CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 11 juni 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 11 juli 1984 besloot de Commissie, dat „sollicitaties van ambtenaren van de groep voor de talendienst, evenals die van ambtenaren van de wetenschappelijke en technische groepen, in de eerste fase van de kennisgeving van vacature in aanmerking zouden kunnen worden genomen om te voorzien in administratieve ambten. Evenzo zullen administratieve ambtenaren kunnen solliciteren naar vacatures bij de groep voor de talendienst en bij de wetenschappelijke en technische groepen”. ( 1 )
Met de „eerste fase van de kennisgeving van vacature” wordt gedoeld op het bepaalde in artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut. Het gaat dus om het onderzoek naar „de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling”.
C. Fabbro, F. Giuffrida en C. Herbin, verzoekers in zaak 269/84, vragen het Hof om nietigverklaring van genoemd besluit, voor zover het inhoudt dat sollicitaties van ambtenaren van de groep voor de talendienst in aanmerking kunnen worden genomen ter voorziening in administratieve ambten.
H. Scharf, verzoeker in zaak 292/84, vordert bij wege van exceptie dit besluit onwettig te verklaren, en bijgevolg nietig te verklaren de besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag van 30 november 1984, waarbij respectievelijk R. T., ambtenaar van de groep voor de talendienst, werd aangesteld op de bij kennisgeving COM/1207/84 vacant verklaarde post van categorie A, en Scharfs sollicitatie naar die post wegens de aanstelling van R. T. werd afgewezen.
Verzoekers menen dat het besluit van 11 juli 1984 onwettig is, hoofdzakelijk omdat het inbreuk zou maken op de bepalingen van artikel 45, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Statuut).
Ik zal eerst ingaan op de in zaak 269/84 gerezen ontvankelijkheidsvraag en vervolgens op het geschil ten gronde.
A — De ontvankelijkheid
1.
De Commissie betoogt, dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat verzoekers geen persoonlijk, reeds bestaand en actueel belang hebben bij het instellen van beroep tegen het bestreden besluit, dat voor hen niet bezwarend is, aangezien het hun rechtspositie niet rechtstreeks raakt.
Gezien het algemene karakter van de bestreden maatregel konden verzoekers volgens de Commissie er slechts rechtstreeks door worden geraakt, indien zij krachtens deze maatregel daadwerkelijk waren afgewezen ten gunste van een ambtenaar van de groep voor de talendienst. Aangezien zij echter niet gesolliciteerd hebben naar een post van categorie A, waarnaar een ambtenaar van de groep voor de talendienst is overgeplaatst, zouden zij niet kunnen opkomen tegen de algemene maatregel die deze overplaatsing mogelijk heeft gemaakt.
2.
Verzoekers stellen, dat ingevolge artikel 90, lid 2, van het Statuut ambtenaren mits zij eerst een klacht indienen, kunnen opkomen tegen individuele maatregelen ter uitvoering van een besluit van algemene aard alsook tegen dit algemene besluit zelf, wanneer zij erdoor worden bezwaard.
Het bestreden besluit zou voor hen bezwarend zijn, omdat:
a)
hun roulatiemogelijkheden worden beperkt doordat een groter aantal ambtenaren in de eerste fase van de kennisgeving van vacature kan solliciteren;
b)
hun bevorderingskansen worden beperkt doordat ambtenaren van de groep voor de talendienst kunnen worden overgeplaatst naar posten van de rang A 6, A 5 en A 4, waardoor het aantal voor bevordering beschikbare posten vermindert.
Hierbij zou nog komen, dat de begrotingsposten van ambtenaren van de groep voor de talendienst niet kunnen worden overgebracht naar de categorie A (dit argument is eerst in repliek aangevoerd).
Het algemene karakter van het besluit zou niet wegnemen, dat het gaat om een bezwarende administratieve handeling gaat, die wegens haar inhoud gericht is tot een zeer klein aantal ambtenaren van categorie A, die reeds thans voldoen of in de toekomst zullen voldoen aan de voorwaarden om vacante administratieve ambten te bezetten, en die nu moeten concurreren met ambtenaren van de groep voor de talendienst.
Hierdoor zou iedere ambtenaar van de categorie A rechtstreeks en aantoonbaar in zijn loopbaanontwikkeling worden geschaad.
Anderzijds zou de toepassing van het bestreden besluit aanleiding kunnen geven tot een zeer groot aantal administratieve klachten, gevolgd door beroepen bij het Hof. In het belang van een goede rechtsbedeling (leer van de proceseconomie) zou het beroep derhalve ontvankelijk moeten worden verklaard.
3.
Laat ik meteen zeggen, dat dit laatste argument niet kan worden aanvaard. In het arrest van 30 juni 1983 (zaak 85/82, Schloh, Jurispr. 1983, blz. 2105) besliste het Hof, dat een verzoeker „niet bevoegd is om in het belang van de wet of van de instellingen in rechte op te treden, en tot staving van een beroep tot nietigverklaring van een benoeming slechts hem persoonlijk betreffende grieven kan aanvoeren”.
Mijns inziens geldt deze regel ook, wanneer het een maatregel van algemene aard betreft.
4.
Ik meen namelijk, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de aard van het nadeel (dat persoonlijk moet zijn — ik kom hier later nog op terug) en de aard van het bestreden besluit, dat individueel of algemeen van aard kan zijn.
Ik deel niet de opvatting, dat het beroep bedoeld in artikel 179 EEG-Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het Statuut beperkt is tot bindende handelingen van individuele aard (zie conclusie van advocaat-generaal Capotorti in zaak 167/80, Curtis/Commissie en Parlement, Jurispr. 1981, blz. 1525 en 1526, en van advocaat-generaal Rozès in de gevoegde zaken 28 en 165/80, Leclercq/Commissie, Jurispr. 1981, blz. 2251 en 2260).
Een uitlegging van artikel 90, die aan de woorden „maatregel van algemene aard” in artikel 90, lid 2, eerste streepje, iedere betekenis ontneemt, is mijns inziens niet aanvaardbaar.
In het arrest van 29 september 1975 (zaak 54/75, De Dapper/Parlement, Jurispr. 1976, blz. 1381) heeft het Hof overigens een beroep ontvankelijk verklaard, dat was ingesteld door ambtenaren van het Parlement tegen een besluit van de voorzitter van het Parlement, waarbij deze weigerde het onregelmatig karakter vast te stellen van de op 18 maart 1975 gehouden verkiezingen voor het personeelscomité van deze instelling.
Het Hof overwoog toen onder meer, „dat de hoedanigheid en het belang van verzoekers, die bij de betwiste verkiezing tegelijkertijd kiezer en kandidaat waren, niet in twijfel kunnen worden getrokken” (r. o. 27).
In een later arrest ten gronde heeft het Hof het besluit van de voorzitter van het Europees Parlement nietig verklaard en beslist, dat het aan het Europees Parlement stond een eind te maken aan het mandaat van het onregelmatig gekozen comité, onder voorbehoud van alle bepalingen die in het belang van de rechtszekerheid nodig waren (arrest van 9 maart 1977, zaak 54/75, De Dapper/Parlement, Jurispr. 1977, blz. 471).
Deze arresten golden dus wel degelijk een maatregel van algemene aard.
Tegen dergelijke maatregelen staat beroep open (onder voorwaarden waarop ik nog terugkom), zonder dat de voorschriften van artikel 173, tweede alinea, toepassing vinden, want artikel 179 EEG-Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het Statuut „geven op communautair terrein een bijzondere actie zowel vanwege haar object, als vanwege degenen die ervan gebruik kunnen maken” (conclusie van advocaat-generaal Trabucchi in zaak 18/74, Algemeen Vakverbond/Commissie, Jurispr. 1974, blz. 933 en 948).
Deze zienswijze wordt mijns inziens ook bevestigd door twee arresten waarin het Hof in het bijzonder verklaarde, dat een uit de dienstbetrekking voortkomend schadegeding tussen een ambtenaar en de instelling waarbij hij in dienst is of was, binnen het kader van artikel 179 van het Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het Statuut valt en buiten het toepassingsgebied van de artikelen 178 en 215 van het Verdrag (arresten van 22 oktober 1975, zaak 9/75, Meyer-Burckhardt, Jurispr. 1975, blz. 1171, en 17 februari 1977, zaak 48/76, Reinarz, Jurispr. 1977, blz. 298).
5.
Voor een goed begrip van het probleem moge ik ook herinneren aan de voorwaarden waaronder het Hof een beroep tegen een regelgevende handeling toestaat, bij voorbeeld een verordening van de Raad houdende wijziging van het Statuut.
a)
Een ambtenaar van de Gemeenschappen kan in dat geval de weg van artikel 173, tweede alinea, kiezen.
Hij moet dan echter aantonen, dat die handeling, hoewel genomen in de vorm van een verordening, in feite een besluit is dat hem rechtstreeks en individueel raakt. Tot dusver heeft het Hof nog nimmer aangenomen, dat dit het geval was.
Een dergelijk beroep volgt het gewone recht ook wat de kostenveroordeling betreft. Artikel 69, paragraaf 2, en niet artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering is in dat geval van toepassing (zie arrest van 26 februari 1981, zaak 64/80, Giuffrida en Campogrande/Raad, Jurispr. 1981, blz. 693).
b)
De enkele indiening van een klacht krachtens artikel 90 van het Statuut volstaat niet om een beroepsmogelijkheid te scheppen tegen een handeling van algemene strekking.
De procedure van artikel 90, lid 2, is namelijk slechts van toepassing in het geval dat het tot aanstelling bevoegd gezag een besluit heeft genomen, of heeft nagelaten een door het Statuut voorgeschreven maatregel te nemen, en deze handeling een bezwarend besluit vormt (zie de arresten van 16 juli 1981 in de zaken 153/79, Bowden/Commissie, Jurispr. 1981, blz. 2111, inzonderheid r. o. 13, en 154/79, Biller e. a./Parlement, Jurispr. 1981, blz. 2125, 2138).
c)
Daarentegen kan een regelgevende handeling wel worden aangevochten met een exceptie van onwettigheid.
„In artikel 184 EEG-Verdrag komt (namelijk) een algemeen beginsel tot uitdrukking, krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de nietigverklaring van een tot haar gerichte beschikking de rechtsgeldigheid van eerdere, aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende regelgevende handelingen incidenteel mag aanvechten” (zie het arrest van 19 januari 1984, zaak 262/80, Andersen/Parlement, Jurispr. 1984, blz. 195, in het bijzonder r. o. 6).
Een salarisafrekening kan, ook al worden daarin enkel de bepalingen van een verordening van de Raad toegepast op het concrete geval van een bepaalde ambtenaar, een voor de betrokkene bezwarend besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag vormen (ibidem, r. o. 4).
6.
De eerste vraag die in casu rijst, is dus of het besluit van de Commissie van 11 juli 1984 een met een verordening gelijk te stellen normatieve handeling is (in welk geval het beroep in ieder geval niet-ontvankeljk zou zijn, omdat de normatieve handeling niet is gevolgd door een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag), dan wel een besluit van algemene aard van het tot aanstelling bevoegd gezag (in dit geval zou een rechtstreeks beroep mogelijk zijn, waarvan de ontvankelijkheid afhangt van het bewijs van het bezwarend karakter).
Welnu, het bestreden besluit:
—
heeft niet de vorm van een verordening;
—
is afkomstig van een instelling die bevoegd noch voornemens is het Statuut te wijzigen;
—
is slechts van toepassing op ambtenaren van de Commissie; en
—
lijkt zelfs enkel een experimenteel karakter te hebben.
Ik ben dan ook van mening, dat het geen handeling is die vergelijkbaar is met een verordening.
Het is dus een besluit van algemene aard van het tot aanstelling bevoegd gezag.
Thans moet worden onderzocht, wanneer een dergelijke handeling een „bezwarend besluit” kan zijn.
7.
Het Hof heeft herhaaldelijk beslist, dat „als bezwarende besluiten slechts kunnen worden beschouwd de handelingen die voor een bepaalde rechtspositie rechtstreekse gevolgen hebben” (arresten van 1 juli 1964 in de zaken 26/63, Pistoj/Commissie, Jurispr. 1964, blz. 673, en 78/63, Huber/Commissie, Jurispr. 1964, blz. 721; 10 december 1969, zaak 32/68, Graselli, Jurispr. 1969, blz. 505; 11 juli 1974, gevoegde zaken 177/73 en 5/74, Reinarz/Commissie, Jurispr. 1974, blz. 819, 829).
In de arresten van 8 oktober 1974 in de zaken 175/75 (Union syndicale/Raad, Jurispr. 1974, blz. 917, 926) en 18/74 (Algemeen vakverbond/Commissie, Jurispr. 1974, blz. 945) besliste het Hof dat, „hoewel artikel 179 als grondslag zou kunnen dienen voor een systeem ter berechting van niet alleen individuele, maar ook collectieve geschillen tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, de klacht- en beroepsprocedure van de artikelen 90 en 91 van het Statuut niettemin uitsluitend is opgezet met het oog op individuele geschillen”.
Ik interpreteer dit zo, dat ook wanneer de genomen maatregel van algemene aard is, de verzoeker er niettemin persoonlijk door moet worden geraakt, een voorwaarde waaraan een vakvereniging niet kan voldoen.
In het arrest Leclercq (17 september 1981, gevoegde zaken 28 en 165/80, Jurispr. 1981, blz. 2251) overwoog het Hof, dat het door de Commissie genomen besluit, „dat in algemene zin betrekking heeft op het beheer van de kredieten voor het sluiten van studiecontracten met personen of vennootschappen die niet tot de diensten van de Commissie behoren, niet kan worden beschouwd als een voor een voormalig ambtenaar bezwarend besluit in de zin van artikel 91 van het Statuut. Voor zover Baichères brief van 14 oktober 1979 niet zou zijn te beschouwen als een eenvoudige inlichting van een ambtenaar van de Commissie aan een voormalig collega, doch een besluit inhoudt om krachtens het besluit van de Commissie van 26 juni 1974 een studiecontract te weigeren, zou deze weigering zijn gericht tegen de vennootschap Science en niet tegen verzoeker; deze zou daardoor noch rechtstreeks, noch individueel worden geraakt”.
Om hierna uiteen te zetten redenen meen ik, dat het beter ware geweest in dit arrest het woord „persoonlijk” te gebruiken in plaats van „individueel”.
In het arrest Deshormes (zaak 17/78, Jurispr. 1979, blz. 189, 197), waaruit de Commissie in casu heeft geciteerd zonder er echter uitdrukkelijk naar te verwijzen, gebruikte het Hof zowel het criterium van de onmiddellijke en rechtstreekse aantasting van de rechtspositie van de belanghebbende (r. o. 10) als het criterium van een „rechtmatig, reeds bestaand en actueel, en voldoende gekarakteriseerd belang” (r. o. 12).
Ten slotte wil ik herinneren aan het reeds geciteerde arrest Schloh, waarin het Hof de uitdrukking „hem persoonlijk betreffende” belangen gebruikte.
8.
Blijft de vraag, tot welk resultaat de toepassing van bovengenoemde criteria op het door Fabbro, Giuffrida en Herbin ingestelde beroep leidt.
Deze vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden; wellicht hebben we hier te maken met een grensgeval.
Voor de ontvankelijkheid van het beroep pleit, dat het bestreden besluit de concurrentie tussen de voor overplaatsing of bevordering in aanmerking komende ambtenaren met onmiddellijke ingang heeft vergroot, omdat of het aantal potentiële kandidaten toeneemt of het aantal beschikbare posten vermindert. (Zijn ambtenaren van de groep van de talendienst eenmaal benoemd in de rangen A 4 of A 6, dan zijn de betrokken posten niet meer beschikbaar voor bevorderingen van ambtenaren in de rangen A 5 of A 7.)
Men zou dus kunnen zeggen, dat het besluit van de Commissie „een bepaalde rechtspositie rechtstreeks aantast”. In casu gaat het om een abstracte rechtspositie, namelijk de regeling voor de toelating van sollicitaties in de eerste fase van de kennisgeving van vacature.
Het abstracte karakter van deze wijziging in rechtspositie kan op zichzelf niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid, dat het besluit van de Commissie, zoals verzoekers zelf zeggen, alle ambtenaren van de categorie A betreft die thans of in de toekomst in aanmerking kunnen komen voor overplaatsing of bevordering.
Naar mijn overtuiging zou het niet juist zijn, op beroepen krachtens de artikelen 90 en 91 van het Statuut de in het kader van artikel 173, tweede alinea, ontwikkelde rechtspraak toe te passen, volgens welke het beroep van een particulier tegen een verordening ook dan niet-ontvankelijk is, wanneer het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop de betrokken handeling op een bepaald ogenblik van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald.
Mijns inziens is het verschil tussen beide typen van beroepsmogelijkheden gelegen in het volgende:
Beschikkingen genomen in de vorm van een verordening, als bedoeld in artikel 173, tweede alinea, dienen de verzoekers rechtstreeks en individueel te raken. Volgens de rechtspraak van het Hof is daarvoor vereist, dat de handeling „hun rechtspositie beïnvloedt uit hoofde van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat ener beschikking” (arrest van 18 november 1975, zaak 100/74, CAM, Jurispr. 1975, blz. 1393).
De artikelen 90 en 91 daarentegen stellen uitdrukkelijk beroep open tegen maatregelen van algemene aard (mits het gaat om besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag), dat wil zeggen tegen maatregelen die gelden voor objectief bepaalde situaties en die rechtsgevolgen hebben voor in het algemeen en in abstracto omschreven categorieën van personen. (Ik gebruik hier ter omschrijving van de voor beroep vatbare handelingen bewust een formule die het Hof geregeld gebruikt in verband met artikel 173 om de niet-ontvankelijkheid van een beroep vast te stellen.)
Het is voldoende dat de betrokken personen, zoals bij administratieve beroepen gebruikelijk is, door de aangevochten maatregelen rechtstreeks worden geraakt en dat zij een persoonlijk, reeds bestaand en actueel belang hebben bij het instellen van beroep.
9.
Het is echter moeilijk voor te stellen, dat een dergelijke situatie louter het gevolg is van het besluit van 11 juli 1984.
Het is immers mogelijk, dat een bepaalde A-ambtenaar nimmer verzoekt om overplaatsing naar een post waarvoor een ambtenaar van de groep voor de talendienst zich eveneens kandidaat heeft gesteld.
Ook is het mogelijk, dat hij dit wel doet en inderdaad verkozen wordt boven een of meer ambtenaren van de groep voor de talendienst.
Voorts is het mogelijk, dat een bepaalde ambtenaar geen enkele moeilijkheid heeft om de gewenste bevordering te krijgen, hetzij naar een bepaalde vacant verklaarde post hetzij bij de jaarlijkse collectieve bevorderingsronde.
Het aantal posten waarin door overplaatsing of bevordering kan worden voorzien, zal trouwens als gevolg van een aantal factoren per jaar verschillend zijn (bij voorbeeld overplaatsing of bevordering van reeds in vaste dienst aangestelde ambtenaren, overlijden, ontslag, pensionering, verlof om redenen van persoonlijke aard, overgang naar andere instellingen of nieuwe begrotingsposten).
Daarom meen ik, dat de mogelijkheid van overgang van ambtenaren van de groep voor de talendienst naar de categorie A slechts een potentiële invloed kan hebben op de „roulatiemogelijkheden” of de „bevorderingskansen” van ambtenaren van de categorie A, en dat deze invloed te onzeker is om er thans reeds een bestaand en actueel persoonlijk belang uit te kunnen afleiden. ( 2 )
In repliek en ter terechtzitting hebben verzoekers betoogd, dat een dergelijk belang in ieder geval zou bestaan wanneer een op de jaarlijkse lijst van bevorderbare ambtenaren geplaatste ambtenaar niet kon worden bevorderd wegens het ontbreken van voldoende posten.
Zo had Herbin eind 1984 niet naar de rang A 6 bevorderd kunnen worden, omdat er geen 68, maar slechts 67 posten beschikbaar waren. Dit zou het gevolg zijn geweest van het feit, dat kort tevoren twee ambtenaren in de rang LA 6 waren overgeplaatst naar ambten in de rang A 6.
Ik moet echter constateren dat het op het moment waarop het beroep werd ingesteld, nog niet zo ver was, en dat het beroep niet strekt tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie inzake de bevorderingen van A 7 tot A 6 voor het jaar 1984, waartegen Herbin trouwens geen klacht schijnt te hebben ingediend.
Ik kom daarom tot de conclusie, dat het besluit van de Commissie van 11 juli 1984 voor de drie verzoekers geen bezwarende handeling vormt, en dat hun beroep derhalve niet-ontvankelijk is.
10.
Tenslotte moet ik nog ingaan op de ontvankelijkheid van het beroep van Herbin, want Uw Hof heeft herhaaldelijk uitgemaakt dat de klacht- en beroepstermijnen van openbare orde zijn en dat de partijen of de rechter er niet over kunnen beschikken (zie in het bijzonder het arrest van 12 juli 1984, zaak 227/83, Moussis, Jurispr. 1984, blz. 3133, 3146, r. o. 12).
De uitgave van de Infor-Rapide waarin het bestreden besluit is gepubliceerd, dateert van 18 juli 1984. Herbins klacht is bij het secretariaat-generaal van de Commissie ingeschreven op 19 oktober 1984.
Volgens artikel 90, lid 2, eerste streepje, van het Statuut gaat de termijn voor het indienen van een klacht „in op de dag van bekendmaking van het besluit, indien het een maatregel van algemene aard betreft”.
Op de vraag of het betrokken nummer van de Infor-Rapide op 18 juli 1984 in alle gebouwen van de Commissie te Brussel inderdaad beschikbaar was, heeft de vertegenwoordiger van de Commissie geantwoord, dat de Commissie niet langer vasthield aan de exceptie van niet-ontvankelijkheid die zij tegen het beroep van Herbin had opgeworpen.
Het staat dus niet vast, dat de klachttermijn op 18 juli 1984 is ingegaan.
Artikel 90, lid 3, bepaalt verder, dat ambtenaren hun klachten langs de hiërarchieke weg moeten indienen. Aangezien de klacht van Herbin op 19 oktober 1984 is ingeschreven bij het secretariaat-generaal, dat in een ander gebouw is gevestigd, mag worden aangenomen dat zij reeds op 18 oktober bij zijn hiërarchieke meerdere was afgegeven. De Commissie heeft in ieder geval niet het tegendeel aangetoond.
Ten slotte wil ik erop wijzen, dat het Hof in een eerdere zaak (Michel/Parlement, zaak 195/80, Jurispr. 1981, blz. 2861) overeenkomstige toepassing lijkt te hebben gegeven aan de bepalingen van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden (PB 1971, L 124, blz. 1).
Ingevolge deze verordening wordt de dies a quo niet meegerekend in de termijn. De termijn gaat in bij de aanvang van het eerste uur van de eerste dag en loopt af bij het einde van het laatste uur van de dag die, in de laatste maand, dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop de termijn ingaat.
Zelfs als men dus 18 juli 1984 zou beschouwen als de dies a quo, zou de termijn toch eerst op 19 oktober te middernacht verstreken zijn.
Herbins klacht is dus niet te laat ingediend.
Bij het door Scharf ingestelde beroep in zaak 292/84 doen zich ten aanzien van de ontvankelijkheid geen problemen voor.
Ik kan dus thans ingaan op het eigenlijke probleem, dat in de zaken 269/84 en 292/84 identiek is.
B — Ten gronde
Vooraf wil ik, voor zover nodig, eraan herinneren dat het niet aan ons is, een oordeel te vellen over het beleid inzake de „mobiliteit van het personeel” en het „openbreken van de talendienst”, waartoe de Commissie besloten heeft.
Ook de bekwaamheden van de ambtenaar wiens aanstelling door Scharf wordt bestreden, zijn hier niet in geding.
Het gaat hier alleen om de vraag, of het gedeelte van het besluit van de Commissie van 11 juli 1984, inhoudende dat sollicitaties van ambtenaren van de talendienst in de eerste fase van de kennisgeving van vacature in aanmerking kunnen worden genomen ter voorziening in administratieve ambten (waartoe verzoekers hun vordering immers hebben beperkt), met het Statuut in zijn huidige redactie verenigbaar is.
Ik moge eraan herinneren, dat deze eerste fase bestaat in het onderzoek naar de „mogelijkheden tot bevordering en overplaatsing binnen de instelling”.
In haar verweerschrift (blz. 4) heeft de Commissie gesteld, dat haar besluit „alleen geldt voor overplaatsing en niet voor bevordering”.
Uit de tekst van het besluit blijkt deze beperking echter niet, zodat ook het aspect bevordering moet worden onderzocht.
Verzoekers baseren hun beroepen hoofdzakelijk op artikel 45, lid 2, van het Statuut, en ook de Commissie is van mening dat het kernprobleem in deze zaak de uitlegging van deze bepaling is.
Ik meen echter, dat ten minste evenveel belang moet worden gehecht aan het eerste lid van de artikelen 7 en 45 van het Statuut.
Artikel 7, lid 1, luidt als volgt:
„Het tot aanstelling bevoegde gezag stelt de ambtenaar, uitsluitend in het belang van de dienst en ongeacht zijn nationaliteit, bij wege van aanstelling of overplaatsing, overeenkomstig zijn rang te werk in een tot zijn categorie of groep behorend ambt.”
Artikel 45, lid 1, luidt als volgt:
„Bevordering... brengt voor de betrokken ambtenaar aanstelling mede in de eerstvolgende hogere rang van de categorie of groep waartoe bij behoort.”
Deze teksten sluiten mijns inziens uit, dat een ambtenaar van de groep voor de talendienst kan worden overgeplaatst of bevorderd (in de technische betekenis van de term) naar een post van categorie A (en omgekeerd). ( 3 )
Volledigheidshalve wil ik echter ook ingaan op de argumenten die de procespartijen ontlenen aan artikel 45, lid 2, dat luidt als volgt:
„De overgang van een ambtenaar naar een andere groep of een hogere categorie kan alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek.”
Volgens verzoekers is ingevolge deze bepaling een vergelijkend onderzoek vereist, telkens wanneer een ambtenaar van de groep voor de talendienst wordt aangesteld op een post van categorie A of omgekeerd. Zij leggen in hun verzoekschrift de nadruk op de woorden „... naar een andere groep” („d'une catégorie à un autre cadre”).
Verzoekers stellen in het bijzonder, dat dit vereiste berust op het verschil tussen de werkzaamheden van de ambtenaren van categorie A en van die van de groep voor de talendienst, waarvoor ook een andere opleiding en andere beroepskwalificaties nodig zijn.
De Commissie daarentegen meent, dat uit de bewoordingen van bedoelde bepaling volgt dat een vergelijkend onderzoek slechts noodzakelijk is wanneer een ambtenaar overgaat:
—
van de ene groep naar een andere groep, bij voorbeeld van de groep voor de talendienst naar de wetenschappelijke en technische groepen of omgekeerd, omdat de algemene categorie A niet valt te beschouwen als een groep;
—
van een categorie naar een hogere categorie (bij voorbeeld van categorie Β naar categorie A).
Volgens de Comissie behoort iedere ambtenaar in de eerste plaats tot een categorie en blijft hij daartoe behoren, ook wanneer hij wordt tewerkgesteld in een groep..
De overgang van de groep voor de talendienst naar de categorie A is dan dus een overgang van een categorie binnen een groep naar dezelfde categorie buiten een groep (en ook de overgang van A naar LA zou zijn te beschouwen als een overgang binnen dezelfde categorie).
Wat te denken van deze argumenten ?
1.
Wanneer men zich laat leiden door het gezond verstand, zou men geneigd zijn te zeggen dat artikel 45, lid 2, in wezen op twee gevallen doelt, namelijk:
—
de overgang van een groep naar een andere groep, en
—
de overgang van een categorie naar een hogere categorie.
Bij een uitlegging gebaseerd op een haast „mathematische” combinatie van de woorden zouden echter nog twee andere mogelijkheden in aanmerking komen, namelijk:
—
de overgang van een groep naar een hogere categorie, en
—
de overgang van een categorie naar een andere groep.
Aangezien de ambtenaren van de groep voor de talendienst ontegenzeglijk voortkomen uit een groep, zijn de twee mogelijkheden die in aanmerking komen, dus de overgang:
—
ofwel van een groep naar een andere groep,
—
ofwel van een groep naar een hogere categorie.
De eerste mogelijkheid valt af, tenzij de categorie A, bezien vanuit de groep voor de talendienst, een andere groep vormt. Dit hangt af van de andere relevante bepalingen van het Statuut, waarop ik hierna zal ingaan.
Voor de tweede mogelijkheid kan worden aangevoerd, dat de categorie A twee rangen meer omvat en dus of een hogere categorie is of althans een categorie die de ambtenaar meer mogelijkheden in zijn loopbaan biedt dan de groep voor de talendienst.
2.
Beziet men de bepalingen waarin de term groep is omschreven, dan kan het volgende worden gezegd.
Volgens artikel 5, lid 1, zijn „de ambten die onder dit statuut vallen, naar aard en niveau van de werkzaamheden waarmee zij overeenkomen, ingedeeld in vier categorieën, die in afdalende hiërarchische volgorde worden aangeduid met de letter A, B, C en D. Categorie A omvat acht rangen... In afwijking van de voorgaande bepalingen kunnen echter, op de wijze zoals bepaald voor de herziening van dit statuut, ambten waarvoor eenzelfde beroepsvorming vereist is, worden samengevoegd tot groepen, bestaande uit een aantal rangen welke tot een of meer der bovenvermelde categorieën behoren”.
Bij lezing van deze tekst kan men zich afvragen, of een groep die slechts rangen van één enkele categorie omvat, niet kan worden beschouwd als onderdeel van deze categorie. Hoe staat het dan echter met een groep die rangen van verschillende categorieën omvat ? Maakt de betrokken ambtenaar dan binnen een en dezelfde groep deel uit van een andere categorie afhankelijk van de rang die hij bezit ?
Naar mijn mening wordt de dubbelzinnigheid van het eerste lid opgeheven door het tweede lid, waar dit bepaalt:
„De ambten van vertaler en tolk zijn samengevoegd in een groep voor de talendienst, die met de letter LA is aangeduid en zes rangen omvat, die met de rangen 3 tot en met 8 van categorie A zijn gelijkgesteld.”
Op grond hiervan kan men mijns inziens niet zeggen, zoals de Commissie doet, dat iedere ambtenaar in de eerste plaats tot een categorie behoort en daartoe blijft behoren, ook al is hij tewerkgesteld in een groep.
De rangen LA 3 tot en met LA 8 zijn met de rangen A 3 tot en met A 8 slechts gelijkgesteld. Deze gelijkstelling zou overbodig zijn, indien het één en dezelfde categorie betrof.
Zoals gezegd, omvat de groep voor de talendienst bovendien slechts zes rangen, terwijl de categorie A twee rangen meer omvat.
Men valt dus niet eerst onder categorie A en vervolgens pas onder de groep voor de talendienst, en de overgang van de groep voor de talendienst naar de categorie A kan niet worden beschouwd als een overgang „van een categorie naar een andere categorie van gelijke orde”. Zoals wij zagen, kan zelfs worden gesteld, dat hier veeleer sprake is van een overgang „van een groep naar een hogere categorie”.
De overgang van A naar LA kan nog minder als een overgang binnen een zelfde categorie worden beschouwd, omdat de groep voor de talendienst minder rangen telt.
3.
Volgens de Commissie kan de categorie A niet worden beschouwd als de „algemene” of „administratieve groep”.
Deze aanduiding komt in het Statuut inderdaad niet voor.
Dit neemt niet weg, dat een ambtenaar die van het „taalkundige specialisme” overgaat naar een administratief ambt van categorie A, zijn groep verlaat.
Omgekeerd wordt een ambtenaar die overgaat van de categorie A naar de talendienst, zoal niet in een „andere” groep dan toch ten minste in een „groep” opgenomen.
Kan men echter niet een stap verder gaan en zeggen, dat hij in werkelijkheid overgaat van een groep naar een andere groep ?
Het komt mij voor dat het Statuut met het instellen van de groep voor de talendienst en de wetenschappelijke en technische groepen automatisch ook een „algemene” of „administratieve groep” heeft geschapen, die alle niet tot de eerstgenoemde groepen behorende ambtenaren omvat.
Vanuit de groep voor de talendienst bezien, maken de A-ambtenaren noodzakelijkerwijs deel uit van een andere groep of „Sonderlaufbahn”, zoals de welgekozen Duitse aanduiding luidt.
In het besluit van 11 juli 1984 wordt dit trouwens impliciet erkend, aangezien daarin wordt gesproken van „administratief ambt” en „administratieve ambtenaren(!)”.
4.
Uit de artikelen 7, lid 1, 45, lid 1, en 45, lid 2, in onderling verband bezien, kan het volgende, logisch en coherent lijkende systeem worden afgeleid.
a)
De sollicitant naar een ambt bij de Instellingen moet deelnemen aan een vergelijkend onderzoek dat ten doel heeft, zijn geschiktheid voor een vacant verklaarde post van een bepaalde categorie (A, B, C of D) of van een bepaalde groep (groep voor de talendienst of de wetenschappelijke of technische groep) te beoordelen.
Slaagt hij voor het examen, dan wordt hij op die post aangesteld.
b)
Op een later tijdstip kan de ambtenaar worden overgeplaatst naar een tot zijn categorie of groep behorende post van dezelfde rang.
c)
Indien de ambtenaar wordt bevorderd, wordt hij aangesteld in de eerstvolgende hogere rang van de categorie of groep waartoe hij behoort.
d)
Indien hij de categorie of groep waartoe hij tot dusver behoorde, wenst te verlaten, dient hij deel te nemen aan een nieuw vergelijkend onderzoek.
Dan is er namelijk geen sprake van overplaatsing of bevordering, doch van „overgang”.
Het gaat daarbij, zoals H. Henrichs zegt, om een horizontale of verticale verandering van loopbaan. ( 4 )
Deze zienswijze lijkt te worden bevestigd door het arrest van 5 december 1974 (zaak 176/73, Van Belle, Jurispr. 1974, blz. 1361, 1372), hoewel het daarbij ging om de overgang van een categorie naar een hogere categorie.
Het Hof herinnert eraan, dat volgens verweerder artikel 45, lid 2, „alleen meebrengt dat bevordering is uitgesloten, wanneer in een vacature wordt voorzien door overgang van een ambtenaar naar een hogere categorie, doch voor het overige verwijst naar de verschillende aanwervingsmogelijkheden, genoemd in artikel 29, en wel evenzeer in lid 2 als lid 1”, en vervolgt dan:
„overwegende dat artikel 45, lid 2, niet de zuiver negatieve strekking heeft die verweerder daaraan toekent, doch een fundamentele regel bevat die aansluit bij de geleding van het communautaire ambtenarenapparaat in verschillende categorieën, waarvoor onderscheiden kwalificaties vereist zijn;
dat reeds uit de woorden ‚kan alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek’ blijkt, niet slechts dat bevordering is uitgesloten, maar ook dat alleen het vergelijkend onderzoek is toegelaten;
dat de bepaling overigens zinloos zou zijn, indien zij slechts zou strekken tot uitsluiting van de mogelijkheid van bevordering en de andere wijzen van aanwerving zou openlaten, daar de uitsluiting van bevordering hij overgang naar een hogere categorie reeds is vervat in artikel 45, lid 1”.
Ik wil voorts herinneren aan het arrest-Besnard (13 juli 1972, gevoegde zaken 55-76, 86, 87 en 95/71, Jurispr. 1972, blz. 562).
5.
Dat de categorie A, vanuit de groep voor de talendienst bezien, een andere groep vormt, blijkt ook uit andere bepalingen van het Statuut, waarin deze twee typen van ambten zeer duidelijk van elkaar worden gescheiden.
Artikel 5, lid 3, bepaalt, dat voor de ambtenaren die tot eenzelfde categorie of groep behoren, onderscheidenlijk dezelfde bepalingen met betrekking tot aanwerving en loopbaan gelden.
Het Statuut bepaalt dus niet, dat de bepalingen met betrekking tot aanwerving en loopbaan voor de categorie A dezelfde moeten zijn als voor de categorie LA of omgekeerd.
Binnen de categorie A en binnen de groep voor de talendienst moet de behandeling gelijk zijn.
Er is dus duidelijk sprake van twee gescheiden wegen. Behalve uit de artikelen 7, lid 1, en 45, lid 1, blijkt dit ook uit de volgende bepalingen:
Artikel 7, lid 2: interim: de ambtenaar kan slechts ad interim een ambt vervullen dat bij een hogere loopbaan van zijn categorie of groep behoort dan waarin hij is geplaatst.
Artikel 31, lid 1: aanstelling van ambtenaren van de categorie A of van de groep voor de talendienst geschiedt in de aanvangsrang van hun categorie of groep.
Artikel 39, sub e: herplaatsing na detachering: de ambtenaar wordt bij de eerste vacature herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt.
Artikel 40, lid 4, sub d: herplaatsing na het verstrijken van verlof om redenen van persoonlijke aard: de ambtenaar wordt bij de eerste vacature herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt.
Artikel 41, lid 3, tweede alinea: rechten van de ter beschikking gestelde ambtenaar: de ambtenaar heeft bij voorrang recht op herplaatsing in een ambt van zijn categorie of groep.
Artikel 102, lid 4, sub b: integratie van ambtenaren van de groep voor de talendienst: hierbij wordt voor de ambtenaren van deze groep afgeweken van de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, die in het bijzonder zijn bedoeld voor ambtenaren van de categorie A.
Bijlage VIII, Artikel 14, tweede alinea: herplaatsing na een periode van arbeidsongeschiktheid: de ambtenaar moet bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt.
Uit het voorgaande volgt, dat voor de uitlegging van artikel 45, lid 2, de overgang van de groep voor de talendienst naar de categorie A is te beschouwen als een overgang naar „een andere groep” en dus slechts mogelijk is na een vergelijkend onderzoek.
Dit had het Hof reeds vastgesteld in het arrest van 20 juni 1985 in zaak 138/84 (Spachis/Commissie, Jurispr. 1985, blz. 1939), waarin het tweemaal de term „administratieve groep” gebruikte en verklaarde, dat volgens artikel 45, lid 2, de overgang van de groep voor de talendienst naar de administratieve groep „alleen kon plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek” (r. o. 10).
Deze opvatting werd door de Commissie gedeeld tot 1984. Zij wordt ook thans nog gevolgd door de Raad (zie de bij de dupliek overgelegde brief van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Raad van 6 november 1984).
Om al deze redenen wil ik derhalve voorstellen, de uitspraak in zaak 138/84 (Spachis) te bevestigen, en in zaak 292/84 (Scharf/Commissie) :
—
de onwettigheid vast te stellen van bovengenoemd besluit van de Commissie van 11 juli 1984, voor zover inhoudende dat sollicitaties van ambtenaren van de groep voor de talendienst in de eerste fase van de kennisgeving van vacature in aanmerking kunnen worden genomen ter voorziening in administratieve ambten;
—
nietig te verklaren het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 30 november 1984, waarbij de Commissie R. T., ambtenaar van de groep voor de talendienst, op de bij kennisgeving van vacature COM/1207/84 vacant verklaarde post heeft aangesteld;
—
nietig te verklaren het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 30 november 1984, waarbij het de sollicitatie van Scharf naar de in kennisgeving van vacature COM/1207/84 bedoelde post heeft afgewezen;
—
verweerster krachtens artikel 69, paragraaf 2, en artikel 73, sub b, van het Reglement voor de procesvoering te verwijzen in alle kosten van het geding.
Wat zaak 269/84 (C. Fabbro, F. Giuffrida en C. Herbin/Commissie) betreft, stel ik voor, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Strikt genomen brengt dit mee dat, behoudens toepassing van artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering, de verzoekers in de kosten moeten worden veroordeeld.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
( 1 ) Bekendgemaakt in Infor-Rapide nr. 138 van 18 juli 1984.
( 2 ) Wellicht ten overvloede wil ik er nog aan herinneren, dat het Hof in het arrest van 25 november 1976 (zaak 123/75, Küster, Jurispr. 1976, blz. 1701, r. o. 10-12) overwoog, dat „artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut, met de bepaling dat het tot aanstelling bevoegde gezag in vacatures moet voorzien door eerst de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling te onderzoeken, aan ambtenaren die voldoen aan de voorwaarden voor bevordering geen subjectief recht hierop toekent,„en dat „een bevordering uitsluitend geschiedt bij keuze„.
( 3 ) In deze zin: A. M. Euler, Europäisches Beamtenstatut, Carl Heymanns Verlag KG, blz. 90 (deel I) en biz. 359 (deel II) A(4)2.
( 4 ) „Horizontaler und vertikaler Laufbahnwechsel”, H. Henrichs: Die Rechtsprechung det Europäischen Gerichtshofes in Personalsachen, Europarecht 1980, blz. 138.
Full & Egal Universal Law Academy