CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 10 december 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het beroep van 2 juli 1984, waarmee de onderhavige zaak aanhangig is gemaakt, omvat een reeks vorderingen van Lars Bo Rasmussen, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de rang A 6, tegen deze instelling. Zij hebben betrekking op:
a)
onmiddellijke herplaatsing van verzoeker in zijn ambt;
b)
opdracht van werkzaamheden die overeenkomen met zijn rang, bekwaamheden en kundigheden;
c)
uitkering van een dagvergoeding en van een bedrag als schadevergoeding wegens de onderbreking van de normale ontwikkeling van zijn loopbaan en zijn onzekere administratieve situatie;
d)
nietigverklaring van de afwijzing van zijn klacht;
e)
veroordeling van de werkgever tot betaling van alle proceskosten, met inbegrip van de krachtens artikel 73 van het Reglement voor de procesvoering invorderbare kosten.
2.
Rasmussen, die een graad in de economische en politieke wetenschappen en een uitstekende talenkennis bezit, werd op 1 maart 1975 aangeworven door het Bureau voor officiële publikaties te Luxemburg en belast met de samenstelling van de maandelijkse en jaarlijkse, alfabetische en systematische registers op het Publikatieblad. Na de automatisering van de samenstelling van de registers kwam het tot een reorganisatie bij het Publikatiebureau en Rasmussen, die geen notie had van de nieuwe elektronische technologieën, begon aanpassingsmoeilijkheden te ondervinden en te vrezen voor de verdere ontwikkeling van zijn loopbaan. Vanaf 1975 heeft hij pogingen in het werk gesteld om een post van de rang A 5 te krijgen, niet alleen bij de Commissie (en in het bijzonder bij de talendienst), maar ook bij het Parlement en de Rekenkamer.
Begin 1981 maakte de directeur van het Publikatiebureau een persoonlijke afspraak met de directeur-generaal van het Bureau voor de Statistiek, inhoudende dat Rasmussen bij laatstgenoemde dienst zou worden tewerkgesteld. Aanvankelijk zou deze „terbeschikkingstelling” één jaar duren, met ingang van 15 maart 1981, maar nadien werd zij met één jaar verlengd. Het Publikatiebureau zou zijn salaris blijven betalen, terwijl de kosten van eventuele dienstreizen door het Bureau voor de Statistiek zouden worden gedragen.
Bij nota van 22 februari 1982, ongeveer één jaar na de aanvang van zijn nieuwe werkzaamheid, vroeg Rasmussen aan de directeur van het Publikatiebureau, of deze maatregel als een echte verandering van tewerkstelling moest worden beschouwd. Zo dit niet het geval was, verzocht hij hem zijn naam te plaatsen op de lijst van de ambtenaren van de rang A 6-A 7, die gedurende de laatste drie jaren niet in een ander ambt waren tewerkgesteld. Eén maand later (op 9 maart 1982) erkende verzoeker in een aantekening op zijn beoordelingsrapport, dat de ervaring die hij bij het Bureau voor de Statistiek opdeed, positief was, maar drukte hij zijn bezorgdheid uit aangaande zijn abnormale administratieve situatie. Overigens werd zijn ongerustheid door de administratie zelf gedeeld, zoals blijkt uit een brief van 14 mei 1982, waarin de directeur van het Publikatiebureau aan de directeur-generaal Personeelszaken vroeg de mogelijkheid van definitieve tewerkstelling van Rasmussen bij het Bureau van de Statistiek te onderzoeken.
In een eerste klacht van 1 september 1982 wendde Rasmussen zich tot de Commissie met het verzoek, de Raad te vragen zijn post van het budget van het Publikatiebureau over te brengen naar dat van de Commissie, met het oog op zijn tewerkstelling bij het Bureau voor de Statistiek, en de procedure voor bevordering tot de rang A 5 voor het begrotingsjaar 1982 te annuleren. Op 8 februari 1983 antwoordde het met personeelszaken belaste lid van de Commissie, de heer Burke, hem dat zijn klacht zonder voorwerp was geraakt: hij was immers voorgedragen voor bevordering tot de rang A 5 voor het begrotingsjaar 1983, en de instelling gaf zich moeite om in het kader van de mobiliteitsprogramma's een oplossing te vinden voor zijn administratieve problemen.
Op 11 maart 1983 deelde de directeur van het Publikatiebureau Rasmussen mee, dat er wegens zijn onvoldoende rendement op 15 maart een einde zou komen aan zijn tewerkstelling bij het Bureau voor de Statistiek, maar ook dat: a) het Raadgevend Comité EGKS bereid was gevonden hem op proef tewerk te stellen; b) hij mogelijkerwijze bij directoraat-generaal V van de Commissie te Brussel kon worden tewerkgesteld. Bij twee nota's van 8 februari en 18 maart verklaarde Rasmussen dat zijn overplaatsing naar Brussel om persoonlijke redenen onmogelijk was, maar dat hij wel een functie bij het Comité EGKS wilde aanvaarden, op voorwaarde dat deze definitief was. Nauwelijks één maand later echter ging dit vooruitzicht eveneens in rook op: blijkens een brief van verzoeker aan het secretariaat van het Comité (op 15 april) was het er hem immers uitsluitend om te doen een post van de rang A 5 te krijgen.
Op 16 mei richtte verzoeker een schrijven tot de directeur-generaal Personeelszaken, om zich nogmaals over zijn positie te beklagen. Nu zijn tewerkstelling bij het Bureau voor de Statistiek was beëindigd, betreurde hij in het bijzonder dat hij geen vaste functie overeenkomstig zijn ervaring en kundigheden kon bekomen. Verder verklaarde hij, dat een reviseurspost hem volledige genoegdoening zou schenken. Op 28 juli liet de directeur Personeelszaken, algemeen beheer en vertaling van de Commissie te Luxemburg hem weten dat hij, om een vertalerspost te krijgen, eerst met succes aan een vergelijkend onderzoek moest deelnemen. Tevens zond hij hem een beknopte omschrijving van werkzaamheden op terminologisch gebied, met de opmerking dat hij, door deze te verrichten, zich zou kunnen voorbereiden op een vergelijkend onderzoek voor de talendienst.
In een tweede klacht van 1 december 1983 verzocht Rasmussen de Commissie zijn administratieve situatie te regulariseren en hem te bevorderen tot de rang A 5, een bevordering die hij in normale omstandigheden ongetwijfeld zou hebben gekregen. In zijn antwoord van 17 juni 1984 betreurde Burke, dat alle pogingen om ander werk voor verzoeker te vinden tot op dat moment waren mislukt, en vestigde hij diens aandacht op de aankondiging van intern vergelijkend onderzoek COM/52/84 voor een post van Deenstalig vertaler. Maar enkele dagen later stelde Rasmussen het onderhavige beroep in, dat op 4 juli 1984 werd ingeschreven.
Op 16 juli 1984 attendeerde ook de directeur van het Publikatiebureau Rasmussen op die aankondiging, terwijl de directeur Personeelszaken te Luxemburg hem bij nota van 19 juli 1984 berichtte dat hij zich kandidaat kon stellen voor overgang naar de groep voor de talendienst en dat hij ter beschikking van de vertaaldienst zou worden gesteld om zich op het vergelijkend onderzoek te kunnen voorbereiden. Blijkens het dossier nam verzoeker niet aan dat vergelijkend onderzoek deel, omdat hij meende dat hij dan iedere kans op bevordering tot de rang A 5 zou verspelen.
3.
De bepalingen van het Ambtenarenstatuut, die volgens de vier door Rasmussen aangevoerde middelen zijn geschonden, zijn :
a)
de artikelen 5 en 7, die gebaseerd zijn op het algemene beginsel van het recht op arbeid en de ambtenaar een met zijn rang en categorie overeenkomend ambt garanderen;
b)
artikel 25, luidens hetwelk elk overeenkomstig het Statuut ten aanzien van een ambtenaar genomen besluit hem ter kennis moet worden gebracht en met redenen moet zijn omkleed, althans wanneer het voor hem bezwarend kan zijn. In het kader van dit middel beklaagt verzoeker zich erover, dat zijn plaatsing bij het Bureau voor de Statistiek niet bij wege van detachering is geschied;
c)
artikel 38, sub g, volgens hetwelk de ambtenaar na afloop van de detachering onmiddellijk weer in het door hem beklede ambt treedt;
d)
artikel 45 en het non-discriminatiebeginsel. In concreto klaagt verzoeker erover, dat hem, anders dan andere ambtenaren, de mogelijkheid van bevordering tot de rang A 5 is ontnomen.
4.
Alvorens de gegrondheid van deze middelen na te gaan, dienen wij een door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te onderzoeken. Volgens deze exceptie komen de in het beroep geformuleerde vorderingen niet voor in de op 1 december 1983 door Rasmussen ingediende vage en algemene klacht. Meer in het bijzonder bevatte de klacht geen enkel verzoek om herplaatsing bij het Publikatiebureau en sloot zij die mogelijkheid zelfs uit. Anderzijds ziet het verzoek om tewerkstelling in een passend ambt over het hoofd, dat in het besluit van 17 juni 1984 de aandacht van verzoeker op de aankondiging van het intern vergelijkend onderzoek COM/52/84 werd gevestigd.
Deze exceptie is niet ontvankelijk. Terecht beroept verzoeker zich op's Hofs rechtspraak (arresten van 30.10.1974, zaak 188/73, Grassi, Jurispr. 1974, blz. 1099, en 1.7.1976, zaak 58/75, Sergy, Jurispr. 1976, blz. 1139), volgens welke de bewoordingen van de klacht voor partijen niet bindend zijn met het oog op de contentieuze fase, ten minste zolang de grond en het voorwerp ervan geen wijziging ondergaan. Het is immers duidelijk, dat er een wezenlijk verband bestaat tussen de klacht en het beroep van Rasmussen. Anderzijds is ook duidelijk, dat het besluit van 17 juni 1984 in concreto niet tot de toekenning van een doot verzoeker gewenste echte post heeft geleid.
5.
Ik begin met het middel in punt 3, sub a. Volgens verzoeker leggen de artikelen 5 en 7 de administratie de verplichting op, de ambtenaar tewerk te stellen in een met zijn rang en categorie overeenkomend ambt. Het dwingend karakter van deze bepalingen verhindert dat de ambtenaar en de instelling iets anders overeen zouden kunnen komen. Er is overigens geen sprake van dat Rasmussen een overeenkomst zou hebben gesloten toen hij instemde met zijn terbeschikkingstelling bij het Bureau voor de Statistiek ten einde, in het belang van de dienst, een oplossing voor zijn problemen te vinden; dit blijkt wel uit de omstandigheid dat hij, zodra hij zich bewust werd van het ongewone van zijn administratieve situatie, om regularisering daarvan verzocht. Daarbij verklaarde hij, dat hij genoegen nam met zijn overgang naar de talendienst indien hij daar réviseur zou worden.
Daarbij komt, aldus Rasmussen, dat die twee bepalingen van het Statuut het beginsel van recht op arbeid specificeren. In het recht van enkele Lid-Staten nu vormt schending van dit beginsel in de vorm van een nalaten om de werknemer passende arbeid te verschaffen, een wanprestatie die grond oplevert voor onmiddellijke opzegging en die de werkgever verplicht tot het betalen van een vergoeding ter compensatie van de opzeggingstermijn.
Naar mijn mening is dit verwijt ongegrond. Ik ontken niet, dat de artikelen 5 en 7 de administratie ertoe verplichten, de ambtenaar een ambt in zijn categorie en rang te verschaffen. Het lijkt mij nochtans duidelijk, dat deze bepalingen de ambtenaar geen recht op een bepaalde post geven, waaruit ik afleid, dat de verplichting van de wederpartij geen „resultaatsverplichting” is. Blijkens het dossier heeft de administratie al het mogelijke gedaan om Rasmussen, na diens deklassering ten gevolge van de reorganisatie van de dienst waarbij hij tewerk was gesteld (cfr. arrest van 20.5.1976, zaak 66/75, Macevičius, Jurispr. 1976, blz. 593), een bevredigende functie te bezorgen.
Het is waar dat zij daar niet in geslaagd is, maar daarvan kan haar geen verwijt worden gemaakt. Het was veeleer het gevolg van objectieve omstandigheden, en vooral van de herhaalde weigeringen van Rasmussen om aangeboden posten te aanvaarden. Zo heeft de administratie, na te hebben vastgesteld dat het wegens zijn onvoldoende rendement onmogelijk was verzoeker met zijn post te doen overgaan naar het Bureau voor de Statistiek, geprobeerd hem tewerk te stellen:
a)
bij directoraat-generaal XIII (Informatiemarkt en innovatie) en bij het Informatie-, onderzoeks- en documentatiecentrum van de Gemeenschap. Aangezien deze diensten waren gecomputeriseerd, werd Rasmussen er niet geschikt voor geacht;
b)
bij het Raadgevend comité EGKS. Deze tewerkstelling werd onmogelijk doordat de verzoeker zijn overgang naar een andere functie gekoppeld wenste te zien aan een bevordering tot de rang A 5;
c)
bij directoraat-generaal V (Werkgelegenheid, sociale zaken en onderwijs). Dit zou een overplaatsing naar Brussel hebben betekend, hetgeen Rasmussen om persoonlijke redenen weigerde (verwerving van eigendom, gevoelsbanden);
d)
bij het directoraat Vertalingen te Luxemburg. Daartoe organiseerde de administratie een — door haarzelf als „bidon” betiteld — intern vergelijkend onderzoek; Rasmussen wenste zich evenwel niet kandidaat te stellen, daar hij niet in een vertalerspost (LA 6), doch enkel in een reviseurspost (LA 5) geïnteresseerd was.
Het beginsel van het recht op arbeid werd evenmin geschonden toen Rasmussen bij wege van terbeschikkingstelling bij de vertaaldienst werd geplaatst. Dit gebeurde immers met zijn instemming en in zijn belang. Hij bleef zijn salaris ontvangen en de hem opgedragen werkzaamheden lijken, wat verzoeker daaromtrent ook op te merken heeft, in wezen in overeenstemming te zijn geweest met zijn rang en kundigheden (arrest van 16.6.1971, zaak 61/70, Vistosi, Jurispr. 1971, blz. 535, r.o. 14/15).
6.
In het tweede middel stelt Rasmussen schending van artikel 25. Daar het om individuele besluiten ging, zo zegt hij, hadden de maatregelen waarbij hij ter beschikking van andere diensten werd gesteld, met redenen moeten zijn omkleed, hadden zij hem schriftelijk ter kennis moeten worden gebracht en hadden zij moeten worden bekendgemaakt op de aankondigingsborden in de gebouwen van de instelling waartoe hij behoorde, alsook in het Maandblad voor het personeel der Gemeenschappen.
Ook dit verwijt moet worden afgewezen. Zoals advocaat-generaal Sir Gordon Slynn terecht opmerkte in zijn conclusie in zaak 263/81 (List, Jurispr. 1983, blz. 121), wordt in het Statuut niet met zoveel woorden over „terbeschikkingstelling” gesproken, doch wel in artikel 3, derde alinea, van de Gids voor de beoordeling van het personeel. Men kan dus zeggen dat een dergelijke maatregel „niet overeenkomstig het Statuut” wordt genomen en dat de voorschriften van artikel 25 er derhalve niet voor gelden. Zij „brengt immers geen wijziging in de [administratieve] situatie van de ambtenaar en is niet meer dan een internorganisatorische maatregel”, waarmee de belanghebbende het overigens eens was.
7.
Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 38, sub g, luidens hetwelk de ambtenaar na afloop van de detachering onmiddellijk weer in het vroeger door hem beklede ambt treedt. Door de herplaatsing van Rasmussen te weigeren, zou de Commissie dus het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen en van de verworven rechten hebben geschonden.
Deze grief is niet overtuigender dan de andere. Men kan weliswaar niet volstaan met tegen te werpen, dat het in verzoekers geval niet om een detachering, maar om een terbeschikkingstelling ging, want gezien de overeenkomst tussen de belangen die bij de twee figuren op het spel staan, is het duidelijk dat artikel 38 ook bij terbeschikkingstelling heeft te gelden. Het zwakke punt van deze grief ligt elders: vergeten wordt dat herplaatsing alleen maar mogelijk is, wanneer het ambt dat de te herplaatsen ambtenaar tijdelijk heeft moeten opgeven, nog bestaat. Het ambt bij het Publikatiebureau nu, waarnaar Rasmussen wenst terug te keren, bestaat administratief nog wel, maar de functie is niet meer dezelfde als vroeger, in die zin dat zij andere werkzaamheden inhoudt (of dat er andere kennis voor is vereist) dan die waarvoor (of met het oog waarop) verzoeker werd aangeworven. Rasmussen heeft dus wel recht op een ambt dat overeenkomt met zijn ervaring en bekwaamheden (zie hierboven sub 5), maar hij kan niet eisen in zijn oorspronkelijk ambt te worden herplaatst.
8.
In het vierde en laatste middel stelt verzoeker schending van artikel 45 en van het verbod van discriminatie tussen ambtenaren. Luidens genoemde bepaling van het Statuut „geschiedt bevordering uitsluitend bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten..., alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken”. Volgens Rasmussen nu is in het geval van een ambtenaar die, net als hij, geen echte functie heeft en die geen passende werkzaamheden kan verrichten, geen vergelijkend onderzoek mogelijk: de voorwaarden voor een bevordering ontbreken dus, wat betekent dat hij ten opzichte van andere ambtenaren wordt gediscrimineerd.
Ook dit middel faalt. Zoals verweerster opmerkt, staat de maatregel van terbeschikkingstelling niet in de weg aan toepassing van artikel 45. Dit blijkt uit het feit dat Rasmussen, die met ingang van 15 maart 1981 bij het Bureau voor de Statistiek was tewerk gesteld voor het begrotingsjaar 1983, voor bevordering werd voorgedragen. Daarbij komt dat, zoals wij zagen, die maatregel voorzien is in de Gids voor de beoordeling; het aantal vergelijkingspunten waarmee de beoordelaar rekening moet houden, wordt er dus niet kleiner, maar juist groter door. Ook zo gezien, is het derhalve absurd om over discriminatie te spreken.
Ten slotte heeft verzoeker niet weten aan te tonen dat de administratie de ontwikkeling van zijn loopbaan opzettelijk in gevaar heeft gebracht; morele schade moet derhalve worden uitgesloten. Het verzoek om vergoeding daarvan is mitsdien ongegrond.
9.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, het op 2 juli 1984 door Lars Bo Rasmussen tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingestelde beroep te verwerpen, en de kosten tussen partijen te compenseren overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy