CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 19 november 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De onderhavige zaak betreft een schadevordering krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag van de firma Krohn te Hamburg tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen. De schade waarvan verzoekster vergoeding vraagt, is naar haar zeggen veroorzaakt doordat de Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung (BALM) op instructie van de Commissie heeft geweigerd, de door verzoekster gevraagde invoercertificaten voor wortels en knollen van maniok uit Thailand af te geven.
Voor een beter begrip van het geschil wil ik een overzicht geven van de ten tijde van de feiten geldende gemeenschapsregeling. Deze is neergelegd a) in de bij besluit nr. 82/495 van de Raad van 19 juli 1982 goedgekeurde Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en het Koninkrijk Thailand inzake de produktie en de commercialisatie van en het handelsverkeer in maniok (PB 1982, L 219, biz. 52), en b) in verordening nr. 2029/82 van de Commissie van 22 juli 1982 (PB 1982, L 218, biz. 8), waarbij de nodige uitvoeringsbepalingen zijn vastgesteld.
Blijkens de preambule is de overeenkomst gebaseerd op twee constateringen: de economie van Thailand is afhankelijk van de produktie van maniok (geconcentreerd in de armste en politiek minst stabiele gebieden van het land) en de toenemende invoer van maniok leidt tot problemen op de gemeenschappelijke markt.
Met het oog hierop verplichtte Thailand zich, de uitvoer van maniok (post 07.06 A van het GOT) zodanig te regelen, dat de vastgestelde uitvoerhoeveelheid (5 miljoen ton per jaar voor de jaren 1983 en 1984, en 4,5 miljoen ton per jaar voor de beide volgende jaren) niet werd overschreden (artikel 1). De Gemeenschap verbond zich harerzijds, de heffing op de maniokinvoer te beperken tot maximaal 6% ad valorem en te verzekeren dat Thailand de meestbegunstigingsbehandeling geniet met betrekking tot dit heffingspercentage (artikel 3). Ten aanzien van de uitvoering van de regeling is bepaald: a) dat Thailand er zorg voor draagt, dat geen uitvoercertificaten worden afgegeven voor hoeveelheden boven de vastgestelde maxima, en b) dat de Gemeenschap alle nodige voorzieningen treft om invoervergunningen voor maniok uit Thailand af te geven na overlegging van een door de autoriteiten in Bangkok afgegeven uitvoercertificaat. De invoervergunning wordt binnen zeven dagen na overlegging van het uitvoercertificaat afgegeven. De datum van afgifte van het uitvoercertificaat is bepalend voor het jaar waarop de verscheepte hoeveelheden moeten worden geboekt (artikel 5).
Vervolgens dus verordening nr. 2029/82. Voor ons zijn vooral de artikelen 7, leden 1 en 2, 9 en 10 van belang. Artikel 7 luidt als volgt:
„1)
Het invoercertificaat wordt afgegeven op de vijfde werkdag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, behalve indien de Commissie de bevoegde instanties van de Lid-Staat per telexbericht heeft medegedeeld dat de bij de Samenwerkingsovereenkomst vastgestelde voorwaarden niet in acht zijn genomen.
Indien de voorwaarden voor afgifte van het certificaat niet in acht zijn genomen kan de Commissie, na overleg met de autoriteiten van Thailand, eventueel passende maatregelen nemen.
2)
Op verzoek van de belanghebbende en indien de Commissie per telexbericht toestemming daartoe heeft gegeven, mag het invoercertificaat op een kortere termijn worden afgegeven.”
Artikel 9 luidt als volgt:
„Iedere dag delen de Lid-Staten aan de Commissie per telexbericht de volgende gegevens mede voor elke certificaataanvraag: hoeveelheid waarvoor elk invoercertificaat wordt aangevraagd; nummer van het overgelegde certificaat voor uitvoer, welk nummer is vermeld in het bovenste vakje van het certificaat; datum van afgifte van het certificaat voor uitvoer; totale hoeveelheid waarvoor het certificaat voor uitvoer is afgegeven; naam van de exporteur, vermeld op het certificaat voor uitvoer.”
Ten slotte gelden deze bepalingen krachtens artikel 10 slechts voor uitvoercertificaten die door Thailand zijn afgegeven vanaf 28 juli 1982 tot 31 december 1982.
Verordening nr. 2029/82 gold tot eind 1982, toen zij werd vervangen door verordening nr. 3383/82 van de Commissie (PB 1982, L 356, biz. 6), die sindsdien herhaaldelijk is gewijzigd.
2.
Op 16 november 1982 vroeg verzoekster, importeur van en groothandelaar in granen en diervoeders, bij de BALM vijf invoercertificaten aan voor in totaal 54895472 kg wortels en knollen van maniok uit Thailand. Overeenkomstig de bovenomschreven regeling voegde verzoekster bij de aanvraag een aantal uitvoercertificaten van de Thaise autoriteiten, respectievelijk van 18 augustus 1982 voor een partij van 380 ton en van 7 september 1982 voor de overige hoeveelheid. Op de certificaten was vermeld, dat de waar per schip naar Europa was vervoerd; de namen van de schepen (Assimina, Valdivia en Daiko Maru) werden door de BALM overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 2029/82 op de dag van de aanvraag aan de Commissie meegedeeld.
Opgemerkt zij, dat tussen het tijdstip van afgifte van deze certificaten en het tijdstip van de aanvraag (18 augustus en 7 september respectievelijk 16 november) drie respectievelijk tweeëneenhalve maand was verstreken, terwijl het vervoer per schip van Thailand naar Europa gemiddeld vier tot zes weken duurt. Bovendien was de Commissie ter ore gekomen, dat een Duitse onderneming in de herfst van 1982 probeerde om ongeveer 60000 ton maniok in de Gemeenschap in te voeren zonder over een Thais uitvoercertificaat te beschikken. Daardoor wantrouwig geworden, deelden de diensten van de Commissie te Brussel de BALM per telexbericht van 23 november 1982 mee, dat op grond van artikel 7 van verordening nr. 2029/82 moest worden onderzocht, of verzoekster had voldaan aan de voorwaarden voor afgifte van de certificaten en met name, of de datum van inlading in Thailand, de naam van de schepen waarmee de produkten waren vervoerd, en de datum en plaats van inklaring in de Gemeenschap waren meegedeeld.
Bij telexberichten van 23 november en 7 december 1982 deelde de BALM verzoekster mee, dat de gevraagde invoercertificaten pas konden worden afgegeven nadat de naam van het schip of de schepen en van de plaats van inklaring van de maniok in de Gemeenschap waren meegedeeld. Verzoekster antwoordde per telexbericht van 24 november, waarin zij de gegevens verstrekte voor de partij van 500 ton vermeld op het uitvoercertificaat nr. 3840/1982, waarvoor zij om afgifte van een invoervergunning verzocht; verdere gegevens zouden volgen. Op 10 december liet verzoekster echter weten dat zij niet in staat was die gegevens te verstrekken, waaraan zij toevoegde dat zij daartoe ook niet verplicht was, omdat volgens de geldende regeling de afgifte van invoercertificaten niet afhankelijk mocht worden gesteld van het verstrekken van dergelijke inlichtingen.
Nadat de Commissie van dit antwoord in kennis was gesteld, zond zij op 21 december 1982 een nieuw telexbericht aan de BALM, waarin zij meedeelde dat de overlegging van uitvoercertificaat nr. 3840/1982 de onderneming geen recht gaf op afgifte van de gevraagde vergunning. De naam van het door haar opgegeven schip kwam namelijk niet overeen met de naam die in het Thaise certificaat was vermeld; bovendien was tussen de afgifte van dit certificaat en de indiening van verzoeksters aanvraag bij de Duitse autoriteiten te veel tijd verstreken. Overeenkomstig deze instructie van de Commissie wees de BALM bij bericht van 23 december 1982 de hoofdaanvraag van 16 november (voor 55000 ton) alsook de aanvullende aanvraag van 24 november (voor 500 ton) af. Bij telexbericht van 24 januari 1983 maakte verzoekster bezwaar tegen de beslissing, van de BALM; dit bezwaar werd bij brief van 7 maart daaraanvolgende nader gemotiveerd.
Inmiddels had verzoekster het schip Equinox gecharterd dat, na in de periode januarimaart 1983 maniokknollen te hebben ingenomen, op 15 april 1983 in Rotterdam aankwam, waar de produkten werden ingeklaard. Op dit tijdstip ontstond de schade waarom het in casu gaat. Omdat de Thaise autoriteiten verzoekster geen uitvoercertificaten voor het eerste kwartaal van 1983 hadden afgegeven (de beschikbare quota waren uitgeput) en de BALM de gevraagde invoercertificaten had geweigerd, kwam de onderneming niet in aanmerking voor het preferentiële heffingspercentage. Zij trachtte de schade te beperken door van de firma Peter Cremer te Hamburg invoervergunningen voor 33000 ton tegen een prijs van 85 DM per ton te kopen, doch kon voor het restant (21895 ton) geen invoervergunning overleggen en moest daarom de volledige heffing betalen.
Op 27 april 1983 verwierp de BALM het bezwaarschrift van verzoekster. Zij baseerde zich daarbij op artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2029/82 en verklaarde voorts, dat de Commissie zich tegen afgifte van de gevraagde invoercertificaten had verzet, omdat zij van mening was dat, bij gebreke van de gevraagde gegevens, niet met zekerheid vaststond dat er een geldig uitvoercertificaat bestond.
Daarop wendde verzoekster zich op 25 mei 1983 tot het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main, waar zij vorderde : a) dat de twee beschikkingen van de BALM (afwijzing van de aanvraag en van het bezwaarschrift) zouden worden vernietigd, en b) dat de BALM zou worden gelast, de gevraagde certificaten met het voorkeurtarief van 6% ad valorem aan haar af te geven. Bij haar verweerschrift van 17 januari 1984 voegde de BALM een advies van de Commissie, waarin deze haar standpunt motiveerde met de verklaring, dat zij had vastgesteld dat verzoekster had geprobeerd 60000 ton maniok in de Gemeenschap in te voeren en daartoe Thaise certificaten had overgelegd die waren afgegeven voor andere partijen die enkel onder de regeling „prefixatie van heffing” konden worden ingevoerd. Bovendien, zo vervolgde de Commissie, was de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Thailand niet van toepassing
op de in geding zijnde maniok, daar deze vervoerd was met een ander schip dan dat waarvan de naam op het uitvoercertificaat was vermeld, en grotendeels (50000 ton) zonder geldige vergunning was verscheept. Ten slotte verzocht de BALM het Verwaltungsgericht, de Commissie in het geding te roepen daar zij (de BALM) bij het nemen van de bestreden beschikking de aanwijzing van de Commissie had gevolgd.
Naast het beroep bij het Verwaltungsgericht diende verzoekster voorts op 6 juni 1983 een vordering bij de Commissie in tot vergoeding van de schade die het gevolg was van de — volgens haar onwettige — pressie die de Commissie op de BALM had uitgeoefend om geen invoercertificaten af te geven. De Commissie wees deze vordering op 28 juli 1983 van de hand. Ongeveer een jaar later stelde verzoekster het onderhavige beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid in, dat op 4 juli 1984 ter griffie van het Hof is ingeschreven.
3.
Centraal in het geschil staan de gegevens betreffende de naam van het schip waarmee het vervoer is geschied, en de plaats van inklaring van de lading, die de BALM op aanwijzing van de Commissie aan verzoekster heeft gevraagd. Volgens verzoekster konden die gegevens op grond van de destijds geldende regeling niet worden opgevraagd. Volgens de Commissie was dat, hoewel de betrokken regeling er niet in voorzag, wel mogelijk, omdat dat duidelijk in overeenstemming is met het doel van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Thailand en met verordening nr. 2029/82.
Een enkel woord over de omvang van de schade. Verzoekster stelt deze op 3305000 DM, te weten 2805000 DM voor de aankoop van de invoercertificaten van de firma Peter Cremer, 319795,01 DM, ter zake van de betaalde volledige heffing, 80294,99 DM verlies in verband met het niet geheel benutten van de laadruimte doordat het onmogelijk was de gehele aanvankelijk voorziene hoeveelheid in te voeren, en 100000 DM voor gederfde winst. De Commissie betwist de eerste twee bedragen wegens gebrek aan bewijs, en het derde bedrag omdat het eerst bij repliek is gevorderd en dus als een nieuw middel in de zin van artikel 42 van het Reglement voor de procesvoering moet worden beschouwd.
Op deze vraagstukken wil ik echter niet ingaan. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft het Hof namelijk op verzoek van de Commissie besloten, ambtshalve uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep (artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering). Ik zal mij daarom tot dit aspect bepalen en eerst wanneer het Hof het beroep ontvankelijk zal hebben verklaard, ten gronde concluderen.
4.
Zoals gezegd heeft de Commissie, zonder een formele exceptie op te werpen, twijfel geuit aan de ontvankelijkheid van het beroep. Zij voert daartoe twee primaire en één subsidiair argument aan: a) de bestreden beschikking is afkomstig van een nationale instantie; b) verzoekster kan voor het Hof geen schadevordering instellen zolang de nationale rechtsmiddelen niet uitgeput zijn; en c) verzoekster heeft niet tijdig nietigverklaring gevorderd van de handeling die volgens haar de schade heeft veroorzaakt, namelijk de aanwijzigingen die de Commissie de BALM per telex heeft gegeven.
Tot staving van het eerste argument verwijst de Commissie naar's Hofs rechtspraak in de zaken Wagner, Sucrimex en Interagra, volgens welke het Hof aan de artikelen 178 en 215 EEG-Verdrag niet de bevoegdheid ontleent om zich uit te spreken over de geldigheid van beschikkingen van de nationale interventiebureaus in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en eerst recht niet om de financiële gevolgen te beoordelen van de eventuele ongeldigheid van die beschikkingen (arresten van 12.12.1979, zaak 12/79, Jurispr. 1979, blz. 3657; 27.3.1980, zaak 133/79, Jurispr. 1980, blz. 1299; en 10.6.1982, zaak 217/81, Jurispr. 1982, blz. 2233). In casu kan niet worden betwist dat de beslissing om geen invoercertificaten af te geven, door een nationale instantie is genomen, waarbij niet ter zake doet dat deze zich voor haar weigering heeft beroepen op telexberichten die zij van de Commissie had ontvangen. Daarin immers heeft de Commissie, in het kader van de samenwerking met de met de uitvoering van het gemeenschapsrecht belaste nationale instanties, alleen maar haar mening over de in casu toe te passen voorschriften gegeven.
Hierop antwoordt verzoekster, dat de Commissie zich niet op genoemde arresten kan beroepen, daar de feiten in casu duidelijk anders liggen. In bedoelde zaken immers had de Commissie niet ingegrepen in de door de interventiebureaus gevolgde procedure, doch enkel de algemene voorwaarden van de betrokken regeling aangegeven en de toepassing ervan aan de interventiebureaus overgelaten. In dit geval echter gaat het om twee regelingen — de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Thailand en de uitvoeringsverordening — die de Commissie een echte eigen beslissingsbevoegdheid verlenen; hier is het dus het gemeenschapsorgaan dat de concrete gevallen regelt en zich daarbij bedient van de nationale instantie als van haar „wereldlijke arm”.
5.
Het tweede primaire argument betreft de omstandigheid dat er bij de bevoegde nationale rechter een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de BALM aanhangig is. Door dat beroep in te stellen, aldus de Commissie, heeft verzoekster gehandeld overeenkomstig de rechtspraak van het Hof in de zaken Sucrimex en Interagra; maar zij heeft de beginselen van die rechtspraak miskend toen zij zich tevens tot het Hof wendde, dat immers, ter voorkoming van met elkaar strijdige beslissingen, de gelijktijdige aanhangigheid van beroepen voor de nationale en de communautaire rechter heeft uitgesloten en voorrang aan de eerste heeft toegekend. Verzoekster had pas beroep bij het Hof mogen instellen nadat de nationale rechtsmiddelen waren uitgeput, dat wil zeggen nadat de hoogste nationale rechter, na uitlegging van de relevante bepalingen door het Hof in een prejudiciële procedure, de onwettigheid van de door de BALM in overleg met de Commissie gegeven beschikking had vastgesteld. Bij de huidige stand van zaken vormt het beroep van verzoekster dus een poging om het stelsel van rechtsbescherming van het Verdrag te ontduiken.
Verzoekster wijst dit bezwaar uiteraard af. Zij beperkt zich er overigens toe te herhalen, dat haar vordering strekt tot vergoeding van de schade die zij door de weigering van de invoercertificaten heeft geleden en dat deze schade aan de Commissie is te wijten.
6.
Subsidiair betoogt de Commissie, dat op de onderhavige zaak het beginsel van het arrest van 15 juli 1963 (zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 211) van toepassing is. Volgens dat beginsel kan het Hof niet langs de weg van de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag de rechtsgevolgen ongedaan maken van een beschikking die niet eerst nietig is verklaard. Daar de telexberichten ten grondslag lagen aan de bestreden beschikking, zijn zij te beschouwen als beschikkingen die, ofschoon niet rechtstreeks tot verzoekster gericht, haar wel rechtstreeks en individueel raken. Verzoekster had daarom binnen de termijn van artikel 173 EEG-Verdrag de nietigverklaring ervan moeten vorderen; die termijn is ingegaan op 27 december 1982, dat wil zeggen op het tijdstip waarop zij kennis kreeg van de beschikking van de BALM en van de rol die de aanwijzingen van de Commissie daarbij hadden gespeeld. Zij heeft dit echter niet gedaan en het onderhavige beroep is dan ook slechts een middel waarmee zij de gevolgen van haar eigen verzuim ongedaan probeert te maken.
Verzoekster antwoordt hierop in de eerste plaats, dat dit argument in tegenspraak is met de eerste twee. Ten betoge dat er tegen de bestreden handeling enkel beroep openstond voor de nationale rechter, betitelde de Commissie haar aanwijzing slechts als een „advies”; voor haar opvatting dat door het instellen van een vordering krachtens de artikelen 178 en 215 EEG-Verdrag de termijn van artikel 173 EEG-Verdrag wordt ontdoken, zegt zij echter, dat het om een echte „beschikking” gaat. In ieder geval kon verzoekster niet weten, dat de Commissie tussenbeide was gekomen en nog wel door middel van een beschikking. In de beschikking van de BALM van 23 december 1982 is dit niet vermeld; daarin wordt enkel gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen en daarna eventueel beroep in te stellen bij het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main.
Daarbij komt, zo vervolgt verzoekster, dat het arrest-Plaumann achterhaald is door latere rechtspraak van het Hof, volgens welke in het stelsel van rechtsbescherming van het EEG-Verdrag de schadevordering een zelfstandig rechtsmiddel is. Ten slotte zou een tijdig (dat wil zeggen in januari of februari 1983) ingesteld beroep tot nietigverklaring, ook indien het was toegewezen, nutteloos zijn geweest. De schade zou dan immers reeds een feit zijn geweest en door de afgifte van de aanvankelijk geweigerde invoercertificaten niet meer hersteld kunnen worden.
7.
Laat ik aanstonds zeggen, dat de primaire argumenten van de Commissie, die uitgaan van de toepasselijkheid op ons geval van de arresten-Sucrimex en -Interagra, mij in ieder geval om praktische redenen overtuigend lijken. Laten we wat partijen te dezen over en weer hebben aangevoerd, eens nader bezien. In beide gevallen, aldus de Commissie, hadden haar diensten een zekere invloed uitgeoefend op de interventiebureaus van de Lid-Staten door middel van telexberichten door welker inhoud die bureaus zich uiteindelijk bij hun beslissing hadden laten leiden. Toch besliste het Hof in beide gevallen, dat de door de importeurs gestelde schade enkel aan die besluiten viel toe te schrijven. In de telexberichten kwam slechts de noodzakelijke samenwerking-tussen de nationale en de communautaire instanties tot uiting, welke samenwerking niet kon leiden tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap (Sucrimex, r.o. 22 en 23; Interagra, r.o. 8 en 9).
Zoals gezegd is verzoekster het daar niet mee eens. De kern van haar betoog is, dat het Hof in de arresten-Sucrimex en Interagra heeft vastgesteld dat de nationale instanties niet aan de aanwijzing van de Commissie gebonden waren; in casu daarentegen is de Commissie veel nauwer betrokken bij de procedure voor afgifte van invoercertificaten en kan zij het interventiebureau door middel van een telexbericht zelfs „blokkeren”. Dit nu is stellig juist. Aan verzoekster kan men hoogstens tegenwerpen, dat ook in dit geval degene die op de aanvraag van de importeur heeft beslist, het interventiebureau was en dat het waarschijnlijk niet mogelijk is het de bevoegdheid daartoe te ontzeggen. De integratie van de Gemeenschap lijkt mij immers nog niet zover gevorderd, dat men de wijze van uitvoering van een overeenkomst als de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Thailand aan de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten kan onttrekken.
Kan men op grond van deze grotendeels formele vaststellingen concluderen dat het beroep niet ontvankelijk is, zoals in de twee aangehaalde arresten het geval was? Daarvan ben ik volstrekt niet overtuigd. Maar het is een feit, dat de tegengestelde conclusie nog meer twijfel bij mij oproept. Laten wij aannemen dat het Hof, zoals verzoekster wenst, het bevoegdheidsprobleem steeds benadert vanuit de regeling die in elk concreet geval van toepassing is, en een afweging maakt zowel van de in die regeling aan de Commissie en de aan het nationale bureau verleende bevoegdheden als van de concrete uitoefening van die bevoegdheden door de twee instanties. Het resultaat ligt voor de hand: zouden de telexberichten van de Commissie als eenvoudige suggesties moeten worden aangemerkt, dan is de nationale rechter bevoegd; de gelaedeerde zou zich echter tot het Hof moeten wenden wanneer hij erin slaagde aan te tonen dat de handeling van het interventiebureau enkel de nationale inkleding is van een beslissing van de Commissie.
Een slechtere oplossing kan ik mij echter niet voorstellen. De handelaars zouden dan immers iedere stap in de procedure die tot de schadebrengende handeling heeft geleid, onder de loep moeten nemen om vast te stellen, of daaraan meer door de nationale dan wel door de communautaire autoriteiten is bijgedragen. Het zal voor eenieder duidelijk zijn, hoezeer de noodzaak van een dergelijk onderzoek — waarvan de uitslag onder meer twijfelachtig is omdat de alternatieven zelden zo duidelijk zijn als in mijn veronderstelling — inbreuk maakt op het beginsel van de rechtszekerheid, dat wil dat alle regels, maar vooral bevoegdheidsregels, eenvoudig en duidelijk zijn. Daarentegen zou een maximum aan eenvoud en duidelijkheid worden bereikt, wanneer het Hof zou beslissen dat voor maatregelen van de nationale instanties steeds en in ieder geval de Lid-Staten aansprakelijk zijn en dat voor een beoordeling van die aansprakelijkheid een beroep op de nationale rechter het enig passende is.
Wij hebben hier dus twee benaderingswijzen, waarvan de ene al te formalistisch kan lijken en de andere, hoewel in abstracto aantrekkelijker, in de praktijk ruïneuze gevolgen heeft. Zoals gezegd, geef ik de voorkeur aan de eerste, ook omdat uiteindelijk wel een oplossing kan worden gevonden voor twijfelachtige resultaten ervan. Ik doel hiermee natuurlijk op de gevallen waarin de Commissie de bevoegdheid heeft de nationale autoriteiten te binden en het daarom ongerechtvaardigd of zelfs onbillijk zou zijn de Lid-Staten aansprakelijk te stellen. Voor die gevallen bestaat er echter een remedie: een verhaalsactie van de Lid-Staat tegen de Commissie, hetzij ad hoc, hetzij meer concreet, bij gelegenheid van de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen. Voor zover ik weet, bestaat er geen bepaling of uitspraak van het Hof, die een dergelijke procedure verbiedt.
Er is nog een punt — ontleend aan het tweede argument van de Commissie — dat tegen de ontvankelijkheid van het beroep pleit. Zoals gezegd, is tegen de beschikking van de BALM beroep ingesteld bij de nationale rechter en in het door deze te wijzen vonnis zouden de in casu relevante bepalingen van gemeenschapsrecht wel eens anders kunnen worden uitgelegd dan het Hof zou doen. Dergelijke discrepanties zijn echter onverenigbaar met het stelsel van het Verdrag en om ze te voorkomen, heeft het Hof juist in de arresten-Sucrimex en Interagra overwogen, dat „het toezicht op de administratieve handelingen van de Lid-Staten bij de toepassing van het gemeenschapsrecht in de eerste plaats op de weg van de nationale rechterlijke instanties ligt, onverminderd de mogelijkheid dat deze zich krachtens artikel 177 EEG-Verdrag met prejudiciële vragen tot het Hof wenden” (Sucrimex, r.o. 24; Interagra, r.o. 10). Dat „in de eerste plaats” impliceert mijns inziens, dat het beroep krachtens de artikelen 178 en 215 subsidiair is ten opzichte van de rechtsmiddelen van het nationale recht, tenzij — maar dit blijkt hier niet het geval te zijn — dat beroep de enige vorm van rechtsbescherming is waarover de verzoeker beschikt.
8.
Het subsidiaire argument van de Commissie acht ik daarentegen ongegrond. Weliswaar wordt in het arrest-Plaumann overwogen, dat „een niet vernietigde bestuurshandeling als zodanig niet een fout kan opleveren, welke aan de justitiabelen schade toebrengt; dat laatstgenoemden derhalve op grond van die handeling geen aanspraak op schadevergoeding kunnen maken; dat het Hof, rechtdoende op een vordering tot schadevergoeding geen maatregelen kan bevelen, welke de rechtsgevolgen van een zodanige [nog steeds geldige] beschikking ongedaan maken”, maar zoals verzoekster terecht opmerkt, is deze uitspraak volstrekt geïsoleerd gebleven. Vanaf zijn arrest van 12 december 1971 (zaak 5/71, Schöppenstedt, Jurispr. 1971, blz. 975) erkent het Hof immers de ontvankelijkheid van beroepen tot vergoeding van schade die uit een niet-nietigverklaarde handeling is ontstaan, en beschouwt het ze dus als een zelfstandige rechtsmiddel.
De Commissie antwoordt, dat het arrest-Plaumann van toepassing blijft wanneer de verzoeker de mogelijkheid heeft nietigverklaring van de handeling te vorderen; daarom zou althans in dit geval een schadeactie misbruik van procedure zijn. Ik meen echter dat dit argument niet opgaat. Tussen de uitersten in de zaken-Plaumann en Schöppenstedt bestaan geen tussenwegen. Anders gezegd: de schadeactie is zelfstandig of zij is het niet; maar wanneer zij het is, valt niet in te zien waarom de keuze van dit instrument, met zijn meer beperkte gevolgen, in abstracto als een ontduiking van de vordering tot nietigverklaring zou zijn te beschouwen. In concreto kan dit weliswaar het geval zijn; zij kan namelijk een verkapte vordering ex artikel 173 zijn. Dit moet echter worden bewezen en in casu ontbreekt een dergelijk bewijs.
9.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, het op 4 juli 1984 ingeschreven beroep van de firma Krohn tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen niet ontvankelijk te verklaren.
Gezien de nieuwheid en het problematische karakter van de aan de orde gekomen vraagpunten, stel ik voor geen toepassing te geven aan het beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, doch elk van beide partijen in de eigen kosten te verwijzen.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy