Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Toen ik in deze zaak mijn eerste conclusie nam, kwam ik tot de slotsom dat artikel 1 van de Franse wet van 29 juni 1934, dat de verkoop en invoer van bepaalde melksurrogaten beperkt, in strijd was met artikel 30 EEG-Verdrag . Iets meer dan een jaar later stelde de Raad verordening nr . 1898/87 van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelprodukten bij het in de handel brengen vast ( PB 1987, L 182, blz . 36 ). De Franse regering heeft voor het Hof betoogd, dat de vaststelling van die verordening een nieuw gegeven was, dat in de onderhavige zaak in aanmerking moest worden genomen .
In de considerans van die verordening wordt gezegd, dat "de Lid-Staten die reeds nationale maatregelen hebben genomen om de bereiding en de verhandeling van die produkten ( waarmee blijkbaar zijn bedoeld vervangingsprodukten, ofschoon het zowel melk als vervangingsprodukten voor melk zouden kunnen zijn ) op hun grondgebied te beperken, hun regeling met inachtneming van de algemene verdragsvoorschriften dienen te handhaven tot het einde van de vijfde periode van twaalf maanden van de toepassing van de extra heffing in de zuivelsector ". Ik vestig de aandacht van het Hof op het feit, dat de Engelse versie imperatief is (" must maintain ") en mij lijkt te verschillen van de Franse tekst, die enkel bepaalt : "il convient que les Etats membres ... maintiennent leur réglementation ". Zij lijkt ook enigszins te verschillen van de Duitse tekst waarin ik eerder een aansporing dan een bevel lees vanwege het gebruik van het woord "sollten" in de laatste overweging van de considerans .
Het artikel van de verordening dat in casu primair van belang is, is artikel 5, dat bepaalt : "Tot het einde van de vijfde toepassingsperiode van artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 kunnen de Lid-Staten, met inachtneming van de algemene bepalingen van het Verdrag, hun nationale voorschriften handhaven die op hun grondgebied een beperking inhouden van de bereiding en het in de handel brengen van produkten die niet voldoen aan de in artikel 2 van de onderhavige verordening genoemde voorwaarden ."
Bijgevolg heeft het Hof bij brief van 10 december 1987 de Franse Republiek en de Commissie verzocht te antwoorden op de vragen ( 1 ) of artikel 5 terugwerkende kracht heeft en ( 2 ) zo ja, wat het belang was van dat artikel voor de thans bij het Hof aanhangige zaak .
De verordening betreft, en betreft volgens mij enkel, de bescherming van de benaming van melk en zuivelprodukten bij het in de handel brengen . Artikel 2 van de verordening geeft een definitie van "melk" en "zuivelprodukten" en bepaalt, wat "melk" mag worden genoemd en welke benamingen voor zuivelprodukten mogen worden gebruikt . Artikel 5, dat niet in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voorkwam, is wat vaag geformuleerd . Het lijkt de handhaving toe te staan van nationale voorschriften die het gebruik van de vermelde benamingen (" melk" enz .) verbieden, behalve voor melk en zuivelprodukten als in de verordening gedefinieerd . Nationale voorschriften die reeds van kracht waren bij de inwerkingtreding van de verordening, mogen worden gehandhaafd . Het laat duidelijk niet toe dat nieuwe voorschriften worden ingevoerd . Welk effect dit artikel precies heeft, is niet helemaal duidelijk . Het lijkt nogal vreemd dat een gemeenschapsverordening de handhaving toestaat van iets dat naar gemeenschapsrecht reeds geoorloofd is . De bedoeling ervan schijnt echter te zijn, aan te geven wat de Lid-Staten mogen doen in afwachting van het komende verslag van de Commissie en de vaststelling van nieuwe bepalingen krachtens artikel 4 .
De eerste vraag is, of deze bepaling wel terugwerkende kracht kan hebben . Er is geopperd, dat het gebruik van het woord "handhaven" in zeker opzicht wettigt wat in het verleden is geschied . Dat lijkt mij een volstrekt onhoudbaar argument . Het woord "handhaven" wijst duidelijk op het van kracht laten blijven van wat reeds bestaat .
Dit soort bepalingen hebben in het gemeenschapsrecht geen terugwerkende kracht, tenzij zij het uitdrukkelijk bepalen of noodzakelijkerwijs impliceren . Het standpunt van het Hof is zeer duidelijk en werd in zaak 98/78 ( Racke, Jurispr . 1979, blz . 69, 86 ) en zaak 99/78 ( Decker, ibid . blz . 101, 111 ) als volgt geformuleerd : "Ofschoon het beginsel van rechtszekerheid zich in het algemeen ertegen verzet dat een gemeenschapsbesluit reeds vóór afkondiging van kracht is, kan hiervan bij wijze van uitzondering worden afgeweken indien dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen ."
In het onderhavige geval wordt over een eventuele terugwerkende kracht niets uitdrukkelijks gezegd . Ik zie geen noodzaak of gegronde reden om uit de structuur en de doelen van de verordening in haar geheel af te leiden, dat zij terugwerkende kracht moet hebben . Voor de verordening volstaat het, dat reeds bestaande voorschriften mogen worden gehandhaafd om de bereiding en het in de handel brengen van melk en zuivelprodukten die niet voldoen aan de in artikel 2 van de verordening genoemde voorwaarden, te beperken in afwachting van de vaststelling van bepalingen krachtens artikel 4 en niettegenstaande de andere voorschriften van de verordening . Het lijkt mij dan ook duidelijk dat deze bepaling slechts geldt vanaf de datum waarop zij in werking trad, voor de toekomst en enkel voor de aangegeven periode, dat wil zeggen tot het einde van de vijfde toepassingsperiode van artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 ( PB 1968, L 148, blz . 13, zoals gewijzigd ).
Indien dit juist is en de bepaling geen terugwerkende kracht kan hebben, dan kan zij duidelijk niet van invloed zijn op het verzoek van de Commissie om vast te stellen, dat op de datum van indiening van het verzoekschrift en tot juli 1987 de Franse bepalingen in strijd waren met artikel 30 EEG-Verdrag .
Er is echter een ander punt, dat mij niet minder belangrijk voorkomt . Artikel 5 stelt duidelijk als voorwaarde dat de Lid-Staten slechts die nationale voorschriften kunnen handhaven, welke "met inachtneming van de algemene bepalingen van het Verdrag" zijn vastgesteld . Mijns inziens omvatten die "algemene bepalingen" stellig het in artikel 30 neergelegde verbod van hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen tussen Lid-Staten . Staat dus eenmaal vast dat een nationale regeling een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt, dan kan zij niet rechtmatig worden gehandhaafd krachtens artikel 5 . Het lijkt mij volstrekt onmogelijk, dat een dergelijke bepaling nationale voorschriften zou kunnen sauveren die in strijd zijn met artikel 30 EEG-Verdrag . Indien artikel 5 anders zou moeten worden uitgelegd, is het mijns inziens zeer de vraag of het wel geldig zou zijn . In mijn opvatting speelt die vraag echter niet . De genoemde voorwaarde verhindert dat nationale voorschriften in strijd met artikel 30 worden gehandhaafd, ook indien men zou menen dat de verordening in zeker opzicht terugwerkende kracht zou kunnen hebben .
De raadsman van Frankrijk is vandaag nader ingegaan op de stijgende tendens van de invoer van melksurrogaten in de Gemeenschap en op de bezorgdheid van de zuivelsector over die invoer . Deze kwestie is op de vorige terechtzitting besproken . Het komt mij voor dat, ofschoon zij kan verklaren waarom de verordening werd vastgesteld, zij geen enkele invloed kan hebben op de uitlegging ervan .
Mitsdien concludeer ik in deze heropende procedure, dat de nieuwe verordening niet afdoet aan de slotsom waartoe ik in mijn eerdere conclusie ben gekomen en dat naar mijn mening de uitspraak dezelfde dient te zijn als voorheen, zowel ten gronde als ten aanzien van de kosten, die van de huidige procedure daaronder begrepen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy