Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In de onderhavige zaak vordert Ferriera Valsabbia SpA primair nietigverklaring van beschikking nr.*C(84)1409/3 van de Commissie van 27*september 1984 ( hierna : de bestreden beschikking ), waarbij haar een boete van 70*875*Ecu is opgelegd .
Deze beschikking is gegeven krachtens artikel*58 EGKS-Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde beschikking nr.*1831/81/EGKS van de Commissie van 24*juni 1981, gewijzigd bij beschikking nr.*533/82/EGKS ( hierna : de algemene beschikking ). Deze algemene beschikking was van toepassing met ingang van 1*juli 1981 en had ten doel de gevolgen tegen te gaan van de crisis ten gevolge van de overproduktie in de ijzer - en staalindustrie . Zij verplicht de betrokken ondernemingen om per categorie produkten bepaalde produktiequota niet te overschrijden en slechts een bepaald gedeelte van deze quota op de gemeenschappelijke markt te leveren . De leveringsquota worden in beginsel dus aangerekend op de produktiequota .
Deze regel wordt verzacht niet door een bepaald voorschrift, maar door de praktijk van de Commissie . Deze laat namelijk toe, dat bij wijze van uitzondering voor het leveringsquotum wordt geput uit de voorraden die op 30*juni 1981, daags vóór de inwerkingtreding van de regeling, bij iedere onderneming aanwezig waren . Deze tolerantie vormt als het ware een overgangsmaatregel, om te verhinderen dat de ondernemingen zouden moeten boeten voor hun activiteiten van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling .
2 . De Commissie verwijt Ferriera Valsabbia, dat deze in het eerste halfjaar van*1982 bij produkten van categorie*V ( betonstaal ) het leveringsquotum voor het eerste kwartaal van*1982 met 979*ton en voor het tweede kwartaal met 1*239*ton heeft overschreden . De overschrijding bedraagt dus in totaal 2*218*ton .
Verzoekster heeft deze overschrijding niet betwist en de Commissie heeft niet geweigerd de bovengenoemde tolerantie op haar toe te passen . Het geschil dat hen verdeeld houdt, vloeit eenvoudig voort uit hun verschillende schatting van de voorraad aan genoemd produkt op 30*juni*1981 .
3 . Volgens de Commissie bedroeg deze voorraad 1*273*ton, zodat er na aftrek van de 2*218*ton overschrijding een teveel overblijft van 945*ton, waarvoor de litigieuze boete is opgelegd, op basis van een tarief van 75*Ecu per ton .
Ferriera Valsabbia betoogt dat zij naast die 1*273*ton op bedoelde datum nog een grote hoeveelheid produkt in voorraad had, namelijk 4*749*ton, die eerst na 30*juni 1981 buiten de gemeenschappelijke markt zijn geleverd, hoofdzakelijk aan de firma Philipp Brothers te Zuerich .
4 . De weergave van de feiten, zowel in de schriftelijke stukken als ter terechtzitting van 13*maart 1986, had een aantal onzekerheden laten bestaan, hoofdzakelijk met betrekking tot de methode waarmee de Commissie aan het cijfer van 1*273*ton is gekomen .
De heropening van de debatten ter terechtzitting van 23*september1986, waartoe het Hof had besloten, bood de kans de voor de beslechting van het geding noodzakelijke opheldering te verkrijgen . Daarbij bleek namelijk duidelijk, dat de vraag of de facturen betreffende de aan Philipp Brothers verkochte produkten definitieve facturen of "pro forma"-facturen waren ( ik verwijs hiervoor naar de opmerkingen van partijen in het rapport ter terechtzitting ), niet van zodanig belang was als partijen een ogenblik hadden gedacht .
De Commissie had immers reeds gezegd dat zij de voorraad per 30*juni 1981 had "gereconstrueerd" aan de hand van facturen en niet van leverantiebonnen . Ter aanvulling hiervan gaf zij ter terechtzitting ronduit toe, dat zij niet betwistte dat bedoeld materiaal op genoemd tijdstip fysiek in verzoeksters opslagplaats aanwezig was . Zij merkte eenvoudig op, dat zij dat materiaal niet in aanmerking had willen nemen omdat :
- het al aan Philipp Brothers was verkocht en dus niet meer aan Ferriera Valsabbia toebehoorde,
- het bestemd was voor een derde land .
5 . Deze redenering overtuigt niet . Zoals de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, ging het bij dat materiaal immers om soortzaken . Men kan dan ook niet zeggen, dat een bepaalde identificeerbare voorraad van bijna 5*000*ton betonstaal op 30*juni 1981 niet meer aan verzoekster toebehoorde omdat het aan Philipp Brothers was verkocht . Bovendien belet niets om aan te nemen, dat het materiaal waarop die verkoop betrekking had en dat in de loop van het tweede halfjaar*1981 is geleverd, geheel of gedeeltelijk is genomen uit de voorraden die na 30*juni zijn geproduceerd . De Commissie heeft verzoekster echter niet verweten dat zij haar produktiequotum heeft overschreden, hetgeen overigens iedere betekenis ontneemt aan het argument dat het materiaal voor derde landen bestemd was . Bovendien meen ik uit de ter terechtzitting gemaakte opmerking van de vertegenwoordiger van de Commissie te hebben begrepen, dat deze bestemming in vergelijkbare situaties nimmer in aanmerking was genomen bij de schatting van de voorraad per 30*juni*1981 .
Daar de Commissie, zoals gezegd, nimmer principieel heeft geweigerd haar tolerante praktijk ook op Ferriera Valsabbia toe te passen, kon zij, zonder de door haarzelf ingevoerde regel te miskennen, een verkocht tonnage aan soortzaken dus niet buiten de betrokken contracten houden, ook al had de verkoop vóór 30*juni 1981 plaatsgehad, nu vaststaat dat de levering na deze datum heeft plaatsgevonden .
6 . Verzoekster kan derhalve met recht nietigverklaring van de bestreden beschikking vorderen, zodat haar subsidiaire vorderingen niet behoeven te worden onderzocht .
Indien 's*Hofs arrest conform deze conclusie zou zijn, dient de Commissie in de kosten te worden verwezen .
(*) Vertaald uit het Frans .
Full & Egal Universal Law Academy