CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 14 mei 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij vonnis van 26 juli 1984 heeft het tribunal de grande instance te Avignon in een aldaar dienende strafzaak verzocht om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 177 EEG-Verdrag.
In deze strafprocedure staat Girault, directeur van een „Auchan”-supermarkt, tezamen met de vennootschap Samu-Auchan terecht wegens overtreding van de Franse minimumprijsvoorschriften voor de detailverkoop van motorbrandstoffen, met name ministerieel besluit nr. 83-58/A van 9 november 1983. Als verweer heeft Girault aangevoerd, dat dit besluit in strijd was met het gemeenschapsrecht. Ten einde hierover uitspraak te kunnen doen, heeft het tribunal het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1)
Kan de vaststelling van een minimumprijs voor de detailverkoop van motorbrandstoffen op de Franse binnenlandse markt, gelet op het gemeenschapsrecht en inzonderheid op artikel 30 EEG-Verdrag, worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking?
2)
Zijn de door de Dienst Mededinging en Verbruik aangevoerde argumenten, met name het streven om op binnenlands vlak de belangen van de consument te beschermen door op het nationale grondgebied een gezonde mededinging in stand te houden ten einde te verzekeren, dat de kleine wederverkopers in de strijd met de grote ondernemingen kunnen overleven, redenen van openbare orde of openbare veiligheid als bedoeld in artikel 36 EEG-Verdrag?”
De feiten van deze zaak stemmen overeen met die van zaak 231/83, Cullet, waarin het Hof op 29 januari 1985 uitspraak heeft gedaan, met dit verschil dat zij dateren van december 1983 en daarom vallen onder ministerieel besluit nr. 83-58/A van 9 november 1983 in plaats vanonder het daardoor per 15 november 1983 ingetrokken en vervangen besluit nr. 83-13/A. Het is derhalve de vraag, of dit voor de onderhavige gemeenschapsrechtelijke problematiek verschil uitmaakt.
Ingevolge de destijds in de zaak-Cullet alsook in de onderhavige zaak toepasselijke Franse wetgeving werd de minimumdetailhandelsprijs vastgesteld door eenvoudig per liter een bepaald bedrag af te trekken van de maximumverkoopprijs per liter, die werd bepaald aan de hand van ingewikkelde berekeningen zoals beschreven in de conclusie ven het arrest in de zaak Cullet. Volgens besluit nr. 82-13/A, dat in de zaak Cullet in geding was, beliep het af te trekken bedrag negen centime per liter voor benzine en tien centime per liter voor superbenzine. Bij het in casu aan de orde zijnde ministeriële besluit nr. 83-58/A waren deze bedragen verhoogd tot respectievelijk zestien en zeventien centime. Afgezien hiervan is het systeem voor de vaststelling van de minimumdetailhandelsprijs voor motorbrandstoffen in Frankrijk overigens ongewijzigd gebleven. Bijgevolg gaat het in deze zaak om in wezen dezelfde gemeenschapsrechtelijke aspecten als in de zaak Cullet.
De in casu door de nationale rechter gestelde vragen hebben betrekking op enkele van deze aspecten.
De opmerkingen van verdachte, de Franse regering en de Commissie voegen niets wezenlijks toe aan hetgeen in de zaak Cullet voor het Hof is gesteld. Alle aangesneden vraagstukken zijn in dat arrest reeds beslist. In het bijzonder het in de onderhavige tweede vraag genoemde argument, dat de Franse regeling gerechtvaardigd zou zijn uit hoofde van van de bescherming van de consumenten, is door het Hof van de hand gewezen (r.o. 30-31). Bovendien is in casu evenmin als in de zaak Cullet (r.o. 32-33) aangetoond, dat de importbeperkingen gerechtvaardigd zouden zijn op grond van artikel 36, waardoor het in artikel 30 neergelegde verbod van maatregelen van gelijke werking toepassing zou missen.
Om de redenen vermeld in het arrest van 29 januari 1985 in de zaak Cullet, dienen de vragen van het tribunal mijns inziens te worden beantwoord als volgt:
„1)
Artikel 30 EEG-Verdrag verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke de nationale autoriteiten een minimumdetailhandelsprijs voor motorbrandstoffen vaststellen, wanneer bij de vaststelling van de minimumprijs uitsluitend wordt uitgegaan van de overnameprijzen van de binnenlandse raffinaderijen en deze overnameprijzen gekoppeld zijn aan een plafondprijs die uitsluitend op de kostprijzen van de binnenlandse raffinaderijen is gebaseerd ingeval de Europese motorbrandstoffennoteringen meer dan 8% van die kostprijzen afwijken.
2)
Niet is gebleken dat dergelijke voorschriften gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de consumenten.
3)
Niet is komen vast te staan dat de toepasselijkheid van het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag op een dergelijke regeling door de bepalingen van artikel 36 EEG-Verdrag wordt uitgesloten.”
De nationale rechter zal moeten beslissen over de kosten van partijen in het hoofdzaak. Over de kosten van de Commissie en van de Franse Republiek behoeft niet te worden beslist.
( *1 ) Venaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy