters niet individueel raakt. Ofschoon een tot een Lid-Staat gerichte beschikking waarbij een voor een welbepaalde onderneming bestemde steunmaatregel onverenigbaar wordt verklaard, klaarblijkelijk deze onderneming individueel raakt, kan de situatie van verzoeksters in het onderhavige geding niet worden vergeleken met die van de betrokken onderneming in bovenbedoelde zaak.
g)
Ter zitting heeft de Commissie met name het standpunt in haar dupliek nader ontwikkeld, dat de omstandigheid, dat verzoeksters een klacht tegen de Nederlandse steunmaatregel in haar aanvankelijke vorm hebben ingediend, hen niet voldoende individualiseert. Ook de omstandigheid, dat deze klacht de Commissie heeft geleid tot het openen van een procedure ex artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag, zou hiertoe niet voldoende zijn. Anders dan bij de toepassingsregels ten aanzien van de artikelen 85 en 86 en bij de uitvoeringsverordeningen van de GATT-codes inzake dumping en buitenlandse steunmaatregelen het geval is, zouden de artikelen 92-94 of enig uitvoeringsvoorschrift daarvan aan klagers geen specifieke positie toekennen. Uw arresten in de zaken Metro (zaak 26/76, Jurispr. 1977, blz. 1875, met name r.o. 13), Demo-Studio Schmidt (zaak 210/81, Jurispr. 1983, blz. 3045), Fediol (zaak 191/82, Jurispr. 1983, blz. 2913), Philip Morris (zaak 730/79, Jurispr. 1980, blz. 2671) en Timex (zaak 264/82, Jurispr. 1985, blz. 849, r.o. 11) zouden duidelijk maken, dat Uw Hof de vraag van het individueel (en rechtstreeks) geraakt zijn van een klager in gevallen van concurrentievervalsing steeds beantwoord heeft op grond van de specifieke procedurele positie, die in de betrokken uitvoeringsvoorschriften aan klagers wordt toegekend. Bij afwezigheid van dergelijke uitvoeringsvoorschriften zouden nog steeds de criteria van ontvankelijkheid uit Uw Plaumann-rechtspraak gelden. Uit rechtsoverweging 17 van Uw arrest van 14 november 1984 in de zaak 323/82 (Intermills, Jurispr. 1984, blz. 3809) en rechtsoverweging 16 van Uw arrest van 30 januari 1985 in de zaak 290/83 (Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1985, blz. 439) zou blijken, dat Uw Hof in artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag slechts een waarborg ziet voor de andere Lid-Staten en alle overige belanghebbenden, dat zij hun opmerkingen kunnen maken en de Commissie aldus in staat stellen vóór haar besluitvorming volledig ingelicht te zijn over alle gegevens van de zaak. Een procedurele garantie om in de onderzoeksfase van artikel 93, lid 2, gehoord te worden of zijn argumenten naar voren te kunnen brengen zou iets geheel anders zijn dan de specifieke individuele positie, die Uw Hof bijvoorbeeld in rechtsoverweging 15 van Uw arrest Timex aan een klager in een antidumpingzaak heeft toegekend op grond van specifieke voorschriften van de betrokken anti-dumpingverordening. Het standpunt van verzoeksters in hun repliek, dat de afwezigheid van dergelijke specifieke voorschriften op het gebied van interne steunmaatregelen aan de ontvankelijkheid van hun beroep niet in de weg zou staan, zou in het licht van Uw geciteerde rechtspraak op zijn minst verrassend zijn. Dat de afwezigheid van uitvoeringsvoorschriften, gebaseerd op artikel 94 van het Verdrag, ook naar het oordeel van Uw Hof rechtsgevolgen heeft, leidt de Commissie tenslotte af uit rechtsoverweging 15 van Uw arrest van 23 maart 1977 in de zaak 78/76 (Steinike & Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 595). Laatstgenoemd arrest, alsmede Uw arrest van dezelfde datum in de zaak 74/76 (Iannelli & Volpi/Meroni, Jurispr. 1977, blz. 557) zouden ook de beleidsvrijheid van de Commissie terzake van de toepassing van artikel 92 hebben onderstreept, waaruit Uw Hof in deze arresten het niet rechtstreeks werkende karakter van dit artikel afleidde. Deze beleidsvrijheid van de Commissie zou ook medebrengen, dat uitsluitend zij voor het openen van een procedure op grond van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag verantwoordelijk is en dat klagers geen recht daarop kunnen geldend maken.
De in de dupliek vervatte en ter zitting nog vier maal herhaalde verklaring, dat de Commissie beroepen van belanghebbenden, die wel aan de voorwaarden van artikel 173 van het Verdrag voldoen, zoals door Uw Hof uitgelegd, geenszins uitsloot, kon in antwoord op een vraag mijnerzijds ter zitting niet door concrete of hypothetische voorbeelden gesubstantieerd worden. Wel preciseerde de Commissie ter zitting, in antwoord op een andere vraag van de zijde van Uw Hof, dat zij in een geval als het onderhavige een alternatieve rechtsbescherming door de nationale rechter mogelijk achtte. Naast de reeds in de schriftelijke stukken vermelde mogelijkheid van nationale rechtsbescherming bij schending van de in artikel 93 neergelegde aanmeldingsplicht, vermeldde de Commissie ter zitting in dit verband de mogelijkheid van een actie tot schadevergoeding jegens de betrokken Lid-Staat. In die nationale procedure zou dan de rechter aan Uw Hof vragen over de uitlegging of de wettigheid van de beschikking van de Commissie kunnen stellen.
Het individueel geraakt zijn van de verzoeksters door het aangevochten besluit ontkende de Commissie ter zitting met name, omdat zij niet de enige producenten van stikstofhoudende kunstmest in de Gemeenschap zijn. Het aangevochten aardgastarief zou bovendien niet uitsluitend voor producenten van stikstofhoudende kunstmest gelden, maar voor alle grootverbruikers, die de voorwaarden voor toepassing van het tarief aanvaarden. Noch hun positie van klagers, noch hun positie van concurrenten van de beweerdelijk gesteunde Nederlandse producent, zou verzoeksters in het licht van Uw rechtspraak voldoende individualiseren om hun beroep ontvankelijk te maken.
1.2. Bestrijding van het rechtstreeks geraakt zijn van verzoeksters
a)
De vraag of verzoeksters door het aangevochten besluit rechtstreeks geraakt zijn, acht de Commissie op zich zelf volkomen bijkomstig op grond van haar standpunt, dat zij niet individueel zijn geraakt. Subsidiair betoogt de Commissie, dat het enkele feit dat de betrokken ondernemingen concurreren met de onderneming die overheidssteun heeft ontvangen, niet ipso facto meebrengt dat de beschikking waarbij deze steun wordt toegekend hen rechtstreeks raakt. Tot staving van deze opvatting beroept de Commissie zich op het arrest van 10 december 1969 (gevoegde zaken 10 en 18/68, Eridania, Jurispr. 1969, blz. 459), waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat er specifieke omstandigheden moeten bestaan om een justitiabele die stelt dat het besluit zijn positie op de markt beïnvloedt, in de gelegenheid te stellen zich krachtens artikel 173 te voorzien. Volgens de Commissie kunnen verzoeksters in de onderhavige zaak geen enkele geldige „specifieke omstandigheid” doen gelden.
b)
Voorts wijst de Commissie erop, dat de mededingingspositie van de Franse producenten van stikstofhoudende meststoffen niet direkt afhangt van de aardgastarieven voor de Nederlandse producenten, doch mede afhankelijk is van tal van andere factoren, zoals onder meer de prijs die hun eigen aardgasleverancier, Gaz de France, hun berekent. Deze tarieven hangen samen met het terzake door de Franse regering vastgestelde algemeen beleid, bijvoorbeeld op het vlak van de voorzieningsbronnen. Dat de aardgasvoorziening in het ene geval eventueel duurder is dan in het andere, heeft dus te maken met het feit dat de Gasunie en Gaz de France verschillende tarieven toepassen, en niet met enig verschil in behandeling door de Nederlandse regering via de Gasunie. Voor zover er sprake kan zijn van schade, is deze niet rechtstreeks het gevolg van de tarieven die, naar het oordeel van de Commissie in de bestreden beschikking, in geen enkel opzicht als een steunmaatregel van de staat kunnen worden aangemerkt. Bijgevolg raakt bedoelde beschikking verzoeksters niet rechtstreeks.
c)
De Commissie verzet zich eens te meer tegen de opvatting als zou per definitie aan de voorwaarden van artikel 173, tweede alinea, zijn voldaan zodra een klacht is ingediend. Niet alleen hebben verzoeksters niet doen blijken van hun gewettigd belang bij de nietigverklaring van de bestreden beschikking, doch daarenboven verlenen de artikelen 92 en 93 hun niet het recht om de Commissie te verzoeken een schending van artikel 92 vast te stellen.
Ter zitting heeft de Commissie op dit punt nog verduidelijkt, dat voor het rechtstreeks door een besluit geraakt zijn een causaal verband tussen dat besluit en de daardoor veroorzaakte nadelen niet voldoende is daar een causaal verband ook een indirekt verband kan zijn. In casu zijn de gestelde nadelen bovendien volgens de Commissie niet het gevolg van het aardgastarief van de Gasunie, noch van het besluit van de Commissie terzake, maar van het Franse aardgastarief.
2. Het standpunt van de verzoeksters
a)
Verzoeksters wijzen er vooreerst op, dat de Commissie de vóór 1 november 1983 geldende tariefregeling, waartegen de klacht van 1 juni 1983 was gericht, niet kan loskoppelen van het op 14 april 1984 ter kennis van de Commissie gebrachte tarief dat terugwerkte tot 1 november 1983. Vanaf het begin van de procedure tot aan de bestreden beschikking was het verzoeksters steeds om hetzelfde te doen, te weten een korting verleend aan bepaalde categorieën aardgasverbruikers in Nederland te toetsen aan de beginselen van artikel 92, waarbij het dus steeds om een steunmaatregel van een staat ging. Het tariefstelsel dat thans in geding is, is niet meer dan een variant van het tarief waartegen de aanvankelijke klacht was gericht. Blijkens de mededelingen van de Commissie aan verzoeksters, is de bestreden beschikking duidelijk het uitvloeisel van de op klacht van verzoeksters ingeleide procedure van artikel 93, lid 2.
b)
Wat nu meer bepaald de vraag betreft of zij individueel zijn geraakt, betogen verzoeksters in de eerste plaats dat de voordelige mededingingspositie waarin hun Nederlandse concurrenten zich geplaatst zien, hun een aanzienlijk nadeel berokkent. Doch wat daarenboven verzoeksters ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen dus individualiseert in de zin van artikel 173, is het aandeel dat zij hadden bij de inleiding en het verloop van de procedure van artikel 93, lid 2. Wat helemaal de doorslag geeft, is de houding van de Commissie zelf die verzoeksters klacht in behandeling heeft genomen en hen bij het onderzoek heeft betrokken, hun de beschikking waarmee zij het onderzoek heeft afgesloten, heeft meegedeeld nog vóór zij ter kennis van de adressaat ervan — de Nederlandse regering — was gebracht, en bovendien op hun verzoek om toelichting is ingegaan.
c)
Verzoeksters zijn het niet eens met de opvatting van de Commissie, dat de benadeelde onderneming de Commissie niet kan verzoeken zich over de regelmatigheid van de voor haar nadelige steunmaatregel uit te spreken, en dat die onderneming niet meer is dan een informant die een inbreuk aan het licht brengt. Bedoelde onderneming oefent een subjectief recht uit dat gelijkenis vertoont met het bij artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad erkende recht. Dit subjectief recht vloeit voort uit de verdragsbeginselen en uit de gemeenschapsverordeningen inzake mededinging, die ingevolge artikel 3, sub f, EEG-Verdrag eenvormig moeten worden toegepast. Dit recht ontzeggen aan een onderneming die nadelige gevolgen heeft ondervonden van een steunmaatregel van een staat, terwijl dit recht wel is toegekend aan een onderneming die schade heeft geleden door toedoen van andere ondernemingen die de mededingingsregels hebben miskend, zou een onaanvaardbare discriminatie zijn.
d)
Tenslotte wijzen verzoeksters er op dit punt nog op, dat in voormelde zaak Philip Morris, waarin het eveneens een onderneming betrof die nietigverklaring vorderde van een beschikking van de Commissie inzake steunmaatregelen, de Commissie de ontvankelijkheid van dat beroep niet heeft betwist. Volgens verzoeksters rechtvaardigt een aandachtige vergelijking van de situaties die ten grondslag liggen aan deze twee beroepen, niet de conclusie dat aan verzoeksters in de onderhavige zaak de mogelijkheid kan worden ontzegd om voor het Hof voor hun rechten op te komen, terwijl daarover in de zoëven genoemde zaak geen betwisting is ontstaan.
Verzoeksters achten zulk een discriminerende houding onbillijk en strijdig met een behoorlijke toepassing van het gemeenschapsrecht.
e)
Voor hun interpretatie van het criterium „rechtstreeks geraakt”, citeren verzoeksters vooreerst de desbetreffende commentaren in de rechtsleer en verwijzen zij vervolgens naar de rechtsoverwegingen 8 tot 11 van het arrest in voormelde zaak Eridania. Op grond van een en ander komen zij tot de conclusie, dat de bestreden beschikking hen rechtstreeks raakt, enerzijds omdat het „F”-tarief, in de mate waarin het als steunmaatregel van de staat kan worden aangemerkt, door „begunstiging” in de zin van artikel 92 van de Nederlandse ammoniakproducenten de mededinging ten nadele van verzoeksters vervalst, en anderzijds omdat de nadelige weerslag op de mededingingspositie van verzoeksters zich rechtstreeks laat gevoelen, aangezien de door de Nederlandse instanties toegekende steun zijn geldigheid ontleent aan de beschikking van de Commissie. Het staat namelijk bij uitsluiting aan de Commissie om zich uit te spreken over de verenigbaarheid met artikel 92 van een door een Lid-Staat toegekende of voorgenomen steunmaatregel.
f)
Dat verzoeksters werkelijk schade hebben geleden, en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen deze schade en de Nederlandse steunmaatregel, hebben zij ruimschoots bewezen in de klachten en opmerkingen die zij voor en tijdens de procedure van artikel 93, lid 2, bij de Commissie hebben ingediend. De Commissie heeft zelf erkend dat „de aanpassing van het tarief van de Gasunie kennelijk een einde heeft gemaakt aan elke vorm van discriminatie tussen de ammoniakproducenten in de Gemeenschap”. Verzoeksters zien dit als een erkenning van het feit dat er ten tijde van de tariefregeling waartegen zij de klacht hebben ingediend, wel degelijk sprake was van een schending van de normale mededingingsvoorwaarden, en dat zulks nog steeds het geval is voor zover bepaalde aspecten van het „F”-tarief als steunmaatregelen van de staat kunnen worden aangemerkt.
g)
Op het argument van de Commissie, dat zij hun aardgas bij Gaz de France betrekken, antwoorden verzoeksters dat de steunmaatregel ten gunste van de Nederlandse ammoniakproducenten op zichzelf de mededingingspositie van de concurrerende producenten beïnvloedt. Waar de Nederlandse ammoniakproducenten 5 cent korting per kubieke meter krijgen, komt dit voor hun totale consumptie van 3,3 miljard kubieke meter per jaar neer op een jaarlijkse overdracht van 165 miljoen HFL. Wanneer hun produkten in de Gemeenschap op de markt worden gebracht, heeft zulks een aanzienlijke weerslag op de mededingingspositie van verzoeksters, zelfs wanneer men er van uitgaat dat Gaz de France voor haar gasvoorziening volledig onafhankelijk is van de Gasunie, of dat verzoeksters over eigen aardgasvoorzieningsbronnen beschikken.
h)
Wat de toepasselijkheid van de door het Hof van Justitie in zijn recente rechtspraak ontwikkelde criteria betreft, wijzen verzoeksters er op dat de Commissie hun beroep niet ontvankelijk acht op grond van niet-nakoming van criteria die het Hof twintig jaar geleden in voormeld arrest-Plaumann heeft vastgesteld. In zijn meer recente rechtspraak ter zake van artikel 173, toont het Hof zich evenwel geneigd de rechtsbescherming voor het Hof uit te breiden tot natuurlijke en rechtspersonen die de gevolgen ondervinden van besluiten die de Raad of de Commissie in het kader van hun discretionaire bevoegdheid hebben vastgesteld. Deze evolutie vloeit hieruit voort, dat het Hof rekening is gaan houden met bepaalde beginselen die deel uitmaken van de communautaire rechtsorde en ten grondslag lagen aan bepaalde verdragsregels. Zo heeft het Hof het in zijn arresten van 25 oktober 1977 (zaak 26/76, Metro, Jurispr. 1977, blz. 1875) en van 11 oktober 1983 (zaak 210/81, Demo-Studio Schmidt, Jurispr. 1983, blz. 3045) bijvoorbeeld over „het belang van een goede rechtsbedeling”. In zijn arrest van 4 oktober 1983 (zaak 191/82, Fediol, Jurispr. 1983, blz. 2913) laat het zich leiden door de geest van de beginselen die ten grondslag liggen aan de artikelen 164 (naar luid waarvan de opdracht van het Hof erin bestaat de eerbiediging te verzekeren van het recht bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag) en 173.
i)
Uitgaande van deze beginselen, heeft het Hof in de eerste plaats erkend dat wie op grond van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad gerechtigd is de Commissie te verzoeken een inbreuk op de artikelen 85 en 86 vast te stellen, wanneer zijn verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, over een beroepsmogelijkheid kan beschikken ter bescherming van zijn wettige belangen. Daaruit heeft het Hof de wezenlijke gevolgtrekking afgeleid, dat eenieder die in deze voorwaarden verkeert, „moet worden geacht door de litigieuze beschikking rechtstreeks en individueel te worden geraakt in de zin van artikel 173”.
j)
Wat nu de vraag betreft of het bestaan van verordeningen die de klagers in de loop van de administratieve procedure specifieke rechten waarborgen, een beslissende grond is om hun het recht toe te kennen de nietigverklaring van een beschikking van de Commissie te vorderen, voeren verzoeksters aan dat de door het Hof van Justitie in zijn arresten-Metro, Demo-Studio Schmidt en Fediol uitgesproken opvatting ter zake van de uitoefening van zijn toezicht en de rechtsbescherming van de benadeelde ondernemingen die een klacht hebben ingediend, niet zomaar voortvloeit uit door de gemeenschapswetgever vastgestelde positiefrechtelijke regels, doch wel uit beginselen van een hogere orde waarvan voormelde positiefrechtelijke regels de uitdrukking zijn. Dat er geen verordening bestaat tot uitvoering van de artikelen 92 en 93, is terug te voeren op historische omstandigheden, en betekent niet dat het in de bedoeling van de communautaire wetgever heeft gelegen de natuurlijke en rechtspersonen gelijke rechten en gelijke bescherming te ontzeggen als die waarover de ondernemingen in andere domeinen beschikken.
k)
Indien zulk een verordening een noodzakelijke voorwaarde was voor de ontvankelijkheid van een door derde ondernemingen ingesteld beroep, dan zou zulks tot gevolg hebben dat het Hof niet langer in de mogelijkheid verkeert naar behoren de controlebevoegdheid uit te oefenen welke haar toekomt telkens wanneer de Commissie over een discretionaire beoordelingsvrijheid beschikt. Zulks ware niet alleen in strijd met het EEG-Verdrag (inzonderheid met artikel 164), doch eveneens met de opvatting die tot uitdrukking komt in het arrest van 22 maart 1977 (zaak 74/76, Iannelli & Volpi, Jurispr. 1977, blz. 557), waarin het Hof heeft aangetoond dat de vaststelling van „de eventuele onverenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt ... door middel van een geëigende procedure, voor de toepassing waarvan de Commissie verantwoordelijk is, ... onder toezicht van het Hof van Justitie” geschiedt.
Daarenboven zou zulks tot gevolg hebben dat er ter voorkoming en wegwerking van mededingingsbeperkingen, twee onderscheiden regelingen bestaan: in de regeling van de artikelen 85 en 86 zijn de betrokkenen, verzoekers en verweerders, natuurlijke of rechtspersonen; in de regeling van de artikelen 92 en 93 spelen alleen de Lid-Staten een rol, en staat de particulieren weinig anders te doen dan lijdzaam het „objectief toezicht” van de Commissie te ondergaan.
1)
Ter zitting hebben verzoeksters verduidelijkt, dat zij zich niet alleen rechtstreeks en individueel door het aangevochten besluit geraakt achten, omdat zij klagers waren. Ook de zeer nauwe contacten die de Commissie na de aanvaarding van deze klacht met verzoeksters hebben onderhouden, de mededeling van haar beslissing aan verzoeksters nog vóór de mededeling daarvan in gelijke termen aan de Nederlandse regering, de nadere toelichting die daarop werd verstrekt en de omstandigheid, dat de beslissing duidelijk gegeven werd naar aanleiding van hun klacht, zouden verzoeksters duidelijk individualiseren. Zij beriepen zich ter zitting voor die opvatting mede op rechtsoverweging 31 van Uw arrest van 17 januari 1985 in de zaak 11/82 (Piraiki-Patraiki, Jurispr. 1985, blz. 207) en op de criteria, vermeld in Uw arrest van 23 mei 1985 in de zaak 53/83 (Allied Corporation, Jurispr. 1985, blz. 1621).
Verzoeksters achtten zich door het besluit rechtstreeks geraakt, omdat dit onmiddellijk in werking trad en zijn gevolgen met name niet afhankelijk waren van een nader uitvoeringsbesluit van een communautaire instelling of van een Lid-Staat. Verzoeksters werden door het besluit bovendien rechtstreeks in hun belangen getroffen. Dit zou overigens door de Commissie in de brief van haar bevoegde directie van 27 april 1984 ook erkend zijn door de mededeling, dat door de wijziging in het gastarief iedere discriminatie tussen ammoniakproducenten in de Gemeenschap zou zijn opgeheven.
De door de Commissie verdedigde opvatting, dat de door haar geciteerde rechtspraak zou doen blijken, dat Uw Hof aan een klager slechts op grond van daartoe strekkende uitvoeringsvoorschriften een beroepsrecht zou toekennen, werd door verzoeksters ter zitting uitvoerig bestreden. De genoemde arresten zouden primair gebaseerd zijn op de zorg voor een goede rechtsbedeling.
3. Beoordeling van de gestelde onlvankelijkheidsvraag in het algemeen
a)
Bij de beantwoording van de in de aanvang van deze conclusie geformuleerde algemene vraag stel ik voorop, dat artikel 92, eerste lid, van het EEG-Verdrag — anders dan artikel 85, eerste lid, van dit Verdrag — geen rechtstreeks werkend verbod (behoudens de in het tweede en derde lid van artikel 92 vervatte wettelijke en potentiële uitzonderingen) bevat. Blijkens Uw rechtspraak is van een rechtstreeks werkend verbod van een onder artikel 92 vallende steunmaatregel slechts sprake, indien op grond van artikel 93, tweede lid, een verbodsbeschikking voor een concrete steunmaatregel of op grond van artikel 94 een verbodsverordening voor bepaalde soorten van steunmaatregelen is uitgevaardigd, alsmede wanneer en zolang een nieuwe steunmaatregel niet bij de Commissie is aangemeld [zie Uw arresten in de zaken 70/72 (Commissie/Duitsland, Jurispr. 1973, blz. 813), 77/72 (Capolongo, Jurispr. 1973, blz. 611), 120/73 (Lorenz, Jurispr. 1973, blz. 1471), 74/76 (Iannelli & Volpi, Jurispr. 1977, blz. 557) en 78/76 (Steinike & Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 595]. Hieruit volgt, dat het gemeenschapsrecht, behalve in de genoemde gevallen, aan door een steunmaatregel benadeelde concurrenten van gesteunde ondernemingen geen alternatieve rechtsbescherming via de nationale rechter verschaft. De door de Commissie ter zitting genoemde mogelijkheid van een schadevergoedingsactie tegen de steunverlenende staat voor de nationale rechter acht ik geen volwaardig alternatief, daar deze mogelijkheid uiteindelijk van nationale rechtsopvattingen over onrechtmatige overheidsdaad afhangt en bovendien hoogstens indirekt tot intrekking van de betrokken steunmaatregel kan leiden.
b)
Vervolgens stel ik vast, dat het primaire element in de „onverenigbaarverklaring” van steunmaatregelen in artikel 92, lid 1, wordt gevormd door vervulling van het criterium, dat deze steunmaatregelen „de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen”. Bij een dergelijke vervalsing van de mededinging zijn per definitie de begunstigde ondernemingen en hun concurrenten in gelijke mate betrokken. De nadelen voor de concurrenten vormen hierbij het spiegelbeeld van de voordelen voor de begunstigde ondernemingen. In zoverre is er geen reden de concurrenten minder rechtstreeks of minder individueel geraakt te achten door een positief of negatief besluit van de Commissie dan de door de steunmaatregel begunstigde ondernemingen. Verzoeksters hebben zich derhalve met betrekking tot de ontvankelijkheid van hun beroep terecht beroepen op Uw arrest in de zaak Philip Morris (zaak 730/79, Jurispr. 1980, blz. 2671).
c)
Deze voorlopige conclusie wordt versterkt door de omstandigheid, dat bepaalde soorten steunmaatregelen in belangrijke mate het spiegelbeeld vormen van door de artikelen 12 e.v. verboden invoerrechten en heffingen van gelijke werking in de tussenstaatse handel. Lid-Staten kunnen immers de voorheen door heffingen op ingevoerde produkten beschermde ondernemingen met gelijk effect tegen concurrenten uit andere Lid-Staten beschermen door steunmaatregelen ten gunste van deze ondernemingen. Een gelijkwaardige rechtsbescherming van deze concurrenten lijkt derhalve in beginsel alleszins gerechtvaardigd.
d)
Ter ondersteuning van hun standpunt kunnen verzoeksters zich voorts naar mijn oordeel beroepen op artikel 164 van het EEG-Verdrag, dat zonder beperkingen bepaalt, dat Uw Hof de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van dit Verdrag verzekert. Naar mijn mening blijkt uit Uw gehele rechtspraak, dat Uw Hof er inderdaad naar streeft op grond van dit artikel hetzij door rechtstreekse beroepen ontvankelijk te verklaren, hetzij door middel van de procedure ex artikel 177 een sluitend systeem van doeltreffende rechtsbescherming te verzekeren. Op zich zelf heeft de Commissie terecht opgemerkt, dat Uw arresten in de zaken Metro, Demo-Studio Schmidt, Fediol en Timex de ontvankelijkheid van de betrokken beroepen van derde belanghebbenden mede en in de laatste twee zaken zelfs in het bijzonder op de regeling van hun positie in uitvoeringsverordeningen hebben gebaseerd. Daaruit kan echter naar mijn oordeel niet a contrario worden afgeleid, dat bij het ontbreken van dergelijke uitvoeringsvoorschriften een beroep per se niet ontvankelijk zou zijn. De rechtspositie van belanghebbende derden is voor dergelijke gevallen naar mijn oordeel door Uw Hof veeleer opengelaten, met dien verstande, dat ook dan met „het belang'van een goede rechtsbedeling en een juiste toepassing van de betrokken verdragsartikelen” rekening moet worden gehouden. Ik baseer deze interpretatie met name op de inleidende passages van de tweede alinea van rechtsoverweging 13 van Uw Metroarrest, en van rechtsoverweging 14 van Uw arrest in de zaak Demo-Studio Schmidt. Slechts Uw arresten in de zaken Fediol en Timex, die eveneens tot ontvankelijkheid van het beroep van klager in die zaken concludeerden, lijken deze conclusie inderdaad uitsluitend op de betrokken uitvoeringsverordening nr. 3017/79 te baseren. Een a contrario conclusie alleen op grond van deze twee arresten zou echter tot een gevolg leiden, dat met het karakter van de Gemeenschap naar mijn oordeel moeilijk verenigbaar zou zijn. Hoewel de Gemeenschap intern intensievere rechtsbetrekkingen en ingevolge Uw rechtspraak ook een sterkere rechtsbescherming nastreeft dan in de verhouding tot derde landen, zouden door steunmaatregelen van derde landen benadeelde ondernemingen dan juist een grotere rechtsbescherming genieten dan ondernemingen die door steunmaatregelen van een andere Lid-Staat worden benadeeld. Daar de Lid-Staten zelf op begrijpelijke gronden slechts zelden gebruik maken van hun recht om vernietiging van een beschikking te vragen, waarbij een steunmaatregel van een andere Lid-Staat verenigbaar wordt geacht met het Verdrag, zou aldus een ernstige leemte ontstaan in de door artikel 164 van het Verdrag gepostuleerde eis van doeltreffende rechtsbescherming. De ook door de Commissie in de onderhavige procedure erkende noodzaak van rechterlijk toezicht op haar discretionaire beleid bij de toepassing van artikel 92, zou aldus bij positieve beslissingen inzake steunmaatregelen niet tot een doeltreffende rechtsbescherming leiden. Ik concludeerde immers al eerder, dat ook een effectieve rechtsbescherming van benadeelde ondernemingen door de nationale rechter niet mogelijk lijkt. In zoverre bestaat een zeer groot verschil met bijvoorbeeld Uw rechtspraak inzake de ontvankelijkheid van beroepen in landbouwzaken en douanezaken, waar betrokkenen bij afwezigheid van een beroepsmogelijkheid ex artikel 173 van het Verdrag altijd nog beroep tegen nationale uitvoeringshandelingen bij de nationale rechter kunnen instellen, waarbij ook de wettigheid van de gemeenschapsbesluiten aan de orde kan worden gesteld.
e)
In Uw arrest van 10 december 1969 in de zaak Eridania (gevoegde zaken 10 en 18/68, Jurispr. 1969, blz. 459), waarop de Commissie zich eveneens beroept, heeft Uw Hof met name gesteld (r.o. 7) „dat de enkele omstandigheid dat een besluit invloed kan uitoefenen op de mededingingsverhoudingen zoals die zich op de betrokken markt voordoen, niet reeds medebrengt dat iedere ondernemer die op enigerlei wijze in een concurrentieverhouding staat tot de adressant van het besluit, als rechtstreeks en individueel door hetzelve geraakt is te beschouwen; dat er specifieke omstandigheden moeten bestaan om deze justitiabele, volgens wie het besluit zijn positie op de markt beïnvloedt, in de gelegenheid te stellen zich krachtens artikel 173 te voorzien”. Zowel uit deze rechtsoverweging als uit de zorgvuldige wijze, waarop Uw Hof vervolgens in de rechtsoverwegingen 8-14 van dit arrest uiteenzette, waarom verzoekster er in concreto niet in was geslaagd specifieke omstandigheden als in rechtsoverweging 7 bedoeld aan te tonen, blijkt naar mijn oordeel, dat Uw Hof in beginsel ook ten aanzien van steunmaatregelen van de Gemeenschap zelf (als daar in geding) een mogelijkheid van beroep van derde belanghebbenden niet heeft willen uitsluiten.
f)
Waarop het dan uiteindelijk aankomt, is het vinden van criteria, bij vervulling waarvan een door een steunmaatregel ten gunste van concurrenten benadeelde onderneming als door een „positieve beslissing” van de Commissie ten aanzien van die steunmaatregel rechtstreeks en individueel geraakt kan worden beschouwd.
Naar aanleiding van de onderhavige zaak stel ik U dan in de eerste plaats voor Uw algemene standpunt te beperken tot gevallen, waarin de Commissie in het kader van de onderzoekprocedure van artikel 93, lid 2, heeft beslist, dat van een steunmaatregel als in artikel 92, eerste lid, met de gemeenschappelijke markt in beginsel onverenigbaar verklaard (na aangebrachte wijzigingen in de oorspronkelijke steunmaatregel) geen sprake (meer) is. Ten aanzien van dit artikellid behoort de Commissie naar mijn oordeel inderdaad niet over een grotere beleidsvrijheid te beschikken dan bij de toepassing van artikel 85, eerste lid. Een even doeltreffende rechtmatigheidstoetsing door Uw Hof als ten aanzien van laatstgenoemd voorschrift lijkt mij hier dus mogelijk. De tegenwerping van de Commissie, dat bij de toepassing van artikel 92 sprake is van een algemene controle op de economische en industriële politiek van de Lid-Staten in het algemeen belang van de gemeenschappelijke markt lijkt mij derhalve ten aanzien van het eerste lid van dit artikel niet verdedigbaar. Ik heb al eerder opgemerkt, dat het belangrijkste criterium voor de toepassing van dit artikellid de daadwerkelijke of potentiële vervalsing van de mededinging tussen ondernemingen is. De vraag, in hoeverre een beroep van derde belanghebbenden tegen beschikkingen, waarbij de artikelleden 2 en vooral 3 van artikel 92 ten gunste van een steunmaatregel worden toegepast, eveneens ontvankelijk moet worden geacht, kan aldus worden opengelaten. Ter voorkoming van misverstand merk ik in dit opzicht slechts op, dat de verschillen tussen genoemde artikelleden en artikel 85, lid 3, van het Verdrag mij voorshands niet zo wezenlijk lijken, dat anders dan in het laatste geval, iedere rechtsbescherming van derden hier onverenigbaar met de aan de Commissie toekomende beleidsvrijheid moet worden geacht. Voor de onderhavige zaak is deze vraag echter niet van belang. Evenmin is in deze zaak de door de Commissie behandelde vraag aan de orde, in hoeverre een derde belanghebbende op grond van artikel 175 van het Verdrag een actie wegens nalaten tegen de Commissie zou kunnen instellen, indien deze geen procedure zou hebben aangevangen, als in artikel 93, tweede lid, bedoeld.
In de tweede plaats acht ik het in het licht van Uw arresten in de zaken Metro, Demo-Studio Schmidt, Fediol en Timex, alsmede in het belang van de rechtszekerheid voor gesteunde ondernemingen van belang, de ontvankelijkheid van beroepen als hier in geding voorshands te beperken tot derde belanghebbenden, die bij de Commissie een klacht tegen de betrokken steunmaatregelen hebben ingediend. De vraag, in hoeverre ook andere belanghebbenden, die op grond van artikel 93, lid 2, zijn „aangemaand hun opmerkingen te maken” gerechtigd zijn beroep in te stellen, is in de onderhavige zaak niet aan de orde en kan dus door Uw Hof worden opengelaten.
In de derde plaats herinner ik er aan, dat op grond van het belangrijkste toepassingscriterium van artikel 92, lid 1, naar mijn oordeel door een steunmaatregel begunstigde ondernemingen en door die steunmaatregel benadeelde ondernemingen in beginsel door een beslissing betreffende die steunmaatregel in gelijke mate rechtstreeks en individueel
worden geraakt. In zekere mate naar analogie van Uw rechtspraak met betrekking tot artikel 85, eerste lid (die zijn toepassing beperkt tot concurrentiebeperkingen, die een zeker marktaandeel overschrijden), acht ik het echter verantwoord de ontvankelijkheid van een beroep van concurrenten te beperken tot ondernemingen, die aannemelijk hebben gemaakt, dat een wezenlijk deel van hun afzet in rechtstreekse concurrentie staat met een wezenlijk deel van de afzet der ondernemingen, die volgens het beroepschrift begunstigd worden door de maatregel waarop de aangevochten beslissing van de Commissie betrekking heeft. Uit de op 1 juni 1983 door verzoeksters ingediende klacht (bijlage 3 van het verzoekschrift) blijkt, dat het marktaandeel van hun Nederlandse concurrenten op de Franse markt tussen 1980 en 1982 gestegen is van 9% tot 21,7%, zodat stellig een wezenlijk deel van de afzet van verzoeksters op die markt in rechtstreekse concurrentie stond met een wezenlijk deel van de afzet van hun Nederlandse concurrenten.
IV — De vraag naar de ontvankelijkheid van het concrete beroep
Op grond van de door mij voorgestelde criteria moet het beroep van verzoeksters in beginsel stellig ontvankelijk worden geacht.
Ik zal thans echter nog onderzoeken, of enkele specifieke door de Commissie aangevoerde kenmerken van de onderhavige zaak aan die ontvankelijkheid afbreuk kunnen doen.
In de eerste plaats heeft de Commissie ter zitting als specifiek argument voor het niet ontvankelijk achten van het onderhavige beroep aangevoerd, dat de Nederlandse maatregel, waarop haar aangevochten beslissing betrekking had, geen steunmaatregel in de zin van artikel 92 was. Dit argument betreft echter duidelijk de zaak ten gronde en kan als zodanig aan de ontvankelijkheid dus niet in de weg staan.
In de tweede plaats zou het tarief, waarop de aangevochten beslissing betrekking had — anders dan het daardoor vervangen tarief waarop de klacht betrekking had — niet meer uitsluitend voor producenten van ammoniak en stikstofhoudende kunstmest gelden. Het zou integendeel het karakter dragen van een tarief voor alle grootverbruikers van gas, ongeacht de bedrijfstak waartoe zij behoren. Volgens verzoeksters zou dit nieuwe tarief echter voor hen praktisch dezelfde nadelige gevolgen hebben. Dit zou ook worden bevestigd door de omstandigheid, dat de Commissie ter zitting slechts melding kon maken van één Nederlandse grootverbruiker in een andere bedrijfstak, die eveneens van het tarief profiteerde. Welke partij in dit opzicht het recht aan haar zijde heeft, zal wederom slechts in de procedure ten gronde kunnen worden uitgemaakt. In geen geval kan dit aspect naar mijn oordeel afbreuk doen aan de specifieke en individuele geraaktheid van verzoeksters door de thans ruimer werkende Nederlandse maatregel. Voor zover dit argument het eerstgenoemde argument van de Commissie beoogt te ondersteunen (door de stelling dat het thans om een algemene maatregel zou gaan, die niet meer bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties begunstigt) betreft het eveneens een argument in de zaak ten gronde, dat aan de ontvankelijkheid van het beroep niet in de weg kan staan.
Tenslotte heeft de Commissie ter staving van haar betoog, dat verzoeksters door de beslissing niet rechtstreeks werden geraakt ter zitting nog gesteld, dat een eventuele benadeling van verzoeksters niet het rechtstreeks gevolg van de tariefpolitiek van de Gasunie zou zijn, maar van de aan die tariefpolitiek niet aangepaste tariefpolitiek van Gaz de France. Dit argument lijkt mij het stelsel van de artikelen 92-94 te miskennen. Stellig is het inderdaad voor een Lid-Staat mogelijk, de concurrentievervalsende werking van een steunmaatregel van een andere Lid-Staat te compenseren door een steunmaatregel van gelijk effect voor zijn eigen ondernemingen in te voeren. Het Verdrag sluit ook niet uit, dat het in bepaalde sectoren of voor bepaalde doeleinden als milieubescherming of regionale ontwikkeling of voor de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang wenselijk kan worden geacht de concurrentievervalsende werking van nationale steunmaatregelen geheel of gedeeltelijk weg te nemen door een harmonisatie van deze steunmaatregelen. De steunverleningspolitiek ten aanzien van scheepswerven is daarvan het oudste en bekendste voorbeeld. De normale remedie ten aanzien van nationale steunmaatregelen, die onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt is blijkens de eerste alinea van artikel 93, tweede lid, echter niet hun harmonisatie, maar een beschikking, waarin bepaald wordt dat de betrokken staat die steunmaatregelen moet opheffen of wijzigen binnen de daartoe gestelde termijn. Dit laatste argument van de Commissie moet derhalve als strijdig met het stelsel van het Verdrag worden verworpen.
V — Samenvatting en conclusie
1.
Op grond van mijn voorafgaande analyses kom ik in de eerste plaats tot de conclusie, dat — zonder dat over andere casusposities een uitspraak behoeft te worden gedaan — belanghebbenden in de zin van artikel 93, tweede lid, van het EEG-Verdrag in elk geval een recht van beroep toekomt tegen een beslissing van de Commissie, een procedure als in dat voorschrift bedoeld te beëindigen, omdat aan haar aanvankelijke bezwaren tegen de betrokken steunmaatregel voldoende tegemoet is gekomen, indien deze belanghebbenden tevens aan de dubbele voorwaarde voldoen, dat zij voorafgaand aan de inleiding van het betrokken onderzoek een gemotiveerde klacht bij de Commissie hebben ingediend en dat zij aannemelijk hebben gemaakt, dat een wezenlijk deel van hun afzet in rechtstreekse concurrentie staat met een wezenlijk deel van de afzet van de ondernemingen, die volgens het beroepschrift begunstigd worden door de maatregel waarop de aangevochten beslissing van de Commissie betrekking heeft.
2.
In de tweede plaats ben ik van oordeel, dat de verzoeksters in de onderhavige procedure aan deze criteria voor ontvankelijkheid van hun beroep voldoen.
3.
In de derde plaats heb ik in mijn analyses geconcludeerd, dat de algemene en specifieke argumenten, op grond waarvan de Commissie in de procedure tot niet-ontvankelijkheid concludeerde, op de door mij aangevoerde gronden moeten worden verworpen.
4.
Op grond van mijn aldus samengevatte bevindingen, op grond van de algemene betekenis van de onderhavige ontvankelijkheidsvraag en op grond van de in casu te verwachten duur van de procedure ten gronde acht ik het tenslotte niet opportuun U voor te stellen de vraag naar de ontvankelijkheid alsnog te voegen met de zaak ten gronde.
5.
Ik stel U derhalve concluderend voor, in een tussenarrest het beroep van verzoeksters ontvankelijk te verklaren en vervolgens de procedure in de zaak ten gronde te heropenen in de stand waarin zij zich bevindt. Over de kostenverdeling zal dan in Uw eindarrest kunnen worden beslist.
Full & Egal Universal Law Academy