CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 24 oktober 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A —
In de onderhavige zaak gaat het om de pensioenrechten van functionarissen van de Europese Gemeenschappen, die als aan een inrichting verbonden functionaris of als plaatselijk functionaris bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCÓ) te Ispra (Italië) in dienst van de Commissie Euratom zijn getreden. In die hoedanigheid waren zij niet aangesloten bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel, maar verzekerd bij het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale (INPS).
Op 21 oktober 1976 werd vastgesteld verordening nr. 2615/76 houdende wijziging van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen (PB 1976, L 299, blz. 1); deze verordening trad in werking op 30 oktober 1976.
Zij bepaalt, dat tijdelijk functionaris in de zin van die regeling (hierna: RAP) ook is „het personeelslid, aangesteld om een vast ambt te vervullen dat wordt bezoldigd uit de onderzoeks- en investeringskredieten”. De gemeenschappelijke pensioenregeling werd op die categorie toepasselijk doordat artikel 39, lid 2, RAP in die zin werd verruimd. Artikel 2 van genoemde verordening nodigt de functionarissen verbonden aan een inrichting van het GCO, alsmede de plaatselijke functionarissen wier bezoldiging ten laste van de onderzoeks- en investeringskredieten komt, die in dienst waren op de dag waarop de verordening van kracht werd, uit tot het sluiten van een aanstellingsovereenkomst onder de voorwaarden van titel II van de RAP (deze titel betreft de tijdelijke functionarissen). Dergelijke overeenkomsten gingen in op de dag van inwerkingtreding van de verordening. Voorts bepaalt artikel 2, lid 4:
„Ten aanzien van de aan een inrichting verbonden functionarissen en de plaatselijke functionarissen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening in dienst waren, dat bij de berekening van de in artikel 77, eerste alinea, van het Statuut bedoelde diensttijd (voorwaarden om voor pensioen in aanmerking te komen) het aantal dienstjaren in aanmerking wordt genomen die de krachtens lid 1 aangestelde functionaris heeft volbracht als aan een inrichting verbonden functionaris of als plaatselijk functionaris”.
Voor de berekening van de pensioenjaren in de zin van artikel 2 van bijlage VIII bij het Statuut worden evenwel alleen de dienstjaren in aanmerking genomen die de functionaris als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub d), heeft volbracht.
Ook de verzoekers in de onderhavige zaak kwamen met ingang van 30 oktober 1976 onder deze regeling te vallen.
Wat de gemeenschappelijke pensioenregeling betreft, bepaalt artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut, dat de ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na de dienst bij een overheidsorgaan, een nationale of internationale organisatie of een onderneming te hebben beëindigd, bij zijn aanstelling in vaste dienst „het volgende bedrag aan de Gemeenschappen kan doen betalen:
—
hetzij de actuariële tegenwaarde van de rechten op ouderdomspensioen, die hij bij het overheidsorgaan, de organisatie of de onderneming heeft verworven,
—
hetzij de afkoopsom die hem bij zijn vertrek verschuldigd is door het pensioenfonds van het overheidsorgaan, de organisatie of de onderneming”.
„In dat geval”, heet het voorts, „bepaalt de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van de rang waarin deze in vaste dienst is aangesteld, het aantal pensioenjaren dat zij volgens haar eigen regeling aanrekent uit hoofde van de vroegere diensttijd op basis van het bedrag van de actuariële tegenwaarde of van de afkoopsom”.
Deze regeling is door de Commissie op overeenkomstige wijze en met hun principiële instemming toegepast op verzoekers (wat volgens het arrest van 6.10.1983 in de gevoegde zaken 118-123/82, Celant, Jurispr. 1983, blz. 2995, mogelijk is — r.o. 26 —). Dit was mogelijk geworden nadat de Commissie op 2 maart 1978 een overeenkomst ter zake met het INPS had gesloten (bijlage I bij het verweerschrift). Deze overeenkomst bepaalt met betrekking tot artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut, dat het INPS de actuariële tegenwaarde berekent van de rechten op ouderdomspensioen die bij hem zijn verworven tot op het ogenblik van de indiensttreding bij de Gemeenschap, rekening houdend met de datum waarop het verzoek tot overschrijving is ontvangen, en dat dit kapitaal wordt overgeschreven, wanneer de betrokkene zich daarmee akkoord verklaart, binnen 90 dagen nadat het INPS heeft meegedeeld om welk bedrag het gaat.
Voor de toepassing van de betrokken regeling zijn voorts de ter zake vastgestelde algemene uitvoeringsregels in hun redactie van 16 maart 1977 van belang (bijlage II bij het verweerschrift). Deze behelzen onder meer bijzonderheden voor de omrekening van de overgeschreven actuariële tegenwaarde of de afkoopsom van het ouderdomspensioen in in aanmerking te nemen dienstjaren.
Overeenkomstig deze bepalingen werd verzoekers in oktober 1983 meegedeeld, hoeveel van de jaren die zij vóór hun aanstelling tot tijdelijk functionaris bij het INPS verzekerd waren geweest, als pensioenjaren in aanmerking konden worden genomen. Tevens werd hun bericht, dat de overschrijving op 30 oktober 1983 zou plaatsvinden.
Verzoekers vonden de hun meegedeelde berekeningen onaanvaardbaar en dienden daarom in december 1983 formele klachten ter zake in. Daarin stelden zij onder meer, dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII in hun geval niet van toepassing was, maar wel artikel 3, sub c, van die bijlage (volgens hetwelk bij de berekening van het aantal pensioenjaren wordt uitgegaan van de diensttijd, vervuld in enige andere hoedanigheid overeenkomstig de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen). Verder verweten zij de Commissie schending van het discriminatieverbod en van het beginsel inzake de continuïteit van de functies. Ten slotte betwistten zij bepaalde onderdelen van de berekening en verzochten zij op al deze gronden om nietigverklaring van de betrokken besluiten.
Bij besluiten van maart 1984 werden deze klachten uitdrukkelijk afgewezen. Daarbij werd er met name op gewezen, dat overeenkomstige bezwaren reeds in de hiervóór genoemde zaken 118-123/82 waren aangevoerd, en dat de verzoekers in die zaken in het ongelijk waren gesteld (hierop kom ik nog uitvoerig terug).
Daarop hebben verzoekers op 23 juli 1984 beroep in rechte ingesteld. Zij verzoeken het Hof:
1)
het besluit van de Commissie nietig te verklaren, waarbij deze met het oog op de vaststelling van het gemeenschappelijk ouderdomspensioen, de vóór de aanstelling als tijdelijk functionaris verworven pensioenrechten heeft berekend;
2)
de grotere anciënniteit te bepalen die op grond van de in het verzoekschrift uiteengezette middelen in geval van overschrijving van de actuariële tegenwaarde in aanmerking moet worden genomen;
3)
te verklaren dat de Commissie gehouden is, de vrije keuze te waarborgen tussen de overschrijving van de actuariële tegenwaarde en van de afkoopsom door voor elk van beide mogelijkheden een berekening te maken.
B —
Mijn standpunt in deze is als volgt.
1.
In het eerste middel worden twee aspecten uiteengezet, die de gegrondheid van de conclusies moeten schragen.
Vooreerst beklagen verzoekers zich erover, dat bij de berekening van hun communautaire pensioenrechten de vóór hun aanstelling als tijdelijk functionaris bij de Commissie volbrachte dienstjaren slechts gedeeltelijk (ongeveer voor een derde) in aanmerking werden genomen; zij zijn kennelijk van mening, dat deze diensttijd volledig had moeten worden meegeteld. Vervolgens stellen zij dat zij, voordat zij hun rechten ingevolge artikel 11, lid 2, van bijlage VIII konden uitoefenen, maar gebrekkig waren voorgelicht over alles wat daarbij van belang was. Artikel 11 spreekt immers over een keuze tussen twee mogelijkheden: overschrijving van de actuariële tegenwaarde of van de afkoopsom. Zij vinden het ontoelaatbaar dat hun niet is meegedeeld, hoe de berekening van de in aanmerking komende diensttijd er in het tweede geval zou uitzien, en zij zouden daarom hun rechten niet ten volle hebben kunnen uitoefenen.
a)
Met betrekking tot het eerste punt voert de Commissie aan, dat verzoekers een fundamentele vergissing maken. De regeling van verordening nr. 2615/76 zou niet ten doel hebben de loopbaan van de betrokken functionarissen met terugwerkende kracht te reconstrueren, dat wil zeggen, hen in een positie te brengen als waren zij steeds tijdelijk functionaris geweest, maar hun rechtspositie voor de toekomst te wijzigen. Voor hun pensioenrechten bestond dus enkel de mogelijkheid, de voordien onder het Italiaanse verzekeringsstelsel verworven rechten krachtens artikel 11 van bijlage VIII te doen overschrijven naar het gemeenschappelijk stelsel volgens de voor dit laatste geldende waarderingscriteria. Daarbij was het wegens de kenmerken van de — minder gunstige — nationale stelsels en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene stellig mogelijk, dat van de vroegere dienstjaren waarover bijdragen aan de nationale verzekering waren betaald, maar een deel voor het gemeenschappelijk pensioenstelsel relevant zou blijken.
De Commissie beroept zich hier kennelijk terecht op het reeds aangehaalde arrest in de gevoegde zaken 118-123/82 (Celant). Daarin werd — in een overeenkomstige feitelijke situatie — de vraag gesteld, of bij de vaststelling van het gemeenschapspensioen vroegere dienstjaren, zelfs wanneer zij in dienst van de Gemeenschap waren volbracht, inderdaad krachtens artikel 11, lid 2, van bijlage VIII tot een kleiner aantal mochten worden teruggebracht (r.o. 16). Desbetreffend is uitdrukkelijk vastgesteld, dat uit verordening nr. 2615/76 blijkt, dat eerdere dienstjaren (te weten die vóór de aanstelling als tijdelijk functionaris) niet in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de pensioenjaren die meetellen voor de vaststelling van het pensioenbedrag (r.o. 25); de betrokkenen konden dus niet verlangen dat hun, met terugwerkende kracht en zonder tegenprestatie hunnerzijds, het volledige genot van het gemeenschappelijk pensioenstelsel zou worden toegekend; er kon enkel sprake zijn van toepassing van artikel 11 van bijlage VIII (r.o. 27). Voorts heet het, dat waar de vaststelling van de actuariële tegenwaarde door het oorspronkelijke sociale-zekerheidsorgaan en de herwaardering ervan volgens de regels van het gemeenschappelijk pensioenstelsel uitgaan van verschillende gegevens en waarderingsfactoren met betrekking tot de antecedenten van de betrokkenen, hun toekomstperspectieven, het bijdragenniveau en de aard en het bedrag van de uitkeringen, het niet ongewoon is dat men bij de berekening van de pensioenjaren die meetellen voor het gemeenschapspensioen, tot een resultaat komt dat verschilt van het aantal pensioenjaren dat het nationale orgaan in aanmerking heeft genomen.
In het feit dat bij de toepassing op verzoekers van artikel 11 van bijlage VIII niet alle eerder vervulde dienstjaren voor het gemeenschappelijk pensioenstelsel in aanmerking worden genomen, kan dus geen schending van rechtsnormen worden gezien. Voor het overige zijn ook in deze zaak geen argumenten aangevoerd die tot een andere beoordeling zouden kunnen leiden (die dan trouwens — juist wegens de aangehaalde, door de Tweede kamer ontwikkelde rechtspraak — door het voltallige Hof gesanctioneerd zou moeten worden). Met name is een dergelijk argument niet te vinden in het door verzoekers ter terechtzitting aangehaalde arrest van 23 februari 1983 (gevoegde zaken 225 en 241/81, Toledano Laredo en Garilli, Jurispr. 1983, blz. 347), waarin zoals bekend werd geoordeeld, dat in het kader van de pensioenregeling van de Gemeenschappen de door een ambtenaar vóór zijn benoeming als hulpfunctionaris vervulde diensttijd in aanmerking moet worden genomen als in de hoedanigheid van tijdelijk functionaris volbrachte diensttijd (in dezelfde zin het arrest van 1 februari 1979, zaak 17/78, Deshormes, Jurispr. 1979, blz. 189). Wij hebben hier immers met een andere feitelijke situatie te doen. Veelzeggend is in ieder geval, dat verzoekers gedurende hun gehele diensttijd als plaatselijk functionaris (sinds de jaren 60) nooit hebben doen gelden dat hun toenmalige hoedanigheid in strijd was met het communautaire ambtenarenrecht en dat er dwingende gronden waren om hen vanaf het begin als tijdelijk functionaris tewerk te stellen. Mijns inziens hebben zij ook in de onderhavige procedure geen concludente argumenten voor een dergelijke stelling weten aan te voeren. Het feit dat zij steeds vaste ambten hebben bekleed, is daarvoor in elk geval niet voldoende.
Ik ben dan ook van mening, dat het hierboven besproken onderdeel van het eerste middel de nietigverklaring van de bestreden berekeningen niet kan schragen.
b)
Wat het tweede onderdeel van dit middel betreft, is er geen reden om in te gaan op de door de Commissie opgeworpen preliminaire vragen, te weten, of de grieven van verzoekers niet buiten beschouwing moeten blijven omdat zij, toen zij instemden met de overschrijving van de actuariële tegenwaarde van hun Italiaanse pensioenrechten, desbetreffend geen voorbehoud hebben geformuleerd, en of zij wel aannemelijk hebben gemaakt belang te hebben bij de toetsing van dit punt (tijdens de schriftelijke procedure hebben zij niet aangetoond dat de afkoopsom voor hen gunstiger zou zijn, en ter terechtzitting hebben zij ter zake ook niet meer dan heel algemene, elk voor zich onbewezen stellingen geponeerd).
Het lijkt inderdaad nogal duidelijk dat het standpunt van verzoekers ook met betrekking tot de uitlegging van artikel 11 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut niet overtuigt.
Ook wanneer genoemde bepaling de ambtenaren bepaalde mogelijkheden — of zo men wil: rechten — geeft en de Lid-Staten dienvolgens passende maatregelen moeten nemen om de uitvoering van de regeling mogelijk te maken (zoals het arrest van 20.10.1981, zaak 137/80, Commissie/België, Jurispr. 1981, blz. 2408, duidelijk heeft gemaakt), blijkt reeds uit de bewoordingen van artikel 11, dat in principe enkel de overschrijving van een nationaal verzekeringsstelsel naar het gemeenschappelijk stelsel moet worden gewaarborgd, en wel hetzij door uitbetaling van de actuariële tegenwaarde van de verworven pensioenrechten, hetzij door betaling van de afkoopsom die een nationaal pensioenfonds verschuldigd is. Maar nergens wordt dwingend voorgeschreven dat heide mogelijkheden moeten worden geboden, onverschillig of deze in het nationale recht zijn voorzien of niet. De Commissie heeft er voorts op gewezen, dat bij de tweede mogelijkheid enkel van een verschuldigde afkoopsom sprake is, dit wil zeggen een som die krachtens het vigerende nationale recht zonder meer kan worden opgevraagd.
Ook in de tijdens de procedure aangehaalde rechtspraak kan iets anders niet worden gelezen. Dit geldt met name voor het arrest van 18 maart 1982 (prejudiciële procedure in zaak 212/81, Bodson, Jurispr. 1982, blz. 1019, 1027), dat zich beperkt tot een uitlegging van de begrippen (volgens deze uitlegging gaat het bij de berekening van de actuariële tegenwaarde om de kapitalisatie van toekomstige pensioenuitkeringen, rekening houdend met de vervroegde betaling en het risico van overlijden van de begunstigde voor de vervaltermijn, en bij de afkoopsom om de sommering van de betaalde bijdragen, eventueel vermeerderd met interessen). Dat geldt ook voor het in een procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag gewezen arrest in zaak 137/80 (Commissie/België, reeds aangehaald), waarin ten aanzien van België, dat volstrekt in gebreke was gebleven om de uitvoering van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII mogelijk te maken, enkel het principe werd vastgesteld, dat de overschrijving als bedoeld in genoemde bepaling geregeld moest worden, ten einde de ambtenaren in staat te stellen verworven rechten naar het gemeenschappelijk pensioenstelsel over te doen schrijven. Wanneer hierbij ook gesproken wordt van een door het Ambtenarenstatuut geboden kewzemogelijkheid, dan blijkt toch uit de feitelijke en processuele context en het verband van de betrokken rechtsoverweging (r.o. 13) duidelijk, dat daarmee enkel wordt gedoeld op de keuze tussen aangesloten blijven bij het nationale verzekeringsstelsel en overschrijving van verworven rechten naar het gemeenschappelijk pensioenstelsel. Uit niets blijkt evenwel, dat het Hof daarmee heeft willen zeggen dat de Lid-Staten steeds beide in artikel 11 van bijlage VIII genoemde mogelijkheden moeten bieden.
Het valt dus niet af te keuren, dat in punt B 1 van de tussen de Commissie en het INPS gesloten overeenkomst enkel sprake is van de berekening van de actuariële tegenwaarde van verworven pensioenrechten en dat enkel die berekening aan verzoekers is meegedeeld. Zoals de Commissie uiteen heeft gezet, was dat in overeenstemming met de bij de sluiting van genoemde overeenkomst bestaande rechtssituatie, volgens welke een afkoop in de zin van het arrest in zaak 212/81 (Bodson, reeds aangehaald) noch bestond wanneer — na het volbrengen van een bepaalde minimum arbeidsduur — rechten waren ontstaan, noch wanneer de verzekering voordien eindigde. Het is dan verder ook niet van belang, hoe het nu precies zit met de ter terechtzitting aangehaalde wet nr. 29 van 7 februari 1979, dat wil zeggen, of die inderdaad zoiets als een afkoopmogelijkheid in het Italiaanse recht heeft ingevoerd, dan wel of daarvan met het oog op artikel 11 van bijlage VIII eigenlijk niet kan worden gesproken, omdat die wet enkel betrekking heeft op overschrijving van betaalde bijdragen (plus rente) van het ene Italiaanse verzekeringsorgaan naar het andere, dus op de coördinatie van de nationale verzekeringsstelsels.
Tot nietigverklaring van de in het kader van de overschrijving genomen besluiten van de Commissie kan het derhalve ook niet komen op de grond dat de desbetreffende procedure onvolledig zou zijn geweest doordat de mogelijkheid van afkoop van de betaalde verzekeringsbijdragen buiten beschouwing is gebleven.
2.
In het tweede middel wordt schending van het discriminatieverbod gesteld. Verzoekers vergelijken hier de bijdragen die door en voor hen aan de Italiaanse sociale verzekering zijn betaald en die daar een kapitaal hebben gevormd, met de bijdragen die, indien zij tijdelijk functionaris waren geweest, gedurende eenzelfde tijd krachtens de RAP aan het gemeenschappelijk pensioenstelsel zouden zijn toegevloeid. Wanneer men let op de destijds verschuldigde bijdragen (verzoekers hebben die zowel voor Italië als voor de Gemeenschap nauwkeurig berekend) en rekening houdt met de rente over het opgebouwde kapitaal en met het feit dat verzoekers als aan een inrichting verbonden functionaris of als plaatselijk functionaris een „dertiende maand” ontvingen, dan valt aan te nemen dat verzoekers bij de Italiaanse sociale verzekering een groter tegoed hebben opgebouwd dan bij de Gemeenschap het geval zou zijn geweest, of dat althans het tegoed bij de nationale verzekering niet veel lager is dan een overeenkomstig tegoed bij de Gemeenschap. Het zou daarom onaanvaardbaar zijn, dat na de overschrijving van de actuariële tegenwaarde van de verworven pensioenrechten slechts ongeveer een derde van de vervulde diensttijd voor het gemeenschapspensioen in aanmerking is genomen en dat de rest van de diensttijd buiten beschouwing blijft.
De Commissie heeft hierop geantwoord, dat het betoog van verzoekers op een principieel verkeerde redenering is gebaseerd. Bij de overschrijving van de Italiaanse sociale verzekering naar het gemeenschappelijk stelsel spelen niet de sommering van de verzekeringsbijdragen en de rente over het aldus berekende kapitaal (men zou dit een soort afkoop kunnen noemen) een rol, maar gaat het om de kapitalisering van de Italiaanse uitkeringsrechten (zoals in het arrest in zaak 212/81 , Bodson, reeds aangehaald, is vastgesteld, is daarbij de vervroegde aard van de betaling en het risico van overlijden van de begunstigde van belang). Wanneer de zo gekapitaliseerde rechten worden omgerekend in dienstjaren volgens gemeenschapsrecht en wel met behulp van actuariële formules waarop de Tweede kamer van het Hof in zijn arrest in de gevoegde zaken 118-123/82 (Celant, reeds aangehaald, r.o. 28) niets aan te merken had, kan dat wegens de verschillen tussen de stelsels (bij voorbeeld met betrekking tot de verzekerde risico's, de bijdrageregeling, de pensioenbedragen en de pensioenleeftijd) zeer wel leiden tot een vermindering van het aantal in aanmerking te nemen dienstjaren. Gelijke bijdragen (enerzijds aan het Italiaanse stelsel en anderzijds aan het — blijkbaar veel gunstiger — gemeenschappelijk stelsel) behoeven dus niet te betekenen dat na een overgang van het nationale naar het gemeenschappelijk stelsel de pensioengrondslag, voor zover deze het aantal in aanmerking komende jaren betreft, gelijk is.
Zelfs wanneer — in de veronderstelling dat over een bepaalde periode nagenoeg gelijke bedragen zijn betaald aan de Italiaanse sociale verzekering respectievelijk het gemeenschappelijk stelsel — tijdelijke functionarissen enigszins bevoordeeld worden boven plaatselijke functionarissen die eerst later tijdelijk functionaris zijn geworden, doordat al hun dienstjaren voor de berekening van het ouderdomspensioen in aanmerking worden genomen, dan kan er toch geen sprake zijn van discriminatie omdat de rechtspositie van beide groepen verschillend is. De Tweede kamer heeft dit in haar arrest in de gevoegde zaken 118-123/82 (Celant) met zoveel woorden vastgesteld (r.o. 22). Zij heeft er verder op gewezen — ik vermeldde dit reeds -, dat de gemeenschapswetgever er geen verwijt van kan worden gemaakt, dat hij de aan een inrichting verbonden functionarissen niet met terugwerkende kracht tot tijdelijk functionaris heeft gemaakt of hun loopbaan, althans wat hun pensioenrechten betreft, niet volledig heeft gelijkgesteld met die van degenen die vanaf hun indiensttreding tijdelijk functionaris waren (r.o. 27).
Bijgevolg kan ook het aan discriminatie ontleende middel niet slagen.
3.
In de in de reeds genoemde uitvoeringsbepalingen opgenomen formule voor de berekening van de in aanmerking komende dienstjaren is onder meer het bij de aanstelling als tijdelijk functionaris genoten basissalaris op jaarbasis opgenomen, en wel in de noemer van de in artikel 3 bedoelde breuk. Verzoekers beklagen zich erover, dat niet alleen rekening is gehouden met het in oktober 1976 geldende basissalaris overeenkomstig de tabel van artikel 20 RAP, maar ook met de aanpassingscoëfficiënt (destijds 157,8), waardoor het aantal in aanmerking komende dienstjaren aanzienlijk lager zou zijn uitgevallen. Ook dit zou een discriminatie zijn ten opzichte van degenen die al langer tijdelijk functionaris waren en wier pensioenbijdragen uitsluitend over het basissalaris waren berekend.
Over dit punt — waarop verzoekers in hun repliek niet verder zijn ingegaan, maar waarop zij ter terechtzitting met een enigszins gewijzigde motivering zijn teruggekomen — kan ik betrekkelijk kort zijn.
De Commissie stelt desbetreffend, dat het hier gaat om de aanpassingscoëfficiënt van artikel 65 Ambtenarenstatuut, dat wil zeggen de coëfficiënt die ter aanpassing van het salarisniveau moet worden vastgesteld en die eerst na het in casu van belang zijnde tijdstip in de salaristabellen is verwerkt. Voor zover de hoogte van het salaris toentertijd van belang was — bij voorbeeld bij de omrekening van nationale pensioenrechten in in aanmerking komende dienstjaren —, had het voor de hand gelegen en was het ter voorkoming van vervalste resultaten ook noodzakelijk geweest om onder „salaris” te verstaan het met toepassing van de toenmalige aanpassingscoëfficiënt berekende salaris. Dit is ook de opvatting van de rechtspraak, zoals blijkt uit het eveneens op artikel 11, lid 2, van bijlage VIII betrekking hebbende arrest van 19 november 1981 (zaak 194/80, Benassi, Jurispr. 1981, blz. 2824). Na te hebben overwogen, dat de in artikel 65 Ambtenarenstatuut bedoelde aanpassingscoëfficiënt een instrument was ter aanpassing van de bezoldiging van alle ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschappen (terwijl de in artikel 64 bedoelde aanpassingscoëfficiënt alle ambtenaren een bezoldiging moet verzekeren die hun ongeacht hun standplaats dezelfde koopkracht waarborgt), verklaarde het Hof (Tweede kamer) in dat arrest, dat de eerste aanpassingscoëfficiënt in het basissalaris dient te worden verwerkt; bij de bepaling van het aantal van de op basis van het bedrag van de actuariële tegenwaarde aan te rekenen pensioenjaren zou het begrip basissalaris zo moeten worden uitgelegd, dat ook de aanpassingscoëfficiënt van artikel 65 van het Statuut ertoe behoort.
Met betrekking tot de eventuele bevoordeling van degenen die vanaf hun indiensttreding tijdelijk functionaris waren, kan ook hier worden volstaan met te verwijzen naar de verschillen met de rechtspositie van verzoekers in de onderhavige zaak. Zoals het arrest in de gevoegde zaken 118-123/82 (Celant, reeds aangehaald) duidelijk maakt, kunnen personen die steeds tijdelijk functionaris zijn geweest, niet worden vergeleken met personen die dat pas in 1976 zijn geworden, en kan er derhalve geen sprake zijn van discriminatie wanneer de pensioenjaren van laatstgenoemden zijn berekend op grond van hun met de aanpassingscoëfficiënt vermeerderde basissalaris op jaarbasis.
4.
Onder het hoofdje schending van de be-schermings- en voorlichtingsplicht wordt er in het verzoekschrift verder bewaar tegen gemaakt, dat geen verklaring is gegeven voor het feit dat de zojuist genoemde aanpassingscoëfficiënt van 157,8 in zijn geheel in aanmerking is genomen, terwijl verzoekers toch mochten aannemen dat de functie ervan mede was om in de verschillende standplaatsen een gelijke koopkracht te waarborgen. Voorts wordt gesteld, dat niet duidelijk is geworden, waarom van het door het Italiaanse sociale-zekerheidsorgaan overgeschreven kapitaal 3,5% rente per jaar is afgetrokken. Verzoekers zouden dus niet van alle relevante gegevens op de hoogte zijn geweest, toen zij een beslissing met betrekking tot artikel 11 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut moesten nemen.
In repliek is dit middel op een bredere leest geschoeid: de aftrek van die rente zou onrechtvaardig zijn voor zover zij betrekking heeft op de periode tussen de aanstelling van verzoekers als tijdelijk functionaris en de daadwerkelijke overschrijving van het kapitaal. De Commissie had ervoor kunnen en moeten zorgen, dat die overschrijving onmiddellijk na de sluiting van de overeenkomst met het Italiaanse sociale-zekerheidsorgaan in 1978 had kunnen plaatsvinden; daardoor zou zijn voorkomen, dat over vele jaren rente moest worden afgetrokken, waardoor het kapitaal dat voor de berekening van de pensioenjaren van belang was, kleiner werd.
a)
De oorspronkelijke formulering van dit middel stelt geen bijzondere moeilijkheden.
Om te beginnen is het in elk geval na het antwoord van de Commissie op de grieven van verzoekers wel duidelijk, hoe het met het eerste van de twee bovengenoemde elementen zit. De Commissie heeft er uitdrukkelijk op gewezen, dat het om de aanpassingscoëfficiënt van artikel 65 Ambtenarenstatuut gaat en dat deze volgens de rechtspraak van het Hof in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van artikel 11 van bijlage VIII, juist omdat hij de functie heeft, voor aanpassing van de ambtenarensalarissen te zorgen. Blijkens artikel 3, lid 2, van de al eerder genoemde uitvoeringsbepalingen van artikel 11 wordt van het overgeschreven kapitaal 3,5% rente per jaar afgetrokken, over de periode tussen de aanstelling als tijdelijk functionaris (vanaf dat moment valt de betrokkene onder het gemeenschappelijk pensioenstelsel) en de daadwerkelijke overschrijving van het kapitaal aan de Gemeenschap, die daar eigenlijk al vanaf het moment van aanstelling over had moeten kunnen beschikken, maar het vaak pas jaren later krijgt uitbetaald.
Van belang is voorts, dat de Commissie onweersproken heeft verklaard dat deskundige ambtenaren naar Ispra zijn gezonden, die, toen de toepassing van artikel 11 actueel werd, inlichtingen konden verstrekken. Verzoekers hebben dus de gelegenheid gehad om vragen te stellen over punten die hun niet duidelijk waren. Nu zij hun beslissing zonder voorbehoud hebben gebaseerd op de berekeningen van de Commissie, kunnen zij thans niet meer aanvoeren dat zij onvoldoende geïnformeerd waren.
Bovendien moet worden bedacht dat verzoekers niet hebben aangetoond dat zij, indien alle relevante gegevens hun bijtijds duidelijk waren geweest, een andere beslissing zouden hebben genomen, dat wil zeggen dat zij dan hun gekapitaliseerde pensioenrechten niet naar het gemeenschappelijk pensioenstelsel zouden hebben laten overschrijven. Hoe zij in deze situatie — zij houden immers vast aan de toepassing van artikel 11 en zijn enkel uit op een gunstiger resultaat — nietigverklaring van de berekeningen van de Commissie denken te verkrijgen op grond van onvoldoende voorlichting over de draagwijdte daarvan, is mij niet zo duidelijk.
b)
Voor zover men nog wil ingaan op de aanvullende, in repliek aangevoerde argumenten (bij voorbeeld omdat men zou kunnen zeggen dat deze in nauw feitelijk verband staan met het middel zoals dat oorspronkelijk was geformuleerd), dan kan na al het voorgaande nog het volgende worden opgemerkt.
Van wezenlijk belang is hier, dat niet enkel, overeenkomstig de genoemde uitvoeringsbepalingen, 3,5% rente van het overgeschreven kapitaal wordt afgetrokken (namelijk over de periode tussen de aanstelling als tijdelijk functionaris — en de daarmee verbonden aansluiting bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel — en het tijdstip waarop de overschrijving dient plaats te vinden, welk tijdstip, naar voor het Hof werd verklaard, meestal vóór dat van de daadwerkelijke overschrijving ligt). Uit de met het Italiaanse sociale-zekerheidsorgaan gesloten overeenkomst — volgens welke het aankomt op de datum waarop het verzoek om overschrijving bij dat orgaan wordt ingediend — volgt ook, dat over het op het tijdstip van aanstelling te berekenen kapitaal een positieve rente (kennelijk 4,5% per jaar) wordt vergoed, en wel tot op de dag waarop het verzoek wordt ingediend. De betrokkenen lijden dus alleen renteverlies gedurende de op de mededeling door het Italiaanse verzekeringsorgaan volgende termijn van 90 dagen (waarbinnen de betrokkenen moeten meedelen of zij akkoord gaan) en voorts tot de dag waarop de overschrijving moet plaatsvinden, wat wel onmiddellijk daarna is.
Dat het zo lang heeft geduurd voordat de procedure tot overschrijving van het kapitaal op gang kwam, kan voor de betrokkenen dus zeker niet nadelig zijn geweest; met name wanneer een procedure lang aansleept, zou er wegens het genoemde verschil in rentevoet eerder van een zeker voordeel sprake kunnen zijn (in ieder geval zou dan in het midden kunnen blijven, of de door verzoekers gelaakte vertraging niet moet worden toegeschreven aan de ingewikkeldheid van de procedure en het aantal te behandelen dossiers). Bedenkt men daarbij, dat het genoemde daadwerkelijke renteverlies over enkele maanden nauwelijks gevolgen heeft voor de berekening van de in aanmerking komende dienstjaren en dus in beginsel wel mag worden verwaarloosd, en voorts, dat de betrokkenen volgens de uitvoeringsbepalingen van artikel 11 van bijlage VIII (art. 3, lid 2, tweede volzin) dit kunnen compenseren door zelf iets bij te betalen, dan kan men alleen maar tot de conclusie komen, dat de betrokken renteregeling geen grond oplevert voor nietigverklaring van de berekening van de pensioenjaren van verzoekers.
5.
Op grond van een en ander concludeer ik, dat de middelen die verzoekers in de schriftelijke procedure hebben aangevoerd, hun beroep niet kunnen doen slagen.
De andere, deels nieuwe middelen die verzoekers ter terechtzitting nog hebben aangevoerd (zoals de opmerkingen over de in de omrekeningsformule opgenomen salarisbedragen, de functie van de aanpassingscoëfficiënt tot 1979 of de invloed van de leeftijd — op het ogenblik waarop het verzoek om overschrijving werd behandeld — op de berekening van de gekapitaliseerde pensioenrechten), dienen ingevolge het Reglement voor de procesvoering als te laat ingediend buiten beschouwing te blijven. Voor zover die opmerkingen inhouden dat de berekeningen van het Italiaanse orgaan niet transparant genoeg of zelfs onjuist zijn, moet verzoekers overigens worden voorgehouden, dat zij zich daarvoor tot de nationale rechter hadden moeten wenden, wat stellig mogelijk is in het geval van vaststellingsbesluiten van een orgaan van sociale zekerheid, als bedoeld in artikel 11 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut.
C —
Gelet op het voorafgaande, geef ik in overweging, de door Soma en zijn collega's ingestelde beroepen te verwerpen en overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering elke partij in de eigen kosten te verwijzen.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy