CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
van 26 september 1985
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het verloop van het bodemgeschil
Blijkens de aanhef van de verwijzingsbeschikking van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft de (Nederlandse) ontvanger der invoerrechten te Bergh aan verzoekster in het bodemgeschil op 16 en 17 juni 1982 mededeling gedaan van de oplegging van vier antidumpingheffingen wegens de invoer van ongelegeerd plaatstaal [GDT-post 73.13 B IV c], afkomstig uit de Duitse Democratische Republiek. Na afwijzing van de hiertegen gerichte bezwaarschriften van verzoekster door de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen te Lobith, heeft verzoekster beroep ingesteld bij de Tariefcommissie. Deze heeft de betrokken verzoekschriften doorgezonden aan het terzake bevoegde College van Beroep voor het Bedrijfsleven, dat op 18 september 1984 besloot aan Uw Hof de volgende vragen voor te leggen:
„a)
Is de Verordening (EEG) nr. 2779/78 van de Raad van 23 november 1978 van toepassing op produkten als in deze uitspraak beschreven, die onder het regime van het EGKS-Verdrag vallen ?
b)
Indien de onder a) omschreven vraag ontkennend moet worden beantwoord, ontleent de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan anderszins aan het gemeenschapsrecht de bevoegdheid om de omrekeningskoersen van de valuta,s der Lid-Staten ten opzichte van de Ecu op rechtens bindende wijze te fixeren in de vorm van een in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerde Mededeling ?
c)
Is, indien de onder b) omschreven vraag bevestigend moet worden beantwoord, een systeem waarbij bedoelde omrekeningskoersen slechts eenmaal of enkele malen per jaar worden gefixeerd, in overeenstemming met het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand ?”
2. De grondslag van de aangevochten heffingen
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de in het bodemgeschil aangevochten heffingen werden opgelegd op grond van artikel 1 van de Aanbeveling nr. 1006/78/EGKS van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (PB 1978, L 131, biz. 8) en de op grond van dit voorschrift geldende basisprijs met bijbehorende omrekeningskoers van 1 Ecu = HFL 2,7136, medegedeeld in PublikatieblaclL 372, blz. 1, van 29 december 1981.
Tijdens de procedure voor Uw Hof is echter gebleken, dat als gevolg van een omissie in de inlichtingen, die de Commissie terzake gegeven heeft aan het ministerie van Economische Zaken, uit het oog is verloren, dat in casu niet de geciteerde aanbeveling van toepassing was, maar de aanbeveling nr. 3140/78/EGKS van de Commissie van 29 december 1978 (PB 1978, L 372, blz. 1).
Mede gelet op Uw arrest van 21 maart 1985 in de op dit punt vergelijkbare zaak 172/84 (Celestri/Italiaans ministerie van Financiën, Jurispr. 1985, blz. 966) heeft de Commissie in dit verband ter zitting onder meer het volgende verklaard:
„De importen welke aanleiding zijn geweest tot het huidige geding vonden plaats op 16 en 17 juni 1982. Op dat moment was op invoer van bepaalde staalprodukten uit de DDR van toepassing aanbeveling nr. 3140/ 78/EGKS van 29 december 1978, een aanbeveling die verwijst naar de prijzen, zoals gepubliceerd op 30 december 1978 (PB 1978, L 372, blz. 2). Het Hof heeft dit punt duidelijk bevestigd in het genoemde Celestri-arrest, in rechtsoverweging 13. Hoewel in het vonnis van het College van Beroep niet alle relevante gegevens worden vermeld, lijkt het verantwoord om aan te nemen dat dit betekent dat in casu geen antidumpingheffingen verschuldigd zijn. De prijzen, gepubliceerd op 30 december 1978, zijn immers belangrijk lager dan die gepubliceerd op 29 december 1981. Als deze veronderstelling juist zou zijn, dan is het geding materieel zonder voorwerp geraakt.”
Verzoekster in het bodemgeschil, de toepasselijkheid van de geciteerde aanbeveling niet bestrijdend, bepleitte een omrekeningskoers van HFL 2,60565 per Ecu (conform de op de dag van invoer geldende algemene omrekeningskoers, gepubliceerd door de Commissie). De werkelijk toepasselijke basisprijzen, gepubliceerd op 30 december 1978 (PB 1978, L 372, blz. 1) lagen echter volgens de schriftelijke opmerkingen van de Commissie, omgerekend in guldens, nog lager dan door verzoekster bepleit, namelijk ongeveer 30% beneden de basisprijs van 29 december 1981.
Op grond van vragen mijnerzijds ter zitting heeft de Commissie voorts nog verduidelijkt, dat zij na ontdekking van de gemaakte vergissing daarvan ook mededeling heeft gedaan aan het ministerie van Economische Zaken, maar dat deze mededeling bij haar weten niet geleid heeft tot buitengerechtelijke afdoening van de onderhavige zaak. Dit valt uiteraard te betreuren.
Daar de toepassing van de door U te geven abstracte interpretatie van het gemeenschapsrecht op het concrete geval tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van de verwijzingsrechter, is er onder deze omstandigheden helaas niet aan te ontkomen, dat U op de gestelde vragen een antwoord geeft. Wel zullen deze vragen, die een veel algemener karakter hebben dan de in de zaak Celestri aan Uw Hof voorgelegde vraag, uiteraard zo moeten worden geïnterpreteerd, dat Uw antwoorden de verwijzingsrechter in staat stellen het geschil op grond van de in casu toepasselijke aanbeveling nr. 3140/78/EGKS van de Commissie op te lossen. De toepasselijkheid van deze aanbeveling in de betrokken periode wordt door Uw Celestri-arrest bevestigd. Nu dit arrest nog niet gepubliceerd is, zou het nuttig kunnen zijn de tekst daarvan met Uw arrest in de onderhavige zaak aan de verwijzingsrechter toe te zenden.
3. Beantwoording van de vragen
3.1. De eerste vraag
In zijn eerste vraag wil de verwijzingsrechter van U vernemen of de algemene anti-dumpingverordening (EEG) nr. 2779/78 van de Raad van 23 november 1978 ook van toepassing is op EGKS-produkten.
Hoewel de Commissie, in antwoord op een vraag mijnerzijds, heeft bevestigd, dat zij zich ter zake wel gebonden acht door de anti-dumpingcode van de GATT, meent zij naar mijn oordeel terecht, dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord.
Tot staving van haar standpunt wijst de Commissie erop, dat volgens artikel 232, lid 1, EEG-Verdrag de bepalingen van dit Verdrag geen wijziging brengen in de bepalingen van het EGKS-Verdrag, met name niet wat betreft de rechten en verplichtingen der Lid-Staten, de bevoegdheden der instellingen van de EGKS en de in dat Verdrag gestelde regels voor de werking van de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal.
Als lex specialis derogeert het EGKS-Verdrag aan het EEG-Verdrag. De gemeenschapswetgever heeft dit trouwens duidelijk tot uitdrukking gebracht in overweging nr. 7 van aanbeveling nr. 77/329 van 15 april 1977 en in overweging nr. 27 van aanbeveling nr. 3018/79 van 21 december 1979; volgens deze overwegingen zijn de anti-dumpingregels van de EEG niet van toepassing op kolen- en staalprodukten, waarvoor eigen regels gelden.
3.2. De tweede en de derde vraag
3.2.1. De samenhang tussen de tweede en de derde vraag
De tweede en de derde vraag van de verwijzingsrechter kunnen naar mijn oordeel het beste in onderlinge samenhang worden beantwoord. In de eerste plaats hangen zij blijkens hun bewoordingen nauw samen in die zin, dat bij de tweede vraag duidelijk in het bijzonder is gedacht aan een systeem als in de derde vraag bedoeld, waarbij de omrekeningskoersen slechts éénmaal of enkele malen per jaar worden gefixeerd. In de tweede plaats kan bij een onderling samenhangende beantwoording het gemakkelijkst rekening worden gehouden met de in casu toepasselijke aanbeveling, alsmede met Uw vermelde arrest in de Celestri-zaak.
3.2.2. De tweede vraag
Met betrekking tot de tweede vraag verwijst de in casu toepasselijke aanbeveling nr. 3140/78 in haar considerans uitdrukkelijk naar de artikelen 74 en 86 van het EGKS-Verdrag, alsmede naar de met de toen voor de EEG geldende anti-dumpingverordening in hoofdzaak overeenstemmende aanbeveling nr. 77/329/EGKS (PB 1977, L 114, biz. 6). Deze algemene aanbeveling is op haar beurt eveneens gebaseerd op de artikelen 74 en 86 van het EGKS-Verdrag. Artikel 74 van het EGKS-Verdrag verklaart, voor zover hier van belang:
„De Hoge Autoriteit [thans dus de Commissie van de Europese Gemeenschappen] bevoegd alle maatregelen te nemen overeenkomstig dit Verdrag ... benevens aan de regeringen alle aanbevelingen te doen overeenkomstig de bepalingen van de tweede alinea van artikel 71:
1.
indien wordt vastgesteld, dat dumping of andere praktijken welke door het Handvest van Havanna zijn veroordeeld, worden toegepast door landen, welke geen lid van de Gemeenschap zijn of door ondernemingen in die landen.”
Daar tijdens de onderhandelingen over het EGKS-Verdrag reeds vaststond, dat het Handvest van Havanna niet geratificeerd zou worden, is het uiteraard wat ongelukkig, dat het EGKS-Verdrag niettemin daarnaar verwijst. Het betrokken gedeelte van het Handvest van Havanna was op dat moment echter reeds overgenomen in het GATT. Met name werd artikel 34 van het Havanna-Handvest (dat op dumping betrekking heeft) overgenomen in artikel VI van het GATT ( 1 ). Er is naar mijn oordeel geen twijfel over mogelijk, en het is ook door de rechtspraktijk aanvaard, dat artikel 74 van het EGKS-Verdrag onder meer beoogt te verwijzen naar artikel VI van het GATT en naar de daarop gebaseerde en ook voor de EGKS bindende anti-dumpingcodes van het GATT (in casu de op 30 juni 1967 ondertekende bindende overeenkomst tot uitvoering van artikel VI van het GATT). De Commissie heeft ter zitting in antwoord op een vraag mijnerzijds bevestigd, dat zij ook de GATT-anti-dumpingcodes voor de EGKS bindend acht. Uw antwoord op de tweede vraag kan zich echter naar mijn oordeel beperken tot verwijzing naar de artikelen 74 en 86 van het EGKS-Verdrag en de daarop gebaseerde algemene aanbeveling nr 77/329/EGKS.
Ik stel U derhalve voor op de tweede vraag van de verwijzingsrechter als volgt te antwoorden :
„De Commissie van de Europese Gemeenschappen ontleende haar bevoegdheid om aanbevelingen vast te stellen als de in casu toepasselijke aanbeveling nr. 3140/78/EGKS (PB 1978, L 372, biz. 1) met betrekking tot de instelling van anti-dumpingrechten ten aanzien van bepaalde soorten staalprodukten aan de artikelen 74 en 86 van het EGKS-Verdrag en de daarop gebaseerde algemene aanbeveling nr. 77/329/EGKS (PB 1977, L 114, biz. 7).”
3.2.3. De derde vraag
De in casu toepasselijke aanbeveling bepaalt, anders dan de verwijzingsrechter op grond van het vermelde misverstand over het toepasselijke recht veronderstelt, dat het bedrag van de verschuldigde „anti-dumpingrechten ... voortaan (zal) overeenkomen met het bedrag dat het verschil vormt tussen de daadwerkelijke contractuele prijs (basisprijs en extra) franco grens, ingeklaard en de daadwerkelijke prijs (basisprijs en extra) die door de Commissie werd gepubliceerd op 30 december 1978 voor het betreffende produkt”. Deze daadwerkelijke prijzen zijn voor de produkten 73.13 B IV c te vinden in het Publikatieblad 1978, L 372, biz. 17 en 18 en de bijbehorende omrekeningskoersen op biz. 2 van dit Publikatieblad. Welk produkt in casu precies aan de orde is, valt uit de verwijzingsbeschikking niet met zekerheid op te maken. Voor de beantwoording van de vraag van de verwijzingsrechter is echter van belang vast te stellen, dat deze prijs in casu in Ecu per ton is vastgesteld met verwijzing naar een gelijkblijvende omrekeningskoers van 1 Ecu = HFL 2,7238. Evenals in rechtsoverweging 15 van Uw Ce-lestri-arrest is geschied, zou naar mijn oordeel eventueel in casu door Uw Hof kunnen worden aangenomen, dat de derde vraag alleen gesteld werd voor het geval in casu de mededeling van 29 december 1981 van toepassing was, waarop de aangevochten heffingen werden gebaseerd. Nu deze mededeling in casu niet van toepassing was, terwijl de wel toepasselijke mededeling van 30 december 1978 aan verzoekster in het bodemgeschil bovendien vermoedelijk op soortgelijke wijze ten goede komt als dit blijkens rechtsoverweging 7 van het Celestri-arrest ten opzichte van Celestri het geval was, behoeft naar mijn oordeel de derde vraag van de verwijzingsrechter strikt genomen ook hier geen beantwoording. In principe doet het door de verwijzingsrechter in zijn derde vraag aan de orde gestelde probleem zich echter ook en zelfs in versterkte mate voor bij zo langdurig gehandhaafde omrekeningskoersen.
Voor het geval Uw Hof de vraag, omgeformuleerd conform de in casu toepasselijke aanbeveling op die grond inderdaad zou willen beantwoorden, merk ik op, dat het ongenuanceerd bevestigende antwoord, dat de Commissie op de derde vraag voorstelt, mij niet overtuigend voorkomt voor het geval, dat het opgelegde anti-dumpingrecht als gevolg van een op het tijdstip van invoer (en dus van oplegging van de heffing) al sinds geruime tijd lagere feitelijke waarde van de Ecu dan op 30 december 1978 werd vastgesteld, in strijd zou komen met artikel 19, lid 3, van de algemene aanbeveling nr. 771328/EGKS. Dit voorschrift bepaalt immers, dat „een definitief of voorlopig anti-dumpingrecht niet hoger mag zijn dan de geconstateerde marge van dumping” en „het behoort lager te zijn dan de marge van dumping indien een lager recht voldoende is om de schade op te heffen”. Wanneer als gevolg van wijziging in de wisselkoersen of op grond van andere omstandigheden deze schade verdwijnt of vermindert, zal naar mijn oordeel ook de antidumpingheffing daaraan zo spoedig mogelijk moeten worden aangepast. Ook de Commissie heeft ter zitting in antwoord op vragen mijnerzijds uiteindelijk toegegeven, dat een aanpassing van de prijzen van tijd tot tijd, gelet op de ontwikkelingen die zich ter zake voordoen, noodzakelijk en onvermijdelijk is. Dit zal dan ook moeten gelden voor de terzake gehanteerde omrekeningskoersen. Anderzijds ben ik met de Commissie van oordeel, dat de rechtszekerheid, en het gevaar van kunstmatige verlegging van het handelsverkeer kunnen rechtvaardigen, de antidumpingheffingen niet op grond van de dagkoersen van de Ecu te berekenen, maar deze slechts periodiek aan te passen aan duidelijke wijzigingen van de voor de schadeberekening relevante omstandigheden. Wegens het in casu bijna zeker uitsluitend academische belang van de derde vraag stel ik U uiteindelijk echter voor, op de vermelde problematiek slechts in algemene termen in te gaan en de derde vraag als volgt te beantwoorden:
„De vraag, of toepassing van de ingevolge aanbeveling nr. 3140/7 8 /EGKS geldende omrekeningskoersen van 30 december 1978 op importen in 1982 in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, behoeft slechts te worden onderzocht, indien deze toepassing in de praktijk zou leiden tot toepassing van anti-dumpingrechten die in strijd zouden kunnen komen met de aanbeveling van de Commissie van 15 april 1977 nr. 77/ 329/EGKS (PB 1977, L 114, biz. 6) en in het bijzonder met artikel 19, lid 3, van deze aanbeveling. Het langdurig handhaven van rechtens bindende omrekeningskoersen in antidumpingmaatregelen voor EGKS-produkten kan niet, ongeacht de effecten daarvan op de hoogte van een antidumpingheffing, als zodanig in strijd worden geacht met het gemeenschapsrecht.”
4. Conclusie
Samenvattend stel ik Uw Hof op de aangegeven gronden voor, de U gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
„a)
De verordening (EEG) nr. 2779/78 van de Raad van 23 november 1978 is niet van toepassing op produkten als in casu aan de orde, die onder het EGKS-Verdrag vallen.
b)
De Commissie ontleende haar bevoegdheid om aanbevelingen vast te stellen als de in casu toepasselijke aanbeveling nr. 3140/78/EGKS (PB 1978, L 372, biz. 1), met betrekking tot de instelling van anti-dumpingrechten ten aanzien van bepaalde soorten staalprodukten aan de artikelen 74 en 86 van het EGKS-Verdrag en de daarop gebaseerde algemene aanbeveling nr. 77/329/EGKS van 15 april 1977 (PB 1977, L 114, biz. 7).
c)
De vraag, of toepassing van de ingevolge aanbeveling nr. 3140/78/EGKS geldende omrekeningskoersen van 30 december 1978 op importen in 1982 in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, behoeft slechts te worden onderzocht, indien deze toepassing in de praktijk zou leiden tot toepassing van anti-dumpingrechten, die in strijd zouden kunnen komen met de aanbeveling van de Commissie van 15 april 1977 nr. 77/329/EGKS (PB 1977, L 114, biz, 6) en in het bijzonder met artikel 19, lid 3, van deze aanbeveling. Het langdurig handhaven van rechtens bindende omrekeningskoersen in antidumpingmaatregelen voor EGKS-produkten kan niet, ongeacht de effecten daarvan op de hoogte van een antidumpingheffing, als zodanig in strijd worden geacht met het gemeenschapsrecht.”
( 1 ) Zie hierover nader: Quadri-Monaco-Trabucchi, Commentario CECA II, biz. 1075-1978. Voor het in de belrokken periode geldende EGKS-systeem verwijs ik voorts naar: Beseier, Die Abwehr von Dumping und Subventionen durch die Europäischen Gemeinschaften (1980), blz. 20 e.v. en biz. 26 e.v.
Full & Egal Universal Law Academy