CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 6 juni 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij besluit van 1 maart 1974 is verzoeker in onderhavige zaak per 11 februari 1974 als ambtenaar op proef in de rang A 5, salaristrap 3, aangesteld in het directoraat-generaal Economische en financiële zaken van de Commissie. Bij een later besluit van 31 oktober 1974 werd hij per 11 november 1974 op zijn post in dezelfde rang in vaste dienst benoemd.
Vóór zijn aanstelling hadden verzoeker en de bevoegde diensten van de Commissie brieven gewisseld omtrent zijn rang. Bij brief van 2 november 1973 maakte Powell bij J. Baxter, directeur Personeelszaken van de Commissie, bezwaar tegen het voorstel om hem in de rang A 5 aan te stellen. Gelet op zijn beroepservaring, meende hij aanspraak te kunnen maken op een aanstelling in de rang A 4 of hoger. Op 21 november 1973 antwoordde J. Baxter dat de commissie die was belast met de vaststelling van de rang en salaristrap van nieuwe personeelsleden, in het bijzonder had aanbevolen om verzoekers rang aan het einde van zijn proeftijd in heroverweging te nemen. In dezelfde brief gaf de directeur Personeelszaken de verzekering, dat zijn dienst er voor zou zorgen dat overeenkomstig die aanbeveling werd gehandeld. Daarop schreef verzoeker op 26 november 1973 een tweede brief aan de heer Baxter, waarin hij de hem aangeboden post aanvaardde op voorwaarde dat zijn aanvankelijke indeling in de rang aan het einde van zijn proeftijd in heroverweging zou worden genomen met het oog op een herindeling in de rang A 4.
In weerwil van deze verzekeringen blijkt uit een brief van 27 mei 1982 van het directoraat Personeelszaken aan verzoeker, dat zijn (als „marginaal” aangemerkte) geval niet opnieuw was onderzocht, ofschoon de indeling van de in de rangen A 4 en A 5 aangeworven Britse, Deense en Ierse ambtenaren wel algemeen was herzien. Hem werd evenwel meegedeeld dat hij was voorgedragen voor bevordering tot de rang A 4.
Laatstbedoelde brief was voor verzoeker aanleiding om krachtens artikel 90, lid 1, van het Ambtenarenstatuut een verzoek in te dienen, dat hij met terugwerkende kracht tot 31 december 1974 in de rang A 4 zou worden heringedeeld. Dit verzoek, gedagtekend 1 september 1982, werd door J. Burke, het ter zake bevoegde lid van de Commissie, bij brief van 5 januari 1983 afgewezen. Na deze afwijzing diende Powell op 28 maart 1983 krachtens artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut een klacht in, die door J. Burke bij brief van 8 juli 1983 eveneens werd afgewezen, voor een deel op grond dat hij te laat was opgekomen tegen het besluit waarbij hij in de rang A 5 was aangesteld. Tegen deze afwijzing heeft hij evenwel geen beroep ingesteld bij het Hof.
Nadien werd administratieve nota nr. 420 van 21 oktober 1983 gepubliceerd, houdende een „besluit inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving”. Voor de onderhavige zaak zijn de volgende passages van belang:
„Het personeel van de Commissie wordt ervan in kennis gesteld dat de heer Burke, lid bevoegd voor personeelszaken en algemeen beheer, een nieuw besluit heeft genomen inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving, dat in werking is getreden op 1 september 1983. Daarmee is het besluit van 6 juni 1973, dat tot dan van kracht was, komen te vervallen.
Bij wijze van uitzondering beschikt elke ambtenaar die overeenkomstig het laatstgenoemde besluit is ingedeeld, over een laatste termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van dit nieuwe besluit, om een verzoek tot herindeling in te dienen, indien hij van mening is dat hij niet overeenkomstig de daarin bepaalde criteria is ingedeeld.
De directeur-generaal
Personeelszaken en algemeen beheer
J.-C. Morel”
Op 22 november 1983 diende verzoeker een verzoek in om overeenkomstig deze administratieve nota te worden heringedeeld. Dat verzoek werd bij nota van J. Morel van 6 januari 1984 afgewezen. Op 2 februari 1984 diende verzoeker tegen dit besluit een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut, die evenwel onbeantwoord bleef. In zijn beroepschrift, bij het Hof ingediend op 28 augustus 1984, concludeerde verzoeker dat het den Hove behage: de besluiten van 1 maart 1974 en 31 oktober 1974 inzake zijn aanstelling nietig te verklaren, voor wat zijn rang betreft; het hem bij nota van 6 januari 1984 ter kennis gebrachte besluit en het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht van 2 februari 1984 nietig te verklaren, en te verklaren dat hij met ingang van 11 februari 1974 tot ambtenaar in de rang A 4 was benoemd of had moeten worden benoemd.
Overeenkomstig artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering heeft de Commissie tegen het beroep een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, op grond dat het te laat zou zijn ingesteld. Haars inziens is het beroep gericht tegen het besluit van 1 maart 1974, waarvan verzoeker uiterlijk op 19 maart 1975 kennis heeft gekregen, aangezien hij die dag voor ontvangst van het besluit van 31 oktober 1974 heeft getekend. Zij betoogt dat de administratieve nota van 21 oktober 1983 de beroepstermijn niet opnieuw deed, of kon doen ingaan.
Gelet op de vroegere uitspraken van het Hof, kan er — zoals advocaat-generaal Mancini nog onlangs in zijn conclusie in de zaak 231/84, Valentini/Commissie, Jurispr. 1985, blz. 3028, heeft beklemtoond — geen twijfel over bestaan dat de in de artikelen 90 en 91 van het Ambtenarenstatuut gestelde termijnen van openbare orde zijn. Zij moeten worden geëerbiedigd en partijen kunnen er geen afstand van doen of ze wijzigen (zaak 227/83, Moussis, Jurispr. 1984, blz. 3133). Voorts heeft het Hof in een aantal gevallen waarnaar hij eveneens verwijst, steeds verklaard dat een besluit waarbij een voorgaand besluit slechts wordt bevestigd, de termijnen niet opnieuw doet ingaan.
Niettemin heeft het Hof erkend dat zich een belangrijk nieuw feit kan voordoen, op grond waarvan iemand de Commissie kan verzoeken een besluit in heroverweging te nemen, waartegen anders niet zou kunnen worden opgekomen (arrest van 16 december 1964, gevoegde zaken 109/63 en 13/64, Muller, Jurispr. 1964, blz. 1357). Wordt een herziening geweigerd, of een verzoek om herziening afgewezen, dan kan dus een procedure worden ingeleid, aangezien de termijnen opnieuw ingaan.
Zo heeft het Hof in zijn arrest van 1 december 1983 (zaak 190/82, Blomefield, Jurispr. 1983, blz. 3981) aanvaard, dat de bekendmaking aan de personeelsleden van de Commissie van het besluit van 6 juni 1973 bij wege van een dienstnota van maart 1981, een nieuw feit opleverde waardoor de termijnen opnieuw ingingen, voornamelijk omdat verzoeker niet op de hoogte was van het bestaan of althans van de bewoordingen van het betrokken besluit.
In zaak 231/84 stelde de advocaat-generaal zich op het standpunt, dat voor Valentini de termijn begon te lopen op 12 mei 1982, dat wil zeggen de dag waarop hij antwoord ontving op zijn verzoek van 4 juni 1981 om herziening van zijn indeling, zodat hij zich niet kon beroepen op het arrest-Blomefield, waarin het verzoek binnen de voorgeschreven termijn was ingediend aangezien een nieuwe termijn was ingegaan.
Powell heeft geen enkel verzoek ingediend naar aanleiding van de publikatie in 1981 van de criteria van 1973, zodat zijn zaak op dit punt verschilt van die van Valentini. Advocaat-generaal Mancini was evenwel ook van mening dat in de maatregel van 21 oktober 1983 enkel bekendheid werd gegeven aan de bereidheid van de Commissie om een informele, buiten het normale patroon vallende en volstrekt onverbindende herzieningsprocedure te volgen, en dat zulks geen nieuw feit was, waarop een beroep kon worden gedaan.
Ik aanvaard dat er een verschil bestaat tussen de bekendmaking in 1981 van tot dan toe geheime criteria, waartegen voordien om die reden niet kon worden opgekomen, en de bekendmaking in 1983 van nieuwe criteria tezamen met een mededeling dat „bij wijze van uitzondering” elke ambtenaar over een laatste termijn van drie maanden beschikte, te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van laatstgenoemd besluit, om een verzoek tot herindeling in te dienen, indien hij van mening was dat hij niet overeenkomstig de in eerstbedoeld besluit neergelegde criteria was ingedeeld.
Ook al was dit een informele mededeling en bevatte zij een uitzonderlijk aanbod, zij was ondertekend door de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, die daartoe — naar mag worden aangenomen — door de Commissie was gemachtigd. De Commissie moge niet verplicht zijn geweest om zulk een aanbod te doen, zij heeft het gedaan, en aangenomen moet worden, dat het een serieus aanbod was dat het terecht was gedaan. Op het eerste gezicht houdt het in, dat de Commissie aanvaardt dat een ambtenaar die niet op een andere wijze van de Commissie kon verlangen dat zij zijn indeling zou herzien, en die van mening was dat hij overeenkomstig de vroeger gehanteerde criteria anders had moeten worden ingedeeld, over een termijn van drie maanden beschikte om een verzoek in te dienen, en dat de Commissie de mogelijkheid van herziening van zijn indeling in overweging zal nemen. De ambtenaar die binnen de gestelde termijn (die thans vanzelfsprekend reeds lang is verstreken) een verzoek indiende, had recht op een besluit. Indien dat besluit nadelig voor hem uitviel, was hij mijns inziens gerechtigd de procedure van de artikelen 90, lid 2, en 91, lid 2, van het Ambtenarenstatuut te volgen.
Indien de Commissie het initiatief neemt tot deze procedure en in het kader daarvan een besluit neemt, vermag ik niet te zien waarom het Hof niet bevoegd zou zijn om de wettigheid van dat besluit te toetsen, voorzover althans de acties binnen de voorgeschreven termijnen worden ingesteld.
Anders ligt het, wanneer iemand zich uit eigen beweging met een verzoek tot de Commissie wendt en de Commissie van mening is, dat het te laat is om zich over een besluit inzake de indeling te beklagen, dan wel haar standpunt betreffende zulk een verzoek handhaaft. Dit alles doet niet af aan de uitspraken van het Hof, volgens welke iemand niet uit eigen beweging met een nieuw verzoek een besluit kan laten herzien, waartegen hij niet binnen de gestelde termijnen is opgekomen. In het onderhavige geval evenwel leidt een serieuze algemene uitnodiging, die serieus is opgevat, mijns inziens tot een voor beroep vatbaar besluit. Immers, niet de bij het oorspronkelijke besluit ingegane termijnen zijn door partijen verlengd, er is een nieuw besluit.
Wat de andersluidende conclusie in zaak 231/84 betreft, ben ik derhalve van mening dat het aanbod van de Commissie een nieuw feit opleverde, dat een besluit op een verzoek een volkomen nieuw besluit was, en dat de Commissie ten onrechte beweert dat haar aanbod, waar het vrijwillig was, geen rechtsgevolgen had.
Naar mijn oordeel is het onderhavige beroep tijdig ingesteld en is het ontvankelijk.
In zijn schriftelijke opmerkingen betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie heeft verzoeker een argument aangevoerd dat is ontleend aan de nota van J. Morel van 6 januari 1984. Naast de afwijzing van Powells verzoek om herindeling wordt in die nota gesteld, dat zijn beroepservaring van twaalf jaar en drie maanden bij de Midland Bank, het Department of Economie Affairs en de Greater London Council slechts voor elf jaar en drie maanden in aanmerking kon worden genomen. Volgens de nota was verzoekers beroepservaring bij zijn indeling verminderd op grond van punt 2, a), van bijlage II bij de dienstnota van maart 1981, waarin het besluit van 6 juni 1973 werd bekendgemaakt. Naar eigen zeggen was verzoeker, voor hij de nota van 6 januari 1984 had ontvangen, zich niet bewust van het feit dat zijn beroepservaring vóór zijn indiensttreding bij de Commissie één jaar korter werd geacht dan zij in feite was. Hij betoogt derhalve dat die nota een nieuw feit opleverde zodat een nieuwe termijn was ingegaan.
Ter terechtzitting is de Commissie op dit punt niet ingegaan en zij heeft verzoekers verklaringen en beweringen omtrent de feiten onbeantwoord gelaten. Mitsdien hangt de ontvankelijkheid van het beroep af van de vraag of bijlage II bij de dienstnota van maart 1981 aldus is geformuleerd, dat hij zich daarvan bewust had moeten zijn: uit het dossier kan niet worden opgemaakt, dat Powell vóór 6 januari 1984 wist of had moeten weten dat zijn beroepservaring voor zijn indeling in rang niet volledig was in aanmerking genomen.
Volgens artikel 3 van het besluit van 6 juni 1973 kon het tot aanstelling bevoegde gezag een kandidaat in de rang A 4 aanstellen, wanneer hij twaalf jaar beroepservaring had. In bijlage II bij de dienstnota van maart 1981 werd de werkwijze van het indelingscomité uiteengezet. Punt 2, dat het opschrift draagt „Loopbaan A7/A6”, begint als volgt:
„a)
Daar de duur van de universitaire studies in de verschillende Lid-Staten sterk uiteenloopt (van 3 tot 8 jaar) en te grote verschillen bij de indeling van nieuwe ambtenaren moeten worden vermeden, wordt op advies van het indelingscomité bij de indeling van ambtenaren het verschil in de praktijk definitief teruggebracht van vijf tot twee jaar.
Zo wordt bij een korte universitaire studie eventuele beroepservaring pas in aanmerking genomen vanaf het einde van het vierde jaar na het behalen van het diploma van het secundair onderwijs.
Bij een lange universitaire studie wordt eventuele beroepservaring echter in aanmerking genomen vanaf het einde van het zesde jaar na het begin van de postsecundaire studie.”
Ik aanvaard verzoekers argument dat hij bij lezing van deze bepalingen niet kon worden geacht te weten dat zijn beroepservaring niet volledig in aanmerking zou worden genomen.
In de eerste plaats droeg punt 2 van bijlage II het opschrift „Loopbaan A7/A6”, zodat het alleszins redelijk was dat hij aannam dat deze bepaling niet op hem van toepassing was.
In de tweede plaats duurde Powells universitaire studie aan het Trinity College te Dublin vier jaar, zoals blijkt uit het certificaat in bijlage bij zijn verzoekschrift. In het arrest van 29 maart 1984 (zaak 25/83, Buick, Jurispr. 1984, blz. 1773) heeft het Hof verklaard dat het begin van de periode van vier jaar, bedoeld in de tweede zin van punt 2, sub a), samenvalt met het begin van de universitaire opleiding van de kandidaat. Op zijn minst lijkt het dus redelijk om, zoals verzoeker heeft gedaan, hieruit af te leiden dat voor zijn indeling in rang zijn beroepservaring werd geacht aan te vangen, zodra deze studie was beëindigd en een begin was gemaakt met zijn postuniversitaire loopbaan. In die optiek valt zijn theoretische beroepservaring samen met de werkelijke duur van zijn postuniversitaire loopbaan.
Ik ben derhalve van mening dat de dienstnota van maart 1981 niet aldus was geformuleerd, dat verzoeker had moeten weten dat zijn beroepservaring werd geacht slechts elf jaar en drie maanden te bedragen. Of hij bijlage II al dan niet juist heeft uitgelegd, is een vraag ten gronde die in een later stadium moet worden beslist.
Daarenboven is het duidelijk, dat deze uit de nota van 6 januari 1984 afgeleide informatie voor verzoekers zaak van doorslaggevend belang is. Zijn beroep ten gronde is uitsluitend, of althans in aanzienlijke mate, daarop gebaseerd.
Gelet op een en ander, moet de nota van 6 januari 1984 worden aangemerkt als een nieuw feit, waardoor nieuwe termijnen zijn ingegaan. Derhalve is het onderhavige beroep ook op die grond ontvankelijk.
Mijns inziens moet de beslissing omtrent de op dit onderdeel van de zaak gevallen kosten worden aangehouden tot de behandeling van de zaak ten gronde.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy