Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak vordert Powell nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van 1*maart 1974, waarbij hij per 11*februari 1974 als ambtenaar op proef is aangesteld, en van 31*oktober 1974, waarbij hij per 11*november 1974 in vaste dienst is benoemd bij DG*II, doch slechts voor zover hij bij die besluiten is ingedeeld in de rang A*5 . Hij komt ook op tegen een besluit van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van 6*januari 1984, waarbij zijn indeling in A*5 werd bevestigd, en tegen de afwijzing van zijn klacht tegen deze indeling . Aanvankelijk verzocht hij het Hof te verklaren, dat hij per 11*februari 1974 in de rang A*4 was - of moest worden - ingedeeld, doch in repliek heeft hij dit verzoek ingetrokken .
De Commissie voerde in de eerste plaats aan, dat het beroep niet-ontvankelijk was . Bij arrest van 14*november 1985 heeft het Hof deze stelling verworpen . Dit arrest en mijn conclusie van 6*juni 1985 bevatten een volledige uiteenzetting van de feiten van de zaak, zodat een korte schets thans volstaat .
Bij verzoekers eerste aanstelling was een besluit van 6*juni 1973 inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving van kracht . Artikel*1 van dit besluit, betreffende "aanstelling in de aanvangsrang van de aanvangsloopbaan van de categorie", bepaalde : "In principe stelt het tot aanstelling bevoegde gezag een ambtenaar op proef aan in de aanvangsrang van de aanvangsloopbaan van zijn categorie of groep ." Artikel 3 van dat besluit, met als kopje "Aanstelling in de hoogste rang van een loopbaan", voorzag evenwel in een afwijking . Het relevante deel van dit artikel luidt als volgt :
" In afwijking van artikel*1 kan het tot aanstelling bevoegde gezag bij wijze van uitzondering en indien de personeelsbehoeften zulks vereisen, een kandidaat in de hoogste rang van de aanvangsloopbaan of de middenloopbaan aanstellen, wanneer hij kan aantonen over een beroepservaring te beschikken ... van ten minste : - twaalf jaar voor de rang A*4 ..."
Op basis van dit besluit werd M.*Powell een post in de rang A*5, salaristrap*3, aangeboden . Eerst weigerde hij dit aanbod bij brief van 2*november 1973, op grond dat zijn beroepservaring en zijn prestige minstens een aanstelling in de rang A*4 rechtvaardigden . Bij brief van 21*november deelde de directeur Personeelszaken hem mee, dat niet kon worden afgeweken van de indeling in de rang A*5, salaristrap*3 . Dan volgt een zinsnede waaraan verzoeker veel belang hecht . "Het comité heeft bepaaldelijk geadviseerd uw indeling in de rang tegen het einde van uw proeftijd opnieuw te onderzoeken ... De personeelsdienst zal, samen met de afdeling waarin u zult worden tewerkgesteld, erop toezien dat naar dit advies wordt gehandeld ." Op 26*november aanvaardde hij dan de aangeboden post "... met dien verstande dat de aanvankelijke indeling in de rang A*5/3 tegen het einde van mijn proeftijd opnieuw zal worden onderzocht en ik dan zal worden ingedeeld in de rang A*4 ."
Daarvan is kennelijk niets terechtgekomen . Er is geen enkele aanwijzing, dat er ooit een nieuw onderzoek met het oog op herindeling heeft plaatsgevonden en pas nadat hij de zaak opnieuw ter sprake had gebracht, werd hem bij brief van het directoraat Personeelszaken van 27*mei 1982 meegedeeld, dat naar aanleiding van een algemene herziening "was besloten marginale individuele gevallen zoals het uwe niet opnieuw te onderzoeken ". In die brief werd verder nog gezegd : "Tot mijn genoegen stel ik vast, dat DG*II u dit jaar heeft voorgedragen voor bevordering naar de rang A*4; ik hoop oprecht, dat u deze bevordering binnen niet al te lange tijd zult krijgen ."
Verzoeker beroept zich nog op een ander document van de Commissie . In maart 1981 liet het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer een nota verspreiden met in bijlage*I de tekst van het besluit van 1973, en in bijlage*II een beschrijving van de door het indelingscomité gevolgde praktijk . In bijlage*II, sub*2, "Loopbaan A*7/A*6", wordt gezegd : "Zo wordt bij een korte universitaire studie eventuele beroepservaring pas in aanmerking genomen vanaf het einde van het vierde jaar na het behalen van het diploma van het secundair onderwijs ."
Het besluit van 1973 inzake de criteria is later vervangen door een besluit van 1983 . Bij de bekendmaking van dit nieuwe besluit verklaarde de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, dat elke overeenkomstig het besluit van 1973 ingedeelde ambtenaar die meende dat hij niet overeenkomstig de daarin bepaalde criteria was ingedeeld, over een laatste termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van het nieuwe besluit, beschikte om een verzoek tot herindeling in te dienen .
Nadat twee eerdere klachten door de Commissie respectievelijk op 5*januari en op 8*juli 1983 waren afgewezen, maakte Powell van deze uitnodiging gebruik om op 22*november 1983 andermaal een verzoek tot herindeling in te dienen, welk verzoek op 6*januari 1984 werd afgewezen . In de brief waarbij dit verzoek werd afgewezen, verklaarde de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, dat het indelingscomité zijn dossier had onderzocht en dat zijn beroepservaring van twaalf jaar en drie maanden, wegens het feit dat hij slechts houder was van een diploma van korte universitaire studie als bedoeld sub*2 van voornoemde bijlage*II, was teruggebracht tot elf jaar en drie maanden en dat daarom zijn oorspronkelijke indeling in A*5, salaristrap 3, gehandhaafd bleef .
De klacht die hij op 2*februari 1984 tegen dit besluit indiende, bleef onbeantwoord en moet worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen .
Powells betoog met betrekking tot de kern van de zaak is zeer kort . Hij studeerde aan het Trinity College te Dublin van 1957 tot 1961, dat is vier jaar . Op het ogenblik dat hij bij de Commissie werd aangesteld, had hij een relevante ervaring van twaalf jaar en drie maanden . De Commissie heeft deze twee feiten erkend . Bijgevolg had hij, zelfs indien bijlage*II, sub*2, van toepassing is, wat hij - mijns inziens terecht - betwist, ná het behalen van het diploma van het hoger secundair onderwijs vier jaar universiteit doorlopen, zodat zijn beroepservaring meer dan twaalf jaar bedroeg . Hij stelt derhalve dat zowel in 1973 als in 1984 zijn indeling in rang berustte op onjuiste feiten, namelijk dat hij slechts een beroepservaring van elf jaar had .
In repliek en thans ter terechtzitting erkent de Commissie, dat zij daar feitelijk heeft gedwaald en dat verzoeker wel degelijk een beroepservaring van twaalf jaar of meer bezat . Zij betoogt evenwel dat zij op dit punt een discretionaire bevoegdheid had . Zij zou niet verplicht zijn iemand aan te stellen in de rang A*4 om de enkele reden dat hij twaalf jaar ervaring heeft . De Commissie heeft ongetwijfeld gelijk wat die discretionaire bevoegdheid betreft . Het lijkt mij echter voor de hand te liggen, dat deze discretionaire bevoegdheid dan ook moet worden uitgeoefend en wel op basis van juiste uitgangspunten .
Mijns inziens kan de Commissie onmogelijk zeggen, zoals zij in haar verweerschrift doet, dat zij in de onderhavige zaak de personeelsbehoeften heeft beoordeeld op het moment van Powells aanstelling en dat deze geen grond opleverden om voor hem een uitzondering te maken .
Afgaande op wat wij weten, was dat in 1984 zeker niet het geval . De Commissie ging er toen van uit, dat Powell slechts elf jaar beroepservaring had; er was dus niet voldaan aan de voorwaarden voor uitoefening van de discretionaire bevoegdheid en de Commissie kan niet beweren dat zij er in 1984 gebruik van heeft gemaakt . De processtukken bevatten niets wat erop wijst, dat de Commissie zich bij haar aanvankelijk besluit in 1973 door enige andere overweging heeft laten leiden en dit is door partijen ook niet gesuggereerd . De voor de hand liggende conclusie lijkt mij te zijn, dat toen van dezelfde onjuiste voorstelling van de feiten is uitgegaan en de discretionaire bevoegdheid derhalve niet is uitgeoefend omdat Powell werd geacht daarvoor niet in aanmerking te komen .
Dit volstaat mijns inziens om de besluiten van 1973 en 1984 nietig te verklaren en de Commissie de zaak opnieuw te doen onderzoeken . De Commissie blijft terecht volhouden, dat zij op dit punt een discretionaire bevoegdheid heeft . Wat zij zeker niet kan, is zonder behoorlijk onderzoek de eerdere indeling opnieuw toepassen . Verzoeker heeft recht op een nieuw onderzoek van zijn zaak .
Over de vier andere punten van verzoekers betoog kan ik zeer kort zijn . Vooreerst voert hij aan, dat ingevolge artikel*5, lid*1, van het besluit van 1973 zijn andere ervaring in aanmerking kan worden genomen . Ik denk niet, dat dit hem op enigerlei wijze verder helpt . Dit artikel gaat enkel over de toekenning van extra salarisanciënniteit binnen een rang en is niet ter zake dienend .
Vervolgens betoogt hij dat, gezien de feiten, de personeelsbehoeften bij wijze van uitzondering zijn indeling in de rang A*4 rechtvaardigden . Hij verwijst in dit verband naar een telefoontje van de betrokken directeur van 21*november 1973, om hem aan te sporen de A*5-post te aanvaarden . Dat is op zichzelf duidelijk ontoereikend; mijns inziens beschikt het Hof niet over voldoende informatie om op dit punt tot een uitspraak te komen . Dit is meer iets voor de Commissie, al dient erop te worden gewezen, dat de Commissie er destijds duidelijk op uit was, deze man als ambtenaar aan te trekken . Hij is ertoe overgehaald op zijn afwijzing van het aanbod terug te komen, met de belofte van een nieuw onderzoek aan het einde van zijn proeftijd . Dit is naar mijn oordeel een omstandigheid waarmee de Commissie rekening zal moeten houden .
In de derde plaats voert hij aan, dat hier sprake is van een schending van artikel 5, lid 3, van het Ambtenarenstatuut, ingevolge hetwelk voor ambtenaren die tot een zelfde categorie of groep behoren, onderscheidenlijk dezelfde bepalingen met betrekking tot aanwerving dienen te gelden . Hij wijst erop dat de Commissie in zaak 343/82 ( Michael, Jurispr.*1983, blz.*4023 ) in antwoord op een vraag van het Hof heeft verklaard, dat zij tot dusver elke kandidaat die de in artikel 3 van het besluit van 1973 geëiste ervaring bezat, in de hoogste rang van de loopbaan had aangesteld . Thans beweert de Commissie evenwel, dat dit antwoord enkel gold voor het geval dat de aanstelling in de aanvangsrang en niet in een middenrang geschiedde . Mijns inziens laat de beschikbare informatie het Hof niet toe dit punt te beslechten . Evenmin kan het Hof een onderzoek instellen naar het vierde door Powell subsidiair aangevoerde punt, namelijk of hijzelf evenals andere ambtenaren uit de drie nieuwe Lid-Staten door de ontoereikendheid van de begroting in 1973 het slachtoffer is geworden van een discriminatie, waardoor het besluit ongeldig zou zijn, al dient erop te worden gewezen dat de Commissie deze bewering niet betwist .
Wat evenwel de hoofdvordering betreft, geef ik het Hof in overweging, de besluiten van 1*maart en 31*oktober 1974 en van 6*januari 1984 alsmede de stilzwijgende afwijzing van de klacht van 2*februari 1984 nietig te verklaren en de zaak voor heroverweging naar de Commissie te verwijzen met veroordeling van de Commissie in de kosten van het geding, daaronder begrepen die welke op de exceptie van niet-ontvankelijkheid zijn gevallen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy