CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 4 juli 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A.
In beide zaken waarin ik thans conclusie neem, gaat het om de uitlegging van post 99.05 van het gemeenschappelijk douanetarief, betreffende „zoölogische, botanische, mineralogische en anatomische verzamelingen en voorwerpen voor die verzamelingen; voorwerpen voor verzamelingen van belang uit historisch, archeologisch, paleontologisch, etnografisch of numismatiek oogpunt”.
Ofschoon het Hof de twee zaken niet formeel heeft gevoegd, zijn zij beide op dezelfde terechtzitting behandeld. Ik zal derhalve in beide zaken tegelijk conclusie nemen.
1.
De feiten die ten grondslag liggen aan het hoofdgeding in zaak 200/84 (E. Dai-ber/Hauptzollamt Reutlingen), zijn de volgende.
In mei 1980 importeerde verzoekster in de Bondsrepubliek Duitsland een gebruikte personenwagen van het merk Daimler-Benz, type 300 SL-coupé, bouwjaar 1955, afkomstig uit de Verenigde Staten. Zij verzocht de douane, dit voertuig in te klaren als een voorwerp voor een verzameling, van belang uit historisch oogpunt, in de zin van post 99.05 van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: het GOT). Het Zollamt voldeed aan dit verzoek, en deelde het ingevoerde voertuig in onder post 99.05 GDT.
Ten gevolge van een wijziging van het officiële standpunt, kwam de douane later van deze indeling terug; zij zag het voertuig niet langer als een voorwerp voor een verzameling, van belang uit historisch oogpunt, doch als een automobiel voor personenvervoer als bedoeld in post 87.02 A I B van het GDT. Voertuigen die na 1950 in serie zijn vervaardigd — ook wanneer het daarbij om geringe aantallen of bepaalde technische constructiewijzigingen gaat —, zouden wegens het korte tijdsverloop sinds hun produktie in beginsel geen „historische” waarde hebben als bedoeld in post 99.05 van het GDT. Daarbij zou irrelevant zijn, dat dergelijke voertuigen door gespecialiseerde musea worden aangekocht en tentoongesteld ter documentering van de technische ontwikkeling van de automobielbouw. Bij wijzigingsnota van 4 november 1981 kwam het Zollamt bijgevolg terug van zijn oorspronkelijke heffingnota van 14 mei 1980 en vorderde het — uitgaande van een tarief van 10,9% over een douanewaarde van DM 65000 — DM 6388,60 aan invoerrechten na.
Het tegen deze wijzigingsnota ingediende bezwaarschrift werd bij beschikking van 27 oktober 1982 afgewezen.
Tegen deze afwijzende beschikking heeft verzoekster beroep ingesteld bij het Finanzgericht Baden-Württemberg — Aussensenate Freiburg -, dat bij beschikking van 25 juli 1984 het Hof heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„Hoe moeten de termen ‚voorwerpen voor verzamelingen’ en ‚van belang uit historisch, ... etnografisch... oogpunt’ van post 99.05 van het gemeenschappelijk douanetarief worden uitgelegd:
1)
Is een voorwerp eerst dan een ‚voorwerp voor verzamelingen’ wanneer het bijzonder zeldzaam, dat wil zeggen een rariteit is, of is het voldoende dat het voorwerp geschikt is om in een volgens wetenschappelijke criteria opgebouwde verzameling, met name van een openbaar museum, te worden opgenomen (museumwaarde) ?
2)
Is een origineel voorwerp voor verzamelingen eerst dan ‚van belang uit historisch’ respectievelijk ‚etnografisch ... oogpunt’, wanneer het een fase in de algemene historische ontwikkeling van een of meer volkeren documenteert en in die zin exemplarische betekenis heeft, of is het voldoende dat het geschikt is om bij te dragen tot de historievorming op een bijzonder deelgebied van de geschiedenis (zoals de geschiedenis van de automobielbouw) ?”
Blijkens de verwijzingsbeschikking neigt de verwijzende rechter ertoe, de ingevoerde automobiel onder post 99.05 van het GDT in te delen. Het Finanzgericht is er evenwel niet in geslaagd een ondubbelzinnig antwoord op de prejudiciële vraag te vinden. Gemeenschappelijke toelichtingen op hoofdstuk 99 van het GDT zijn er niet; in de IDR-toelichtingen wordt met betrekking tot voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten in het algemeen enkel opgemerkt, dat het „meestal” om „unieke exemplaren” gaat; van voorwerpen voor verzamelingen wordt gezegd, dat zij „dikwijls” slechts een geringe eigen waarde hebben, doch van belang zijn door hun zeldzaamheid, hun groepering of hun voorkomen. Volgens de nationale Duitse voorschriften zijn voorwerpen voor verzamelingen in de zin van post 99.05 van het GDT enkel „rariteiten”, „unica”, voorwerpen met een „erkende exemplarische waarde”, met andere woorden voorwerpen met meer dan museumwaarde. Deze nationale administratieve richtlijnen zouden evenwel het toepassingsgebied van post 99.05 van het GDT niet kunnen beperken indien dat ruimer is.
Met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag refereert het Finanzgericht Baden-Württemberg eveneens aan de IDR-toelichtingen, volgens welke als voorwerpen voor verzamelingen van belang uit historisch of etnografisch oogpunt onder post 99.05 kunnen worden ingedeeld: „voorwerpen, welke van belang zijn voor de studie van alle uitingen van de menselijke activiteit en van de zeden, van de gebruiken en van de eigen aard van huidige of van vroegere volkeren. Van deze voorwerpen kunnen worden genoemd: mummies, sarcofagen, wapens, voorwerpen voor de eredienst, kledingstukken, van primitieve volkeren herkomstige curiositeiten en voorwerpen welke aan beroemde personen hebben toebehoord”. Deze toelichtingen zouden bijgevolg de mogelijkheid openlaten, ook historisch belang toe te kennen aan voorwerpen die slechts relevant zijn voor bijzondere deelgebieden van de geschiedenis, bij voorbeeld de geschiedenis van de automobielbouw.
2.
In het hoofdgeding in zaak 252/84 (Collector Guns GmbH & Co. KG/Hauptzollamt Koblenz) verzocht verzoekster om inklaring van uit de Verenigde Staten ingevoerde pistolen en pistooltassen als voorwerpen voor verzamelingen van belang uit historisch oogpunt ex post 99.05 van het GDT. Het douanekantoor was evenwel van oordeel dat het hier niet ging om voorwerpen voor verzamelingen, deelde de artikelen in onder post 93.02 (vuurwapens) respectievelijk 42.02 van het GDT (lederwaren), en vorderde een bedrag van DM 441,30 aan invoerrechten.
Na de afwijzing van haar bezwaarschrift stelde verzoekster beroep in bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, dat bij beschikking van 10 oktober 1984 het Hof van Justitie heeft verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vraag:
„Welke kenmerken moet een voorwerp (in casu: pistolen en pistooltassen) ten minste bezitten om als ‚voorwerp voor verzamelingen van belang uit historisch oogpunt’ onder post 99.05 van het gemeenschappelijk douanetarief te kunnen worden ingedeeld ?”
Het Finanzgericht refereert eveneens aan de reeds aangehaalde IDR-toelichtingen, doch acht deze te vaag om het onderhavige geschil te kunnen beslechten. Die toelichtingen zouden namelijk onvoldoende aanwijzingen geven over de vereisten waaraan minstens moet zijn voldaan om goederen als voorwerpen voor verzamelingen van belang uit historisch oogpunt te kunnen indelen. Zij geven geen antwoord op de vraag, of voorwerpen die niet meer dan museumwaarde hebben, buiten het toepassingsgebied van post 99.05 van het GDT vallen.
3.
a)
De verwijzingsbeschikking van het Finanzgericht Baden-Württemberg volgend, bespreekt verzoekster in zaak 200/84 de begrippen „voorwerpen voor verzamelingen” en „van belang uit historisch oogpunt” afzonderlijk.
Zij is van mening, dat als voorwerpen voor verzamelingen kunnen worden aangemerkt alle goederen die niet naar believen kunnen worden aangeschaft of gereproduceerd. Het zou gaan om goederen die niet volgens hun normale bestemming worden gebruikt, verbruikt of benut, doch die bestemd zijn om blijvend in een verzameling van gelijksoortige of verwante voorwerpen te worden opgenomen en tentoongesteld. Voorwerpen voor verzamelingen zouden daarenboven steeds een hogere waarde hebben dan overeenkomstige voorwerpen die niet bestemd zijn om in een verzameling te worden opgenomen. Om van een voorwerp voor verzamelingen te kunnen spreken, zou niet vereist zijn dat het uiterst zeldzaam is of dat het om een rariteit gaat; beslissend zou alleen zijn dat het voorwerp betrekkelijk zeldzaam is, in die zin dat het zeer gezocht doch nauwelijks verkrijgbaar is, waardoor het een waarde krijgt die veel hoger is dan die welke uit de zuiver materiële kenmerken voortvloeit. Aldus uitgelegd, houdt het begrip „voorwerp voor verzamelingen” noodzakelijkerwijs in, dat het voorwerp museumwaarde heeft.
Het begrip „van belang uit historisch oogpunt” zou aldus zijn uit te leggen, dat het om een voorwerp moet gaan dat op een bepaald gebied van de geschiedenis, bijvoorbeeld op het gebied van de automobielbouw, tot de historievorming kan bijdragen. Daarvoor is niet vereist dat het betrokken voorwerp kenmerkend is voor een bepaalde periode in de algemene historische ontwikkeling van een of meer volkeren. De activiteiten van de mensheid zijn zo veelzijdig, dat men voor de historische waarde van een voorwerp niet de maatstaf mag aanleggen, of het voor de totale ontwikkeling van de mensheid, dat wil zeggen voor de algemene geschiedenis, van belang is. Deze inperking zou het begrip geschiedenis op onaanvaardbare wijze reduceren.
Voorts licht verzoekster toe, waarom de door haar ingevoerde automobiel als een „monument van de techniek” is te beschouwen. Ik wil hier niet nader ingaan op deze ongetwijfeld zeer interessante uiteenzetting, omdat het Hof in deze procedure enkel tot taak heeft, post 99.05 van het GDT uit te leggen. De vraag of de ingevoerde automobiel onder deze post valt, betreft reeds de toepassing van de voor juist gehouden uitlegging ervan; deze concrete toepassing behoort echter tot de bevoegdheid van de verwijzende rechter.
Concluderend geeft verzoekster in zaak 200/84 in overweging, de vragen van het Finanzgericht Baden-Württemberg te beantwoorden als volgt:
„1)
Voor de vraag of het om een voorwerp voor verzamelingen gaat, — is niet van belang of een voorwerp zeer zeldzaam, anders gezegd een rariteit is; beslissend is veeleer, dat het niet volgens zijn nor-. male bestemming wordt gebruikt, verbruikt of benut, doch bestemd is om als collectiestuk blijvend in een verzameling van gelijksoortige of vergelijkbare stukken te worden opgenomen en tentoongesteld, anders gezegd dat het voorwerp geschikt is om in een volgens wetenschappelijke criteria opgebouwde verzameling, met name van een openbaar museum, te worden opgenomen.
2)
Een voorwerp voor verzamelingen is van belang uit historisch of etnografisch oogpunt, wanneer het op een bepaald deelgebied van de geschiedenis, bij voorbeeld dat van de automobielbouw, tot de historievorming kan bijdragen; daarvoor is niet vereist dat het voorwerp kenmerkend is voor een bepaalde periode in de algemene historische ontwikkeling van een of meer volkeren en in deze zin een exemplarische waarde heeft. Of een technisch voorwerp in serie vervaardigd is, en hoeveel exemplaren er nog van bestaan, speelt geen enkele rol; van belang is alleen de technisch-historische waarde van het voorwerp.”
b)
Verzoekster in zaak 252/84, de vennootschap Collector Guns GmbH & Co. KG, is van mening, dat „geschiedenis” niet enkel maar geschiedenis van oorlogen en staten is. Geschiedenis in moderne zin is de studie van alle uitingen van menselijke activiteit. Het begrip geschiedenis omvat met name de volgende deelgebieden: cultuurgeschiedenis, industriegeschiedenis, de ontwikkeling van produktietechnieken en de geschiedenis van de techniek in het algemeen. Het zou blijk geven van een veel te enge opvatting wanneer men onder „voorwerpen voor verzameling van belang uit historisch oogpunt” enkel die voorwerpen zou verstaan die onmiddellijk verband houden met een bepaalde historische gebeurtenis of persoon.
Concluderend geeft verzoekster in zaak 252/84 in overweging, de vraag van het Finanzgericht Rheinland-Pfalz te beantwoorden als volgt:
„Als voorwerpen voor verzamelingen van belang uit historisch oogpunt in de zin van post 99.05 van het GDT zijn te beschouwen pistolen en pistooltassen die aan de volgende voorwaarden voldoen:
1)
zij mogen niet meer in serie worden geproduceerd;
2)
het moet om originele, in de desbetreffende periode vervaardigde stukken gaan, en niet om imitaties;
3)
zij mogen nog slechts in beperkte aantallen voorhanden zijn en alleen in speciaalzaken en met grote moeite verkrijgbaar zijn, terwijl de koopprijs in de regel veel hoger is dan de materiaalwaarde en de praktische waarde;
4)
zij moeten kunnen dienen als illustratie van, en kennis verschaffen van de historische en cultuurhistorische ontwikkeling, de ontwikkeling van de industrie, de techniek en de produktietechnieken in de ruimste zin;
5)
ten slotte vallen onder dit begrip — ook wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden 1) tot 4) — voorwerpen die onmiddellijk verband houden met een bepaalde historische gebeurtenis of persoon.”
c)
De Commissie stelt zich in zaak 200/84 in de eerste plaats op het standpunt, dat bij de uitlegging van post 99.05 van het GDT in beginsel ervan moet worden uitgegaan, dat elk voorwerp dat men als voorwerp voor verzamelingen van belang uit historisch oogpunt erkend wil zien, wegens zijn materiële, objectieve of functionele kenmerken „op zich” onder andere tariefposten valt die van toepassing zouden zijn wanneer het om een voorwerp voor „normaal” of „algemeen” gebruik gaat. Omwille van de douanerechtelijke systematiek en duidelijkheid is indeling onder post 99.05 van het GDT dus enkel mogelijk, wanneer de betrokken voorwerpen niet worden ingevoerd als de stoffelijke, materiële of functionele voorwerpen die zij eigenlijk zijn, doch juist als voorwerpen voor verzamelingen. Dit is het geval, aldus de Commissie, wanneer het voorwerp niet volgens zijn functionele bestemming wordt gebruikt, verbruikt of benut, doch bestemd is om als collectiestuk blijvend in een verzameling van gelijksoortige of overeenkomstige stukken te worden opgenomen en tentoongesteld. De vraag welke eigenschappen een voorwerp voor verzamelingen onderscheiden van een gebruiks- of verbruiksvoorwerp in de zin van de desbetreffende tariefposten, kan niet in het algemeen worden beantwoord. Objectieve criteria, zoals ouderdom, zeldzaamheid of herkomst, kunnen weliswaar belangrijke aanwijzingen zijn dat het om een voorwerp voor verzamelingen gaat, doch uiteindelijk kunnen enkel subjectieve elementen de doorslag geven. Of het om een voorwerp voor verzamelingen gaat of kan gaan, hangt uitsluitend af van zijn verzamelwaarde, en deze wordt enkel bepaald door de belangstelling van de verzamelaar of verzamelaars.
Van de talloos vele interessegebieden van verzamelaars geeft post 99.05 enkel een voorkeursbehandeling aan die welke betrekking hebben op zoölogische, botanische, mineralogische en anatomische voorwerpen en voorwerpen die van belang zijn uit historisch, archeologisch, paleontologisch, etnografisch of numismatiek oogpunt. Met name voorwerpen op het gebied van de techniek, de natuurkunde of scheikunde genieten niet als zodanig een voorkeursbehandeling. Voor vrijstelling van invoerrechten komen zij derhalve eerst dan in aanmerking, wanneer zij van belang zijn uit historisch oogpunt dan wel antiquiteiten zijn in de zin van post 99.06 van het GDT.
Als voorbeelden noemt de Commissie dan enkele categorieën van voorwerpen die uit historisch oogpunt van belang kunnen zijn. In de eerste plaats voorwerpen waarin het verleden is belichaamd, zoals belangrijke historische oorkonden, protocollen, brieven en dergelijke. In de tweede plaats voorwerpen uit de omgeving van historische personen, zoals persoonlijke gebruiksvoorwerpen, voorwerpen van persoonlijk belang of kenmerkende voorwerpen uit hun persoonlijk bezit. In de derde plaats voorwerpen die, vanuit hedendaags standpunt, historische én vooral cultuurhistorische ontwikkelingsfasen, stromingen en opvattingen documenteren.
Voorwerpen van technische aard, zoals auto's, kunnen eventueel in de derde categorie worden ingedeeld, wanneer de technisch-historische betekenis die zij in bepaalde omstandigheden reeds vroeg kunnen hebben, na verloop van tijd en in een ruimer perspectief, een algemene historische, inzonderheid cultuurhistorische dimensie heeft verkregen. Voorwerpen van technische aard, die in serie zijn vervaardigd, kunnen evenwel geen historisch belang verkrijgen zolang er nog verscheidene exemplaren van bestaan.
Op deze gronden geeft de Commissie het Hof in overweging, de prejudiciële vragen van het Finanzgericht Baden-Württemberg te beantwoorden als volgt:
„1)
De zeldzaamheid van een voorwerp of het feit dat het geschikt is om in een volgens wetenschappelijke criteria opgebouwde verzameling te worden opgenomen (en dus museumwaarde heeft), kunnen belangrijke aanwijzingen zijn, dat het gaat om een voorwerp voor verzamelingen van belang uit historisch of etnografisch oogpunt in de zin van post 99.05 van het GDT; dit is op zich echter niet voldoende om van een voorwerp voor verzamelingen te kunnen spreken. Of een bepaald object een voorwerp voor verzamelingen van belang uit historisch of etnografisch oogpunt is, hangt veeleer af van de omstandigheid of het betrokken voorwerp naar algemene opvatting een historisch of etnografisch belang heeft waaraan het zijn geschiedkundige of etnografische waarde ontleent.
2)
Een in serie vervaardigd voorwerp van technische aard, bijvoorbeeld een auto, kan eerst dan als een voorwerp voor verzamelingen van belang uit historisch oogpunt in de zin van post 99.05 van het GDT worden aangemerkt, wanneer het belang ervan uit het oogpunt van de geschiedenis van de techniek een algemeen-historische dimensie heeft gekregen. Onder geen beding kan een in serie vervaardigd voorwerp als een voorwerp voor verzamelingen van belang uit historisch oogpunt worden beschouwd, zolang van dat voorwerp nog honderden gelijksoortige exemplaren, ofwel bijna een derde van de gehele serie, bestaan.”
d)
In zaak 252/84 betoogt de Commissie dat, conform de geest en de letter van het GDT, handvuurwapens naar hun aard onder post 93.02 (revolvers en pistolen) vallen en zulks ongeacht of het pistool nog als zodanig bruikbaar is, wie het invoert en met welk doel. Post 99.05 van het GDT kan geen algemene restpost zijn voor allerlei gebruikte wapens of persoonlijke souvenirs; hij vereist een nadere kwalificatie. Dat dit soort voorwerpen door gespecialiseerde handelaars wordt ingevoerd, laat weliswaar vermoeden dat die wapens verzamelaarsobjecten kunnen zijn, doch volstaat niet om het specifieke voorwerp een individuele eigenschap toe te schrijven, waardoor het zich van alle andere gelijksoortige voorwerpen onderscheidt. Dit geldt vooral voor het begrip „museumwaarde”, dat wil zeggen de omstandigheid dat het voorwerp geschikt is om in een volgens wetenschappelijke criteria opgebouwde verzameling, met name van een openbaar museum, te worden opgenomen. Voor de indeling onder post 99.05 van het GDT is veeleer vereist dat juist dit individuele pistool een historische waarde heeft, die meebrengt dat het niet verwisselbaar is met een ander exemplaar van dezelfde soort. Dat gaat bij voorbeeld op voor exemplaren die ten nauwste verbonden zijn met bepaalde historische gebeurtenissen, personen of plaatsen, zoals een wapen dat bij een beruchte aanslag is gebruikt of dat aan een historisch persoon heeft toebehoord. De omstandigheid dat in grote reeksen vervaardigde pistolen kenmerkend kunnen zijn voor een bepaald tijdvak of merk, is dus niet voldoende, zolang het om anonieme en onderling verwisselbare exemplaren gaat.
Voorts blijkt uit verordening nr. 918/83 betreffende de communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PB 1983, L 105, biz. 1), dat aan openbare musea vrijstelling van invoerrechten kan worden verleend voor voorwerpen die met het oog op opneming in hun verzamelingen worden ingevoerd. Deze regeling zou geen zin hebben wanneer de — door de wil om het voorwerp in te voeren bevestigde — „museumwaarde” op zich al zou leiden tot indeling onder post 99.05 van het GDT en daarmee tot vrijstelling van invoerrechten.
Mitsdien geeft de Commissie in overweging, de door het Finanzgericht Rheinland-Pfalz gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„Pistolen en pistooltassen zijn slechts ‚voorwerpen voor verzamelingen van belang uit historisch oogpunt’ ex post 99.05 van het GDT, wanneer het betrokken exemplaar een volgens objectieve kenmerken vaststelbaar verband vertoont met bepaalde historische gebeurtenissen of personen en als zodanig niet door een ander exemplaar van dezelfde soort kan worden vervangen.”
B.
Op het voetspoor van de verwijzingsbeschikking van het Finanzgericht Baden-Württemberg, zal ik eerst het begrip „voorwerp voor verzamelingen” bespreken en vervolgens de uitdrukking „van belang uit historisch of etnografisch oogpunt”. Zijn deze twee begrippen eenmaal verduidelijkt, dan kan ook antwoord worden gegeven op de vraag van het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, namelijk welke eigenschappen een voorwerp minstens moet bezitten om als voorwerp voor verzamelingen van belang uit historisch oogpunt onder post 99.05 van het GDT te kunnen worden gebracht.
Vooraf zij erop gewezen, dat wij ons bij de uitlegging van post 99.05 in onbetreden gebied begeven, doordat er hierover nog geen uitspraken van het Hof bestaan noch communautaire tariefbeslissingen of zelfs maar toelichtingen op het GDT.
De strekking van deze post moet dus aan de hand van de algemene uitleggingsbeginselen worden vastgesteld. Daarbij kan een zuiver taalkundige uitlegging mijns inziens niet tot een duidelijke oplossing leiden, daar de verschillende taalversies van de post (in bijlage bij deze conclusie gevoegd) onderling enigszins afwijken.
Voor de uitlegging van post 95.05 moet derhalve te rade worden gegaan met het doel en de systematiek van het gemeenschappelijk douanetarief; de IDR-toelichtingen kunnen daarbij een waardevol hulpmiddel zijn, ook al zijn zij rechtens niet bindend (aldus de vaste rechtspraak van het Hof: zie bij voorbeeld het arrest van 11 juli 1980, zaak 798/79, Chem-Tec, Jurispr. 1980, blz. 2639, r.o. 11).
1.
Eerst dus het begrip „voorwerp voor verzamelingen”. Dienaangaande wenst het Finanzgericht Baden-Württemberg te vernemen, of het daarbij om een bijzonder zeldzaam voorwerp, een rariteit, dient te gaan, dan wel of het voldoende is dat het voorwerp geschikt is om een plaats te krijgen in een volgens wetenschappelijke criteria opgebouwde verzameling, dus museumwaarde heeft.
Laten wij beginnen met de verschillende taalversies (zie de bijlage bij deze conclusie) te vergelijken. Waar het Duits van „verzamelingsobjecten” spreekt, gaat het in het Nederlands en, woordelijk vertaald, in het Frans en het Italiaans over „voorwerpen voor verzamelingen”, in het Grieks over „voorwerpen van verzamelingen”, in het Engels en het Deens tenslotte over „verzamelaarsobjecten”. Vergelijkt men deze begrippen, dan komt men onmiddellijk tot de conclusie, dat een bepaalde bestemming, te weten opneming in een verzameling, niet dwingend kan worden verlangd. Het moet dus voldoende zijn dat het voorwerp zich ertoe leent om in een verzameling te worden opgenomen. Een dergelijke uitlegging beantwoordt ook aan de behoeften van de douane, die bij de tariefindeling van ingevoerde goederen moet kunnen uitgaan van hun objectieve eigenschappen en niet van de subjectieve bestemming die de importeur voor ogen staat, maar die na verloop van tijd kan veranderen.
Ter beantwoording van de vraag, of het voorwerp uiterst zeldzaam, een rariteit of zelfs een unicum moet zijn, heeft het zin eerst te rade te gaan met de IDR-toelichtingen. Deze bevatten onder hoofdstuk 99 de volgende opmerkingen:
„Meestal zijn de onder dit hoofdstuk in te delen artikelen unieke exemplaren of althans zo zeldzaam, dat men ze zich moeilijk te allen tijde kan aanschaffen.
In de regel komen zij niet in het gewone handelsverkeer, doch maken het voorwerp uit van speciale handelsbranches (...). Meestal hebben zij een hoge waarde, welke geenszins verband houdt met de eigen waarde van de bestanddelen, waaruit zij zijn samengesteld.”
De IDR-toelichtingen verlangen dus geen absolute, doch enkel een relatieve zeldzaamheid. Een bevestiging hiervan vindt men bij lezing van de omschrijvingen van de posten 99.01 tot 99.06 van het GDT. Waar het bij schilderijen en tekeningen ex post 99.01 en wellicht ook nog bij originele standbeelden en origineel beeldhouwwerk ex post 99.03 wel om unica zal gaan, is dit bij originele gravures en etsen ex post 99.02 en bij antiquiteiten ex post 99.06, niet noodzakelijk meer het geval; bij postzegels ex post 99.04 zal, weinige uitzonderingen daargelaten, ook wel geen sprake zijn van absolute zeldzaamheid. Uit het gehele verband van hoofdstuk 99 van het GDT kan het vereiste van absolute zeldzaamheid dus niet worden afgeleid, zodat voorwerpen waarvan nog verscheidene, maar niet al te veel exemplaren bestaan, stellig in dit hoofdstuk van het GDT kunnen worden ingedeeld.
Beslissend voor de kwalificatie van een voorwerp als voorwerp voor verzamelingen lijkt mij echter de omstandigheid, dat het niet courant in de handel is, doch uitsluitend verkrijgbaar is via gespecialiseerde handelskanalen. Het is niet doorlopend te koop, doch wordt slechts bij gelegenheid aangeboden. Juist het feit dat die voorwerpen slechts zelden verkrijgbaar zijn, terwijl de vraag het aanbod ver overtreft, verklaart de vaak hoge waarde of prijs, die in geen verhouding staat tot de zuivere waarde van het materiaal. Een mooi voorbeeld daarvan is de prijs die betaald is voor de automobiel waarom het in zaak 200/84 gaat. Doorgaans kosten tweedehandsauto's minder dan nieuwe; voor een al dertig jaar oude tweedehandsauto zou de prijs dus veel lager moeten zijn dan voor een nieuwe auto. Wanneer daarvoor echter een veelvoud van de nieuwprijs wordt betaald, dan wijst dat erop, dat de waarde geen verband houdt met het gebruik waarvoor het voorwerp oorspronkelijk was bestemd, doch met andere factoren, waarbij het dan in de regel om de belangstelling van verzamelaars zal gaan.
Voor het overige wil ik hier verwijzen naar mijn conclusie in zaak 155/84, betreffende de tariefindeling van een kunstwerk (arrest van 15 mei 1985 en conclusie van 21 maart 1985 in zaak 155/84, Onnasch, Jurispr. 1985, blz. 1449). Weliswaar heeft in die zaak het argument dat betrekking had op de verhouding tussen de prijs van het voorwerp en de waarde van het materiaal niet alleen de doorslag gegeven, maar het was wel een van de punten die voor indeling in hoofdstuk 99 van het GDT pleitten. In rechtsoverweging 11 heeft het Hof daar uitdrukkelijk op gewezen.
Verder moet in deze context nog even worden ingegaan op de problematiek van oorspronkelijk in serie vervaardigde voorwerpen. Het lijkt mij niet uitgesloten dat ook vroegere serieprodukten als voorwerpen voor verzamelingen kunnen worden erkend. Voorwaarde is dan wel, dat die serieproduktie beëindigd is en dat het voorwerp dus niet langer naar believen verkrijgbaar is; bovendien mogen er nog slechts beperkte aantallen van bestaan.
Ten slotte nog een woord over de vraag, of de omstandigheid dat een voorwerp nog bruikbaar is, meebrengt dat het niet als voorwerp voor verzamelingen kan worden beschouwd. Concreet gaat het in de hoofdgedingen om de vraag, of met de ingevoerde pistolen nog kan worden geschoten, en of de ingevoerde automobiel nog kan rijden, en zo ja, of die voorwerpen dan volgens hun feitelijke kenmerken in het GDT moeten worden ingedeeld.
Ik geloof niet, dat de bruikbaarheid van een voorwerp een soort negatief criterium voor de toepassing van post 99.05 van het GDT kan zijn. Ook een zeer oud en zeer zeldzaam collectiestuk kan in een zodanige toestand verkeren, dat het nog bruikbaar is voor zijn oorspronkelijk doel. Het hangt er helemaal van af, hoe een gemiddeld persoon, die het voorwerp objectief beziet en rekening houdt met de algemeen erkende waarde van het voorwerp, ermee zou omspringen. Ik denk hier niet aan de subjectieve bestemming — deze is, zoals ik al zei, een ondeugdelijk criterium, maar aan het gebruik dat een objectief oordelende gemiddelde persoon normalerwijze voor juist zou houden. Zonder op de concrete beoordeling van de verwijzende rechters vooruit te willen lopen, kan ik mij evenwel niet voorstellen dat een gemiddelde eigenaar zich dagelijks in het verkeer zou begeven met een dertig jaar oude auto, waarvan de technische prestaties niet meer aan hedendaagse maatstaven voldoen, maar die wel zeer duur én relatief zeldzaam is. Dezelfde redenering lijkt mij overigens op te gaan voor oude of zelfs verouderde wapens, ook wanneer deze op zich nog bruikbaar zijn.
2.
Dan kom ik thans tot het tweede begrip van post 99.05 van het GDT, waarover partijen verdeeld zijn, namelijk het „belang uit historisch” of „etnografisch oogpunt”.
Ook hier vertonen de diverse taalversies van het gemeenschappelijk douanetarief enige nuances. In de Duitse versie is sprake van historische of etnografische „waarde”, in de Engelse, Griekse, Franse en Italiaanse versie, evenals in de Nederlandse, van historisch of etnografisch „belang”, terwijl de Deense versie eenvoudig spreekt van „historische” respectievelijk „etnografische verzamelaarsobjecten”.
De verschillen van mening tussen de bij de procedure betrokken partijen hebben in de eerste plaats betrekking op de vraag, of de geschiedenis van de techniek geschiedenis in de zin van tariefpost 99.05 van het GDT is. Tegelijk daarmee wil ik echter de vraag bespreken, of „technische monumenten” onder geschiedenis of onder etnografie vallen, want zoals ik hierna zal uiteenzetten, zou zowel het ene als het andere begrip de geschiedenis van de techniek kunnen omvatten.
De Commissie toont zich in haar opmerkingen en toelichtingen voorstander van een restrictieve opvatting van het begrip geschiedenis, dat zich in wezen zou beperken tot de zogenoemde „politieke geschiedenis”. Verzoeksters in de hoofdgedingen daarentegen zijn van mening, dat geschiedenis in de zin van post 99.05 ook de geschiedenis van de techniek omvat.
In de IDR-toelichtingen — die ik hier andermaal wil citeren — vinden wij het volgende:
„Verzamelingen en voorwerpen voor verzamelingen van belang uit historisch, etnografisch, archeologisch en paleontologisch oogpunt. Hiertoe behoren :
1)
voorwerpen, welke van belang zijn voor de studie van alle uitingen van de menselijke activiteit en van de zeden, van de gebruiken en van de eigen aard van huidige of van vroegere volkeren. Van deze voorwerpen kunnen worden genoemd: mummies, sarcofagen, wapens, voorwerpen voor de eredienst, kledingstukken, van primitieve volkeren herkomstige curiositeiten en voorwerpen, welke aan beroemde personen hebben toebehoord.”
Hierbij valt op, dat ook de IDR-toelichtingen de verschillende begrippen van post 99.05 niet precies afbakenen; ik vind dit alleszins juist, aangezien deze begrippen elkaar stellig kunnen overlappen.
Ik kan het niet eens zijn met de restrictieve opvatting van de Commissie, volgens wie het begrip geschiedenis in wezen slechts de algemene geschiedenis, meer bepaald de politieke geschiedenis, omvat en niet meer dan een raakvlak met het begrip etnografie heeft (een opvatting die wellicht is ingegeven door de prejudiciële vraag in zaak 252/84).
Maar in ieder geval volgens nieuwere zienswijzen — waarop ook de IDR-toelichtingen zijn gebaseerd — kan het begrip geschiedenis niet meer worden beperkt tot de politieke geschiedenis, met het accent op de geschiedenis van staten en oorlogen. Een bevestiging hiervan vinden wij wanneer wij een recent Duitstalig lexicon opslaan, waar men onder het trefwoord „Geschichte” het volgende vindt:
„lm weiten Sinne eine durch die Aufeinanderfolge von verschiedenen Geschehnissen sichtbar werdende Entwicklung; so verstanden haben auch die Natur, die Erde, die Pflanzen und Tiere ihre Geschichte. Im engeren Sinne meint Geschichte die Entwicklung der Menschheit und ihre Kulturleistungen (Verfassung, Recht, Wirtschaft, Religion, Technik, usw.). In seiner eingeschränktesten Bedeutung bezeichnet Geschichte die Geschichtswissenschaft, die das Schwinden eines unmittelbaren Geschichtsbewußtseins und die kritische Auseinandersetzung mit der Vergangenheit, mit der Glaubwürdigkeit und dem Aussagewert der geschichtlichen Quellen zur Voraussetzung hat”(Das neue Fischer-Lexikon, Frankfurt 1981, deel 3, biz. 2176; zie ook het trefwoord „Histoire” in: Encyclopaedia Universalis, Parijs 1968, deel 7, blz. 423 e.V.).
Ofschoon het míj niet juist lijkt om ook de natuurhistorische ontwikkeling onder het begrip „geschiedenis” in de zin van post 99.05 van het GDT te brengen — de verwijzingen naar paleontologie, archeologie en etnografie bestrijken ten slotte het grootste deel van dit deelgebied -, toch bevat die tariefpost niets wat erop wijst dat het daar bedoelde begrip geschiedenis zonder meer identiek is met politieke geschiedenis. In overeenstemming met de IDR-toelichtingen ben ik daarom van mening, dat met „geschiedenis” in tariefpost 99.05 van het GDT wordt bedoeld de studie van alle uitingen van de menselijke activiteit. In deze zin omvat het begrip, naast de politieke geschiedenis, ook de cultuurgeschiedenis en de geschiedenis van de techniek.
Naast dit begrip geschiedenis moeten wij evenwel het begrip etnografie plaatsen, dat eveneens in post 99.05 wordt genoemd. Onder het trefwoord „Völkerkunde” vinden wij in voormeld lexicon op blz. 6310 het volgende:
„Wissenschaft vom Menschen als Kulturträger und kulturbedingtem Wesen... Das immer stärker anwachsende Material hat heute eine weitgehende Spezialisierung erzwungen nicht nur in sachlicher Hinsicht (Untersuchung von Wirtschaft, Technik, Siedlung, Verwandtschaft, Recht, Sitte, Brauch, Religion), sondern auch regional...”
Aangezien dus de ontwikkeling respectievelijk de geschiedenis van de techniek ook onder het begrip „etnografie” kan vallen, staat voor mij vast, dat post 99.05 van het GDT ook op de geschiedenis van de techniek betrekking heeft, en dan behoeven wij niet meer te onderzoeken of de geschiedenis van de techniek nu onder geschiedenis of onder etnografie valt.
3.
Mijn conclusie, dat tot de „voorwerpen voor verzamelingen van belang uit historisch of etnografisch oogpunt” ook kunnen worden gerekend voorwerpen die van belang zijn voor de geschiedenis van de techniek, is daarenboven ook in overeenstemming met de systematiek van het gemeenschappelijk douanetarief. Ook in dit verband kan ik de opvatting van de Commissie niet delen, waar zij betoogt dat, wanneer de standpunten over de tariefindeling zover uit elkaar liggen, de twee in aanmerking komende tariefposten tegenover elkaar moeten worden geplaatst, zodat met volstrekte zekerheid kan worden vastgesteld onder welke van beide het betrokken voorwerp moet worden ingedeeld. Dit is althans in zoverre onjuist als wij bij de vraag of een voorwerp onder hoofdstuk 99 dan wel onder een ander hoofdstuk van het GDT valt, juist niet met de typische indelingsproblematiek te doen hebben. Het gaat er niet om, of het voorwerp onder hoofdstuk 99 dan wel onder een ander hoofdstuk valt. Het bijzondere van het onderhavige geval is, dat de voorwerpen die onder hoofdstuk 99 vallen, in het algemeen ook tot andere hoofdstukken van het GDT behoren. En juist voor deze normconcurrentie geeft aantekening 4.a) bij hoofdstuk 99 een regeling:
„Met inachtneming van het bepaalde in de Aantekeningen 1, 2 en 3 moeten artikelen, welke zowel onder een der posten van dit Hoofdstuk als onder andere posten van het Tarief kunnen worden ingedeeld, onder een der posten van hoofdstuk 99 worden ingedeeld.”
Het douanetarief verlangt dus kennelijk bij voorrang indeling onder hoofdstuk 99. Zelfs wanneer op enige punten nog twijfels bleven bestaan — wat thans niet het geval is —, zou ik deze voorrang zonder enig bezwaar erkennen.
4.
Ten slotte levert ook het doel van het douanetarief een argument op voor een ruime uitlegging van post 99.05.
Ter terechtzitting waren alle betrokkenen het erover eens, dat het douanetarief bedoeld is om de produktie in de Gemeenschap te beschermen. Zelfs de Commissie heeft niet gesteld dat de door de Gemeenschap geheven invoerrechten fiscale rechten zijn, terwijl nochtans naar luid van artikel 2, sub b, van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen, invoerrechten eigen middelen van de Gemeenschappen zijn, die bij voorbeeld in het begrotingsjaar 1984 circa 30% der ontvangsten uitmaakten.
Wanneer het gemeenschappelijk douanetarief dus bedoeld is ter bescherming van de produktie in de Gemeenschap, rijst de vraag welke produktie beschermd moet worden tegen de invoer van gebruikte voorwerpen zoals die waarover het thans gaat. Ik zie niet, hoe er concurrentie zou kunnen bestaan tussen die oude voorwerpen en goederen die thans in de Gemeenschap worden geproduceerd.
Te dezen zij erop gewezen, dat goederen die onder hoofdstuk 99 van het GDT vallen, vrij van rechten mogen worden ingevoerd. Dit was het geval in 1968 toen het gemeenschappelijk douanetarief in werking trad, het was zo op het moment van de hierbedoelde importen, en het is ook thans nog zo. De Commissie heeft er weliswaar op gewezen, dat bij de uitlegging van de GDT-nomenclatuur het tarief van de invoerrechten buiten beschouwing moet blijven, aangezien dit ofwel bij overeenkomst ofwel autonoom en dan naar gelang van het moment op een verschillend niveau wordt vastgesteld. In beginsel is dit ongetwijfeld juist, en daar gaat het thans ook niet om. Bij de uitlegging van hoofdstuk 99, dat alleen reeds door het feit dat het concurreert met andere hoofdstukken van het douanetarief, een aparte plaats inneemt, mag de vrijstelling van invoerrechten evenwel niet volledig buiten beschouwing blijven. Hoofdstuk 99 wil de culturele uitwisseling bevorderen door kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, voor zover zij meer dan 100 jaar oud zijn, vrij te stellen van invoerrechten. Daarmee draagt hoofdstuk 99 bij tot de uitvoering van de in artikel IV van het Verdrag van 22 november 1950 betreffende de invoer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke en culturele aard neergelegde intentieverklaring om met alle middelen het vrije verkeer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard te bevorderen (United Nations Treaties Series, deel 131, blz. 25 e.V.).
Aan deze conclusie staat niet in de weg het feit dat ingevolge de bijzondere regeling ter zake van het gemeenschappelijk stelsel van vrijstelling van douanerechten, respectievelijk de bepalingen betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief van voorwerpen voor opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard (verordening nr. 1798/75, PB 1975, L 184, blz. 1), voorwerpen voor verzamelingen en kunstvoorwerpen die voor musea en andere instellingen, zijn bestemd, met vrijstelling van douanerechten kunnen worden ingevoerd. De materiële werkingssfeer van de „bijzondere regeling” en die van hoofdstuk 99 vallen niet samen, al kunnen zij elkaar in bepaalde gevallen overlappen. Zo kan ingevolge de „bijzondere regeling” bij voorbeeld een recentelijk in serie geproduceerd voorwerp met vrijstelling van douanerechten worden ingevoerd wanneer het niet voor de verkoop, doch voor musea en erkende instellingen is bestemd. Hoofdstuk 99 evenwel zou een dergelijke vrijstelling niet toelaten.
Het bestaan van de bijzondere regeling dwingt derhalve niet tot een enge uitlegging van hoofdstuk 99 van het GDT.
C.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Finanzgerichten Baden-Württemberg en Rheinland-Pfalz te beantwoorden als volgt:
Het begrip „voorwerpen voor verzamelingen van belang uit historisch of etnografisch oogpunt” in post 99.05 van het GDT moet aldus worden uitgelegd:
1)
Een minder dan honderd jaar oud, oorspronkelijk in serie vervaardigd voorwerp is als een voorwerp voor verzamelingen aan te merken, wanneer het:
—
niet meer in serie wordt vervaardigd, niet langer onbeperkt verkrijgbaar is, doch een zekere zeldzaamheidswaarde bezit;
—
objectief beschouwd niet meer voor zijn oorspronkelijke bestemming wordt gebruikt;
—
geschikt is om in een volgens wetenschappelijke criteria opgebouwde verzameling te worden opgenomen.
De subjectieve bestemming die de importeur aan het voorwerp wenst te geven, de bruikbaarheid ervan of de bijzondere zeldzaamheid, zijn te deze irrelevant.
2)
Een voorwerp voor verzamelingen is van belang uit historisch of etnografisch oogpunt, wanneer het kenmerkend is voor een bepaalde periode of gebeurtenis uit de algemene geschiedenis, dan wel op bepaalde deelgebieden van de menselijke ontwikkeling kennis kan verschaffen over allerlei uitingen van de menselijke activiteit. Mitsdien kunnen voorwerpen, die getuigen van de ontwikkeling van de techniek, van belang zijn uit historisch of etnografisch oogpunt.
BIJLAGE
Post 99.05 van het gemeenschappelijk douanetarief
Zoologische, botanische, mineralogische oder anatomische Sammlungsstücke und Sammlungen; Sammlungsstücke von geschichtlichem, archäologischem, paläontologischem, völkerkundlichem oder münzkundlichem Wert
Collections et specimens pour collections de zoologie et de botanique, de minéralogie et d'anatomie; objets pour collections présentant un intérêt historique, archéologique, paléontologique, etnographique et numismatique
Collezioni ed esemplari per collezioni di zoologia, botanica, mineralogia, anatomia; oggetti da collezione aventi interesse storico, archeologico, paleontologico, etnografico e numismatico
Zoölogische, botanische, mineralogische en anatomische verzamelingen en voorwerpen voor die verzamelingen; voorwerpen voor verzamelingen van belang uit historisch, archeologisch, paleontologisch, etnografisch of numismatiek oogpunt
Zoologiske, botaniske, mineralogiske, anatomiske, historiske, arkæologiske, palæontologiske, etnografiske og numismatiske samlinger og samlerobjekter
Collections and collectors' pieces of zoological, botanical, mineralogical, anatomical, historical, archaeological, paleontological, ethnographic or numismatic interest
Συλλογαί ή αντικείμενα συλλογών ζωολογίας, βοτανικής, ορυκτολογίας και ανατομίας. Είδη συλλογών παρουσιάζοντα ενδιαφέρον ιστορικόν, αρχαιολογικόν, πα-λαιοντολογικόν, εθνογραφικόν και νομισματικόν
( *1 ) Vertaald uil hei Duiis.
Full & Egal Universal Law Academy