CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 14 mei 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaak is bij het Hof aanhangig gemaakt door een op 27 juni 1984 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag ingediend prejudicieel verzoek van het tribunal de grande instance te Orleans in een aldaar dienende strafzaak.
In deze strafprocedure staat Gontier, bedrijfsleider van een „Leclerc”-supermarkt, terecht wegens overtreding van ministerieel besluit nr. 83-58/A van 9 november 1983 houdende minimumprijsvoorschriften voor de detailverkoop van motorbrandstoffen. Als verweer heeft hij aangevoerd, dat dit besluit onverenigbaar was met het gemeenschapsrecht. Teneinde hierover uitspraak te kunnen doen, heeft het tribunal het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„Moeten de artikelen 3, sub f, en 5 EEG-Verdrag worden uitgelegd als behelzende een verbod om in een Lid-Staat bij wege van wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling vaste minimumprijzen in te voeren voor de verkoop van benzine en superbenzine?
Kan de vaststelling van dergelijke minimumprijzen een kwantitatieve invoerbeperking of een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag opleveren en kan zij worden geacht te beantwoorden aan een doelstelling van openbare orde in de zin van artikel 36 EEG-Verdrag?”
De feiten van deze zaak stemmen overeen met die van zaak 231/83, Cullet, waarin het Hof op 29 januari 1985 uitspraak heeft gedaan, met dit verschil dat zij dateren van mei 1984 en daarom vielen onder ministerieel besluit nr. 83-58/A van 9 november 1984 in plaats van onder het daardoor per 15 november 1983 ingetrokken en vervangen besluit nr. 82-13/A. Het is derhalve de vraag, of dit voor de betrokken gemeenschapsrechtelijke problematiek verschil uitmaakt.
Ingevolge de destijds in de zaak Cullet alsook in de onderhavige zaak toepasselijke Franse wetgeving werd de minimumdetailhandelsprijs vastgesteld door eenvoudig per liter een bepaald bedrag af te trekken van de maximumverkoopprijs per liter, die werd bepaald aan de hand van ingewikkelde berekeningen zoals beschreven in de conclusie en het arrest in de zaak Cullet. Volgens besluit nr. 82-13/A, dat in de zaak Cullet in geding was, beliep het af te trekken bedrag negen centime per liter voor benzine en tien centime per liter voor superbenzine. Bij het in casu omstreden ministeriële besluit nr. 83-58/A waren deze bedragen verhoogd tot respectievelijk zestien en zeventien centime. Afgezien hiervan is het systeem voor de vaststelling van de minimumdetailhandelsprijs voor motorbrandstoffen in Frankrijk overigens ongewijzigd gebleven. Bijgevolg heeft deze zaak betrekking op in wezen dezelfde gemeenschapsrechtelijke aspecten als de zaak Cullet.
Deze aspecten worden in de door de nationale rechter gestelde vragen exact aangegeven. De artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag worden er niet in vermeld, en blijkens het arrest Cullet (r.o. 15-18) zouden deze artikelen op zichzelf ook niet van toepassing zijn op een geval als het onderhavige.
De opmerkingen van verdachte, de Franse regering en de Commissie voegen niets wezenlijks toe aan hetgeen in de zaak Cullet voor het Hof is gesteld. Alle met betrekking tot de artikelen 3, 5 en 30 gerezen vragen zijn in dat arrest reeds beslist. Evenmin als in die zaak (cf. r.o. 32-33), is in casu aangetoond dat de importbeperkingen gerechtvaardigd zouden zijn ingevolge artikel 36, waardoor het in artikel 30 neergelegde verbod van maatregelen van gelijke werking toepassing zou missen.
Om de redenen vermeld in het arrest van 29 januari 1985 in de zaak Cullet, dienen de vragen van het tribunal mijns inziens te worden beantwoord als volgt:
1)
De artikelen 3, sub f, en 5 EEG-Verdrag verzetten zich niet tegen een nationale regeling volgens welke de nationale autoriteiten minimumprijzen voor de detailverkoop van motorbrandstoffen vaststellen.
2)
Artikel 30 EEG-Verdrag verzet zich tegen een dergelijke regeling, wanneer bij de vaststelling van de minimumprijs uitsluitend wordt uitgegaan van de overnameprijzen van de nationale raffinaderijen en deze overnameprijzen gekoppeld zijn aan een plafondprijs die uitsluitend op de kostprijzen van de binnenlandse raffinaderijen is gebaseerd ingeval de Europese motorbrandstoffennoteringen meer dan 8% van die kostprijzen afwijken.
3)
Niet is komen vast te staan dat de toepasselijkheid van het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag op een dergelijke regeling door de bepalingen van artikel 36 EEG-Verdrag wordt uitgesloten.
De nationale rechter zal moeten beslissen over de kosten van partijen in het hoofdgeding. Over de kosten van de Franse Republiek en van de Commissie behoeft niet te worden beslist.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy