CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 13 maart 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Verzoekers, allen ambtenaar van de Commissie, zijn van mening dat de indeling van hun ambt in categorie D niet overeenkomt met de daadwerkelijk door hen verrichte taken. Volgens de staat van de omschrijving der standaardfuncties, bedoeld in artikel 5 van het Statuut en bekendgemaakt in de Mededelingen van de administratie nr. 373 van 9 juli 1982, zouden hun taken onder categorie C vallen.
Op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut hebben zij zich tot de Commissie gewend met het verzoek om te hunnen aanzien over te gaan tot herindeling van de door hen bij de Commissie uitgeoefende functie, stellende dat het aanstellingsbesluit waarbij zij in categorie D zijn ingedeeld, in strijd was met voornoemde omschrijving der standaardfuncties van 9 juli 1982. Zij achten de Commissie aan die omschrijving gebonden.
Terwijl de ambten van categorie D volgens deze staat functies omvatten
„waarbij handenarbeid of hulpdiensten worden verricht, en waarvoor kennis op het peil van lager onderwijs, eventueel aangevuld met technische kennis is vereist,”
zouden zij in feite werkzaamheden uitoefenen
„van technische aard welke een opleiding en een beroepskwalificatie vereisen die in beginsel moeten worden aangetoond door overlegging van een vakdiploma of in de praktische uitoefening van het beroep moeten zijn verkregen”.
Aldus omschreven, zouden deze taken op genoemde staat onder categorie C vallen.
Na de uitdrukkelijke afwijzing van hun verzoek door het tot aanstelling bevoegd gezag dienden verzoekers een klacht in, waarin zij opnieuw het onderwerp van het verzoek — herindeling in C — uiteenzetten alsook de gronden daarvoor, te weten tegenstrijdigheden tussen hun indeling in categorie D en de staat van 9 juli 1982. Zij concludeerden dat zij derhalve moeten worden ingedeeld in categorie C en niet in categorie D.
Toen de Commissie aan deze klacht geen gevolg gaf, hebben verzoekers zich krachtens artikel 91, lid 3, tweede gedachtenstreepje, tot het Hof gewend met het verzoek om
nietigverklaring van het uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van hun verzoek en van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van hun klacht;
—
een verklaring voor recht, dat het tot aanstelling bevoegd gezag ingevolge artikel 7 van het Statuut gehouden is een ambtenaar in het algemeen overeenkomstig zijn rang te werk te stellen in
—
een tot zijn categorie of groep behorend ambt, zoals omschreven in de Mededelingen van de administratie nr. 373 van 9 juli 1982;
—
de Commissie in de kosten te verwijzen.
2.
Alvorens in te gaan op de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, moet het onderwerp van het onderhavige beroep worden afgebakend. Dit voorafgaand onderzoek is nodig, omdat verzoekers in repliek hebben gesteld dat hun vordering in feite strekt tot vaststelling door het Hof, dat zij de uitoefening van functies die niet met hun rang overeenkomen, mogen weigeren zonder dat jegens hen een tuchtmaatregel kan worden genomen.
Anders gezegd, het zou verzoekers niet meer te doen zijn om betwisting van de indeling van hun ambt in categorie D, maar om erkenning van hun recht om de uitoefening van functies die huns inziens onder categorie C vallen, te weigeren.
Zonder in te gaan op de gegrondheid van deze vordering, die de Commissie u verzoekt te verwerpen, kan worden volstaan met de opmerking dat zij wijziging brengt in het oorspronkelijke onderwerp van het inleidend verzoekschrift, althans daaraan iets toevoegt, zonder dat enig nieuw gegeven, feitelijk of rechtens, die wijziging rechtvaardigt. Dit is in strijd met artikel 38, paragraaf 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering en met artikel 91, lid 2, Ambtenarenstatuut.
Dienaangaande heeft het Hof nog onlangs erop gewezen, dat artikel 91 tot doel heeft een minnelijke schikking van geschillen te bevorderen, en dat het daartoe van belang is dat het tot aanstelling bevoegd gezag „kennis kan nemen van de grieven of verlangens van de belanghebbende”. Daarop overwoog het Hof, dat dit artikel
„niet beoogt, de omvang van een eventueel beroep in rechte nauwkeurig en definitief af te bakenen, zolang de grond of het voorwerp van de klacht in dat stadium maar geen wijziging ondergaat” (arrest van 23.1.1986, zaak 173/84, Rasmussen, Jurispr. 1986, blz. 197, r.o. 12, cursivering van mij).
Het voor het eerst in repliek geformuleerde verzoek moet derhalve niet ontvankelijk worden verklaard, nu het geschil blijkens de formulering van het verzoek en de klacht van begin af aan de herindeling van verzoekers' ambten in een hogere categorie tot onderwerp had.
3.
De Commissie beroept zich op verval van verzoekers' recht van beroep, ten betoge dat hun verzoeken om herindeling niet ontvankelijk zijn.
Tot staving van deze exceptie merkt zij op, dat de vordering van verzoekers strekt tot herindeling en derhalve noodzakelijkerwijs gericht is tegen een indelingsbesluit, in casu het indelingsbesluit voortvloeiend uit hun aanstelling. Hun verzoek aan de Commissie zou derhalve niet een verzoek zijn om jegens hen een besluit te nemen in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut, maar in werkelijkheid gericht zijn tegen een eerder besluit en derhalve als een klacht moeten worden beschouwd. Geen van deze klachten van verzoekers zou echter binnen de in artikel 90, lid 2, gestelde termijn van drie maanden na hun aanstelling als ambtenaar op proef zijn ingediend.
Noch de bekendmaking op 9 juli 1982 van de staat van omschrijving der standaardfuncties noch de latere bevordering van een aantal verzoekers naar een hogere rang konden overigens nieuwe statutaire beroepstermijnen doen ingaan, nu die bevordering slechts een bevestiging was van de indeling van de betrokken verzoekers in categorie D en door de verschijning van genoemde staat de aard van de door hen van begin af aan verrichte functies alleen nog eens uitdrukkelijk werd vastgelegd.
Verzoekers betogen dat de beroepen van tien hunner ontvankelijk zijn, omdat zij hun verzoek binnen drie maanden na hun aanstelling in vaste dienst hadden ingediend. De anderen zouden binnen een redelijke termijn hebben gehandeld, gelet op de tijd die zij nodig hadden om de gestelde discrepantie tussen werkzaamheden en rang vast te stellen. De geringe opleiding van verzoekers zou voorts verklaren, waarom enkelen onder hen enkele maanden nodig hadden om hun beroep in te stellen.
4.
De door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet naar mijn mening worden aanvaard.
Zoals gezegd, hadden de bij Commissie ingediende verzoeken uitdrukkelijk betrekking op de herindeling van verzoekers in categorie C. Dezen bestreden hierin duidelijk hun oorspronkelijke indeling in categorie D, zoals voortvloeiend uit het aanstellingsbesluit. Dit laatste besluit moet derhalve worden beschouwd als het voor verzoekers bezwarende besluit, dat onder de volgende, volgens mij in casu irrelevante voorbehouden, de beroepstermijn deed ingaan.
Het reeds bestaan van een bezwarend besluit is immers als zodanig onvoldoende grond om een administratief beroep als een klacht en niet als een verzoek te kwalificeren. Maar 's Hofs opvatting dienaangaande is streng. Volgens vaste rechtspraak kan een ambtenaar het tot aanstelling bevoegd gezag weliswaar uitnodigen te zijnen aanzien een beslissing te nemen, maar is hij daarom nog niet gerechtigd om
„de in de artikelen 90 en 91 vastgestelde klacht- en beroepstermijnen te ontduiken door bij wege van een verzoek indirect de wettigheid van een eerder, niet binnen de gestelde termijn bestreden besluit te betwisten”.
Immers,
„om herziening van een dergelijk besluit kan enkel worden verzocht, wanneer zich belangrijke nieuwe feiten voordoen” (arrest van 26.9.1985, zaak 231/84, Valentini, Jurispr. 1985, blz. 3027, r.o. 14).
Wanneer evenwel een personeelslid van de Gemeenschappen zich beroept op het in de artikelen 5 en 7 van het Statuut neergelegde beginsel dat het uitgeoefende ambt moet overeenkomen met de toegekende rang, kan hij daarbij met vrucht aanvoeren dat het niet-overeenkomen is gebleken na het hem betreffende aanstellingsbesluit. Zo achtte het Hof het „wettig” dat een personeelslid, bij voorbeeld wegens uitbreiding van zijn taken ten gevolge van een reorganisatie van de dienst, de instelling verzoekt om
„in verband met de wijzigingen in de opbouw van zijn dienst zijn rechtspositie opnieuw in overweging te nemen” (zaak 28/72, Tontodonati, Jurispr. 1973, blz. 779, r.o. 4).
Ook de omstandigheid dat de instelling na het oorspronkelijke besluit nieuwe indelingscriteria heeft vastgesteld, kan een nieuwfeit vormen dat een dergelijke heroverweging rechtvaardigt. Dienaangaande overwoog het Hof, dat het in beginsel weliswaar
„onaanvaardbaar is dat een ambtenaar de voorwaarden van zijn oorspronkelijke aanstelling betwist, nadat zijn aanwerving definitief is geworden”,
doch dat hij niettemin om herziening van zijn indeling kan verzoeken met een beroep op het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat wijziging brengt in de indelingscriteria die tijdens de aanwerving bestonden, en dat na zijn aanstelling te zijner kennis is gebracht (zaak 190/82, Blomefield, Jurispr. 1983, blz. 3981, r.o. 10).
In beide gevallen rechtvaardigt het bestaan van een nieuw feit de indiening van een verzoek om heroverweging van een eerder besluit.
In casu zal men zulk een feit tevergeefs zoeken. Het Hof wenste zich op dat punt zekerheid te verschaffen en in antwoord op een van de hun ter terechtzitting gestelde vragen hebben verzoekers erkend dat hun functies sedert hun aanwerving dezelfde zijn gebleven. De staat van de omschrijving der standaardfuncties van 9 juli 1982 kan geen nieuw feit vormen dat een verzoek zou rechtvaardigen. Verzoekers hebben zich weliswaar op dit document beroepen om het verschil te doen uitkomen tussen hun statutaire indeling en hun werkelijke functies, maar in deze staat, een bijwerking van die welke eerder door de Commissie was opgesteld, zijn de wijzigingen verwerkt die in de loop van 1981 zijn ingetreden voor de categorieën A en B en voor bepaalde ambten in de informaticasector van categorie C. Geen van deze wijzigingen heeft betrekking op de omschrijving van de ambten van verzoekers, zoals — ongewijzigd — opgenomen in de staat die is verschenen in de Mededelingen van de administratie nr. 272 van 4 september 1973.
De bij de Commissie ingediende verzoeken moeten mijns inziens dan ook overeenkomstig artikel 90, leden 1 en 2, als klachten worden gekwalificeerd. Een klacht moet evenwel volgens artikel 90, lid 2, tweede gedachtenstreepje, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop het besluit ter kennis is gebracht van degene tot wie het gericht is. Daarbij kan men niet, gelijk verzoekers hebben gedaan, als beginpunt van de beroepstermijn het besluit nemen waarbij het tot aanstelling bevoegd gezag ieder van hen in vaste dienst heeft aangesteld. Zoals gezegd, wordt in de verzoeken uitdrukkelijk de indeling voortvloeiend uit het aanstellingsbesluit betwist. De aanstelling in vaste dienst bevestigt slechts de oorspronkelijke indeling van verzoekers in categorie D en volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een bevestigend besluit niet bezwarend zijn, noch derhalve een recht van beroep doen herleven indien dit inmiddels is vervallen.
Nu het aanstellingsbesluit het bezwarende besluit is, moet worden vastgesteld dat geen van de achtentwintig verzoekers zijn klacht binnen de statutaire termijn heeft ingediend. In het gunstigste geval immers, zo blijkt uit het dossier, bedraagt de termijn die is verstreken tussen de dag van het aanstellingsbesluit en de indiening van de klacht, meer dan zeven maanden.
Maar zelfs wanneer die klachten tijdig waren ingediend, zou het beroep voor het Hof niet ontvankelijk moeten worden verklaard omdat het te laat is ingesteld. Gedagtekend op 18 juli 1984, is het immers ingesteld na het verstrijken van de termijn van drie maanden, ingaande op de dag van het uitdrukkelijke antwoord van het tot aanstelling bevoegd gezag, in het gunstigste geval 11 januari 1984. De op 19 december 1983 en 18 januari 1984 gedagtekende klachten noch de stilzwijgend genomen besluiten tot afwijzing die volgens verzoekers hierop zijn gevolgd, kunnen een nieuwe beroepstermijn doen ingaan, omdat zij het gevolg zijn van een onjuiste kwalificatie door verzoekers, waarvoor de verantwoordelijkheid niet aan de Commissie kan worden toegeschreven.
Op grond van een en ander moet derhalve worden geconcludeerd, dat de door verzoekers bij het tot aanstelling bevoegd gezag ingediende klachten slechts gericht zijn tegen een onaantastbaar geworden administratief besluit. De in de artikelen 90 en 91 van het Statuut genoemde termijnen
„zijn van openbare orde en geen middel waarover de partijen of de rechter naar believen kunnen beschikken, aangezien zij zijn ingesteld ten einde met betrekking tot de rechtens bestaande situaties duidelijkheid en zekerheid te waarborgen” (arrest van 12.7.1984, zaak 227/83, Moussis, Jurispr. 1984, blz. 3133, r.o. 12).
Mitsdien moet het onderhavige beroep niet ontvankelijk worden verklaard.
5.
Ik ga dan ook geheel subsidiair in op de zaak ten gronde.
Laat ik eraan herinneren, dat het onderhavige beroep niet tot doel kan hebben, dat betrokkenen nieuwe taken krijgen toebedeeld die volgens hen nauwkeuriger met hun huidige indeling in categorie D overeenkomen. Zij strekken tot herindeling van verzoekers in een hogere categorie, op grond dat deze zou overeenkomen met de daadwerkelijk door hen uitgeoefende werkzaamheden.
In zijn conclusie in de zaak-Van Reenen merkte advocaatgeneraal Mayras op:
„Dat een ambtenaar zich in de omstandigheid bevindt dat hij zelfs voor langere tijd een functie vervult die bij een ambt in een hogere categorie behoort, verschaft hem geenszins een onvoorwaardelijk recht op benoeming in die categorie.”
Artikel 45, lid 2, van het Statuut
„... stelt immers de toegang tot een hogere categorie uitdrukkelijk afhankelijk van een vergelijkend onderzoek” (zaak 189/73, Van Reenen, Jurispr. 1975, blz. 445, conclusie blz. 459).
Het is dan ook vaste rechtspraak van het Hof
„dat ingevolge artikel 7, lid 1, weliswaar niet van een ambtenaar mag worden verlangd dat hij, behalve ad interim, werkzaamheden uitoefent van een boven zijn rang gelegen niveau, maar dat aanvaarding van die werkzaamheden wel met het oog op een eventuele bevordering in aanmerking kan worden genomen, doch betrokkene geen aanspraak op een andere indeling geeft” (voornoemde zaak 189/73, r.o. 6).
Dit beginsel moet a fortiori gelden in geval van verandering van categorie. In deze regel komt overigens de fundamentele noodzaak tot uitdrukking, dat bestuurlijk handelen en rechtspraak gescheiden zijn. Hiervan vindt men reeds een illustratie in het arrest-Morina, waarin het Hof overwoog:
„dat het uitsluitend tot de bevoegdheid van riet tot aanstelling bevoegde gezag behoort om te beoordelen of het gewenst of noodzakeiijk is een vergelijkend onderzoek te organiseren:
dat het Hof dus niet de opening of heropening van een vergelijkend onderzoek zou kunnen bevelen zonder inbreuk te maken op de prerogatieven van het administratieve gezag” (zaak 11/65, Morina, Jurispr. 1965, blz. 1311).
6.
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging,
—
het beroep niet ontvankelijk te verklaren;
—
subsidiair, het ongegrond te verklaren;
—
met betrekking tot de kosten artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering toe te passen.
( *1 ) Vertaald uil het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy