Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Met vijf afzonderlijke beroepen, die in oktober en november 1984 krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag zijn ingesteld, vorderen de Japanse vennootschappen NTN Toyo Bearing ( zaak 240/84 ), Nachi Fujikoshi ( zaak 255/84 ), Koyo Seiko ( zaak 256/84 ), Nippon Seiko KK ( zaak 258/84 ) en Minebea ( zaak 260/84 ) de nietigverklaring van verordening ( EEG ) nr . 2089/84 van 19 juli 1984, waarbij de Raad van de Europese Gemeenschappen een definitief anti-dumpingrecht heeft ingesteld op de invoer van kogellagers, van oorsprong uit Japan en Singapore ( PB 1984, L 193, blz . 1 ).
Met uitzondering van Minebea zijn de genoemde ondernemingen u welbekend . Zoals u zich zult herinneren, waren zij ook de hoofdpersonen in de eerste anti-dumpingzaken die het Hof in vier arresten van 29 maart 1979 in hun voordeel heeft beslist ( Jurispr . 1979, blz . 1185 e.v .).
Evenals toen gaat het ook nu weer om de correcte toepassing van de communautaire instrumenten van handelsbescherming . De juridische situatie daarentegen is anders, althans ten dele, terwijl het conflict tussen partijen scherper en hun argumenten ingewikkelder zijn geworden . Nieuw zijn tevens het produkt en de markt . Het gaat niet meer om de traditionele grote kogellagers voor de staal - en de automobielindustrie, maar om eenrijige radiale kogellagers met een buitendiameter van ten hoogste 30 millimeter ( post 84.62 van het Gemeenschappelijk douanetarief ), dus om kleine kogellagers, die in toenemende mate worden gebruikt in de electronische en de computerindustrie evenals in zogenoemde "high tech"-sectoren als de telematica en de robottechniek .
2 . Na deze inleiding zal ik eerst de hoofdlijnen van de ter zake relevante bepalingen bespreken . Zoals bekend, berust de anti-dumpingregeling van de Gemeenschap op artikel VI van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel ( GATT ) en op de ter uitvoering van dit artikel vastgestelde voorschriften ( de zogenoemde "anti-dumpingcode "). Deze internationale regeling gaat uit van het beginsel, dat "dumping, waardoor produkten uit een land tegen een lagere dan hun normale prijs in een ander land op de markt worden gebracht, moet worden veroordeeld, indien zulks aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een ... industrie" van de laatste staat ( artikel VI, lid 1 ).
De multilaterale besprekingen van Tokio leidde in 1979 tot de vaststelling van een nieuwe code, die de communautaire wetgever in het gemeenschapsrecht heeft omgezet bij verordening nr . 3017/79 van de Raad van 20 december 1979 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit derde landen ( PB 1979, L 339, blz . 1 ). Deze verordening werd ingetrokken bij verordening nr . 2176/84 van 23 juli 1984 ( PB 1984, L 201, blz . 1 ); zij was dus nog van kracht toen de omstreden rechten werden ingesteld, en is de enige regeling die in casu van toepassing is .
De kernbepalingen ervan zijn bekend . Volgens artikel 2, lid 2, wordt ten aanzien van een produkt geacht dumping plaats te vinden, indien de prijs van het produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap "lager is dan (( zijn )) normale waarde (( of )) de normale waarde van een soortgelijk produkt" in het land van oorsprong . Voor het instellen van een anti-dumpingrecht is evenwel vereist, dat "de invoer tot verbruik in de Gemeenschap (( een aanzienlijke )) schade veroorzaakt" aan een gevestigde bedrijfstak in de Gemeenschap ( artikel 2, lid 1 ). In dit geval mogen de communautaire rechten niet hoger zijn dan de dumpingmarge, dit is het verschil tussen de normale waarde van het produkt en de uitvoerprijs ervan; zij behoren lager te zijn, indien lagere rechten voldoende zijn om de schade op te heffen ( artikel 13, lid 3 ).
De normale waarde en de uitvoerprijs vormen dus de leden van de "antidumping-vergelijking ". De berekening van deze grootheden moeten uiterst zorgvuldig gebeuren, omdat de kleinste onnauwkeurigheid de dumpingmarge in positieve of negatieve zin ( dat wil zeggen ten nadele van de ene of de andere kant ) kan wijzigen . Met het oog hierop heeft de communautaire wetgever vele en vergaande bepalingen vastgesteld . Zo moesten de voorschriften voor het bepalen van de normale waarde ( A ) en de uitvoerprijs ( B ) "duidelijk en voldoende gedetailleerd (( worden )) weergeven" en dienden met het oog op een deugdelijke vergelijking van deze twee grootheden ( C ) criteria te worden opgesteld voor het uitvoeren van de nodige aanpassingen in verband met verschillen in de verkochte produkten, in de verkoopvoorwaarden en in het handelsstadium moeten geschieden ( zie de overwegingen 6, 7 en 8 van de basisverordening ). Ik zal deze groepen van bepalingen een voor een behandelen .
A - Verordening nr . 3017/79 geeft voor het berekenen van de normale waarde verschillende methoden aan . Waar mogelijk moet eerst worden uitgegaan van de prijs "die bij normale handelstransacties werkelijk is betaald of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer of het land van oorsprong" ( artikel 2, lid 3, sub a ).
Bijgevolg gaat het niet om eender welke prijs bij verbruik, maar - ik herhaal het - uitsluitend om die welke bij een normale verkoop werkelijk wordt betaald . Waarom deze precisering? De reden hiervoor is te vinden in de zesde overweging, waar wordt gezegd dat "verkopen op de binnenlandse markt (( niet altijd een )) bruikbare basis vormen voor het vaststellen van het bestaan van dumping ". Het is immers mogelijk, dat de verkoopprijs om een of andere reden niet kostendekkend is ( artikel 2, lid 4 ), of dat de verkoop plaats heeft tussen partijen die niet onafhankelijk van elkaar zijn, zoals een moedermaatschappij en haar dochteronderneming, of tussen partijen die onder elkaar een compensatieregeling hebben gesloten ( artikel 2, lid 7 ).
Hoe moet in dergelijke situaties te werk worden gegaan? De wetgever heeft hiervoor het begrip "aangenomen waarde" ingevoerd . Dit is geen fictieve waarde, want zij wordt bepaald op grond van concrete en controleerbare economische factoren . Zij is gelijk aan de "kosten van materialen en fabricage in het kader van normale handelstransacties (( in het land van oorsprong )), verhoogd met een redelijk bedrag voor winst en algemene kosten" ( artikel 2, lid 3, sub b, punt ii ); zij wordt, om de anti-dumpingcode te citeren, "in het kader van normale handelstransacties" op basis van de "produktiekosten (( van het produkt )) in het land van oorsprong, verhoogd met een redelijk bedrag voor administratie -, verkoop - en andere kosten en voor de winst" ( artikel 2, lid 4 ).
Uit het feit dat beide bepalingen verwijzen naar "normale" verkopen, blijkt dat ook als de binnenlandse prijs moet worden geconstrueerd, de verschillende kosten waaruit deze is opgebouwd - ongeacht of deze, zoals de materiaalkosten, vóór het produktiestadium ontstaan of er na, zoals de algemene kosten -, niet fictief mogen zijn . Met andere woorden, de aangenomen waarde moet evenals de normale waarde in al haar bestanddelen beantwoorden aan de op de vrije markt werkelijk betaalde prijs voor de aankoop van een produkt, bestemd voor verbruik in het land van oorsprong ( zie artikel 2, lid 3, sub a, maar ook lid 4, waarin wordt gesproken van de "prijs waartegen een produkt werkelijk wordt verkocht met het oog op verbruik in het land van oorsprong ").
B - Volgens artikel 2, lid 8, sub a, is de uitvoerprijs de prijs "die werkelijk is betaald of moet worden betaald voor het produkt dat met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap is verkocht ". Maar ook hier wordt in het geval dat "een associatie of een compensatieregeling bestaat tussen de exporteur en de importeur" de aan deze laatste gefactureerde prijs als niet betrouwbaar beschouwd . Bij gebreke van andere betrouwbare criteria moet de uitvoerprijs worden samengesteld op basis van het eerste element waarover het controlerende orgaan beschikt, te weten de prijs die de verbruiker op de communautaire markt betaalt . Zoals in artikel 2, lid 8, sub b, van de verordening en in het gelijkluidende artikel 2, lid 8, van de anti-dumpingcode wordt gezegd, kan "de uitvoerprijs worden samengesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde produkt voor het eerst wordt wederverkocht aan een onafhankelijke koper ... In dat geval worden correcties toegepast voor alle tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van rechten en heffingen, alsmede voor een redelijke winstmarge ."
Laat ik het voorgaande samenvatten . Volgens de regels van de GATT en van het gemeenschapsrecht moeten de normale waarde en de uitvoerprijs bij voorkeur worden vastgesteld op basis van de op de markt van het land van oorsprong werkelijk betaalde prijzen . Alleen indien dit als gevolg van omstandigheden waardoor de verkregen cijfers dubieus worden, niet mogelijk is, mogen de twee leden van de vergelijking worden berekend volgens andere methoden en aan de hand van afwijkende criteria of zelfs uitgaande van markten die van elkaar verwijderd liggen . De toepassing van deze methoden mag evenwel niet leiden tot fictieve waarden; de waarden moeten overeenstemmen met de prijzen die door de verbruiker en de exporteur in het kader van normale transacties op de markt van oorsprong van het produkt worden betaald .
C - Hier aangekomen, zou men zich kunnen afvragen of het berekenen van de twee grootheden volgens verschillende methoden afbreuk doet aan het resultaat van de anti-dumpingvergelijking . Het antwoord is ontkennend .
In de eerste plaats wijs ik op artikel 2, lid 9, luidende : "Ten einde een deugdelijke vergelijking mogelijk te maken, moeten de prijs bij uitvoer en de normale waarde op een vergelijkbare grondslag berusten voor wat betreft de fysieke hoedanigheden van het produkt, de hoeveelheden en de verkoopvoorwaarden . Normaliter worden zij vergeleken in hetzelfde handelsstadium, bij voorkeur het stadium af-fabriek, en op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data ". Indien de vergelijking niet mogelijk is voor wat deze elementen betreft, "wordt voor elk geval, naar gelang van de bijzondere kenmerken ervan, ... rekening gehouden met de verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen ". Uiteraard moet een partij die vraagt om deze verschillen in aanmerking te nemen, bewijzen dat haar verzoek gerechtvaardigd is ( artikel 2, lid 10 ).
Een beeld kan de verschillende etappes van deze procedure misschien verduidelijken . Nemen wij eens aan, dat wij het eventuele verschil in gewicht tussen de voorwerpen A en B willen meten op een weegschaal . A en B vertonen evenwel twee bijzondere kenmerken : zij zijn niet onmiddellijk beschikbaar, maar moeten eerst nog worden vervaardigd, elk volgens een eigen schema van specifieke bestanddelen; bovendien kunnen wegens hun uiteenlopende structuur en functie bepaalde externe factoren tot onderlinge verschillen in gewicht leiden . Wanneer wij in de door de regeling gewenste volgorde te werk gaan, vervaardigen wij eerst voorwerp A en vervolgens voorwerp B . Hiertoe gebruiken we natuurlijk de in elk schema opgesomde bestanddelen die, zoals ik al zei, gewoonlijk heterogeen zijn .
Nadat zij zijn vervaardigd, worden A en B op de beide schalen van de weegschaal geplaatst, maar het aldus verkregen resultaat is niet bevredigend . Wij weten immers, dat het gewicht van de beide voorwerpen door externe oorzaken ( in concreto de hoeveelheid of de aard van de goederen en de verkoopvoorwaarden ) kan zijn gewijzigd . Om een deugdelijke weging te bereiken moeten wij deze wijzigingen in aanmerking nemen door aan de voorwerpen op de weegschaal elementen toe te voegen ( ik zal deze "vergelijkingscorrecties" noemen om ze te onderscheiden van de bij de vervaardiging van A en B gebruikte elementen ). Natuurlijk kunnen wij bij de correctie van het ene en/of het andere voorwerp geen rekening houden met alle verschillen die tussen beide bestaan, want dan maken we gelijk wat fysiologisch verschillend is . Als wij dit deden, zouden wij - onze beeldspraak nu verlatend - de beide leden van de vergelijking reduceren tot de produktiekosten van het produkt, vermeerderd met de algemene kosten van iedere verkoop, of deze nu bestemd is voor de binnenlandse markt of voor de uitvoer . Op die manier zouden wij iedere mogelijkheid om een dumpingmarge te berekenen, van meet af aan uitschakelen .
De bepalingen van de verordening verhinderen dit echter . Zo is ten aanzien van de verschillen in verkoopvoorwaarden in artikel 2, lid 10, sub c, bepaald dat "slechts (( vergelijkings-))correcties worden toegepast voor die verschillen die rechtstreeks in verband staan met de betreffende verkoop; zij omvatten bij voorbeeld verschillen in rechten en indirecte belastingen, kredietvoorwaarden, borgstellingen, garanties, technische bijstand, service, commissies of salarissen van verkopers, kosten voor verpakking, verzekering, lading, overlading en lossing en bijkomende kosten; (( daarentegen worden )) in het algemeen ... geen correcties toegepast voor verschillen in administratieve en algemene kosten, met inbegrip van kosten voor onderzoek, ontwikkeling en reclame ".
De ratio van deze laatste bepaling ( niet-aftrekbaarheid van administratieve en algemene kosten ) is eenvoudig . Om de genoemde absurde nivellering van de waarden te verhinderen en het recht van partijen op een deugdelijke vergelijking van de prijzen te verzekeren, houdt de wetgever enkel rekening met de verschillen die "rechtstreeks in verband staan met de ... verkoop", bestemd voor de binnenlandse markt of voor de uitvoer en verricht in het kader van normale handelstransacties . Voor de kosten die ontstaan voordat het produkt op de ene of de andere markt wordt verkocht, kan dus geen correctie worden toegepast . De algemene kosten hangen in de regel immers samen met de vervaardiging van het produkt of de introductie ervan op de markt; de verlangde nauwe band met de verkoop ontbreekt derhalve bij hen .
Nadat de correcties zijn verricht, kunnen A en B dan nu worden gewogen om vast te stellen of ten aanzien van het produkt waarop zij betrekking hebben, al dan niet dumping plaatsvindt . Ook deze laatste fase is precies geregeld : wanneer de prijzen variëren, "kan de marge van dumping worden vastgesteld per transactie of uitgaande van de meest toegepaste, representatieve of gewogen gemiddelde prijzen" ( artikel 2, lid 13, sub b ). Er zijn dus vier, van elkaar verschillende methoden voorzien . Van een bepaalde rangorde tussen hen blijkt niet, terwijl evenmin wordt aangegeven, wanneer welke methode moet worden gebruikt . Voor dit stilzwijgen bestaan goede gronden .
Welke zijn dit? Het terrein van het recht even verlatend, zien wij dat dumping economisch gezien neerkomt op een "price discrimination" tussen afzonderlijke nationale markten; het doel hiervan is gewoonlijk, nieuwe markten te veroveren door de plaatselijke concurrenten geheel of gedeeltelijk uit te schakelen . Voor de wetgever die anti-dumpingmaatregelen vaststelt, zijn de motieven van degene die de discriminatie toepast, evenwel niet relevant; voor hem telt alleen, dat de discriminatie tot economische schade leidt . En het is een feit, dat dit gevolg niet altijd aan het licht kan worden gebracht .
Ik geef een voorbeeld . Onderneming X, met een dominante positie op een nationale markt die wordt gekenmerkt door hoge prijzen en een muur van douanerechten ter bescherming tegen de toevloed van goedkope goederen uit het buitenland, besluit een economische zone te veroveren die douanerechtelijk een geheel vormt, maar uit verschillende staten bestaat, waardoor binnen deze zone de voorwaarden voor produktie en handel uiteenlopen ( zoals juist het geval is bij de EEG ). In die situatie is er onder de mogelijke strategieën voor onze onderneming één die bijzonder doeltreffend is, namelijk de binnenlandse concurrenten geleidelijk te isoleren . De naar de deelmarkt A uitgevoerde goederen worden verkocht tegen een prijs die lager is dan de normale waarde ( bij voorbeeld -100 ); voor de deelmarkten B, C, D, E en F wordt de uitvoerprijs van dezelfde goederen echter vastgesteld op het niveau van de normale waarde en in ten minste één geval op een hoger niveau (+ 100 ). Op deze wijze wordt de concurrent uit staat A geïsoleerd van de ondernemingen uit de andere staten en zal hij spoedig naar een nieuwe bedrijfsactiviteit moeten uitkijken . Vervolgens wordt de concurrent uit staat B met de "price discrimination" geconfronteerd en zal ook hij van de markt worden verdreven; daarna is het de beurt aan de concurrent uit staat C en zo verder, tot X de gehele zone heeft veroverd .
Dat in een dergelijke situatie kan worden gesproken van schade, lijkt mij niet voor betwisting vatbaar . Rekenkundig gezien wegen de verschillen tussen de uitvoerprijzen in de verschillende staten nochtans tegen elkaar op, met als gevolg dat, indien deze prijzen enkel zouden kunnen worden berekend op basis van gemiddelden, het niet mogelijk zou zijn de dumping te bewijzen en de schade te vermijden . Juist om dergelijke problemen te voorkomen, heeft de wetgever bepaald, dat wanneer op de markt van oorsprong van het produkt de verbruiksprijzen en/of de uitvoerprijzen tussen een minimum en een maximum schommelen, de uitvoerprijs en de normale waarde op pragmatische wijze moeten worden vastgesteld : van de in artikel 2, lid 13, sub b, genoemde criteria kan datgene worden gebruikt, dat naar gelang van de situatie voor het ene of het andere lid van de vergelijking het meest geschikt lijkt . Ik verwijs in dit verband naar de negende overweging van verordening nr . 3017/79, waar wordt gesteld dat "het gevestigde gebruik van de Gemeenschap ter zake van berekeningsmethoden bij variërende prijzen of marges dient te worden gecodificeerd ".
Ten slotte kunnen, indien ook de marges van dumping variëren, "gewogen gemiddelden worden vastgesteld" ( artikel 2, lid 13, sub c ).
3 . Ik kom nu tot de feiten . Ongeveer een maand nadat het Hof de arresten van 29 maart 1979 had gewezen ( zie paragraaf 1 ), diende de Federation of European Bearing Manufacturers' Associations ( FEBMA ), waarin de belangrijkste kogellagerfabrikanten uit de Gemeenschap zijn verenigd, bij de Commissie een klacht in over nieuwe dumpingpraktijken van Japanse ondernemingen op de gemeenschappelijke markt van kleine kogellagers . Het onderzoek van de Commissie werd afgesloten met besluit nr . 81/406 van 4 juni 1981 ( PB 1981, L 152, blz . 44 ), waarbij prijsafspraken tussen de partijen werden bekrachtigd . Dit was evenwel slechts een wapenstilstand . In maart 1983 kwam de FEBMA met nieuw bewijsmateriaal over anticoncurrentiële praktijken van de Japanse ondernemingen en over de daardoor aan de industrie in de Gemeenschap toegebrachte schade . Op grond van deze gegevens, de belangrijke groei van de markt van kleine kogellagers en de inlichtingen die zij zelf tijdens het toezicht op de naleving van de in 1981 gesloten overeenkomst had verzameld, achtte de Commissie een heronderzoek van haar besluit gerechtvaardigd .
Bijgevolg werd een anti-dumpingprocedure ingeleid inzake de invoer van kleine kogellagers, van oorsprong uit Japan en Singapore ( PB 1984, C 188, blz . 8 ). Op basis van de inlichtingen die zij in de loop van het onderzoek had vergaard, dat betrekking had op de periode van 1 juli 1982 tot en met 30 juni 1983, trok de Commissie besluit nr . 81/406 in en stelde een voorlopig anti-dumpingrecht in op de bedoelde invoer . In de betrokken verordening ( nr . 744/84 van 19 maart 1984, PB 1984, L 79, blz . 8, paragraaf 21 ) verklaarde de Commissie, voor elk van de in het onderzoek betrokken exporteurs de volgende marges van dumping te hebben vastgesteld : Koyo Seiko ( hierna : Koyo ): 4,36%; Minebea : 10,20%; Nippon Seiko KK ( hierna : NSK ): 18,30%; Nachi Fujikoshi ( hierna : Nachi ): 11,88%; NTN Toyo Bearing ( hierna : NTN ): 18,45 %.
In paragraaf 11 van de verordening werd verder gezegd, dat "de normale waarde werd ... vastgesteld op basis van de binnenlandse prijzen van die producenten die naar de Gemeenschap uitvoeren (( aangezien zij )) voldoende bewijsmateriaal (( hadden verstrekt )) ... en ... ( hun ) prijzen representatief voor de betrokken binnenlandse markt werden geacht ". Er werd evenwel een uitzondering gemaakt voor de uitvoer door Minebea uit Singapore . De Commissie meende in dit geval de in artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening genoemde methode te moeten toepassen . Derhalve werd de aangenomen waarde "berekend op basis van de totale kosten van materialen en fabricage in de onderneming, met inbegrip van de vaste bedrijfskosten, vermeerderd met een in het licht van de bedrijfsresultaten van in de betrokken bedrijfstak gedurende een representatieve, winstopleverende periode redelijk geachte winstmarge van 6%" ( paragraaf 15 van verordening nr . 744/84 ).
Ik kom nu bij de uitvoerprijs . In het geval van Nachi, die binnen de Gemeenschap gebruik maakt van een onafhankelijk importeur, werd deze prijs vastgesteld "op grond van de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de verkochte produkten ". Voor de overige ondernemingen, die aan dochterondernemingen verkopen, werd deze prijs bepaald "op basis van de prijzen waartegen het geïmporteerde produkt voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer werd wederverkocht, ... en zodanig aangepast dat rekening wordt gehouden met alle tussen invoer en wederverkoop belopen kosten, met inbegrip van het douanerecht, en tevens met een winstmarge van 6%" ( paragrafen 17 en 18 ).
Met betrekking tot de door de industrie van de Gemeenschap geleden schade stelde de Commissie vast, dat tussen 1979 en 1983 het marktaandeel van de uitvoerende landen was gestegen van 17,5% tot 27,9% ( paragraaf 23 ). De marktaandelen van de meest verkochte typen lagers in de periode van onderzoek werden geraamd op tussen 40,1 en 84,5 %. Bovendien bleken de door de importeurs toegepaste prijzen in de meeste gevallen lager dan nodig "om de kosten van de producenten in de Gemeenschap te dekken en een redelijke winst te bieden" ( paragraaf 24 ). De financiële verliezen en de daarmee gepaard gaande problemen voor de werkgelegenheid waren dus aanzienlijk, vooral voor de kleinere ondernemingen . Daarom werd het noodzakelijk geacht de rechten vast te stellen op het niveau van de voorlopige marges .
Na kennis te hebben gekregen van deze verordening, werden de vijf ondernemingen in de gelegenheid gesteld hun standpunt aan de Commissie uiteen te zetten, waarna zij haar een aantal brieven toezonden en prijsverbintenissen aanboden . De Commissie is niet spaarzaam geweest met inlichtingen en verklaringen, maar besloot in samenspraak met de Raad het aanbod niet te aanvaarden . In paragraaf 24 van de bestreden verordening wordt hierover gezegd, dat "de ervaring met prijsverbintenissen in de sector kogellagers heeft aangetoond dat verbintenissen, ook al worden zij over het algemeen nageleefd, geen bevredigende oplossing vormen, tot geschillen aanleiding lijken te kunnen geven en moeilijk te controleren zijn en tevens een aanzienlijke hoeveelheid tijd en uitgaven vereisen ".
Op basis van de nadere, door hem zelf vergaarde inlichtingen en op voorstel van de Commissie heeft de Raad de instelling van anti-dumpingrechten bekrachtigd . Bij verordening nr . 2089/84 werden de volgende definitieve percentages vastgesteld : Koyo : 4,03%; Minebea : 10,91%; Nachi : 9,65%; NSK : 14,71%; NTN : 11,97 %.
4 . In de procedure voor het Hof heeft NTN overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering gevraagd om opschorting van de heffing van de omstreden rechten tot de uitspraak van het arrest . Bij beschikking van 7 december 1984 ( zaak 240/84 R, Jurispr . 1984, blz . 4093 ) heeft de president van het Hof het verzoek afgewezen .
In de zaken 256/84 ( Koyo ) en 260/84 ( Minebea ), die behalve tegen de Raad ook tegen de Commissie waren gericht, heeft het Hof bij twee beschikkingen van 8 mei 1985 de beroepen niet-ontvankelijk verklaard respectievelijk in het register van het Hof doorgehaald, maar uitsluitend voor zover zij tegen de Commissie waren gericht . Minebea heeft verklaard, via de terugbetalingsprocedure tegen de rechten op de invoer uit Singapore te zullen ageren . Haar beroep heeft dus nog alleen maar betrekking op de rechten op de invoer van kleine kogellagers uit Japan . Ten slotte zijn de Commissie en de FEBMA in alle zaken toegelaten te interveniëren aan de zijde van de Raad .
Wat de overige, minder belangrijke aspecten van de procedure betreft, ben ik zo vrij naar de rapporten ter terechtzitting in de verschillende zaken te verwijzen .
5 . De Raad heeft een exceptie van partiële niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen de primaire vordering van Koyo, Nachi, NSK en NTN tot nietigverklaring van verordening nr . 2089/84 in haar geheel . De beroepen zouden slechts ontvankelijk zijn, voor zover zij zijn gericht tegen het gedeelte van de verordening dat betrekking heeft op de uitvoer van elk van verzoeksters afzonderlijk . Verzoeksters hebben niet allen op dezelfde manier gereageerd . Zo heeft NTN verklaard, bereid te zijn haar petitum te beperken . Nachi heeft subsidiaire conclusies ingediend, waarin met de bezwaren van verweerder rekening is gehouden . Koyo en NSK houden daarentegen vast aan hun vordering met een beroep op het arrest van 4 oktober 1983 in zaak 191/82 ( Fediol, Jurispr . 1983, blz . 2913 ).
De exceptie is ongegrond . De Raad lijkt te bestrijden, dat elk van verzoeksters afzonderlijk belang heeft bij het verkrijgen van de algehele nietigverklaring van een handeling die slechts gedeeltelijk op haar betrekking heeft . Aldus verwart de Raad evenwel het procesbelang met de gevolgen die een nietigverklaring kan hebben voor het door alle verzoeksters ingeroepen recht om op dezelfde voet als de andere fabrikanten van kleine kogellagers naar de Gemeenschap uit te voeren .
Met betrekking tot het eerste punt ben ik gezien het zoëven genoemde arrest ( en het arrest van 20 maart 1985, zaak 264/82, Timex, Jurispr . 1985, blz . 849 ) van mening, dat de Japanse ondernemingen een specifiek belang hebben bij de nietigverklaring van de bestreden handeling, want zij worden er duidelijk rechtstreeks en individueel door geraakt . De kwestie van de gevolgen van een eventuele gunstige uitspraak heeft daarentegen met deze vraag niets te maken . Deze gevolgen hangen af zowel van de aard die aan de handeling moet worden toegekend, als van de gebreken die de geldigheid ervan aantasten . Aangezien het bestaan van deze gebreken aan de orde komt bij het onderzoek ten gronde, kan de rechter eerst bij zijn eindbeslissing aangeven, welke gevolgen de uitspraak voor de adressaten van de nietigverklaarde verordening heeft . Illustratief in deze is het arrest van 29 maart 1979 ( zaak 118/77, ISO, Jurispr . 1979, blz . 1277 ): in die zaak, die aanhangig was gemaakt door een in de Gemeenschap gevestigde importeur die met een Japanse onderneming was geassocieerd, verklaarde het Hof het beroep ontvankelijk, waarna het de verordening, waarbij een anti-dumpingrecht was ingesteld met werking erga omnes, nietig verklaarde .
6 . De beroepen zijn derhalve ontvankelijk . Wat de gegrondheid betreft, wil ik er in de eerste plaats op wijzen, dat niettegenstaande de enorme hoeveelheid gedetailleerde gegevens die de partijen hebben verstrekt, de middelen en argumenten tot staving van de gevorderde nietigverklaring in wezen gelijksoortig zijn . Om binnen mijn opzet te blijven van één conclusie voor alle beroepen te zamen, veroorloof ik mij deze massa informatie in te delen in vier hoofdgrieven . Sommige grieven betreffende de door de Commissie gevolgde procedure laten zich evenwel niet indelen, zodat ik deze eerst zal behandelen .
A - In zaak 256/84 stelt Koyo, dat het tegen haar gevoerde onderzoek niet gerechtvaardigd was en wel om de volgende redenen . 1 ) De klacht van de FEBMA had geen betrekking op haar uitvoer . 2 ) Koyo had zich steeds gehouden aan de op 20 juni 1977 met de Commissie aangegane verbintenissen die betrekking hadden op alle typen lagers . Bij gebreke van een uitdrukkelijke opzegging door de Commissie moeten deze overeenkomsten geacht worden nog steeds van kracht te zijn . 3 ) De anti-dumpingprocedure, waardoor deze verbintenissen werden tenietgedaan, kon niet worden gebaseerd op verordening nr . 3017/79, aangezien Koyo ze was aangegaan onder vigeur van de voorgaande regeling . De Commissie zou derhalve de destijds geldende vormvoorschriften alsook het beginsel van het gewettigd vertrouwen hebben geschonden .
Deze grief is ongegrond . Uit het dossier blijkt dat de verbintenissen waarop Koyo zich beroept, weliswaar op 20 juni 1977 zijn aangegaan, maar later op 7 november 1980 en op 3 maart 1981 zijn vervangen door nieuwe . De laatste overeenkomst werd door de Commissie gesloten krachtens artikel 10 van voornoemde verordening, waarbij de voordien geldende regeling is ingetrokken .
Met betrekking tot de inhoud van de klacht geeft de FEBMA toe, dat zij de invoer niet per exporteur had uitgesplitst . Volgens verordening nr . 3017/79 was zij ook niet verplicht geweest deze details te verschaffen . Artikel 5 bepaalt immers, dat "de klacht ... voldoende bewijsmateriaal moet bevatten betreffende het bestaan van dumping ... en de daaruit voortvloeiende schade ". Dat is alles . Voor het overige is het aan de Commissie om in de uitoefening van haar toezichthoudende bevoegdheid te beslissen, welke verdere stappen moeten worden ondernomen .
In dit verband moet onderscheid worden gemaakt tussen de gevallen genoemd in artikel 10, lid 6, en die genoemd in artikel 14 van verordening nr . 3017/79 . Terwijl de eerste bepaling de gevallen regelt waarin een verbintenis is opgezegd of geschonden, voorziet de tweede in de mogelijkheid om de aangegane verbintenissen opnieuw te onderzoeken . Naar uit de verordening tot instelling van voorlopige rechten blijkt ( zie paragraaf 3 ), was het nieuwe onderzoek in dit geval om twee redenen gerechtvaardigd : de kleine kogellagers bestemd voor de "high tech"-industrie vormden een nieuwe markt, waarover de Commissie zich door middel van aan producenten toegestuurde vragenlijsten grondig wenste te informeren . In ieder geval is verzoekster medegedeeld, op welke periode het onderzoek betrekking zou hebben, en zij heeft dus ruimschoots gelegenheid gehad om haar standpunt kenbaar te maken .
B - Koyo, NSK en Minebea ( zaken 256, 258 en 260/84 ) klagen erover, dat de Commissie de dumpingmarges in de gewraakte procedure heeft vastgesteld volgens een nieuwe methode, te weten de transactiegewijze methode . Door de eenzijdige vaststelling van deze methode zouden de beginselen van het gewettigd vertrouwen, van de rechtszekerheid op economisch gebied en van behoorlijk bestuur zijn geschonden, aangezien deze methode partijen niet was meegedeeld en werd toegepast terwijl de vroegere, op andere methoden gebaseerde verbintenissen nog van kracht waren . Bovendien was de keuze van de nieuwe methode nimmer gemotiveerd .
De aldus samengevatte grieven zijn in de grond door het Hof beantwoord in het arrest van 28 oktober 1982 ( zaak 52/81, Faust, Jurispr . 1982, blz . 3745, r.o . 27 ). Daar oordeelde het Hof dat, aangezien de instellingen op het gebied van de buitenlandse betrekkingen "over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij de keuze van de middelen die voor de verwezenlijking van hun beleid noodzakelijk zijn, ... de handelaars geen gewettigd vertrouwen (( kunnen )) hebben in het voortbestaan van een situatie die door besluiten van de instellingen in het kader van hun ... bevoegdheid kan worden gewijzigd ". Partijen kunnen dus geen aanspraak maken op handhaving van de vroegere berekeningsmethode . Ook verordening nr . 3017/79 bepaalt, dat "wanneer de prijzen variëren", andere criteria mogen worden gebruikt, waaronder ook de transactiegewijze methode . Het staat in ieder geval vast, dat de Japanse ondernemingen overeenkomstig artikel 3 van verordening nr . 744/84 zijn uitgenodigd hun standpunt over de betrokken methode kenbaar te maken en dat zij alle gevraagde inlichtingen hebben gekregen . Ten slotte heeft de Raad in verordening nr . 2089/84 uitvoerig de gronden uiteengezet die de Commissie ertoe hebben gebracht deze methode te gebruiken ( paragraaf 18 ).
Mijns inziens moet deze grief derhalve worden verworpen .
7 . Ik kom nu tot de hoofdgrieven . Zoals ik reeds heb gezegd, zijn deze tot vier terug te brengen : a ) de bij verordening nr . 2089/84 ingestelde definitieve rechten zijn op onwettige wijze berekend ( paragrafen 11, 16 en 18 van de verordening ); b ) de voorstellen van verzoeksters om hun uitvoerprijzen te verhogen, zijn zonder motivering afgewezen ( paragraaf 24 ); c ) tijdens en na de periode van onderzoek hebben enkele van verzoeksters hun prijzen eigener beweging verhoogd; hiermee is evenmin rekening gehouden ( paragraaf 25 ); d ) de percentages van de rechten staan in geen verhouding tot de werkelijk door de industrie van de Gemeenschap geleden schade ( paragraaf 23 ).
De eerste grief klaagt over schending van twee bepalingen van verordening nr . 3017/79, te weten artikel 2, lid 13, sub b, dat de berekening van de dumpingmarge regelt, en artikel 2, leden 9 en 10, waarin het beginsel van de "deugdelijke vergelijking" is neergelegd . De Japanse ondernemingen voeren drie argumenten aan : A . De dumpingmarge is niet berekend volgens één van de in de eerste bepaling voorziene methodes, maar op grond van een ontoelaatbare combinatie van de methode van het gewogen gemiddelde en van de transactiegewijze methode ( zaken 240, 255, 258 en 260/84 ). B . De in de tweede bepaling voorziene correcties zijn vooral met betrekking tot de normale waarde op onjuiste en ongerechtvaardigde wijze toegepast ( zaken 255, 258 en 260/84 ). C . De Commissie heeft de prijzen vergeleken van produkten die niet vergelijkbaar zijn ( zaak 260/84 ).
A - Ik zal met het eerste argument beginnen en nogmaals artikel 2, lid 13, sub b, citeren : "Wanneer de prijzen variëren, kan de marge van dumping worden vastgesteld per transactie of uitgaande van de meest toegepaste, representatieve of gewogen gemiddelde prijzen ". Verzoeksters stellen nu - althans lijkt mij dat hun gedachtengang te zijn -, dat de Commissie de dumpingmarge als volgt heeft berekend : zij heeft eerst de normale waarde vastgesteld door de gewogen gemiddelde prijzen van alle binnenlandse verkopen in Japan te berekenen; vervolgens heeft zij dit getal per transactie met alle uitvoerprijzen vergeleken om de prijzen die lager waren dan de normale waarde ( de dumpingprijzen ), af te splitsen van de er boven liggende prijzen ( de niet-dumpingprijzen ); ten slotte heeft zij deze laatste prijzen uit de berekening verwijderd en van de normale waarde een getal afgetrokken, gelijk aan het gemiddelde van de dumpingprijzen .
Met andere woorden, de Commissie heeft de normale waarde vastgesteld volgens het criterium van de gewogen gemiddelde prijzen en de uitvoerprijs volgens de transactiegewijze methode . Een dergelijke handelwijze zou onwettig zijn, omdat de regeling weliswaar de keuze laat tussen de verschillende berekeningsmethodes, maar niet toestaat ze door elkaar te gebruiken . Deze handelwijze zou ook hierom kennelijk onjuist zijn, omdat zij er toe leidt dat een groot aantal verkopen voor de uitvoer tegen niet-dumpingprijzen buiten beschouwing blijven en dat dumping wordt vastgesteld, ook al verschillen de uitvoerprijzen gemiddeld niet van de verbruiksprijzen op de Japanse markt .
De Raad bestrijdt deze aantijgingen . Hij stelt, dat verordening nr . 3017/79 het combineren van methoden niet verbiedt . De vaststelling van de normale waarde, van de uitvoerprijs en van de dumpingmarge zouden van elkaar verschillende operaties zijn, omdat zij telkens op andere gegevens en omstandigheden berusten . Daarom zouden ook de berekeningsmethoden niet dezelfde kunnen zijn . Zelfs indien dit zo is, zo betogen verzoeksters, zouden deze operaties toch niet als van elkaar onafhankelijk kunnen worden beschouwd, daar een "deugdelijke vergelijking" moet worden verzekerd . De Raad stelt hiertegenover, dat de uitvoerprijs en de normale waarde niet door de berekeningsmethode op een vergelijkbare grondslag komen te berusten, maar door de in artikel 2, lid 10, bedoelde correcties .
Met het weergeven van deze discussie zou ik nog ettelijke pagina' s kunnen vullen, doch ik geloof niet dat dit enige zin heeft . In paragraaf 2 heb ik immers uitvoerig uitgeweid over de methoden waarmee de beide grootheden kunnen worden berekend en vergeleken, en bovendien lijken deze methoden niet van beslissende betekenis voor de hier onderzochte grief . De cruciale vraag die deze grief aan de orde stelt, betreft uitsluitend de berekening van de dumpingmarge en kan als volgt worden geformuleerd : wanneer de verbruiksprijzen en/of de uitvoerprijzen op de markt van oorsprong van het produkt aanzienlijk variëren, moeten de normale waarde en de uitvoerprijs dan steeds worden bepaald volgens dezelfde methode, of mogen verschillende methoden worden gebruikt?
Mijns inziens is de tweede oplossing de juiste . Zoals ik aan het slot van paragraaf 2 heb uiteengezet, beoogt artikel 2, lid 13, sub b, te verhinderen dat de economische schade die "selectieve" dumpingpraktijken veroorzaken, door een zorgvuldig afgestemd samenspel van hogere en lagere prijzen wordt verhuld . Onder deze omstandigheden is het aan de toezichthoudende instantie om te beslissen, welke de beste methode is om de ene en/of andere grootheid van de anti-dumpingvergelijking te berekenen; daarbij moet zij niet door beperkingen worden gehinderd . Zij is dus niet verplicht om slechts één van de vier genoemde criteria te gebruiken . Integendeel : na een correcte analyse van de economische situatie staat het haar vrij dat criterium te kiezen, dat in de gegeven situatie het meest geschikt lijkt .
Dit gezegd zijnde, wijs ik erop, dat wanneer de wet de administratie opdraagt ingewikkelde economische situaties te beoordelen die technische keuzen noodzakelijk maken, de rechter zich "bij de toetsing van die beoordeling ... derhalve dient te beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de motivering afdoende is, of de feiten juist zijn weergegeven en of geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid" ( arrest van 11 juli 1985, zaak 42/84, Remia, Jurispr . 1985, blz . 2545, r.o . 34; zie echter ook de conclusie van advocaat-generaal Warner in de eerste kogellagerzaken, Jurispr . 1979, blz . 1212, met name blz . 1259 ).
In het onderhavige geval verwijten verzoeksters de Commissie, dat zij bij de bepaling van de uitvoerprijs van de kleine kogellagers, van het grote aantal door haar vastgestelde prijzen enkel rekening heeft gehouden met die welke - per transactie beschouwd - lager waren dan de normale waarde . Deze berekeningswijze zou feitelijk en rechtens kennelijk onjuist zijn .
Deze bewering is evenwel ongegrond . Noch uit het dossier noch uit de antwoorden op de schriftelijke vragen van het Hof blijkt, dat de uitvoer tegen niet-dumpingprijzen ( dat wil zeggen : gelijk aan of hoger dan de normale waarde ) werd genegeerd . De Commissie heeft deze uitvoertransacties beschouwd als waren zij verricht tegen een prijs gelijk aan de normale waarde, en zij heeft ze samengeteld met de uitvoertransacties waarvan de prijzen lager waren gebleken . Hiervan - dus van alle verkopen naar de Gemeenschap - werd vervolgens het gewogen gemiddelde berekend . Tenslotte werd het percentage van dit gewogen gemiddelde vergeleken met de eveneens in een gemiddelde uitgedrukte normale waarde .
Het is waar, dat bij de boven de normale waarde liggende uitvoerprijzen niet van hun werkelijke bedrag is uitgegaan . Maar had men anders kunnen handelen? Ik denk van niet . Zoals reeds gezegd, zou, wanneer de uitvoerprijzen boven de normale waarde werden verrekend met eronder blijvende uitvoerprijzen, er rekenkundig geen sprake zijn van dumping, terwijl de schadelijke gevolgen ervan voor de industrie van de Gemeenschap nochtans zouden blijven bestaan . Het toelaten van een dergelijke mogelijkheid zou dus gelijkstaan met het legaliseren van ontwijking van de doelstellingen die met het instellen van anti-dumpingrechten worden nagestreefd . Artikel 4, lid 2, van de basisverordening bepaalt trouwens : "Een onderzoek naar de schade ... heeft (( met name )) betrekking op de volgende factoren ...: a ) de omvang van de invoer met dumping ...; b ) de prijzen van de invoer met dumping ..." Voor de berekening van de dumpingmarge, die de basis vormt voor de beoordeling van de schade, behoeven de communautaire autoriteiten derhalve uitsluitend uit te gaan van het volume van de met dumping plaatsgevonden invoer en niet, zoals verzoeksters beweren, van alle verkopen, met inbegrip van die tegen niet-dumpingprijzen .
De handelwijze van de Commissie was met andere woorden voor de exporteurs gunstiger dan wat volgens de bepaling wel nodig lijkt . Gezien deze conclusie acht ik het weinig zinvol, op de andere in artikel 2, lid 13, sub b, voorziene criteria in te gaan en te onderzoeken, tot welke resultaten deze in casu zouden hebben geleid .
B - Het tweede argument . Nachi, NSK en Minebea wijzen erop, dat krachtens artikel 2, lid 9, "ten einde een deugdelijke vergelijking mogelijk te maken, ... de prijs bij uitvoer en de normale waarde op een vergelijkbare grondslag moeten berusten", dat wil zeggen dat zij, zo voegt lid 10 eraan toe, moeten worden gecorrigeerd voor de verschillen in de hoeveelheden en de fysieke hoedanigheden van het produkt en de verkoopvoorwaarden . Het beginsel van de deugdelijke vergelijking nu zou meebrengen, dat van de beide leden van de anti-dumpingvergelijking dezelfde kosten moeten worden afgetrokken . De Commissie zou bij de uitvoerprijs wel alle kosten hebben afgetrokken, die bij de Europese dochterondernemingen van verzoeksters tussen de invoer en de verkoop waren ontstaan . Daarentegen zou zij bij de normale waarde de kosten van de Japanse ondernemingen voor het in de handel brengen van de kleine kogellagers op de binnenlandse markt niet hebben afgetrokken .
De gevolgen van deze ongelijke behandeling liggen voor de hand : doordat de verminderingen aan een kant van de vergelijking ( de uitvoerprijs ) hoger waren, was het gewicht van het andere lid automatisch toegenomen met als gevolg, dat de dumpingmarge kunstmatig werd opgeblazen . De onrechtvaardigheid van deze methode zou vooral evident zijn in het geval van Nachi en NSK, die, zoals blijkt uit de antwoorden op de vragen van het Hof, hun produkten verhandelen via een netwerk van filialen op de Japanse markt en op de markt van de Gemeenschap . Hetzelfde zou echter ook voor Minebea gelden . Weliswaar heeft zij haar zetel te Singapore, zodat haar Japanse dochterondernemingen zouden moeten worden gelijkgesteld met die ( zoals de Duitse of de Engelse ) welke in de staat van invoer opereren . Nochtans zou niet kunnen worden ontkend, dat MNB Japan zich niet beperkt tot de distributie van kleine kogellagers op de Japanse markt, maar ook nog andere activiteiten uitoefent . Derhalve zou zij moeten worden beschouwd als een produktiebedrijf met geassocieerde verkoopondernemingen .
Deze stelling lijkt overtuigend, maar is niet houdbaar omdat het systeem de door Nachi, NSK en Minebea aangevoerde symmetrie in beginsel niet kent en in de praktijk uitsluit . De verminderingen die de Commissie bij de uitvoerprijs heeft toegepast, vonden plaats - en wel ingevolge artikel 2, lid 8, sub b - voor het berekenen van deze waarde; de verminderingen waarvan verzoeksters beweren dat zij ten onrechte achterwege zijn gelaten, konden daarentegen slechts worden toegepast voor de vergelijking van beide grootheden . Maar juist dat verbiedt artikel 2, lid 10, sub c, die de vergelijkingscorrecties regelt .
Deze correcties mogen slechts worden toegepast voor kosten die "rechtstreeks in verband staan met de ... verkoop ". Hieronder vallen zeker niet de kosten van de dochterondernemingen van de drie verzoeksters voor het verhandelen van het produkt op de binnenlandse markt . De reden hiervoor is duidelijk . In de ogen van de anti-dumpingwetgever verschillen deze kosten niet van die welke een onderneming moet maken voor het oprichten en beheren van een verkoopafdeling binnen haar organisatie . Die kosten maken evenals de laatstgenoemde deel uit van de algemene kosten van de onderneming en zijn als zodanig niet aftrekbaar . Anders gezegd, het feit dat een dochteronderneming en een interne afdeling elk een andere juridische vorm hebben, is niet van belang, aangezien de activiteiten van beide door dezelfde producent worden gecontroleerd .
Hierbij komt, dat de verkoopkosten in aanmerking moeten worden genomen bij de samenstelling van de normale waarde ( zie artikel 2, lid 3, sub b, ii, en het in nog duidelijker bewoordingen gestelde artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode ). Het zou dan ook onbegrijpelijk zijn, als de wetgever toestond ze onmiddellijk daarop af te trekken bij de vergelijkingscorrecties .
Nog steeds in verband met het tweede argument klaagt NSK erover, dat de Commissie de kosten van telefoon en dergelijke in het geheel niet en de kosten van verzoeksters technische dienst en van het vervoer in het binnenland slechts gedeeltelijk in aanmerking heeft genomen . Deze kosten zijn in beginsel aftrekbaar ( zie artikel 2, lid 10, sub c ). Uit het dossier blijkt evenwel, dat verzoekster niet het door verordening nr . 3017/79 hiertoe verlangde bewijs heeft geleverd . Bijgevolg kon de Raad zich over deze kosten geen oordeel vormen .
C - Het derde argument wordt enkel aangevoerd door Minebea . Bij het onderzoek van de markt van de door haar vervaardigde kleine kogellagers heeft de Commissie, zo stelt verzoekster, abusievelijk een produkt dat in de Gemeenschap wordt verhandeld, vergeleken met een soortgelijk produkt, doch van mindere kwaliteit, dat in Japan wordt verkocht . Dit argument is niet duidelijk . Ter terechtzitting erkende Minebea immers, dat de technische kenmerken die de diensten van de Commissie voor de omstreden lagers hadden vastgesteld, juist waren . Daardoor lijkt aan deze klacht de grond te zijn ontvallen . Het is evenwel mogelijk, dat de onderneming kritiek heeft op het feit, dat de Commissie met het gesignaleerde verschil geen rekening heeft gehouden bij de correcties . Dan had zij evenwel bewijs moeten leveren voor deze onjuiste of onvolledige beoordeling, wat zij niet heeft gedaan .
8 . In de tweede en de derde grief verwijten verzoeksters de Raad en de Commissie, geen rekening te hebben gehouden met de door hen aangeboden verbintenissen en met de prijsverhogingen die een aantal van hen tijdens en na de periode van onderzoek hebben doorgevoerd .
Ik zal met de afwijzing van de aangeboden verbintenissen beginnen en onderzoeken - want verder kunnen wij niet toetsen -, of die afwijzing toereikend is gemotiveerd . Ik wijs erop, dat de Commissie bij de uitoefening van de haar in verordening nr . 3017/79 toegekende bevoegdheden de feiten inzake het bestaan van dumpingpraktijken van ondernemingen van buiten de Gemeenschap in alle objectiviteit moet vaststellen . Zoals het Hof evenwel besliste in zijn reeds geciteerde arrest van 4 oktober 1983 in zaak 191/82, "neemt dit niet weg, dat zij over een zeer ruime beoordelingsvrijheid beschikt om, de belangen van de Gemeenschap in aanmerking genomen, te bepalen welke maatregelen in verband met de vastgestelde situatie eventueel moet worden genomen" ( r.o . 26 ).
Bijgevolg kon enkel de Commissie beslissen, of in het onderhavige geval een prijsverbintenis voldoende zou zijn geweest om de economische belangen van de Gemeenschap te beschermen . Haars inziens was dit niet het geval, omdat de kogellagermarkt wordt gekenmerkt door een te groot aantal verschillende produkten en prijzen om een nauwkeurige controle op de naleving van de verbintenissen mogelijk te maken . Anderzijds is het een feit, dat in situaties als de onderhavige de Gemeenschap "snel en doeltreffend" moet kunnen optreden ( 15e overweging van de basisverordening ). Juist om deze reden heeft de wetgever, ingeval er dumping en daardoor veroorzaakte schade blijken te bestaan, voorrang gegeven aan de instelling van een anti-dumpingrecht en voorzien in de mogelijkheid van terugbetaling, wanneer de exporteur kan aantonen "dat het geïnde recht meer bedraagt dan de werkelijke marge" ( artikel 15, lid 1 ). In de paragrafen 24 en 25 van verordening nr . 2089/84 wordt dit alles - de redenen voor de afwijzing en de opties van de wetgever - duidelijk vermeld en uiteengezet . Deze grief faalt derhalve .
De derde grief is al even zwak . Verordening nr . 3017/79 bevat geen enkel bepaling die de Commissie of de Raad verplicht tot een positieve beoordeling van de door de exporteurs doorgevoerde prijsverhogingen . Zoals in paragraaf 25 van de bestreden verordening wordt gezegd, is het niet ongebruikelijk - en, zo zou ik eraan willen toevoegen, nog geen bewijs van inkeer of goede bedoelingen voor de toekomst - voor een exporteur tegen wie een onderzoek loopt of wiens goederen aan een voorlopig anti-dumpingrecht zijn onderworpen, zijn prijzen te verhogen, in het bijzonder wanneer hij bindingen heeft met de importeur . In ieder geval lijkt mij duidelijk, dat indien de opvatting van verzoeksters werd aanvaard, dit zou leiden tot een systeem van permanent onderzoek, en, wat erger is, iedere poging om het bestaan van een marge van dumping vast te stellen, tot mislukken zou zijn gedoemd . Dit is voldoende om uit te sluiten, dat de wetgever deze interpretatie zou hebben bedoeld .
9 . De vierde en laatste grief kan snel worden samengevat : NTN, Nachi en NSK stellen, dat de instellingen bij de vaststelling van de hoogte van de rechten artikel 13, lid 3, van verordening nr . 3017/79 niet in acht hebben genomen en daardoor het evenredigheidsbeginsel hebben geschonden .
Zoals bekend, mogen volgens voornoemde bepaling de rechten niet hoger zijn dan de dumpingmarge en moeten zij lager zijn, indien lagere rechten voldoende zijn om de schade op te heffen . Hieruit volgt - aldus het Hof in het arrest van 23 mei 1985 ( zaak 53/83, Allied Corp ., Jurispr . 1985, blz . 1621, r.o . 18 ) -, dat "de Raad bij het vaststellen van een anti-dumpingverordening moet nagaan, of het bedrag van de rechten noodzakelijk is om de schade op te heffen ." Uit verordening nr . 744/84 ( paragrafen 23 en 24 ) en de bestreden verordening ( paragraaf 23 ) blijkt, dat in casu de omvang van de schade en het gewicht van het op het spel staande belang van de Gemeenschap grondig en nauwkeurig zijn beoordeeld . Gelet op deze verklaringen is geen twijfel mogelijk, dat de percentages van de rechten volledig beantwoorden aan de door de wetgever nagestreefde doelstellingen .
Ten slotte stelt Nachi nog, dat de rechten zijn vastgesteld zonder rekening te houden met de revaluatie van de Japanse munt in de loop van de anti-dumpingprocedure . Hiertegen brengt de Raad terecht in, dat de schommelingen in de koers van de yen niet van belang waren voor de vaststelling van de betrokken bedragen . De door de industrie van de Gemeenschap geleden schade wordt immers beoordeeld op basis van de verkopen van de importeurs, en deze worden uitgedrukt in de munteenheid van de betrokken Lid-Staat .
10 . Op grond van het voorafgaande geef ik het Hof in overweging, de beroepen van de vennootschappen NTN Toyo Bearing, Nachi Fujikoshi, Koyo Seiko, Nippon Seiko KK en Minebea tegen de Raad van de Europese Gemeenschappen te verwerpen . Overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moeten de in het ongelijk gestelde partijen in de kosten worden verwezen, met inbegrip van de kosten van de interveniënten aan de zijde van verweerder .
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy