CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
van 24 oktober 1985
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1. De feiten en de prejudiciële vragen
In augustus 1981 verrichtte de firma Metelmann GmbH & Co. KG te Hamburg bij twee Duitse douanekantoren de douaneformaliteiten voor de uitvoer van twee voor Polen bestemde partijen melkpoeder, verpakt in zakken van 25 kg. Op het uitvoercertificaat waren de uitvoerrestitutie en het monetair compenserend bedrag, betrekking hebbend op post 04.02 A II b 1 vooraf gefixeerd.
Na vervulling van deze formaliteiten werden de produkten naar de vrijhaven Hamburg vervoerd, waar de derde aan wie Metelmann de melkpoeder had verkocht, de produkten in eenheden van 1 kg liet ompakken, voordat zij het geografisch grondgebied van de Gemeenschap verlieten.
Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas vorderde de betaalde bedragen ter zake van uitvoerrestituties en monetair compenserende bedragen terug, met de overweging dat krachtens artikel 9, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979, houdende gemeenschappelijke toepassingsvoorwaarden voor de toekenning van uitvoerrestituties voor landbouwprodukten (PB 1979, L 317, biz. 1) de betaling van deze bedragen afhankelijk is van de voorwaarde, dat het produkt waarvoor de douaneformaliteiten zijn vervuld „in ongewijzigde staat” het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten.
Nadat het tegen deze beschikking ingestelde bezwaar was afgewezen, ging Metelmann in beroep bij het Finanzgericht Hamburg, dat bij beschikking van 1 oktober 1984 de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen heeft voorgelegd:
„1)
Is artikel 9, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2730/79, waarin de betaling van de restitutie bij uitvoer onder meer afhankelijk is gesteld van de voorwaarde, dat de waar het geografisch grondgebied van de Gemeenschap ‚in ongewijzigde staat’heeft verlaten, in die zin te verstaan, dat wijziging van de uiterlijke kenmerken van de waar (b.v. ompakken in kleinere eenheden) tot verlies van het recht op restitutie leidt, wanneer de waar dientengevolge onder een andere tariefpost komt te vallen, hoewel in de restitutieverordening voor beide tariefposten eenzelfde bedrag is voorzien ?
2)
Zo neen, dient in geval van wijziging van de uiterlijke kenmerken van de waar na de vervulling van douaneformaliteiten bij uitvoer en vóór het verlaten van het grondgebied van de Gemeenschap, het bij de vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer geldende, dan wel het vooraf vastgestelde restitutiebedrag te worden toegepast ?
3)
Heeft de in vraag 1 en/of 2 gevraagde uitlegging — bij wege van overeenkomstige uitlegging van verordening (EEG) nr. 1371/81 van 19 mei 1981 — ook te gelden voor de monetair compenserende bedragen, hoewel met name de artikelen 7, lid 4, en 16, lid 2, dier verordening geen uitdrukkelijke regeling voor de uitvoer van de waar in ongewijzigde toestand behelzen ?”
2. De eerste vraag
Metelmann stelt zich op het standpunt dat artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79 geen absoluut verbod bevat om de toestand van de goederen te veranderen. Zij beroept zich daartoe op artikel 4, lid 5, van verordening nr. 798/80 van de Commissie, betreffende de vooruitbetaling van restituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwprodukten (PB 1980, L 87, biz. 42), zoals deze bepaling is aangevuld bij artikel 2, sub 1, van verordening nr. 2674/80 van de Commissie van 17 oktober 1980 (PB 1980, L 274, blz. 11). Verordening nr. 798/80 zou naar haar mening, voor produkten die onder het stelsel van douane-entrepots of vrije zones zijn gebracht voor hun uitvoer in ongewijzigde staat, een aantal handelingen —waaronder ompakkingen — toestaan.
Om te beginnen moet worden vastgesteld dat, afgezien van de vraag of een dergelijke analoge toepassing van zo een op specifieke gevallen betrekking hebbende wetgeving tot de mogelijkheden behoort, het betrokken artikel 4, lid 5, door Metelmann onjuist wordt uitgelegd. Het betrokken artikellid luidt aldus:
„5)
De produkten of goederen die onder het stelsel van douane-entrepôts of vrije zones zijn gebracht, mogen er op de door de bevoegde instanties vastgestelde voorwaarden de onderstaande behandelingen ondergaan:
...
4)
verpakken, uitpakken, ompakken en repareren van verpakkingen.”
In casu is echter de melkpoeder niet alleen omgepakt, maar ook qua eenheid veranderd. De Franse tekst „changement d'emballage” maakt duidelijk dat dit laatste daaronder niet begrepen is, zoals ook de Commissie tijdens de mondelinge zitting heeft betoogd. Dat deze strikte uitleg gerechtvaardigd is blijkt uit de richtlijn nr. 71/235/EEG van de Raad van 21 juni 1971 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de „gebruikelijke handelingen” die in de douane-entrepots en in vrije zones mogen worden verricht (PB 1971, L 143, blz. 28). Artikel 1, sub 8, van deze richtlijn bezigt dezelfde formulering: „het verpakken, uitpakken, ompakken en repareren van verpakkingen”, maar voegt daar apart aan toe ...„en het weer in de vereiste toestand brengen door het eenvoudig overgieten of overbrengen in andere verpakkingen”.
Deze strikte uitleg van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 798/80 is geboden vanwege de controlevereisten. Zoals de Commissie heeft betoogd, vinden jaarlijks in de Gemeenschap meer dan twee miljoen soortgelijke transacties als de onderhavige plaats. Derhalve is het een vereiste voor behoorlijke controle dat de verklaringen ter vervulling van de douaneformaliteiten en de opgaven die zich op het controle-exemplaar T 5 bevinden, identiek zijn. In de praktijk is het, gegeven het massale karakter van deze transacties, niet mogelijk de identiteit der goederen anders vast te stellen dan op basis van de verpakking en de grootte daarvan. Zo bezien is een dergelijk vereiste en de strikte uitleg daarvan in overeenstemming te achten met het evenredigheidsbeginsel.
De consequentie van het niet naleven van de aldus uit te leggen voorwaarde van artikel 9, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, is dat blijkens de tekst van deze bepaling de vooraf vastgestelde uitvoerrestitutie niet kan worden uitbetaald, te meer niet nu de goederen door de verandering onder een andere tariefpost kwamen te vallen. Deze consequentie geldt ook voor het vooraf vastgestelde monetair compenserende bedrag. Blijkens artikel 2 van de ten tijde van de onderhavige feiten geldende verordening nr. 243/78 van de Commissie van 1 februari 1978, houdende invoering van de vaststelling vooraf van de monetaire compenserende bedragen (PB 1978, L 37, blz. 5) kan vaststelling vooraf van deze bedragen alleen plaatsvinden indien de van toepassing zijnde heffingen en restituties ook vooraf worden vastgesteld. Dienovereenkomstig ligt het voor de hand om bij verval van de vooraf vastgestelde restitutie ook het verval van het vooraf vastgestelde monetair compenserend bedrag aan te nemen.
3. De tweede vraag
Met de tweede vraag wil het Finanzgericht in feite vernemen of Metelmann alsnog voor restitutie en monetair compenserende bedragen in aanmerking kan komen. Naar het oordeel van de Commissie is het bij wijze van uitzondering mogelijk dat, nadat de goederen zijn uitgevoerd, alsnog en dit keer opnieuw de douaneformaliteiten vervuld worden. Artikel 3 van verordening nr. 2730/79 sluit dit inderdaad niet uit. Het voor de toepassing van de restitutievoet relevante tijdstip zal eveneens aan de betrokken bepaling ontleend moeten worden. Anders dan de Commissie ben ik echter van oordeel dat uit artikel 3, lid 2, van deze verordening volgt dat de hernieuwde vervulling van de douaneformaliteiten in een dergelijk geval de daar gedefinieerde „dag van uitvoer” betreft en niet de dag waarop de goederen daadwerkelijk de Gemeenschap hebben verlaten. Ter verduidelijking voeg ik daaraan toe dat zowel bij deze oplossing als bij die welke door de Commissie is voorgesteld, het niet uitgesloten is dat het geldende restitutiebedrag hoger is dan het oorspronkelijk vooraf vastgestelde bedrag. Een verduidelijking in verordening nr. 2730/79 met betrekking tot het achteraf opnieuw vervullen van de douaneformaliteiten is naar mijn oordeel daarom gewenst. Deze oplossing dient ook te worden toegepast ten aanzien van de monetair compenserende bedragen gezien de samenhang tussen deze bedragen en de uitvoerrestitutie, zoals blijkt uit artikel 5, lid 4, van verordening nr. 1372/81, inzake de toekenningsvoorwaarden voor monetair compenserende bedragen (PB 1981, L 138, blz. 14).
Een afzonderlijke beantwoording van de derde vraag acht ik derhalve niet noodzakelijk, nu ik daarop reeds bij de behandeling van de eerste en de tweede vraag ben ingegaan.
4. Conclusie
Concluderend geef ik U in overweging de vragen van het Finanzgericht als volgt te beantwoorden:
1)
Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79 verzet zich ertegen dat de voorwaarde dat goederen het geografisch grondgebied van de Gemeenschap „in ongewijzigde staat” hebben verlaten, in die zin wordt verstaan dat wijziging in de uiterlijke kenmerken van de goederen (b.v. het ompakken in kleinere eenheden) niet het verlies van het recht op vooraf vastgestelde restitutie en daaraan verbonden het vooraf vastgestelde monetair compenserend bedrag met zich medebrengt.
2)
Bij wijze van uitzondering kunnen na het verlaten van het grondgebied van de Gemeenschap de douaneformaliteiten alsnog worden vervuld. In dit geval zijn de op de dag van uitvoer geldende restitutiebedragen en monetair compenserende bedragen van toepassing.
Full & Egal Universal Law Academy