CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 21 januari 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Bij beschikking van 24 januari en 25 september 1984, ingeschreven ter griffie van het Hof op 29 november van dat jaar, heeft de Centrale Raad van Beroep gevraagd om uitlegging van enkele bepalingen van de gemeenschapsregeling inzake de sociale zekerheid, in verband met de Nederlandse ouderdomsverzekering. Die beschikking is gegeven in verband met een geschil tussen de Sociale Verzekeringsbank (SVB, het nationale verzekeringsorgaan) en de Nederlander L. A. Spruyt over de hoogte van het aan laatstgenoemde toekomende ouderdomspensioen.
2.
Laten wij beginnen met een schets van het ingewikkelde normatief kader waarin het hoofdgeding zich afspeelt. Krachtens de in de Algemene Ouderdomswet (AOW) vervatte nationale regeling heeft elke ingezetene en niet slechts degene die in Nederland arbeid in dienstbetrekking verricht, recht op pensioen. Het pensioen neemt toe met het aantal jaren dat de rechthebbende verzekerd is; het maximumbedrag wordt bereikt na vijftig jaar, gelegen tussen het vijftiende en het 65e levensjaar.
Dit simpele stelsel wordt gecompliceerd door twee omstandigheden. De eerste hiervan is het huwelijk, waardoor de vrouw haar recht op pensioen verliest. Enkel de echtgenoot kan, wanneer hij 65 jaar is geworden, aanspraak maken op pensioen — voor zichzelf en voor zijn vrouw, naar rato van de door elk hunner vervulde verzekeringsjaren. Voor de berekening van het pensioen van de gehuwde man wordt uitgegaan van het volle pensioenbedrag (100%), welk percentage voor ongehuwden verlaagd wordt tot 70% (artikel 8). Hiervan uitgaande wordt het pensioen verminderd met 1% voor elk jaar dat een der echtgenoten niet verzekerd is geweest, terwijl de overeenkomstige verlaging voor ongehuwden 2% bedraagt (artikel 10).
De tweede omstandigheid houdt verband met de datum waarop de AOW in werking is getreden — 1 januari 1957. Omdat het maximumpensioen, zoals gezegd, wordt bereikt na vijftig verzekeringsjaren vanaf het vijftiende levensjaar, is het duidelijk dat vóór 2007 niemand aanspraak op het maximumbedrag zou hebben kunnen maken. Aan rechthebbenden die aan bepaalde voorwaarden voldoen, worden derhalve de jaren tussen het tijdstip waarop zij het vijftiende levensjaar hebben bereikt, en de eerste januari 1957 door de wetgever aangerekend als tijdvak van daadwerkelijke verzekering. Een van die voorwaarden is, dat de betrokkene na zijn 59e verjaardag gedurende zes jaren al dan niet onafgebroken in Nederland heeft gewoond (artikel 43). Hetzelfde voordeel wordt op dezelfde voorwaarden toegekend aan de gehuwde vrouw, ook al komt dit uiteindelijk ten goede aan haar echtgenoot. Als zij jonger is, gaat de periode van zes jaar in op de dag waarop de echtgenoot 59 jaar wordt; dit vergemakkelijkt de taak van de SVB, die bij de vaststelling van het pensioen de — werkelijke of fictieve — verzekeringsjaren van de echtgenoten in één keer kan berekenen. Ten slotte bepaalt artikel 44, dat dit voordeel alleen toekomt aan Nederlanders die in Nederland wonen.
Zo luidt dus de overgangsregeling van de AOW. Voor ons doel is nog van belang erop te wijzen, dat de mannelijke of vrouwelijke pensioengerechtigde, om voor deze regeling in aanmerking te komen, niet behoeft aan te tonen dat hij vanaf zijn vijftiende jaar tot 1 januari 1957 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Hij moet er wel in de zes jaar na zijn 59e verjaardag hebben gewoond; dat wil zeggen, op het moment waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, moet hij met het land een duurzame band hebben, die de erkenning van de jaren tussen zijn vijftiende levensjaar en 1 januari 1957 als tijdvak van verzekering kan rechtvaardigen.
3.
Het is duidelijk dat de migrerende werknemer niet in aanmerking zou komen voor de hiervoor beschreven voordelen, gebaseerd als deze zijn op criteria inzake nationaliteit en woonplaats. Om deze discriminatie te verhinderen, heeft de Raad het gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid aangevuld met ad hoc-bepalingen, daarbij tevens rekening houdend met de bijzondere wijzigingen die naar Nederlands recht bij huwelijk in de pensioenregeling optreden.
In onderdeel I, punt 2, van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971 (PB 1983, L 230, biz. 11) wordt sub a het volgende bepaald: „Als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse algemene ouderdomswet, worden mede aangemerkt tijdvakken gelegen vóór 1 januari 1957 gedurende welke de rechthebbenden die niet voldoen aan de voorwaarden (van de artikelen 43 en 44 AOW), na het bereiken van de vijftienjarige leeftijd op Nederlands grondgebied hebben gewoond of gedurende welke hij, op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonende, in Nederland arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werknemer”.
Sub c wordt bepaald: „Wat de gehuwde vrouw betreft, wier echtgenoot recht heeft op een pensioen krachtens de Nederlandse algemene ouderdomswet, worden ook als tijdvakken van verzekering in aanmerking genomen tijdvakken van dit huwelijk, gelegen vóór de datum waarop zij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt en gedurende welke zij op het grondgebied van een of meer Lid-Staten heeft gewoond, voor zover deze tijdvakken samenvallen met de door haar echtgenoot krachtens bedoelde wet vervulde tijdvakken van verzekering en met de krachtens het bepaalde sub a in aanmerking te nemen tijdvakken”. Ten slotte wordt sub f bepaald, dat bij de berekening van het ouderdomspensioen de sub a en c bedoelde tijdvakken slechts in aanmerking worden genomen „indien de belanghebbende na het bereiken van de 59-jarige leeftijd gedurende zes jaren op het grondgebied van een of meer Lid-Staten heeft gewoond en zolang hij op het grondgebied van een dezer Lid-Staten woont”.
Laten wij deze bepalingen eens bezien. In de eerste plaats merk ik op, dat — in afwijking van artikel 43 AOW — volgens het bepaalde sub a de rechthebbende op een AOW-pensioen enkel aanspraak kan maken op toepassing van de overgangsregeling van de wet, indien hij na zijn vijftiende verjaardag in Nederland heeft gewoond of er arbeid in dienstbetrekking heeft verricht. Hiervoor bestaat een eenvoudige reden. Sub f wordt, zoals gezegd, bepaald dat, willen de jaren vóór 1957 meetellen voor het pensioen, de belanghebbende na zijn 59e verjaardag gedurende zes jaar „op het grondgebied van een of meer Lid-Staten” moet hebben gewoond (en dus niet enkel in Nederland, zoals artikel 43 verlangt). In combinatie nu met de andere voorwaarden van de nationale regeling zou deze bepaling ertoe leiden, dat eenieder die krachtens de AOW pensioenrechten heeft opgebouwd — op grond dat hij bij voorbeeld enige tijd in Nederland heeft gewerkt —, ook voor een pensioen in aanmerking komt indien hij nooit in dat land heeft gewoond. Dit zou uiteraard onaanvaardbaar zijn en het bepaalde sub a verhindert dat, door de erkenning van de vóór 1957 gelegen jaren afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de betrokkene in die tijd in Nederland heeft gewoond.
De voorwaarden die het gemeenschapsrecht stelt voor het recht op pensioen, zijn dus in feite het omgekeerde van de voorwaarden van het nationale recht: volgens de AOW immers komt het erop aan, dat men gedurende de laatste zes jaar vóór de pensioengerechtigde leeftijd in Nederland heeft gewoond (artikel 43), doch volgens bijlage VI wordt aan deze voorwaarde ook voldaan wanneer men in een andere Lid-Staat woont (sub f), mits de betrokkene gedurende de eerste zes jaar van zijn verzekeringsloopbaan — tussen zijn vijftiende verjaardag en 1 januari 1957 — in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
Deze omkering toont mijns inziens aan, dat de Raad, bij de aanpassing van de Nederlandse bepalingen aan de communautaire vereisten, veel gedacht heeft aan het geval van de buitenlandse werknemer die riaar Nederland emigreert, en weinig aan het omgekeerde geval. Een bevestiging van deze benadering vinden wij overigens in het bepaalde sub c. In tegenstelling tot de twee andere bepalingen heeft dit geen betrekking op de overgangsregeling van de AOW, maar wil het voorkomen dat een migrerend werknemer die zich in Nederland vestigt, doch wiens vrouw in het land van herkomst blijft, anders wordt behandeld dan de gehuwde werknemer die zijn vrouw meeneemt. Volgens artikel 10 AOW immers wordt het pensioen van de gehuwde man verlaagd met 1 % voor elk jaar dat zijn echtgenote niet verzekerd was, en dit is nu juist het geval wanneer zij in een ander land woont; om dit nadeel te verhinderen, wordt dus sub c bepaald, dat als verzekeringstijdvakken ook gelden de na het huwelijk gelegen tijdvakken gedurende welke de echtgenote niet in Nederland woonde.
Het zijn echter enkel deze tijdvakken die in aanmerking kunnen worden genomen; de tijdvakken tussen het vijftiende levensjaar van de vrouw en de dag van het huwelijk gaan verloren, tenzij voldaan zou zijn aan de voorwaarden van artikel 43 en 44 AOW (woonplaats in Nederland gedurende zes jaar na de 59e verjaardag en Nederlandse nationaliteit). Anders gezegd, de vrouw die vóór haar huwelijk niet in Nederland heeft gewoond, kan aan de bijlage geen voordelen met terugwerkende kracht ontlenen; en zoals wij zullen zien, heeft deze keuze — kennelijk ingegeven door de omstandigheid dat er zich met betrekking tot de tijd vóór het huwelijk geen discriminatieproblemen voordoen — consequenties die met de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht in botsing komen.
4.
Nu dan de feiten van de zaak. Op 15 november 1979 werd de heer Spruyt, van Nederlandse nationaliteit, 65 jaar en verkreeg hij recht op ouderdomspensioen. Zijn vrouw, geboren op 19 oktober 1920 en eveneens Nederlandse, heeft nooit arbeid in loondienst verricht. Na hun huwelijk op 16 november 1944 woonden de echtelieden Spruyt in Nederland tot 4 november 1973, op welke datum zij zich in België vestigden.
Bij de berekening van Spruyts pensioen paste de SVB een verlaging van in totaal 21% toe op het maximumbedrag. De man — zo motiveerde zij deze korting — was verzekerd geweest van 1 januari 1957 tot 4 november 1973, maar wegens zijn verhuizing naar België niet gedurende de zes jaar vanaf laatstgenoemde datum tot zijn 65e verjaardag. In zijn geval was dus niet voldaan aan de door de AOW gestelde voorwaarden. Daarentegen viel Spruyt onder de toepassing van de bepalingen van bijlage VI, sub a en f, en kon dus het tijdvak tussen zijn vijftiende verjaardag en 1 januari 1957 als tijdvak van verzekering worden erkend. Alles bijeen was Spruyt over zes jaar, overeenkomend met 6% van het pensioen, onverzekerd geweest.
Ook mevrouw Spruyt moest worden geacht van 4 november 1973 tot 15 november 1979 niet verzekerd te zijn geweest; maar ingevolge het bepaalde sub c van bijlage VI was het mogelijk haar de jaren tussen de huwelijksdatum (16 november 1944) en 1 januari 1957 als tijdvakken van verzekering aan te rekenen. Doch ofschoon zij in Nederland had gewoond, kon zij zich niet beroepen op de omstreeks negen jaren gelegen tussen haar vijftiende verjaardag en de huwelijksdatum. In totaal gold mevrouw Spruyt dus voor vijftien jaar onverzekerd, wat, te zamen met de zes jaar van haar man, leidde tot een verlaging van het pensioen met 21%.
De gepensioneerde kwam tegen deze beslissing op met de stelling dat de jaren gelegen tussen de vijftiende verjaardag van zijn vrouw en de huwelijksdatum, evenals in zijn geval in aanmerking moesten worden genomen op grond van het bepaalde sub a van bijlage VI. In eerste aanleg werd zijn beroep verworpen (12 maart 1981), maar in hoger beroep achtte de Centrale Raad van Beroep het wenselijk de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de vraag voor te leggen of, in de zin van artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71, de met een migrerende Nederlandse werknemer gehuwde vrouw is aan te merken als „gezinslid” van deze laatste, wanneer ingevolge de AOW haar verzekeringsloopbaan mede de hoogte bepaalt van het aan de man toe te kennen ouderdomspensioen. Zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter nog te vernemen of bijlage VI, onderdeel I, punt 2, sub a, van genoemde verordening ook op de gehuwde vrouw van toepassing is.
5.
Tijdens de procedure voor het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Spruyt, de Nederlandse regering, de SVB en de Commissie van de Europese Gemeenschappen; doch nuttiger dan een samenvatting te geven van hun memories (die overigens in meerderheid in overweging geven, beide vragen ontkennend te beantwoorden) lijkt het mij, stil te staan bij de twijfels van de Centrale Raad van Beroep. Deze twijfels zijn bij de Centrale Raad opgekomen in verband met de vaststelling dat mevrouw Spruyt, die tussen haar vijftiende verjaardag en haar huwelijksdag in Nederland heeft gewoond, de aan dat tijdvak verbonden voordelen verliest om de enkele reden dat zij vóór haar 65e jaar met haar man naar België is verhuisd. Deze consequentie geldt weliswaar niet voor de heer Spruyt die, als „werknemer” in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71 en als rechthebbende op een ouderdomspensioen ingevolge het bepaalde sub a en f van bijlage VI, de voordelen van de nationale regeling ook behoudt indien hij naar een andere Lid-Staat emigreert, maar omdat de korting van 1% voor elk jaar waarin zijn vrouw onverzekerd was, op zijn pensioen wordt toegepast, kan men zeggen dat hij het werkelijke slachtoffer is van de aan de bepalingen van de bijlage gegeven uitlegging.
Deze uitlegging, zo erkent de verwijzende rechter, is stellig tekstgetrouw. De SVB past het bepaalde sub a overigens zeer ruimhartig toe indien de vrouw vóór haar huwelijk in Nederland heeft gewoond en in dienstbetrekking werkzaam is geweest en dus „werknemer” was in de zin van verordening nr. 1408/71. De reden daarvan is duidelijk. Gaat die vrouw namelijk naar een andere Lid-Staat, dan zal, als gevolg van het bepaalde in bijlage VI, het aantal jaren waarop zij recht heeft, groter of kleiner worden al naar gelang zij ongehuwd of gehuwd is. In het eerste geval immers kan zij op grond van het bepaalde sub a en f verlangen dat de jaren tussen haar vijftiende verjaardag en 1 januari 1957 in aanmerking worden genomen. In het tweede geval verliest zij die mogelijkheid nu zij geen recht heeft op een eigen pensioen, en kan zij overeenkomstig het bepaalde sub c enkel de periode tussen de huwelijksdatum en 1 januari 1957 claimen. Een inconsequentie dus, die de SVB corrigeert door aan de vrouw die „werknemer” is, dezelfde voordelen toe te kennen als zij op grond van het bepaalde sub a en f zou hebben ontvangen.
In zijn opmerkingen verklaart het verzekeringsorgaan, dat dit inderdaad zijn praktijk is; maar, zo voegt het eraan toe, in het geval van mevrouw Spruyt kan deze praktijk niet worden toegepast, daar deze geen „werknemer” is en dus niet behoort tot degenen voor wie verordening nr. 1408/71 is geschreven. Dit nu is het punt dat ten grondslag ligt aan de vraag waarover het Hof zich heeft uit te spreken. Als mevrouw Spruyt geen „werknemer” is, zo vraagt de Centrale Raad zich af, kan zij dan misschien als „gezinslid” van een werknemer worden gekwalificeerd ? In dat geval zouden haar problemen zijn opgelost. De verordening zou dan volledig op haar van toepassing zijn en niets zou haar verhinderen een beroep te doen op het bepaalde sub a.
6.
Het zij aanstonds gezegd: met het resultaat waarop de Nederlandse rechter mikt, kan ik het geheel eens zijn, maar ik ben verbluft over de manier waarop hij het denkt te bereiken.
Met betrekking tot zijn eerste vraag merk ik om te beginnen op, dat, volgens artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71, het begrip „gezinslid” moet worden uitgelegd aan de hand van de in casu toepasselijke nationale wetgeving; tot die uitlegging zijn mitsdien de rechters van de Lid-Staten bevoegd. In de tweede plaats kunnen die gezinsleden zich volgens de heersende rechtspraak van het Hof enkel beroepen op „afgeleide” rechten, dat wil zeggen de rechten die zij uit eigen hoofde hebben verkregen, en niet op die welke het nationale recht aan de werkgever toekent (arrest van 23 november 1976, zaak 40/76, Kermaschek, Jurispr. 1976, blz. 1669). Ofschoon nu de AOW bepaalt dat bij de berekening van het pensioen de door de vrouw vervulde tijdvakken van verzekering in aanmerking worden genomen, heeft volgens deze wet alleen de man recht op pensioen; in haar hoedanigheid van gezinslid kan de vrouw dus geen „afgeleide” aanspraken geldend maken. Om dezelfde reden kan zij dus niet beschouwd worden als rechthebbende op het pensioen in de zin van het bepaalde sub a.
Wat de Centrale Raad voor ogen staat, kan echter wel worden bereikt door antwoord te geven op de vraag die het Hof in het kader van de behandeling aan de bij de procedure betrokken partijen heeft gesteld. Die vraag luidde, of de wijze waarop personen in Spruyts situatie worden behandeld, verenigbaar is met het beginsel van het vrije verkeer van personen en in het bijzonder met de artikelen 48 en 51 van het Verdrag. En ofschoon hij de verkeerde weg inslaat, is dat in wezen ook wat de verwijzende rechter wenst te weten: ook hij heeft er immers op gewezen, dat, in het geval van het echtpaar Spruyt, de letterlijke toepassing van bijlage VI een situatie doet ontstaan die waarschijnlijk in strijd is met het doel van verordening nr. 1408/71 (verwijzingsbeschikking, paragraaf 8, in fine).
De door het Hof gestelde vraag moet ontkennend worden beantwoord. Toen ik hiervóór onder 3 de in casu relevante gemeenschapsregeling besprak, merkte ik op, dat het bepaalde sub a strekt tot bescherming van het vrije verkeer van de gehuwde buitenlandse werknemer die zich naar Nederland begeeft. Hier voeg ik daaraan toe, dat in het omgekeerde geval — het geval van de gehuwde Nederlandse werknemer die zich naar een andere Lid-Staat begeeft — die bepaling het tegengestelde effect heeft: in plaats van het vrije verkeer te beschermen, belemmert zij het. Waarom ? Volgens het bepaalde sub a kunnen de jaren die tussen het vijftiende levensjaar en 1 januari 1957 in Nederland zijn doorgebracht, in het geval van een gehuwde mannelijke werknemer als tijdvakken van verzekering worden erkend. In het geval van de gehuwde vrouw daarentegen is ingevolge het bepaalde sub c die erkenning beperkt tot de na het huwelijk gelegen tijdvakken, terwijl zij de jaren vóór het huwelijk, zelfs wanneer zij ze in Nederland heeft doorgebracht, verliest. Wanneer dus een gehuwde man en vrouw Nederland vóór hun 65e levensjaar verlaten, zal het aan de man toekomende pensioenbedrag ingevolge de gemeenschapsbepalingen verschillen naar gelang van het grotere of kleinere aantal jaren gelegen tussen de datum van het huwelijk en 1 januari 1957.
Wel te verstaan, deze situatie is geen direct gevolg van de keuze van de gehuwde man (want als rechthebbende kan hij zich beroepen op het bepaalde sub a), maar van die van de vrouw die, wanneer zij besluit met hem mee te gaan, enkel aanspraak kan maken op het door het bepaalde sub c toegekende gedeeltelijke voordeel. Het is dus dit aspect van bijlage VI, dat deze bijlage onverenigbaar maakt met het vrije verkeer van personen. Hiertegen kan niet worden ingebracht, dat dat aspect niet de werknemer betreft, maar zijn echtgenote. Wij weten immers dat in het systeem van de AOW enkel de gehuwde man recht heeft op pensioen; hij is het dus die, zoals ik reeds opmerkte, uiteindelijk door het bepaalde sub c wordt benadeeld.
Hier aangekomen, vind ik het onnodig mij af te vragen — zoals het Hof nog doet in zijn vraag aan de partijen — of het echtpaar Spruyt dat nadeel had kunnen voorkomen door voor de periode tussen hun verhuizing naar België en de 65e verjaardag van de man een vrijwillige verzekering af te sluiten. Ook een bevestigend antwoord op deze vraag zou immers de onverenigbaarheid van de regels voor de pensioenberekening met de beginselen van de artikelen 48 en 51 niet weg kunnen nemen.
7.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door de Centrale Raad van Beroep bij beschikking van 24 januari en 25 september 1984 in de zaak Spruyt-Sociale Verzekeringsbank gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
In de zin van verordening nr. 1408/71 kan het gezinslid van een werknemer enkel aanspraak maken op de prestaties die hem door het recht van elke Lid-Staat worden toegekend. Omdat ingevolge de Nederlandse wet op de ouderdomsverzekering (AOW) de gehuwde vrouw geen eigen recht op pensioen heeft, heeft zij daarop a fortiori geen recht in haar hoedanigheid van „gezinslid” van de werknemer. Om dezelfde reden kan die vrouw niet worden beschouwd als rechthebbende op het pensioen in de zin van onderdeel I, punt 2, sub a, van bijlage VI bij die verordening. Dit vooropgesteld, is het feit dat de gehuwde werknemer die zich te zamen met zijn echtgenote vanuit Nederland naar een andere Lid-Staat begeeft, op grond van de artikelen 43 en 44 AOW junctis de bepalingen van genoemde bijlage enkele van de voordelen bij de berekening van zijn ouderdomspensioen verliest, onverenigbaar met de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag. In het licht van deze artikelen moet de regel van bijlage VI, onderdeel I, punt 2, sub a, aldus worden uitgelegd, dat het daar bedoelde voordeel ook geldt voor de jaren vóór het huwelijk, indien de toekomstige echtgenote van de rechthebbende deze, na haar vijftiende levensjaar, in Nederland heeft doorgebracht.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy