CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 4 juli 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In deze zaak vraagt het Finanzgericht München krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing in een geding tussen Texas Instruments Deutschland GmbH (hierna: Texas Instruments) en het Hauptzollamt München-Mitte. In dat geding bestrijdt Texas Instruments de geldigheid van een invoerrechtennota voor door haar in januari 1980 uit Singapore ingevoerde elektronisch programmeerbare uitleesgeheugens met UV-wissing (zogenoemde EPROM's).
De uitwendige afmetingen van de geïmporteerde EPROM's bedroegen 15,1 x 30,4 mm. Het Hauptzollamt deelde ze in onder post 85.21 D II van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) en hief met toepassing van een ad-valoremrecht van 17% DM 49290,94 aan invoerrechten.
Volgens artikel 28 EEG-Verdrag beslist de Raad
„met eenparigheid van stemmen over alle autonome wijzigingen of schorsingen van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief... Deze wijzigingen of schorsingen kunnen onder dezelfde voorwaarden slechts eenmaal met een periode van zes maanden worden verlengd.”
De Raad kan over dergelijke wijzigingen of schorsingen beslissen zonder een desbetreffend voorstel van de Commissie.
Op basis van artikel 28 stelde de Raad op 11 december 1979 verordening nr. 2841/79 vast (PB 1979, L 322, blz. 4). Artikel 4 bepaalt dat van 1 januari tot en met 30 juni 1980 de autonome rechten van het GDT volledig worden geschorst voor produkten van post 85.21 D II, omschreven als volgt: „Elektronisch programmeerbare geheugens in de vorm van monolitische geïntegreerde schakelingen, enkel voor het uitlezen van de daarin opgeslagen gegevens welke met ultraviolette stralen kunnen worden uitgewist (UV-Erasable programmable read-only memories, zogenaamde EPROM's), met een capaciteit van 32 K bit of 64 K bit, geborgen in omhullingen waarop de capaciteitsaanduiding „32” of „64” is vermeld en waarvan de afmetingen ten hoogste 14,2 x 33,3 mm bedragen, met een kwartsvenster aan de bovenzijde en aan elke lange zijde voorzien van 12 contactpennetjes.”
De door Texas Instruments ingevoerde goederen kwamen niet in aanmerking voor deze schorsing, naar het schijnt alleen omdat de omhulling groter was dan 14,2 x 33,3 mm; de korte zijde mat namelijk 15,1 mm. De kern van het betoog van Texas Instruments is, dat de afmetingen niet van belang zijn voor de technische eigenschappen of het gebruik van het produkt. De in de verordening genoemde afmetingen zouden volstrekt willekeurig gekozen zijn en er zou geen enkele objectieve reden zijn om onderscheid te maken tussen EPROM's van niet meer dan 14,2 x 33,3 mm en EPROM's van 15,1 x 30,4 mm. Dit zou blijken uit het feit dat de Raad slechts vijf maanden later, op 6 mei 1980, verordening nr. 1136/80 vaststelde (PB 1980, L 116, biz. 49), in de considerans waarvan, na een verwijzing naar de in de eerdere verordening besloten schorsing, wordt overwogen „dat een wijziging in de beschrijving van de betrokken produkten noodzakelijk blijkt.” In artikel 2 werd verordening nr. 2841/79 ingetrokken en artikel 1 schorste voor de periode van 7 mei 1980 tot en met 30 juni 1980 (dat wil zeggen de resterende looptijd van de eerdere verordening) de autonome rechten van het GDT voor produkten van post 85.21 D II, die in identieke bewoordingen werden omschreven als in de eerdere verordening, met dien verstande dat de afmetingen ten hoogste 15,6 x 33,3 mm. mochten bedragen en dat het vereiste van twaalf contactpennetjes aan elke lange zijde verviel.
Bij verordening nr. 2916/80 van 11 november 1980 (PB 1980, L 304, blz. 1), in werking getreden op 13 november 1980, werden de afmetingen van de omhulling opnieuw veranderd en wel in 15,6 x 36 mm; de EPROM's mochten voortaan dus langer zijn. Bij verordening nr. 3498/80 van de Raad van 16 december 1980 (PB 1980, L 367, blz. 27) werd de schorsing verlengd; de formulering was anders en de maximumafmetingen van de omhulling werden bepaald op 17 x 39 mm. Deze verordening werd vastgesteld op basis van een voorstel van de Commissie.
Het Finanzgericht München neigt tot de opvatting dat de eerste verordening, door de schorsing te beperken tot omhullingen van ten hoogste 14,2 x 33,3 mm, inbreuk maakt op het beginsel van gelijke behandeling. Het betwijfelt echter of het mogelijk is deze beperking uit de verordening te schrappen, omdat onwettigverklaring van de gehele verordening ook een eind zou maken aan de schorsing voor produkten die wel in de termen ervan vallen, en Texas Instruments daar in ieder geval niet bij gebaat zou zijn.
Het Finanzgericht heeft het Hof dan ook krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :
„1)
Is verordening nr. 2841/79 van de Raad van 11 december 1979 in strijd met het algemene gelijkheidsbeginsel, doordat zij de vrijstelling van invoerrechten voor de daarin beschreven elektronisch programmeerbare uitleesgeheugens met UV-wissing (zogenoemde EPROM's), afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de omhulling niet groter is dan 14,2 x 33,3 mm ?
2)
Zo ja, welke zijn dan de rechtsgevolgen van die strijdigheid ?”
De Raad en de Commissie hebben geen poging gedaan een technisch onderscheid — hetzij in douanetechnisch hetzij in ander opzicht — aan te geven tussen omhullingen met een breedte van 14,2 mm en die met een breedte van 15,1 mm. Ook hebben zij geen verklaring gegeven voor het feit dat het vereiste van 12 contactpennetjes aan de lange zijde is vervallen.
Zij merken in de eerste plaats op, dat er geen sprake is van discriminatie tussen importeurs, doch enkel van een onderscheid tussen produkten, en dit mag de Raad invoeren. De Raad wijst erop, dat bij de omschrijving van tariefposten en in het bijzonder bij het verlenen van schorsingen van rechten nauwkeurigheid een eerste vereiste is, vooral op het gebied van elektronische componenten, waarbij de miniaturisatie een steeds grotere rol speelt. Bovendien kunnen naar gelang het moment verschillende overwegingen gelden voor verschillende produkten, en staat het aan de Raad om, al dan niet op voorstel van de Commissie, de economische of andere redenen te beoordelen die een afwijking kunnen rechtvaardigen, en om de betrokken produkten nauwkeurig te omschrijven.
Gaat het om een verzoek van een Lid-Staat en niet om een voorstel van de Commissie, aldus de Raad, dan is hij krachtens het EEG-Verdrag bevoegd eenstemmig tot schorsing te besluiten. In antwoord op vragen van het Hof zei de Raad in dit verband, dat het verzoek om schorsing dat tot verordening nr. 2841/79 heeft geleid, afkomstig was van de Bondsrepubliek Duitsland, die benaderd was door de Verein Deutscher Maschinenbau-Anstalten (VD MA). Deze vereniging had voor haar verzoek aangevoerd, dat alle EPROM's, ongeacht hun geheugencapaciteit, dezelfde afmetingen hadden. Deze afmetingen (maximaal 14,2 x 33,3 mm) kwamen overeen met DIN-norm 41866 en — volgens de VDMA — ook met de IEC-norm (International Electrotechnical Commission). De Duitse regering raadpleegde ook het Zentralverband der Elektronischen Industrie en de gespecialiseerde bedrijfstak, het Fachverband Elektronik, die geen bezwaren maakten; die raadpleging betrof echter geen details, zoals de afmetingen van de omhulling. Volgens Raad en Commissie bestond er echter geen reden daar een punt van te maken, gezien het rapport van de VDMA en het feit dat de voor de omhulling vastgestelde afmetingen overeenstemden met de DIN- en de IEC-norm. Het was mogelijk dat er speciale of niet-genormaliseerde modellen bestonden, die niet in die omschrijving pasten, maar niemand had ooit gevraagd de schorsing ook daarvoor te laten gelden. Anderzijds werd verordening nr. 1136/80 vastgesteld op verzoek van de Franse Republiek en niet van de Bondsrepubliek Duitsland, blijkbaar omdat was gebleken dat er in Frankrijk omhullingen van andere afmetingen werden ingevoerd.
Toen de tweede verordening werd vastgesteld, werd daaraan geen terugwerkende kracht gegeven, deels omdat dit in strijd zou zijn geweest met het in punt II A van 's Raads resolutie van 17 juni 1974 (PB 1974, C 79, blz. 1) omschreven beleid, dat tariefbepalingen behoudens in uitzonderlijke gevallen, in beginsel geen terugwerkende kracht hebben, en deels omdat daardoor afbreuk zou zijn gedaan aan de rechtszekerheid.
Naar mijn mening heeft Texas Instruments in casu niet weten aan te tonen dat een bepaalde onderneming of bepaalde ondernemingen zijn gediscrimineerd, terwijl niet is gesteld dat er sprake is van discriminatie op grond van nationaliteit.
Dit neemt echter niet weg, dat voor EPROM's met een korte zijde van 14,2 mm geen invoerrechten verschuldigd waren, en voor EPROM's met een korte zijde van 15,1 of zelfs 14,3 mm wel, en dit volgens een tarief van 17%.
Uit hetgeen het Hof is meegedeeld, blijkt dat de Raad de vraag welke afmetingen moesten worden voorgeschreven, niet afzonderlijk heeft beoordeeld, hoewel het praktijk schijnt te zijn om verzoeken om schorsing van rechten voor te leggen aan een comité van deskundigen. De vrijstelling geldt tot een willekeurig bepaalde maat, die een direct gevolg is van het tot de Raad gerichte verzoek. Betekent dit dat de ongelijke behandeling van omhullingen van verschillende afmetingen onwettig is ?
Op het eerste gezicht lijkt het in casu gemaakte onderscheid moeilijk te rechtvaardigen, en het is verontrustend dat het mogelijk is de grens zo te trekken, dat goederen die in wezen identiek zijn, buiten de schorsing vallen, zonder dat wordt onderzocht welke gevolgen die grens voor die andere goederen heeft.
Ik ben het er volkomen mee eens, dat de omschrijving van tariefposten, de vaststelling van tarieven en het toestaan van schorsingen moet worden overgelaten aan de bevoegde instanties en dat het noodzakelijk kan zijn om grenzen te trekken die voor een leek niet altijd even begrijpelijk zijn. Toch geloof ik niet, dat men kan volstaan met te zeggen, zoals de Commissie lijkt te doen, dat een verschil in afmetingen een relevante factor kan zijn. In een duidelijk geval heeft het Hof mijns inziens het recht om vast te stellen dat het gemaakte onderscheid zo kras is, dat het onwettig is wanneer er geen goede verklaring voor kan worden gegeven. Al even weinig overtuigend is het argument van de Raad, dat hij enkel maar gevolg heeft gegeven aan een verzoek van een Lid-Staat. Ook bij een dergelijk verzoek kan immers een onderzoek en een rechtvaardiging nodig zijn.
In het onderhavige geval is evenwel een ondernemersvereniging geraadpleegd en heeft een andere ondernemersvereniging die over de zaak werd geïnformeerd, geen bezwaren laten horen. Als verklaring voor de keuze van de vastgestelde maximumafmetingen is gegeven, dat deze overeenkwamen met de DIN- en de IEC-norm, terwijl grotere omhullingen buiten die normen vielen. Er bestaat dus blijkbaar een categorie genormaliseerde EPROM's die door de schorsing van de invoerrechten moest worden begunstigd. De Raad, die voor een zeer groot aantal tariefposten verantwoordelijk is en vele honderden verzoeken om schorsing te behandelen krijgt, vaak op zeer ingewikkelde technische gebieden, was blijkbaar niet bekend met het bestaan van andere maten die wellicht voor dezelfde behandeling in aanmerking kwamen. In ieder geval is geen verzoek ingediend met betrekking tot de maten die Texas Instruments invoert. Toen een desbetreffend verzoek werd ingediend, bracht de Raad de nodige wijzigingen aan in de verordening, die op dat moment blijkbaar enkel gold voor genormaliseerde maten.
Hoewel ik het feitelijk dus weinig gelukkig vind en meen dat wij hier te doen hebben met een uitzonderlijk geval waarin een terugwerkende maatregel wellicht gerechtvaardigd zou zijn geweest, lijkt het me niet mogelijk te zeggen dat de schorsing uitsluitend voor bepaalde maten onwettig was wegens schending van het gelijkheidsbeginsel.
Aangezien de eerste vraag van het Finanzgericht mijns inziens dus moet worden beantwoord in die zin, dat de verordening niet in strijd is met het algemene gelijkheidsbeginsel, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord. Ware ik tot de conclusie gekomen dat verordening nr. 2481/79 ongeldig was wegens schending van het gelijkheidsbeginsel, dan had naar mijn mening de gehele verordening ongeldig moeten worden verklaard. Men kan niet zeggen dat de verordening slechts ongeldig is voor zover zij EPROM's van de door Texas Instruments ingevoerde grootte uitsluit.
Evenmin kan het Hof oordelen, dat de schorsing voor alle EPROM's had moeten gelden. Het ligt niet op de weg van het Hof om nauwkeurig aan te geven voor welke maten de schorsing had moeten gelden. Dat is de taak van de Raad, al dan niet op voorstel van de Commissie. Wanneer de verordening ongeldig is, dient de Raad die ongeldigheid te redresseren door de vaststelling van een verordening die wel strookt met het gelijkheidsbeginsel (gevoegde zaken 117/76 en 16/77, Ruckdeschel, r.o. 11-13, Jurispr. 1977, blz. 1753, 1771). In ieder geval geloof ik niet, dat het Hof in het onderhavige geval over voldoende gegevens beschikt om te beslissen wat de juiste specificaties van het hierbedoelde gecompliceerde produkt moeten zijn.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
Bij onderzoek van de zaak is niet gebleken, dat's Raads verordening (EEG) nr. 2841/79 van 11 december 1979 in strijd is met het algemene gelijkheidsbeginsel doordat zij de vrijstelling van invoerrechten voor de aldaar omschreven elektronisch programmeerbare uitleesgeheugens met UV-wissing (zogenoemde EPROM's) afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de omhulling niet groter is dan 14,2 x 33,3 mm.
De nationale rechter heeft te beslissen over de kosten van verzoekster in het hoofdgeding; de kosten van de Commissie en de Raad kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen.
( *1 ) Vertaald uil het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy