Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij ter griffie van het Hof op 23 november 1984 ingeschreven verzoekschrift vordert de Bondsrepubliek Duitsland nietigverklaring van de artikelen*1, 2 en 3 van verordening nr.*2677/84 van de Commissie betreffende overgangsmaatregelen met het oog op de revaluatie van de representatieve koers van de Duitse*mark per 1 januari 1985 ( PB*1984, L*253, blz.*31 ).
De aan het geding ten grondslag liggende feiten zijn de volgende .
Bij verordening ( EEG ) nr.*855/84 van 31 maart 1984 ( PB*1984, L*90, blz.*1 ) werd een afbraak van de monetair compenserende bedragen ( mcb' s ) in drie fasen voorzien . De eerst fase ( artikel*1 van de verordening ) hield in dat de methode van berekening van de mcb' s werd gewijzigd; deze wijziging trad in werking op de dag van de publikatie van de verordening op 1 april 1984 . Voor de Bondsrepubliek Duitsland hield de tweede fase ( artikel*2 en de bijlagen bij de verordening ) in, dat de representatieve koers ( ook bekend als de "groene koers ") van de Duitse mark met ingang van 1 januari 1985 werd gerevalueerd; voor zover hier van belang luidt de betrokken bijlage als volgt : "1*Ecu = 2,38516*DM . Deze koers geldt met ingang van 1*januari*1985 . Evenwel ... geldt voor de sector granen met ingang van 1*januari*1985 de volgende koers : 1*Ecu = 2,39792*DM ." De derde fase ( artikel*5, lid*1, van de verordening ) hield in, dat de positieve mcb' s die na 1 januari 1985 bleven bestaan, uiterlijk aan het begin van het verkoopseizoen 1987/1988 moesten worden afgeschaft . Ten aanzien van de eerste en de tweede fase zouden overgangsmaatregelen worden genomen . Artikel*7 bepaalt ter zake het volgende :
"Overgangsmaatregelen die nodig zijn om
- de overgang van het ene stelsel van berekening van de monetaire compenserende bedragen naar het andere te vergemakkelijken,
- verstoringen ten gevolge van de revaluatie van de representatieve koersen van de Duitse mark en de Nederlandse gulden per 1 januari 1985 te vermijden,
kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel*6 van verordening ( EEG ) nr.*974/71 ".
Het eerste streepje van dit artikel heeft betrekking op de wijzigingen in de berekening van de mcb' s en het tweede streepje op de revaluatie van de groene koers van de Duitse mark op 1*januari*1985 .
De revaluatie van de groene koers van de Duitse mark op 1*januari*1985 leidde in de Bondsrepubliek Duitsland tot een daling van de in nationale munteenheid uitgedrukte prijzen van landbouwprodukten en dus tot een daling van het inkomen van de Duitse landbouwproducenten . Ter compensatie van die daling werd in de artikelen*3 en 4 van verordening nr.*855/84 ( zoals verlengd bij beschikking*84/361 van de Raad van 30 juni 1984, PB*1984, L*185, blz.41 ) een bijzondere steun voor Duitse landbouwers ingesteld .
Krachtens artikel*6 van verordening nr.*974/71 ( PB*1971, L*106, blz.*1 ) worden de uitvoeringsbepalingen van deze verordening, die ook andere afwijkingen van verordeningen betreffende het gemeenschappelijke landbouwbeleid kunnen inhouden, vastgesteld volgens de procedure van artikel*26 van verordening nr.*120/67/EEG van de Raad van 13 juni 1967, naderhand vervangen door verordening nr.*2727/75 van de Raad ( PB*1975, L*281, blz.*1 ).
Artikel*26 van verordening nr.*2727/75 regelt de procedure die door het Comité van beheer voor granen moet worden gevolgd . Volgens dit artikel ( zoals gewijzigd bij de Toetredingsakte van Griekenland, PB*1979, L*291, blz.*17 ) moet, in de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure en de zaak wordt voorgelegd aan het Comité, de vertegenwoordiger van de Commissie een ontwerp indienen van de te nemen maatregelen . Het Comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naargelang van de urgentie van de vraagstukken . Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van 45 stemmen .
Artikel*41 van verordening nr.*1785/81 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker ( PB*1981, L*177, blz.*4 ), in de op het relevante tijdstip geldende versie, was in gelijkluidende bewoordingen gesteld .
Naast deze bepalingen heeft het Comité van beheer voor granen zijn eigen Reglement van orde, dat is vastgesteld in een gemeenschappelijke vergadering van de Comités van beheer voor de landbouwsector op 22 juli 1965 . Dit is een niet gepubliceerd stuk . Artikel*3 van dit Reglement luidt als volgt :
"De convocatie, de agenda en de ontwerp-maatregelen waarover het advies van het Comité wordt verzocht, alsmede alle overige werkdocumenten worden door de voorzitter aan de vertegenwoordigers van de Lid-Staten in het Comité ... toegezonden . De Permanente Vertegenwoordigingen van de Lid-Staten moeten deze stukken uiterlijk 8 dagen vóór de datum van de vergadering hebben ontvangen .
Op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat of eigener beweging kan de voorzitter, in dringende gevallen wanneer de vast te stellen maatregelen onmiddellijk moeten worden toegepast, de in de voorgaande alinea genoemde termijn voor toezending bekorten tot twee volle werkdagen vóór de datum van de vergadering ...
In geval van dringende noodzaak kan de voorzitter, op verzoek van een vertegenwoordiger van een Lid-Staat of op eigen initiatief, een punt tijdens de vergadering op de agenda daarvan plaatsen ."
In de notulen van de vergadering waarin dit Reglement van orde werd vastgesteld, is de verklaring opgenomen dat dit niet betekent dat de Commissie of de Lid-Staten problemen kunnen aansnijden waarvan het spoedeisende karakter niet duidelijk blijkt, en dat de beslissing over de vraag of een op de agenda te plaatsen punt een dringend karakter heeft, uiteindelijk bij de voorzitter berust .
Artikel*4 van het Reglement van orde bepaalt, onder meer, dat indien, ingeval van een verzoek om advies, een ontwerp, waarvan het onderwerp op de agenda van de vergadering is opgenomen, in de loop van de vergadering wordt ingediend, de voorzitter, op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat, de stemming daarover uitstelt tot aan het eind van de vergadering; in geval van bijzondere moeilijkheden verlengt hij de vergadering tot de volgende dag .
Met betrekking tot dit artikel wordt in de notulen verklaard : "Het opschuiven van het stemmen naar het einde van de vergadering en de verlenging van de vergadering tot de volgende dag hebben ten doel, de delegaties in de gelegenheid te stellen nadere instructies te krijgen ."
Naar het Hof is meegedeeld, wordt het Reglement van orde van het Comité van beheer voor granen ook gebruikt bij de andere Comités van beheer .
In een door de Commissie op 14*september*1984 gepubliceerde mededeling ( PB*1984, L*244, blz.*45 ) werd verklaard : "De belanghebbenden worden opmerkzaam gemaakt op het voornemen van de Commissie, in de graansector maatregelen op grond van artikel*7 van verordening ( EEG ) nr.*855/84 te treffen om te vermijden dat, wegens de aanpassing van de representatieve koers van de DM en de gulden vanaf 1*januari*1985, ongewoon grote hoeveelheden door de interventiebureaus worden aangekocht . Deze maatregelen kunnen van toepassing worden verklaard op de hoeveelheden die vanaf de datum van bekendmaking van deze mededeling ter interventie worden aangeboden ."
Deze overgangsmaatregel krachtens artikel*7 van 's*Raads verordening nr.*855/84 stelde de Commissie vast bij verordening nr.*2677/84, waarvan de geldigheid thans wordt betwist . In de eerste overweging van de verordening wordt het doel daarvan omschreven als volgt :
"Overwegende dat de wijziging van de representatieve koersen van de Duitse mark en de Nederlandse gulden per 1 januari 1985, in overeenstemming met het bepaalde in verordening ( EEG ) nr.*855/84, leidt tot een overeenkomstige verlaging van de interventieprijzen uitgedrukt in nationale valuta in de betrokken Lid-Staten; dat in deze omstandigheden en gelet op de huidige situatie van de markten, de omvang van de monetaire wijziging verstoringen zou kunnen veroorzaken met name op de markten voor granen en suiker; dat het derhalve noodzakelijk is passende overgangsmaatregelen vast te stellen om mogelijke verstoringen te voorkomen ."
Uit deze overweging en uit de titel blijkt duidelijk, dat de overgangsmaatregelen alleen betrekking hadden op de tweede fase van de afbraak van de mcb' s, dat wil zeggen op de revaluatie van de groene koers van de Duitse mark op 1*januari*1985 .
In de considerans van verordening nr.*2677/84 identificeerde de Commissie vier probleemgebieden :
i ) voor granen konden abnormale hoge verkopen aan de interventiebureaus vóór 1 januari 1985 leiden tot verstoringen van de markt en van de interventieregeling in Duitsland; om dit te voorkomen moest de hoeveelheid granen die door het interventiebureau mocht worden aangekocht tegen de oude groene koers, worden beperkt tot de hoeveelheid die onder normale omstandigheden tot uiterlijk 31 december 1984 zou zijn aangekocht en die op 2*500*000*ton werd geraamd; voor de hoeveelheden daarboven die vanaf 14 september 1984 aan het Duitse interventiebureau werden aangeboden, diende de nieuwe groene koers te gelden;
ii ) voor suiker kon die toepassing met ingang van 1*januari*1985 van een nieuwe groene koers de fabrikanten ertoe aanzetten, de hoeveelheden suiker die normaal na die datum in de handel zouden worden gebracht, onmiddellijk aan het interventiebureau te verkopen, terwijl in normale marktomstandigheden geen suiker aan de interventiebureaus werd verkocht; daarom diende voor de interventieaankopen de nieuwe groene koers voor de Duitse mark te worden toegepast vanaf de inwerkingtreding van verordening nr.*2677/84;
iii ) met betrekking tot de aankoop van suikerbieten rees het volgende probleem : de suikerfabrikanten zijn krachtens de verordening betreffende de gemeenschappelijke marktordening verplicht, de suikerbietentelers bepaalde minimumprijzen te betalen, doch de suikerbieten worden in de periode van oktober tot en met december geoogst, terwijl de daaruit verkregen suiker gedurende enige tijd daarna wordt verkocht; zonder overgangsmaatregelen zouden de minimumprijzen voor suikerbieten naar de oude groene koers van de Duitse mark worden berekend, doch de verkoopprijs van de suiker naar de nieuwe groene koers, zodat deze laatste lager zou uitvallen . Om te voorkomen dat de gehele last van de daling van de in nationale valuta uitgedrukte prijzen ten gevolge van de revaluatie van de groene koers van de Duitse mark op 1 januari 1985 volledig ten laste van de suikerfabrikanten zou komen, en om de suikerfabrikanten en de suikerbietentelers een rechtvaardige behandeling te garanderen, moest volgens de Commissie voor deze minimumprijzen noch de oude noch de nieuwe groene koers worden gebruikt, doch een daartussen liggende gemiddelde omrekeningskoers;
iv ) een zelfde probleem doet zich voor bij de aankoop van aardappelmeel; daarom werd een soortgelijke oplossing noodzakelijk geacht om het risico billijk te verdelen tussen de fabrikanten van aardappelmeel en de aardappeltelers in Duitsland .
De artikelen*1, 2 en*3 bevatten een gedetailleerde uitvoeringsregeling voor deze doelstellingen voor respectievelijk granen, suiker en suikerbieten en aardappelmeel . De verordening zou in werking treden op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad, namelijk op 21 september*1984 .
Deze artikelen leverden ruwweg het volgende op : i)*voor de interventieaankopen van granen in Duitsland zou van 14*september tot 31 december 1984 de nieuwe groene koers gelden, mits eerst een hoeveelheid van 2*500*000*ton uit de oogst van 1984 door het interventiebureau was aangekocht ( artikel*1 ); ii)*voor de interventieaankopen van suiker in Duitsland gold de nieuwe groene koers van 21*september tot 31 december 1984 ( artikel*2 ); iii)*voor de verplichte minimumprijzen die gedurende het gehele verkoopseizoen 1984/85 door de suikerfabrikanten aan de suikerbietentelers moesten worden betaald, gold een tussen de oude en nieuwe koers gelegen gemiddelde groene koers ( artikel*3, lid*1 ); en iv)*voor de minimumprijs die gedurende het gehele verkoopseizoen 1984/85 door de aardappelmeelfabrikanten aan de aardappeltelers moest worden betaald, gold een tussen de oude en de nieuwe koers gelegen gemiddelde koers ( artikel*3, lid*2 ).
Voor haar vordering tot nietigverklaring van de artikelen*1, 2 en*3 van verordening nr.*2677/84 voert de Bondsrepubliek zes middelen aan .
In de eerste plaats betoogt zij, dat wezenlijke vormvoorschriften van het Reglement van orde van het Comité van beheer zijn geschonden . De Commissie heeft op 18 september 1984 om 12.28 uur een telexbericht gezonden waarin zij de vertegenwoordigers van de Lid-Staten uitnodigde voor een vergadering van het Comité van beheer voor agromonetaire vraagstukken ( sectoren granen en suiker ), te houden op 20*september*1984 te 10.OO uur . Het telexbericht werd door de Duitse Permanente Vertegenwoordiging die zelfde dag om 12.36 uur ontvangen . Er stond in, dat punt één op de agenda van de vergadering betrekking had op een ontwerp-verordening van de Commissie betreffende overgangsmaatregelen met het oog op de revaluatie van de representatieve koers van de Duitse mark en de Nederlandse gulden op 1 januari 1985; de ontwerp-verordening van de Commissie was echter niet bij de convocatie gevoegd, doch werd eerst ter vergadering van 20*september*1984 als discussiestuk uitgedeeld . Blijkens de notulen van de vergadering volgde daarop een uitvoerige gedachtenwisseling . Vervolgens werd de vergadering van 12.30 uur tot 15.00 uur geschorst om, aldus de notulen, de delegaties de mogelijkheid te bieden contact op te nemen met hun hoofdsteden . Bij de hervatting van de vergadering 's*namiddags werd de delegaties een gewijzigd ontwerp ter hand gesteld, waarin een aantal in de discussie opgeworpen punten waren verwerkt . De definitieve stemming vond plaats om 16.00 uur en in het verslag is vermeld, dat 38 stemmen voor en 25 stemmen tegen de ontwerp-verordening werden uitgebracht . Daar voor een meerderheid 45 stemmen nodig waren, betekende dit dat geen advies was uitgebracht, een feit dat in de laatste overweging van verordening nr.*2677/84 is vermeld . Volgens de notulen sprak de Duitse delegatie zich terstond na de vaststelling van de uitslag van de stemming uit tegen de maatregelen zelf en betwistte zij de geldigheid van artikel*7 van verordening nr.*855/84 als basis voor maatregelen met nadelige gevolgen voor de Duitse marktdeelnemers .
De Bondsrepubliek betoogt, dat het Comité van beheer niet behoorlijk is geraadpleegd daar zijn leden het hun voorgelegde ontwerp niet adequaat konden bestuderen, aangezien het hun pas in de vergadering van het Comité ter kennis was gebracht, terwijl het volgens de Bondsrepubliek volstrekt geen dringend karakter had daar de Commissie maandenlang, namelijk sinds het vaststellen van verordening nr.*855/84 op 31 maart 1984, niets had ondernomen .
Wat de beweerde inbreuken op het Reglement van orde van het Comité van beheer betreft, voert de Commissie twee argumenten aan : in de eerste plaats, toen verordening nr.*2677/84 werd vastgesteld was er, anders dan de Bondsrepubliek meent, sprake van een "geval van dringende noodzaak" in de zin van artikel*3, derde alinea, van het Reglement van orde van het Comité van beheer; in de tweede plaats heeft de Bondsrepubliek, daar zij zonder enig voorbehoud te maken aan de vergadering van het Comité van 20 september 1984 heeft deelgenomen, het recht verloren om op te komen tegen een schending van vormvoorschriften .
Het tweede argument van de Commissie kan ik niet aanvaarden . De procedure van het Comité van beheer is administratief van aard en dient derhalve niet te worden behandeld als een gerechtelijke procedure in technische zin, waarbij de omstandigheid dat een partij een bepaald punt niet naar voren heeft gebracht, haar kan beletten om dit later alsnog te doen . Het feit dat de vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek in de vergadering geen bezwaar hebben gemaakt tegen de korte termijn waarop zij het ontwerp hadden ontvangen, kan niet worden geacht de Bondsrepubliek het recht te ontnemen, in de onderhavige procedure een beroep te doen op schending van wezenlijke vormvoorschriften .
Anderzijds ben ik er niet van overtuigd, dat de korte tijd die de Duitse vertegenwoordigers ter beschikking stond om het ontwerp te bestuderen, hen inderdaad belette dit naar behoren te doen . Het Hof beschikt over bewijzen dat in elk geval vanaf 20*juli*1984 tot de bijeenkomst van de Comités van beheer tussen de Duitse regering en de Commissie brieven zijn gewisseld over het vraagstuk van de overgangsmaatregelen . Uit deze aan het Hof overgelegde correspondentie blijkt, dat zowel de Commissie als de Duitse autoriteiten van mening waren dat overgangsmaatregelen wenselijk waren en dat de eventuele overgangsmaatregelen binnen bepaalde grenzen moesten blijven, alsook dat zij elkaars standpunt hadden begrepen . De Duitse regering had beklemtoond dat de Duitse landbouwers en kopers van landbouwprodukten moesten worden beschermd tegen de gevolgen van de aanstaande revaluatie van de Duitse mark, doch had ook te verstaan gegeven dat zij niet bereid was eventuele steun uit haar nationale middelen te financieren . Beide partijen waren zich ervan bewust dat in 1984 een record oogst was te verwachten en hadden verklaard dat stabiele marktvoorwaarden moesten worden gehandhaafd en het interventiestelsel moest worden veilig gesteld . De Commissie had er ook op gewezen, dat haar de nodige middelen ontbraken . Ofschoon het duidelijk is, dat de Duitse autoriteiten er de voorkeur aan zouden hebben gegeven dat de overgangsmaatregelen de vorm hadden gekregen van een aan kopers van landbouwprodukten in Duitsland uit gemeenschapsmiddelen betaalde steun, waren de waarschijnlijkheid van een recordoogst in 1984 en de ernstige budgettaire moeilijkheden waarmee de Gemeenschap destijds had te kampen, omstandigheden waarin ook door een langere bestudering van het ontwerp van de Commissie geen verandering kon worden gebracht . Zelfs indien het Reglement van orde van het Comité van beheer is geschonden, zou dit mijns inziens dan ook geen wezenlijk verschil hebben gemaakt voor het eindresultaat en dus geen reden voor nietigverklaring vormen .
Het uitdelen van de ontwerp-verordening in de vergadering zelf is geoorloofd, wanneer er sprake is van een "geval van dringende noodzaak" in de zin van artikel*3, derde alinea, van het Reglement van orde . Het staat aan de voorzitter van het Comité van beheer, te beslissen of er sprake is van een "geval van dringende noodzaak"; het Hof kan deze beslissing echter toetsen om vast te stellen, of de voorzitter de betekenis van dit begrip verkeerd heeft uitgelegd ofwel heeft gehandeld op een wijze die, gelet op de gegevens waarover hij beschikte, onredelijk of willekeurig was . Volgens de Commissie is in Duitsland tussen 17 en 20*september*1984 43*000 ton suiker verkocht aan de interventiebureaus . Hoewel dit op zichzelf geen grote hoeveelheid is, hadden dergelijke interventieaankopen in Duitsland gedurende meer dan zeven jaar niet meer plaats gehad . Onder deze omstandigheden kon de vrees van de Commissie gerechtvaardigd zijn, dat dit slechts het begin van omvangrijke verkopen voor interventie was, vooral omdat op 20*september*1984, de dag van de vergadering van het Comité van beheer, de hele dag aanzienlijke hoeveelheden aan interventiebureaus ten verkoop werden aangeboden . In de graanhandel is algemeen bekend, dat de op 14*september*1984 gepubliceerde mededeling van de Commissie grote onzekerheid had veroorzaakt . Dientengevolge probeerden talrijke handelaren granen aan het Duitse interventiebureau aan te bieden, dat evenwel, in afwachting van definitieve maatregelen van de Commissie, voorshands weigerde aanbiedingen te accepteren . Dit leidde tot een sterke daling van de prijzen . Bovendien waren de budgettaire moeilijkheden van de Gemeenschap op dat ogenblik van dien aard dat dringend maatregelen moesten worden genomen ter bescherming van het EOGFL, afdeling Garantie . Deze drie factoren waren mijns inziens voldoende reden om te beslissen dat er sprake was van een geval van dringende noodzaak; de beslissing was stellig niet onredelijk en berustte ook niet op een onjuiste rechtsopvatting .
Ter terechtzitting stelde de Bondsrepubliek, dat de dringende noodzaak was teweeggebracht door de mededeling van de Commissie, zodat de Commissie daarop geen beroep kon doen . Dat zou een geldig argument zijn wanneer de Commissie verwijsbaar zou hebben gehandeld door de mededeling in dat stadium te publiceren en wanneer dat de enige oorzaak van de dringende noodzaak was . Ik ben niet overtuigd, dat een fout van de Commissie is aangetoond of dat het tijdstip en de bewoordingen van de mededeling de enige oorzaak van de dringende noodzaak waren . De Commissie heeft mijns inziens aangetoond, dat het geval viel onder artikel*3, derde alinea, van het Reglement van orde van de Comités van beheer en dat zij daarom haar ontwerp-verordening eerst de ochtend van de betrokken vergadering mocht uitdelen en dat de voorzitter dit ontwerp mocht accepteren . Het middel, ontleend aan de schending van wezenlijke voorschriften, gaat dus niet op .
Het tweede middel is dat een rechtsgrondslag voor de bestreden bepalingen ontbrak .
Dit middel valt in twee onderdelen uiteen . Ten eerste zou artikel*7 van verordening nr.*855/84 het mogelijk dienen te maken dat compensatie werd geboden voor de verliezen die de handelaren in de produktie - en verkoopsstadia hadden geleden ten gevolge van de daling van de prijzen . Krachtens dit artikel konden geen overgangsmaatregelen worden genomen welke inhielden dat de nieuwe omrekeningskoers zou worden toegepast, wanneer dit nadelig uitviel voor de handelaren in de produktie - en verkoopstadia . Ten tweede zouden, aangezien de financiering van de mcb' s sinds 1972, toen verordening nr.*974/71 werd vastgesteld, een onderdeel van de landbouwmarkt was geworden, de in artikel*7 van verordening nr.*855/84 verleende bevoegdheden slechts op dusdanige wijze kunnen worden uitgeoefend dat duidelijk was dat de Commissie aansprakelijk was voor eventuele na 1*januari 1985 geleden verliezen in de produktie - en verkoopsstadia ten gevolge van de prijsdaling .
Er is dikwijls verwezen naar de omstandigheden waaronder de verordeningen nrs.*855/84 en 2677/84 zijn vastgesteld . Deze zijn volgens mij slechts van belang, wanneer artikel*7 niet duidelijk is .
Uit de verordening als geheel blijkt duidelijk, dat de artikelen*1, 2 en*3 van verordening nr.*2677/84 zijn vastgesteld op grond van artikel*7, tweede streepje, ten einde "verstoringen ten gevolge van de revaluatie van de representatieve koersen van de Duitse mark en de Nederlandse gulden per 1*januari 1985 te vermijden ". Zij betreffen niet het vergemakkelijken van de "overgang van het ene stelsel van berekening van monetaire compenserende bedragen naar het andere", bedoeld in het eerste streepje van dat artikel . Het tweede streepje kan niet worden uitgelegd in de door de Bondsrepubliek voorgestelde zin . Het doel is het vermijden van verstoringen en niet noodzakelijkerwijs het veiligstellen van het inkomensniveau van Duitse producenten en handelaren in landbouwprodukten . In de artikelen*1, 2 en*3 probeert de Commissie binnen de haar verleende discretionaire bevoegdheid dergelijke verstoringen met betrekking tot granen en suiker te vermijden en de uit de revaluatie voortvloeiende financiële last billijker te verdelen tussen de producenten en de kopers van suikerbieten en van aardappels voor de produktie van aardappelmeel .
Wat de bewering betreft, dat de Gemeenschap evenzeer verantwoordelijk is voor de financiering van in de handels - en produktiestadia ontstane verliezen als voor de financiering van de mcb' s, 's*Raads verordening nr.*729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( PB*1970, L*34, blz.*13 ) bepaalt dat het EOGFL, afdeling Garantie, de restituties bij uitvoer naar derde landen en de interventies ter regulering van de landbouwmarkten financiert . Op zichzelf vallen de mcb' s niet hieronder, doch om deze daaronder te brengen werd de verordening uitgebreid bij verordening nr.*2746/72 ( PB*1972, L*291, blz.*148 ); daarin werd bepaald dat de in het handelsverkeer met derde landen toegekende mcb' s als onderdeel van de restituties bij de uitvoer naar derde landen werden beschouwd en dat de in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten geheven of toegekende mcb' s als onderdeel van de ter regulering van de landbouwmarkten dienende interventies werden beschouwd . De hier bedoelde bepaling is de uitdrukkelijke rechtsgrondslag, op grond waarvan de mcb' s uit de begroting van de Gemeenschappen worden gefinancierd . Uit het arrest in zaak 18/76 ( Duitsland/Commissie, Jurispr.*1979, blz.*343 ) blijkt echter duidelijk, dat enkel bedragen die in overeenstemming met de in de verschillende sectoren der landbouwprodukten opgestelde regels zijn betaald, ten laste van het EOGFL mogen worden gebracht en dat elk ander betaald bedrag ten laste van de Lid-Staten komt . Er bestaat geen uitdrukkelijke bepaling volgens welke de Gemeenschappen moeten opkomen voor de verliezen die in de verkoop - en produktiestadia zijn geleden ten gevolge van de door de revaluatie van de Duitse mark op 1*januari 1985 veroorzaakte prijsdalingen en -*ook bij de ruimste uitlegging *- kunnen de bepalingen van verordening nr.*2746/72 inzake de financiering van de mcb' s onmogelijk in die zin worden uitgelegd, dat zij dergelijke verliezen dekken . Ik beschouw de wijziging van de representatieve koers van de Duitse mark als een andere aangelegenheid die niet onder deze bepalingen valt, zodat de Gemeenschap de gevolgen daarvan niet behoeft te financieren . Beide onderdelen van het tweede middel van de Bondsregering kunnen daarom niet slagen .
Het derde middel van de Bondsrepubliek is, dat de Commissie onrechtmatig heeft gehandeld door de in verordening nr.*855/84 vastgestelde tijdstippen voor de toepassing van de nieuwe representatieve koersen van de Duitse mark te wijzigen . Daardoor zou in het bijzonder in strijd met artikel*155 EEG-Verdrag, vierde streepje, zijn gehandeld . Deze bepaling luidt als volgt : "Ten einde de werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt te verzekeren, oefent de Commissie de bevoegdheden uit welke de Raad haar verleent ter uitvoering van de regels die hij stelt"; in casu zijn dat de in artikel*7 van verordening nr.*855/84 verleende bevoegdheden . De Bondsrepubliek betoogt, dat in de artikelen*1, 2 en 3 van verordening nr.*2677/84 het tijdstip waarop de wijziging van de representatieve koersen ingaat, voor de Bondsrepubliek gedeeltelijk met meer dan drie maanden wordt vervroegd en de inhoud en economische draagwijdte van de in verordening nr.*855/84 vervatte monetaire maatregelen wezenlijk wordt gewijzigd .
Behoudens uitdrukkelijke machtiging van de Raad zou de Commissie niet, door uitvoeringsbepalingen vast te stellen, de bepalingen van een verordening van de Raad kunnen wijzigen . In casu was zij daartoe niet gemachtigd .
Ik zou als algemeen uitgangspunt willen nemen, dat de door de Raad aan de Commissie verleende uitvoerende bevoegdheden niet kunnen worden gebruikt om de basisbepalingen van een verordening van de Raad te wijzigen, tenzij de Commissie door de Raad uitdrukkelijk of stilzwijgend daartoe is gemachtigd . In casu was de Commissie echter uitdrukkelijk gemachtigd de overgangsmaatregelen te nemen "die nodig zijn om verstoringen ten gevolge van de revaluatie van de ... Duitse mark ... te vermijden ". Mij dunkt, dat de ter verzekering van deze overgang verleende bevoegdheid ruim genoeg was om de Commissie in staat te stellen, vóór de inwerkingtreding van de verordening van de Raad de nieuwe koersen voor granen en suiker en ( een tussen de oude en nieuwe koersen gelegen gemiddelde koers ) voor suikerbieten en aardappels voor aardappelmeel toe te passen, voor zover het bij de genomen maatregelen overgangsmaatregelen waren die noodzakelijk waren om verstoringen te vermijden .
Het is duidelijk dat de hier genomen maatregelen overgangsmaatregelen waren . Volgens mij is aangetoond, dat zij noodzakelijk waren om met betrekking tot bepaalde produkten verstoringen te vermijden; met betrekking tot granen is zelfs bepaald, dat de hoeveelheid granen die volgens de schatting van de Commissie onder normale omstandigheden tegen de uit de oude groene koers voortvloeiende prijzen ter interventie zouden zijn aangeboden, zijn uitgesloten van de overgangsbepalingen . Bijgevolg is de Commissie bij de vaststelling van deze maatregelen binnen de in artikel*7 van verordening nr.*855/84 verleende bevoegdheden gebleven .
In de vierde plaats betoogt de Bondsrepubliek dat a ) artikel*1 betreffende granen en b ) artikel*3, lid*2, betreffende aardappelmeel in strijd zijn met het discriminatieverbod, dat van hogere orde is . Met betrekking tot punt a ) betoogt de Bondsrepubliek, dat artikel*1, lid*1, van verordening nr.*2677/84 nietig is wegens strijd met het discriminatieverbod van artikel*40, lid*3, tweede alinea, EEG-Verdrag . In de regeling voor de graansector zou geen rekening worden gehouden met het feit dat vooral door klimatologische omstandigheden veroorzaakte regionale verschillen bij het binnenhalen van de oogst, de handelaren die hun produkten nog voor de inwerkingtreding van de regeling aan het interventiebureau hadden verkocht, begunstigd werden .
De Commissie meent, dat de grief van discriminatie van late graanoogsten reeds daarom ongegrond is, omdat het door de Commissie voor interventie in Duitsland tegen de oude prijs opengestelde quotum niet volledig was uitgeput . Die bewering is echter niet bewezen . Op verzoek van het Hof heeft de Bondsrepubliek statistieken overgelegd waaruit blijkt, dat het door de Commissie voor interventie tegen de oude prijs geopende quotum ruimschoots was overschreden door de aan het Duitse interventiebureau aangeboden hoeveelheden : het quotum bedroeg 2*500*000*ton, terwijl tot aan het krachtens artikel*1, lid*3, van verordening nr.*2677/84 in de Duitse regeling vastgestelde tijdstip aan het Duitse interventiebureau 3*739*529 ton was aangeboden . Zelfs aangenomen dat een gedeelte van de ter interventie aangeboden hoeveelheden niet van voldoende kwaliteit was om aan de voorwaarden voor interventie te voldoen, zou uit deze cijfers toch duidelijk blijken, dat de ter interventie aangeboden hoeveelheden het door de Commissie vastgestelde quotum verre overschreden .
Ter terechtzitting betoogde de Commissie ook nog, dat, wanneer de oogst in bepaalde delen van Duitsland om klimatologische redenen zo laat was binnengehaald dat hij niet in aanmerking kon komen voor de gunstige interventievoorwaarden, de Duitse autoriteiten terzake krachtens artikel*1, lid*3, van verordening nr.*2677/84 verantwoordelijk waren . Het is namelijk niet aangetoond, dat een gedeelte van de oogst van het preferentiële quotum was uitgesloten, omdat het om klimatologische redenen laat is binnengehaald; wanneer dat echter een werkelijk probleem is, dan ligt het ingevolge artikel*1, lid*3, van verordening nr.*2677/84 duidelijk op de weg van de Duitse autoriteiten om "de nodige procedures vast te stellen" om dit probleem te verhelpen . Wat dit aangaat, kan de Commissie naar mijn mening dus geen discriminatie worden verweten .
De Bondsrepubliek stelt voorts, dat artikel*3, lid*2, van verordening nr.*2677/84 nietig is, omdat het in strijd is met het discriminatieverbod van artikel*40, lid*3, tweede alinea, EEG-Verdrag . De regeling van artikel*3, lid*2, zou namelijk de producenten van aardappelmeel discrimineren ten opzichte van de producenten van andere zetmeelprodukten, in het bijzonder zetmeel van maïs en van granen .
Met betrekking tot de gestelde discriminatie tussen aardappelmeel en andere soorten zetmeel antwoordt de Commissie, dat de zetmeelproducenten in de tweede helft van 1984 graan konden kopen tegen prijzen die dicht bij de op 1*januari 1985 geldende prijzen lagen, terwijl in artikel*3, lid*2, voor aardappelen een gewogen gemiddelde prijs voor het gehele verkoopseizoen werd vastgesteld volgens de verhouding 3:9 ( 3 maanden oude prijs en 9 maanden nieuwe prijs ), zodat de mededingingsneutraliteit niet ten nadele van de producenten van aardappelmeel is aangetast .
In bijlage III bij verordening nr.*855/84 werd voor de sector granen een groene koers vastgesteld die afwijkt van de algemeen toepasselijke koers . Wanneer ik de redenering van de Duitse regering op dit punt goed begrijp, zegt zij dat de toepassing van deze verschillende koersen het voordien bestaande evenwicht tussen de prijzen voor zetmeel van aardappels en die voor zetmeel van maïs en granen, die met elkaar concurreren, verstoorden . De Bondsregering komt in casu niet op tegen verordening nr.*855/84, doch stelt dat artikel*3, lid*2, van verordening nr.*2677/84 niet toereikend is om aan deze verstoring een einde te maken .
Mijns inziens is niet aangetoond, dat verordening nr.*2677/84 de gestelde discriminatie veroorzaakte . Enerzijds erkent de Bondsregering, dat artikel*3, lid*2, de gevolgen van de revaluatie spreidt door ze over het gehele verkoopseizoen te verdelen; anderzijds wordt het argument van de Commissie, dat de situatie van beide groepen zetmeelproducenten, wat de bevoorrading met basisprodukten betreft, ongeveer gelijk was, bevestigd door de statistieken die op verzoek van het Hof zijn overgelegd en waaruit blijkt, dat in Duitsland zowel de producentenprijzen voor aardappels als de marktprijzen voor granen in het laatste kwartaal van 1984 zijn gedaald . Ik kom daarom tot de conclusie, dat de Bondsrepubliek haar bewering dat artikel*3, lid*2, van verordening nr.*2677/84 discrimineerde, niet heeft bewezen . Daarom kunnen mijns inziens beide onderdelen van het middel strijd met het discriminatieverbod niet slagen .
Het vijfde middel van de Bondsrepubliek is, dat artikel*3, lid*1, van verordening nr.*2677/84 nietig is, in strijd met artikel*190 EEG-Verdrag, omdat het intern tegenstrijdig is . De regeling van artikel*3, lid*1, is intern tegenstrijdig, daar verweerster over het hoofd heeft gezien, dat als gevolg van de voorschriften van artikel*2 van verordening nr.*2677/84 de oorspronkelijke marktprijs, die wordt bepaald door de aankoopprijs, op de markt niet meer kan worden behaald .
In dit verband merkt de Commissie op, dat de Duitse suikerprijs tot 31*december*1984 op een hoger niveau was vastgesteld dan de vroegere interventieprijs . Daaruit zou blijken dat het argument van de Duitse regering, dat een daling van de interventieprijs met 5% automatisch tot een overeenkomstige daling van de marktprijs leidt, kennelijk onjuist is .
De op verzoek van het Hof overgelegde cijfers lijken de bewering van de Commissie te bevestigen : in september, oktober, november en december*1984 lag de marktprijs voor suiker in Duitsland duidelijk boven de interventieprijs, zelfs boven de interventieprijs met inbegrip van de opslagkosten . De aan artikel*3, lid*1, ten grondslag liggende berekening blijft derhalve geldig en het door Duitsland aangevoerde middel faalt .
Ten slotte betoogt de Bondsrepubliek dat artikel*3, leden*1 en*2, van verordening nr.*2677/84 nietig zijn, omdat zij in strijd zijn met het vertrouwensbeginsel . De voorschriften van artikel*3, leden*1 en*2, hebben terugwerkende kracht met betrekking tot reeds gesloten en ten dele reeds uitgevoerde contracten .
De Commissie wijst het verwijt dat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden door de terugwerkende kracht met betrekking tot bestaande overeenkomsten af, in de eerste plaats omdat bijna alle overeenkomsten van het hier bedoelde type in Ecu luiden en de prijzen in Ecu niet zijn getroffen door de revaluatie van de groene koers van de Duitse mark, en in de tweede plaats omdat, zelfs wanneer een aantal overeenkomsten in Duitse marken luidden, de belangen van de suikerbieten - en aardappeltelers geen bijzondere bescherming behoefden, daar zij op grond van andere maatregelen recht hadden op een bijzondere steun van 5 %.
Het staat vast dat het beginsel van de rechtszekerheid zich in het algemeen ertegen verzet dat een gemeenschapsbesluit reeds voor zijn bekendmaking van kracht is, doch bij wijze van uitzondering hiervan kan worden afgeweken, indien dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is en het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen ( zaak 98/78, Racke, Jurispr.*1979, blz.*69,*86, en zaak 84/81, Staple Dairy Products, Jurispr.*1982, blz.*1763, 1777 ). De vraag is dus, of het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren is geëerbiedigd . Dit geldt niet voor de bij genoemde overeenkomsten betrokken kopers, omdat zij door de overgangsmaatregelen worden bevoordeeld . Met betrekking tot de producenten die de suikerbieten of aardappels voor aardappelmeel verkopen, kan men zich op het standpunt stellen dat zij, door in Ecu luidende overeenkomsten te aanvaarden, ook het wisselkoersrisico aanvaardden . Anderzijds meen ik dat de Commissie, indien zij het effect van de in Duitse marken uitgedrukte prijzen reëel genoeg achtte om de in artikel*3, leden*1 en*2, bedoelde overgangsmaatregelen noodzakelijk te maken, het effect van de in Duitse marken uitgedrukte prijzen op de producenten van op grond van langlopende overeenkomsten verkochte suikerbieten en aardappels voor aardappelmeel niet kan ontkennen .
Anderzijds hebben de producenten van suikerbieten en aardappels, evenals alle andere landbouwproducenten, van de bijzondere steunmaatregelen bedoeld in de artikelen*3 en*4 van verordening nr.*855/84 geprofiteerd . Deze steun werd bij beschikking 84/361 van de Raad van 30*juni 1984 ( PB*1984, L*185, blz.*41 ) verhoogd van 3 tot 5%, terwijl daarin tevens de toepassing van de steun werd vervroegd tot 1*juli*1984 . Deze maatregelen waren reeds van kracht geworden, toen de Commissie verordening nr.*2677/84 vaststelde en mijns inziens mocht de Commissie daarmee rekening houden, vooral om te voorkomen dat tweemaal compensatie werd verleend : eenmaal via de marktprijzen en eenmaal via het steunmechanisme . Gelet op de feiten van de onderhavige zaak meen ik dat niet is aangetoond, dat het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen niet is geëerbiedigd en dat de bezwaren van de Bondsrepubliek tegen artikel*3, leden*1 en*2, van verordening nr.*2677/84 derhalve ongegrond zijn .
Daarom meen ik dat het beroep moet worden verworpen en de Bondsrepubliek Duitsland moet worden verwezen in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy