CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 31 januari 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Ik zou in de zaak onmiddellijk conclusie willen nemen.
Ter terechtzitting is gebleken dat de Italiaanse rechter bij de beslechting van het geding met niet te onderschatten moeilijkheden te maken heeft.
Het verbaast mij geenszins dat bij de toepassing van het recht een vergissing is begaan, dat men meende een bepaald voorschrift te moeten toepassen en niet een ander.
Intussen hebben wij dit alles met de hulp van de Commissie onderzocht, en de zaak lijkt thans niet meer zo ingewikkeld.
Ik ben het met de vertegenwoordiger van verzoekster in het hoofdgeding eens, dat de oplossing kan worden afgeleid uit aanbeveling nr. 874/83/EGKS, aangezien in de considerans daarvan alle bepalingen zijn opgesomd die bij de oplossing van het probleem een rol spelen.
Uit die considerans blijkt het volgende.
Bij aanbeveling nr. 1006/78/EGKS van 18 mei 1978 heeft de Commissie een definitief anti-dumpingrecht ingesteld op bepaalde soorten plaatstaal anders dan elektrolitisch verzinkt, van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek en vallende onder post 73.13 B IV c) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief.
Zij heeft deze aanbeveling gewijzigd bij aanbeveling nr. 3140/78/EGKS van 29 december 1978, waarbij zij nieuwe anti-dumpingrechten heeft ingesteld, onder meer voor produkten van voormelde post van het GDT. Deze aanbeveling trad in werking op 15 januari 1979 en bleef ruim vier jaar en drie maanden, tot 16 april 1983, van toepassing. Eerst toen is zij vervangen door aanbeveling nr. 874/83/EGKS.
Ik kan alle begrip opbrengen voor het standpunt van de vertegenwoordiger van de Italiaanse Regering, die dit een ongebruikelijke regeling vindt. Op een zo ontredderde markt als die van staalprodukten, in een zo bewogen periode als de staalmarkt doormaakte, verdient het feit dat één en hetzelfde anti-dumpingrecht zolang van kracht is gebleven, inderdaad enige toelichting.
Ik vrees evenwel dat deze toelichting hier niet op haar plaats is. Of het al dan niet een economisch verantwoorde beleidsmaatregel betreft, is in de onderhavige context irrelevant. Daarover is waarschijnlijk veel discussie mogelijk, en de vertegenwoordiger van de Commissie heeft er overigens op gewezen, dat ook voor voorzienbare, vaste antidumpingrechten eigenlijk wel iets te zeggen valt.
Thans is alleen in geding, of de aanbeveling al dan niet geldig was. Naar mijn gevoel zijn geen beslissende argumenten tegen haar rechtsgeldigheid aangevoerd.
De aanbevelingen nrs. 1006/78/EGKS en 874/83/EGKS hebben betrekking op antidumpingrechten op ijzer en staal van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek. In aanbeveling nr. 3140/78/EGKS wordt de DDR niet genoemd, doch wordt wel gerefereerd aan onder meer aanbeveling nr. 1006/78/EGKS, die alleen ten aanzien van de DDR geldt. Wij hebben zojuist tijdens de mondelinge behandeling vernomen, dat in de periode die thans aan de orde is, aanbeveling nr. 3140/78/EGKS zonder enige twijfel van toepassing was op de litigieuze importen.
Aanbeveling nr. 1006/78/EGKS, die het douanekantoor te Luino als grondslag heeft genomen voor de berekening van het door verzoekster te betalen bedrag, was op dat moment ingetrokken bij aanbeveling nr. 3140/78/EGKS van de Commissie en kon niet langer worden toegepast.
Dat is, meen ik, de rechtssituatie waarmee wij te maken hebben. Wij weten welke bepalingen niet van toepassing waren. Dat geldt ook voor de mededeling van de prijzen van 29 december 1981, die gebaseerd is op aanbeveling nr. 3018/79/EGKS, die volkomen buiten de onderhavige zaak staat.
Thans rijst de vraag — waarover de vertegenwoordiger van de Italiaanse Regering reeds sprak —, wat wij moeten doen. Ik ben het eens met de vertegenwoordiger van de Commissie, dat, in de geest van samenwerking met de verwijzende rechter, het Hof zich niet achter de verkeerde vraag kan verschuilen. Wij hebben immers kunnen vaststellen, hoe moeilijk zelfs deskundigen in deze materie de weg kunnen vinden, en willen wij een constructieve bijdrage leveren, dan moet ons antwoord terzake zijn.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag te beantwoorden als volgt:
1)
Of de mededeling van de Commissie houdende wijziging van de basisprijzen voor bepaalde ijzer- en staalprodukten (PB 1982, L 372, biz. 1) al dan niet geldig is, is voor de beslechting van het onderhavige geding niet relevant.
2)
Van toepassing waren destijds de in aanbeveling nr. 1006/78/EGKS, zoals gewijzigd bij aanbeveling nr. 3140/78/EGKS, vastgestelde effectieve prijzen voor produkten van post 73.13 B IV c) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1978, L 372, biz. 1 en 17).
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy