CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 11 december 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Bij beschikking van 30 augustus 1984 heeft de vierde strafkamer van het Bayerische Oberste Landesgericht verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 36, lid 1, eerste alinea, eerste volzin, van verordening nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt.
In Titel IV hiervan, waarin de bepaling voorkomt die voor de verwijzende rechter van belang is, zijn enkele oenologische procédés geregeld. In het bijzonder de artikelen 32 en 33 stellen de waarden en maxima vast voor de verhoging van het natuurlijke alcohol-volumegehalte van druiven en van de andere produkten die tot tafelwijn kunnen worden verwerkt. Artikel 34 vermeldt de voorwaarden voor aanzuring en ontzuring. „Elk van (deze) bewerkingen”, zo bepaalt ten slotte artikel 36, „mag slechts in één keer geschieden: bij de verwerking van verse druiven, druivemost, gedeeltelijk gegiste druivemost, of jonge nog gistende wijn, tot wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, of tot tafelwijn, zulks in de wijnbouwzone waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst...” Het tweede lid voegt hieraan toe, dat „elk van de (genoemde) bewerkingen bij de bevoegde autoriteiten moet worden gemeld”. In de Bondsrepubliek Duitsland wordt in paragraaf 67, lid 1, sub 1, van het Weingesetz (tekst van 27.8.1982) overtreding van deze bepalingen bedreigd met drie jaar gevangenisstraf of met een boete.
2.
Hans Röser, die de Duitse nationaliteit heeft, is eigenaar van wijnkelders te Kitzingen, een plaats die, in de zin van artikel 32 van verordening nr. 337/79, in wijnbouwzone A ligt. Hier verrijkte hij in september 1982 1659 liter gedeeltelijk gegiste most van in Italië (wijnbouwzone C II) geoogste druiven, om die als „Federweisser” in de handel te brengen. Deze drank, die in de weken na de wijnoogst in niet-gesloten flessen wordt verkocht, wordt onmiddellijk gedronken; wanneer het gistingsproces zou voortgaan, zou hij echter overgaan in wijn of, indien van bepaalde wijnstokrassen afkomstig, in wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt.
Röser, aan wie overtreding van genoemde bepalingen ten laste is gelegd, betoogde voor het Amtsgericht Würzburg, dat artikel 36 letterlijk moet worden uitgelegd: het zou derhalve slechts van toepassing zijn wanneer de basis- en halfprodukten worden verwerkt tot tafelwijn; het zou niet gelden wanneer, zoals in het geval van „Federweisser”, de verwerking overeenkomstig de beoogde handelsbestemming van het produkt in een eerder stadium eindigt. Het Amtsgericht ontsloeg verdachte van rechtsvervolging (27.10.1983). Uit de tekst van de bepaling, zo merkte het op, blijkt niet duidelijk of deze alleen van toepassing is op de verwerking tot wijn of ook op de bereiding van een drank die naar zijn aard als halfprodukt van de wijnbereiding aan de verbruiker wordt verkocht.
Het Bayerische Oberste Landesgericht, waarbij door het openbaar ministerie hoger beroep werd ingesteld, bestreed de aannemelijkheid van verdachtes uitlegging niet, maar verklaarde de voorkeur te geven aan de tegenovergestelde opvatting, namelijk dat artikel 36 van toepassing is ongeacht of de verwerking van de druiven in het stadium van halfprodukt dan wel in dat van eindprodukt eindigt. In zijn verwijzingsbeschikking overweegt het, dat „Federweisser” als gedeeltelijk gegiste druivemost verwerkt kan worden tot tafelwijn of tot wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, en dat er dus moeilijk een scherpe grens valt te trekken tussen voor verkoop bedoelde dranken en produkten die voor het verdere wijnbereidingsproces zijn bestemd. Ook het doel van de regeling, een betere controle in het oogstgebied van de druiven en het streven naar een produktie zo dicht mogelijk bij de plaats van herkomst, zou aan een restrictieve uitlegging in de weg staan.
Het probleem bleef dus onopgelost. Het Oberste Landesgericht heeft daarom de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vraag voorgelegd: „Moet artikel 36, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 337/79 aldus worden uitgelegd, dat verhoging van het natuurlijke alcohol-volumegehalte bij de verwerking van gedeeltelijk gegiste druivemost slechts mag geschieden in de wijnbouwzone waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst, ook indien deze druivemost niet bestemd is om te worden verwerkt tot wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, of tot tafelwijn, maar om als ‚Federweisser’ aan de eindverbruikers te worden verkocht.”
3.
De Commissie van de Europese Gemeenschappen geeft toe, dat het doel van artikel 36 is een doeltreffende controle mogelijk te maken op de verrijkingsbewerkingen, die in beginsel slechts mogen geschieden in de zone waar de druiven zijn geoogst. Zij erkent dat indien deze beperking niet ook voor de halfprodukten van het wijnbereidingsproces zou gelden, bedrog heel gemakkelijk zou zijn: „Er is geen sprake van kwaad opzet”, zo zou een wijnhandelaar kunnen antwoorden aan een inspecteur die verrijking vaststelt, „het produkt is „Federweisser” en is niet bestemd om tot tafelwijn te worden verwerkt”.
Niettemin is de Commissie ervan overtuigd, dat de tekst van de bepaling niet in overeenstemming is met het doel ervan. Zij vertoont immers een leemte: zij regelt namelijk het geval waarin de verhoging van het alcoholgehalte geschiedt in het kader van de „verwerking van verse druiven... tot wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt”, maar laat zich niet uit over het geval dat het verwerkingsproces in een tussenfase eindigt met dranken van het type „Federweisser”. Wanneer het nu alleen om een administratiefrechtelijk probleem zou gaan, zou men het kunnen oplossen door het door de gemeenschapswetgever beoogde doel op de voorgrond te plaatsen. Er bestaat evenwel een nauwe samenhang tussen artikel 36 en de nationale strafbepalingen, omdat artikel 36 de in die bepalingen strafbaar gestelde feiten omschrijft, althans bijdraagt tot de omschrijving ervan, en wegens de bijzonder grote duidelijkheid die van strafbepalingen mag worden verlangd, is het uitgesloten dat de gemeenschapsregel extensief of, erger nog, in strijd met de letterlijke tekst ervan wordt uitgelegd.
Deze laatste moet derhalve worden verbeterd. De Commissie heeft zich hiermee belast en de Raad voorgesteld, de bepaling aldus te wijzigen: „Elk van de in de artikelen 33 en 34 ... genoemde bewerkingen mag slechts in één keer geschieden: bij de verwerking van verse druiven, druivemost, gedeeltelijk gegiste druivemost... tot wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, of tot tafelwijn, of tot een andere tot rechtstreeks menselijk verbruik bestemde drank..., zulks in de wijnbouwzone waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst” (mijn cursivering). In de toekomst zal er dus geen twijfel meer mogelijk zijn. De iure condito echter kan de Duitse rechter slechts een ontkennend antwoord worden gegeven: de bepaling is alleen van toepassing op bewerkingen die strekken tot de vervaardiging van tafelwijn of van wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt.
4.
Deze redenering van de Commissie kan niet worden aanvaard. De premisse ervan — artikel 36 vertoont een leemte omdat het geen betrekking heeft op verwerking tot andere produkten dan wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt — is naar wij zullen zien, onjuist. Onaanvaardbaar is dus meteen ook de conclusie die zij eraan verbindt: de zij het ook tijdelijk ongecontroleerde verrijking van produkten die kunnen worden verwerkt tot tafelwijn, enkel omdat zij bestemd zijn tot rechtstreeks verbruik in de vorm van tussenprodukten. De door de Commissie voorgestelde wijziging van de verordening is ten slotte in strijd met het doel waarvoor de gemeenschapswetgever verhoging van het alcoholgehalte toestaat, namelijk het mogelijk te maken dat uit de in verordening nr. 337/79 geklasseerde wijnstokrassen een kwaliteitswijn, een goede tafelwijn wordt verkregen, en niet een of andere „andere drank” voor verbruik in een bepaald seizoen.
Maar laat ik ordelijk tewerk gaan en eerst twee misverstanden uit de weg ruimen. Het eerste springt onmiddellijk in het oog. Het feit dat artikel 36 als basis dient voor strafbepalingen van een Lid-Staat, is volstrekt irrelevant voor de aan het Hof gevraagde uitlegging. De Commissie is kennelijk vergeten, „dat het in algemene termen geformuleerde artikel 177 geen enkel onderscheid maakt naar het al of niet strafrechtelijk karakter van de nationale procedure in het kader waarvan de prejudiciële vragen zijn gesteld; dat de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht niet mag verschillen naar gelang van de onderscheiden gebieden van het nationale recht, waarbinnen het zijn werking kan doen gevoelen” (arrest van 21.3.1972, zaak 82/71, SAIL, Jurispr. 1972, blz. 119).
Het tweede misverstand. Als „wijnachtige” drank met handelskarakter valt „Federweis-ser” niet onder de regeling van verordening nr. 337/79; deze noemt „Federweisser” niet onder de produkten waarvoor de gemeenschappelijke marktordening in de wijnsector geldt. Hij valt er echter wel onder als gedeeltelijk gegiste druivemost, mits hij verkregen is uit druiven die tot tafelwijn kunnen worden verwerkt. Artikel 48, lid 3, sub b, bepaalt immers dat „gedeeltelijk gegiste druivemost, ... afkomstig van wijnstokrassen die niet in de indeling zijn opgenomen, uitsluitend binnen de Gemeenschap in het verkeer worden gebracht voor azijnbereiding of voor distillatie. Deze produkten mogen voorts worden aangewend voor eigen verbruik van de wijnbouwer”.
5.
Na deze verduidelijking kom ik tot het onderzoek Van de vraag van de verwijzende rechter. Zoals sub 2 gezegd, wenst deze te vernemen, of verhoging van het alcoholgehalte van gedeeltelijk gegiste druivemost slechts mag geschieden in de zone waar de druiven zijn geoogst, ook indien deze most niet bestemd is om tot wijn te worden verwerkt, maar om als zodanig, als „Federweisser”, te worden verkocht.
Laat ik allereerst stilstaan bij het territoriale of geografische aspect van het probleem. Gelet op de bij verordening nr. 337/79 gestelde voorwaarden en maxima, lijkt het mij voor de hand te liggen, dat verhoging van het natuurlijke alcoholgehalte per se alleen mogelijk is in de gebieden waar de druiven zijn geoogst. De reden hiervan is duidelijk. De gemeenschapswetgever overweegt: „dat het in bepaalde jaren noodzakelijk kan zijn verrijking van produkten die tot tafelwijn kunnen worden verwerkt, toe te staan; dat het echter zowel uit het oogpunt van kwaliteit als uit dat van het marktbeleid dienstig is dat (hiervoor) bepaalde voorwaarden alsmede bepaalde maxima gelden en dat deze verrijking slechts mag worden toegepast bij produkten van bepaalde wijnstoksoorten met een minimum potentieel natuurlijk alcoholgehalte; dat het, daar de produktie-omstandigheden in de verschillende wijnbouwzones van de Gemeenschap sterk uiteenlopen, dienstig is hiermee rekening te houden, met name wat de wijze van verrijking betreft” (overweging 21). Hier wordt dus opgekomen voor de druiven die het in zich hebben om tot tafelwijn te worden verwerkt, maar die in bepaalde moeilijke jaren een „alcoholsteuntje” nodig hebben.
In artikel 32 worden deze voornemens getrouwelijk uitgevoerd. Het bepaalt immers, dat voor de in de eerste alinea genoemde produkten (verse druiven, most, enz.) het alcoholgehalte alleen mag worden verhoogd, indien het natuurlijke minimumgehalte de volgende waarde bereikt: in wijnbouwzone A (Bondsrepubliek Duitsland) 5% vol, in wijnbouwzone C II (Italië) 8,5% vol. De derde alinea voegt hieraan toe, dat de verhoging van deze minimumwaarden de maxima van 3,5% in zone A en 2% in zone C niet mag overschrijden. „In geen geval”, zo preciseert artikel 33, lid 6, „mogen (die) bewerkingen tot gevolg hebben dat het totale alcohol-volumegehalte (van die produkten) meer gaat bedragen dan 11,5% vol in wijnbouwzone A ...” (mijn cursivering). Het is duidelijk dat, wil men deze maximumwaarde in acht kunnen nemen, de verrijking uitsluitend dient te geschieden in de zone waar de druiven zijn geoogst. Men stelle zich maar een Duitse wijnbouwer voor, die Italiaanse druivemost met een minimumgehalte van 8,5% vol in Duitsland heeft ingevoerd en deze in zijn kelders met geconcentreerde most wil verrijken; op basis van het voor zone A vastgestelde percentage (3,5% vol) zou hij het gehalte dan kunnen verhogen tot 12% vol en aldus de in lid 6 vastgestelde maximumgrens, die zoals gezegd voor Duitsland 11,5% vol bedraagt, overschrijden.
De tegenovergestelde situatie zou een nog vreemder resultaat opleveren, namelijk wanneer een Italiaanse wijnbouwer het gehalte van een uit Duitsland ingevoerde most zou willen verhogen. Op basis van de door artikel 32 voor Italië bepaalde waarden (5% vol voor het minimumgehalte en 2% vol voor de verhoging), zou bewerking nutteloos zijn: de most zou immers zelfs niet het voor zone C II bepaalde minimum alcoholgehalte van 8,5% vol bereiken.
De juistheid van mijn uitgangspunt — verrijking is alleen mogelijk in de zone waar de druiven zijn geoogst — wordt dus nog eerder door de rekenkunde dan door het gezond verstand bevestigd. Hiertegen kan niet worden aangevoerd, dat die maxima niet gelden wanneer de gedeeltelijk gegiste most niet bestemd is voor verwerking tot tafelwijn. Een dergelijke tegenwerping zou immers het verschil miskennen tussen de voorwaarden voor verrijking (die zijn vastgesteld in de artikelen 32 en 33) en de voorwaarden voor toestemming om tot verhoging van het alcoholgehalte over te gaan (die zijn vastgesteld in artikel 36). Ook als men ervan uitgaat dat in bepaalde gevallen geen toestemming nodig is, moet degene die een van bepaalde wijnstoksoorten verkregen most wil verrijken, immers voldoen aan de hiervoor in de artikelen 32 en 33 gestelde (kwantitatieve en geografische) voorwaarden.
6.
Deze conclusie is voor ons doel beslissend, maar nog niet voldoende om alle twijfel betreffende de juiste toepassing van artikel 36 uit te sluiten. Ik doel op de door de Commissie gesignaleerde leemte, die de oorzaak is van de aan het Hof gestelde vraag. Los van de kwesties van territoriale aard, zou deze vraag kunnen worden geformuleerd als volgt: moet artikel 36, lid 1, eerste alinea, in die zin worden uitgelegd, dat verhoging van het alcoholgehalte van gedeeltelijk gegiste most die uit de in artikel 49 bedoelde wijnstokrassen is verkregen, ook dan mag geschieden wanneer deze most niet gebruikt wordt om wijn te maken die tot tafelwijn kan worden verwerkt ? Algemener gezegd, mogen produkten die ingevolge verordening nr. 337/79 tot tafelwijn kunnen worden verwerkt, met inachtneming van de in die verordening gestelde voorwaarden ook worden verrijkt indien zij bestemd zijn om in de vorm van andere dranken dan wijn te worden verhandeld ? Het antwoord kan, naar het mij voorkomt, alleen maar ontkennend zijn.
Laten wij zien waarom. Artikel 46 bepaalt: „Voor de in de punten 1 tot en met 5 ... van bijlage II omschreven produkten (waaronder, in punt 3, gedeeltelijk gegiste druivemost)... zijn alleen de oenologische procédés en behandelingen toegestaan die worden genoemd in deze verordening...” Andere bewerkingen zijn niet toegestaan en de reden van dit verbod is simpel: „De in de eerste alinea bedoelde procédés en behandelingen”, zo bepaalt hetzelfde artikel, „mogen slechts worden aangewend om een goede wijnbereiding of een goede bewaring van de betreffende produkten mogelijk te maken”. Maar — en hier gaat het om — wat is onder „een goede wijnbereiding” te verstaan. Het is zeker, dat voor de in artikel 36 genoemde bewerkingen en dus voor de verrijking van gedeeltelijk gegiste most dit begrip reeds vaststaat en geen verdere toelichting behoeft: het is de verwerking van verse druiven, van druivemost en van de andere uit druiven verkregen produkten tot tafelwijn. Elke andere mogelijke bestemming, of het nu om half- of om eindprodukten gaat, is dus uitgesloten.
De oplossing is daarmee duidelijk: uit het bepaalde in de artikelen 46 en 36 volgt, dat voor produkten die tot tafelwijn kunnen worden verwerkt, verhoging van het alcoholgehalte alleen mogelijk is indien zij geschiedt onder de in de artikelen 32 en 33 gestelde voorwaarden, en uitsluitend kan worden toegestaan wanneer zij in een keer geschiedt om een goede wijnbereiding op basis van genoemde produkten mogelijk te maken: dat wil zeggen verwerking van deze produkten tot wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt.
Deze conclusie is zeker zeer rigoureus, maar zij is ook de enige die in overeenstemming is zowel met de tekst der bepalingen als met de doelstellingen van de wijnmarktordening. Zij heeft bovendien het voordeel in overeenstemming te zijn met de doeleinden van verordening nr. 338/79 van de Raad van 5 februari 1979, die bijzondere bepalingen vaststelt betreffende in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (PB 1979, L 54, blz. 48). Artikel 10 van deze verordening staat verrijkingsbewerkingen van produkten die dergelijke wijnen kunnen opleveren, slechts toe, wanneer zij onder de in artikel 36 van verordening nr. 337/79 gestelde voorwaarden worden uitgevoerd.
7.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door het Bayerische Oberste Landesgericht bij beschikking van 30 augustus 1984 in de strafzaak tegen Hans Röser gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 36, lid 1, eerste alinea, eerste volzin, van verordening nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 moet aldus worden uitgelegd, dat verhoging van het natuurlijke alcohol-volumegehalte van produkten die tot tafelwijn kunnen worden verwerkt en die zijn verkregen uit de in artikel 49 bedoelde wijnstokrassen, slechts mag geschieden onder de in de artikelen 32 en 33 gestelde voorwaarden en uitsluitend kan worden toegestaan indien zij in één keer geschiedt bij de verwerking van deze produkten tot wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, of tot tafelwijn, in de wijnbouwzone waarin de gebruikte verse druiven zijn geoogst.”
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy