CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 14 november 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het Hof is zo goed vertrouwd met de communautaire wetgeving inzake het toezicht op en de reglementering van de ijzeren staalproduktie, dat ik ze hier niet in herinnering behoef te brengen. Ik ga dan ook meteen over tot de samenvatting van de feiten van de onderhavige zaak.
Bij beschikking van 3 juli 1984 deelde de Commissie van de Europese Gemeenschappen Sideradria, een Italiaanse onderneming in de sector betonstaal, haar quota voor het derde kwartaal van 1984 mee: zij mocht9304 ton produceren, waarvan 4733 ton op de gemeenschappelijke markt mochten worden verkocht. Sideradria achtte dit van meet af aan onaanvaardbaar: zij stelde, dat zij daardoor binnen de Gemeenschap slechts een hoeveelheid walserijprodukten mocht verkopen, die niet in verhouding stond tot de omvang van haar produktie. Bijgevolg heeft Sideradria op 13 augustus 1984 beroep ingesteld tot nietigverklaring van deze beschikking.
Zij voert twee middelen aan: kennelijke onrechtvaardigheid bij de vaststelling van het leveringsquotum en niet-inachtneming van bepaalde beslissende omstandigheden. Alvorens deze middelen te onderzoeken, zou ik evenwel erop willen wijzen dat verzoekster een aantal argumenten aanvoert die zij reeds heeft doen gelden in zaak 67/84, betreffende een beroep tegen een beschikking waarbij haar een boete was opgelegd wegens quotumoverschrijding. Maar er is meer. In het kader van die procedure, waarin ik advocaatgeneraal was, heeft het Hof verscheidene instructiemaatregelen bevolen, ten einde de strekking te verduidelijken en de juistheid na te gaan van bepaalde thans door Sideradria herhaalde beweringen. De twee beroepen vertonen dus gemeenschappelijke aspecten, waarvoor ik verwijs naar mijn conclusie van 21 mei 1985.
2.
Met haar eerste middel stelt verzoekster, dat de Commissie haar een onredelijk klein leveringsquotum heeft toegekend. De Commissie zou in twee opzichten onrechtmatig hebben gehandeld: door te beslissen dat Sideradria slechts de helft van haar produktie mag leveren, zou zij die onderneming beletten meer dan 25% van haar capaciteit te benutten; en door haar deze „abnormale beperking” op te leggen, zou zij haar discrimineren ten opzichte van een groot aantal Europese ondernemingen die nagenoeg hun totale produktie mogen leveren.
Deze laatste bewering wordt door niets gestaafd (de Commissie heeft aan de hand van cijfermateriaal aangetoond, dat wat de verhouding produktie — levering betreft, verzoekster op zijn minst op gelijke voet is behandeld als vele andere ondernemingen), terwijl het eerste punt zeker niet volstaat om tot onwettigheid van de bestreden beschikking te concluderen. Sideradria betwist weliswaar niet, dat de Commissie zich bij de vaststelling van het litigieuze quotum strikt aan de ter zake geldende regels heeft gehouden, doch betoogt dat, gelet op de kennelijk onrechtvaardige situatie waarin zij zich bevindt, de Commissie zich niet achter de onvoorwaardelijke toepassing van de geldende regeling kan verschuilen.
Dit argument is niet steekhoudend. Het is immers duidelijk, dat de Commissie bij de bepaling van de omvang van de quota slechts het geldende recht kon toepassen; anders zou zij zich immers schuldig hebben gemaakt aan misbruik van bevoegdheid ten gunste van Sideradria. Hieraan wordt niets veranderd, wanneer het door Sideradria aangevoerde middel in die zin wordt verstaan, dat Sideradria niet in eerste instantie de omvang van het leveringsquotum betwist, doch veeleer de wijze waarop het is berekend of, nog fundamenteler, de criteria die dienen ter bepaling van de referentiegegevens op basis waarvan beide soorten quota worden vastgesteld. Deze berekeningswijze en criteria zijn immers vastgelegd in algemene beschikkingen, die sedert lang definitief zijn geworden en waarvan de wettigheid bijgevolg niet meer rechtstreeks kan worden betwist.
Tot besluit kan worden gesteld, dat het eerste middel van Sideradria geen betrekking heeft op de gewraakte beschikking en in ieder geval niet afdoend is geargumenteerd. Bijgevolg moet het worden verworpen.
3.
Met haar tweede middel stelt Sideradria, dat de Commissie a) geen rekening heeft gehouden met de moeilijke situatie waarin de onderneming verkeert, en geen gebruik dan wel een onjuist gebruik heeft gemaakt van de bestaande correctiemogelijkheden (deze grief verwijst in het bijzonder naar artikel 8, lid 2, van algemene beschikking nr. 1831/81/EGKS van 24.6.1981, PB 1981, L 180, biz. 1 — zoals gewijzigd door beschikking nr. 2804/81/EGKS van 23.9. 1981, PB 1981, L 278, biz. 1 — en naar artikel 14 van algemene beschikking nr. 234/84/EGKSvan31. 1. 1984.PB 1984, L 29, biz. 1); b) de door de onderneming gemaakte boekhoudfouten, waardoor de referentiegegevens voor de vaststelling van de quota in haar nadeel werden vervalst, heeft genegeerd.
De correcties waarop wordt gezinspeeld hebben betrekking op maatregelen die de Commissie in het verleden op vraag van verzoekster zelf heeft genomen: zij zijn nooit betwist en moeten dus als definitief worden beschouwd. Wat voorts de fouten in de boekhouding betreft, herhaal ik wat ik in mijn conclusie in zaak 67/84 heb gesteld, namelijk dat Sideradria die fouten nooit heeft kunnen aantonen, laat staan verklaren. In ieder geval hebben deze twee grieven dus niets uit te staan met de bestreden beschikking en zijn zij derhalve irrelevant in het kader van het beroep tot nietigverklaring van die beschikking.
4.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, het op 13 augustus 1984 door Sideradria ingestelde beroep te verwerpen en verzoekster krachtens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te verwijzen.
( *1 ) Vertaald uit het itaüaans.
Full & Egal Universal Law Academy