CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
van 30 april 1985
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De feiten
De heer Peter Steinhauser, wonende te Biarritz en van Duitse nationaliteit is van beroep kunstschilder. Op 12 februari 1983 deelde hij het stadsbestuur mede dat hij deel wenste te nemen aan een openbare inschrijving voor de verhuur van een „crampotte”. Dit zijn oude bergplaatsen welke destijds door de vissers uit deze plaats werden gebruikt. Zij zijn het eigendom van de stad Biarritz en worden momenteel gebruikt voor de expositie van kunstwerken met het oog op de verkoop daarvan.
Op 1 maart van dat jaar deelde de burgemeester van Biarritz hem echter mede dat zijn inschrijving niet in aanmerking kon worden genomen, aangezien hij niet de Franse nationaliteit bezat. Krachtens artikel 3, lid 2, van de huurvoorwaarden is dit een van de voorwaarden om voor de huur van een „crampotte” in aanmerking te komen. Tegen deze weigering stelde Steinhäuser beroep tot nietigverklaring in bij het Tribunal administratif te Pau, wegens strijd met artikel 52 van het EEG-Verdrag. Hoewel het Tribunal artikel 52 direkt toepasselijk achtte, verkeerde het in twijfel of deze bepaling ook betrekking heeft op maatregelen die niet rechtstreeks de toegang tot een bepaald beroep betreffen, maar alleen voorwaarden stellen ten aanzien van de verhuur van lokalen behorende tot het publiek domein van een lagere overheid en welke voorwaarden zoals in casu een nationaliteitsvereiste bevatten. Het Tribunal stelde daarom aan Uw Hof de volgende vraag: „is artikel 52 EEG-Verdrag van toepassing op de door de stad Biarritz bij artikel 3 van de huurvoorwaarden van 25 januari 1983 vastgestelde bepalingen, die niet rechtstreeks tot doel hebben, de toegang tot een werkzaamheid anders dan in loondienst te regelen, doch de modaliteiten vast te stellen voor toewijzing bij wege van openbare inschrijving van te huur aangeboden lokalen die deel uitmaken van haar publiek domein, en tenslotte aan toelating tot de inschrijving een nationaliteitsvoorwaarde verbinden...”.
2. De beantwoording van de vraag
Bij de beantwoording van deze vraag stel ik om te beginnen vast dat de weigering van de burgemeester van Biarritz de heer Steinhäuser in aanmerking te doen komen voor deelname aan de openbare inschrijving, berust op een discriminatie naar nationaliteit. Hij wordt dus in vergelijking met Franse kunstschilders verschillend behandeld en daardoor benadeeld. Deze gedraging is derhalve in strijd met artikel 7 van het EEG-Verdrag dat een fundamenteel verbod van discriminatie naar nationaliteit bevat en waarvan artikel 52 als een verbijzondering is te beschouwen. Ik verwijs in dit verband naar Uw arrest in de zaak 2/74 (Reyners tegen Belgische Staat, Jurispr. 1974, blz. 631), waarin tevens de rechtstreekse werking van deze bepaling werd erkend.
Dat ook het beroep van kunstschilder, in welke hoedanigheid de heer Steinhauser met deze weigering is geconfronteerd, onder artikel 52 valt, is niet aan twijfel onderhevig, gezien de omvang van het recht op vrije vestiging zoals dit in de tweede alinea van artikel 52 is omschreven. Uit de tekst van dit voorschrift blijkt voorts met zoveel woorden, dat de vrijheid van vestiging naast de toegang tot de betrokken werkzaamheden ook de uitoefening daarvan overeenkomstig de bepalingen van het land van vestiging voor de eigen onderdanen omvat. Discriminatie naar nationaliteit is dus ook ten aanzien van voorschriften met betrekking tot de uitoefening van een beroep verboden. Met betrekking tot huurvoorwaarden voor lokalen, van belang voor de beroepsuitoefening, als in casu aan de orde, spreekt ook het Algemeen Programma over de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging (PB 1962, blz. 36) duidelijke taal. In titel III: Beperkingen, sub A, punt a, wordt uitdrukkelijk gesproken over verschillen in behandeling ten aanzien van „... overeenkomsten, met name tot aanneming van werk of tot het verrichten van enkele diensten, en andere overeenkomsten, zoals arbeids-, huur- en pachtovereenkomsten...”. Ik breng Uw Hof in herinnering dat in Uw arrest in de zaak 71/77 (Thieffry, Jurispr. 1977, blz. 765), uitdrukkelijk gewezen is op de nuttige aanwijzingen die dit Algemene Programma verschaft voor de uitvoering van de betrokken verdragsbepalingen.
Het lijdt naar mijn oordeel derhalve geen twijfel dat artikel 52 zich verzet tegen de weigering de inschrijving van de heer Steinhäuser in aanmerking te nemen. Volledigheidshalve refereer ik nog aan het door mij gedeelde standpunt van de Commissie dat de ter zake van het vestigingsrecht in het Verdrag voorziene uitzonderingen van artikel 55 (openbaar gezag) en artikel 56 (openbare orde) in casu niet van toepassing zijn, terwijl voorts ook de onderhavige verdragsbepalingen van toepassing zijn op lagere overheden. Dat het hier om lokalen gaat die deel uitmaken van het publiek domein van een gemeente is dus voor de toepasselijkheid van artikel 52 niet relevant.
3. Conclusie
Concluderend dient naar mijn oordeel de prejudiciële vraag van het Tribunal administratif te Pau beantwoord te worden zoals de Commissie in haar memorie heeft voorgesteld :
„1)
Artikel 52 EEG-Verdrag betreffende de vrijheid van vestiging, is niet alleen van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met name de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst betreffen, doch eveneens op iedere andere bepaling of handelwijze zoals die welke hier in geding is, zelfs wanneer zij uitgaat van een plaatselijke overheid, die de uitoefening van die werkzaamheden bemoeilijkt.
2)
Met betrekking tot de modaliteiten voor toewijzing bij wege van openbare inschrijving van te huur aangeboden lokalen die deel uitmaken van het publiek domein van een gemeente, houdt het door het Verdrag gewaarborgde vestigingsrecht in, dat onderdanen van andere Lid-Staten niet op grond van nationaliteit mogen worden gediscrimineerd.”
Full & Egal Universal Law Academy