CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 12 november 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A.
In de prejudiciële procedure waarin ik thans conclusie neem, staat de vraag centraal, hoe de douanewaarde van uit derde landen in de Gemeenschap ingevoerde goederen moet worden berekend. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag, of de kosten van het vervoer van de ingevoerde goederen binnen de Gemeenschap in de douanewaarde moeten worden mee berekend, en onder welke voorwaarden deze vrachtkosten als „onderscheiden” kunnen worden aangemerkt, wanneer zij door de leverancier afzonderlijk in rekening worden gebracht.
De feiten van het hoofdgeding zijn de volgende.
De vennootschap Mainfrucht Obstverwertung GmbH, verzoekster en gerequireerde (hierna: verzoekster), voerde van juli tot september 1980 28 partijen voorgekoelde morellen en een partij bevroren frambozen uit Bulgarije in de Bondsrepubliek Duitsland in, en bracht deze waren bij wege van inklaring zonder formaliteiten in het vrije verkeer. In al deze gevallen brachten de leveranciers verzoekster de prijs per ton netto franco Duitse grens in rekening en daarnaast, als vervoerkosten binnen Duitsland respectievelijk als vrachtkosten Duitse grens tot verzoeksters plaats van vestiging, voor de morellen 40 DM en voor de frambozen 70 DM per ton. Deze afzonderlijk berekende vrachtkosten waren gedeeltelijk op de facturen voor de goederen, en gedeeltelijk op afzonderlijke facturen opgevoerd. Zij moesten aan de leveranciers, en niet aan de expediteurs worden betaald.
Het Hauptzollamt Schweinfurt, verweerder en requirant (hierna: verweerder), aanvaardde aanvankelijk verzoeksters aangiften bij aanslagen van 5 augustus, 4 september en 7 oktober 1980. Bij wijzigingsbesluiten van 24 november 1980 wijzigde het evenwel de douanewaarde, en vorderde het over de vrachtkosten binnen de Gemeenschap invoerrechten na. Deze wijziging was gebaseerd op de overweging, dat de vrachtkosten voor de betrokken partijen weliswaar onderscheiden waren, doch niet konden worden gecontroleerd, daar de facturen voor de kosten van vervoer van de grens tot de plaats van bestemming door de leverancier waren opgesteld.
Nadat verzoekster zonder succes een bezwaarschrift had ingediend, wendde zij zich tot het Finanzgericht München, dat haar vordering, dat de kosten voor vervoer binnen de Gemeenschap niet in de douanewaarde zouden worden opgenomen, toewees. Volgens het Finanzgericht behoorden de door verzoekster betaalde kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap ingevolge artikel 3, lid 3, sub a, van verordening nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, biz. 1), tot de transactiewaarde. Deze vrachtkosten konden evenwel slechts in de douanewaarde worden begrepen, wanneer aan de in artikel 15, lid 1, van voormelde verordening gestelde voorwaarde was voldaan. Aangezien de vrachtkosten van de Duitse grens tot de plaats van bestemming afzonderlijk waren gefactureerd, waren zij onderscheiden in de zin van voormelde bepaling. Uit bedoelde bepaling kon niet worden afgeleid, dat de koper controleerbare bewijsstukken betreffende de werkelijk gemaakte, door de expediteur in rekening gebrachte vrachtkosten moest overleggen. Artikel 15, lid 2, sub a, van de verordening gold hier niet, aangezien het eerst van toepassing is wanneer de van de prijs onderscheiden vrachtkosten betrekking hebben op een traject dat deels binnen en deels buiten het douanegebied van de Gemeenschap ligt. De omstandigheid dat de vrachtkosten binnen de Gemeenschap overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de verordening onderscheiden waren van de prijs, betekende evenwel niet, dat de hoogte van deze kosten zonder meer als grondslag voor de inklaring kon worden genomen. Niet de door de belastingplichtige gedane of de in overgelegde bescheiden vervatte aangiften waren beslissend, doch de werkelijke omstandigheden. Volgens de door het Finanzgericht bij een Kamer van Koophandel ingewonnen inlichtingen, bleven de door verzoekster aangegeven vrachtkosten binnen de grenzen van de gebruikelijke vervoertarie-ven.
Tegen deze uitspraak van het Finanzgericht München stelde verweerder cassatieberoep (Revision) in bij het Bundesfinanzhof; dit beroep baseerde hij in hoofdzaak op de volgende overweging:
Het begrip „onderscheiden van de prijs” in artikel 15, lid 1, van de verordening betekent, dat niet om het even welk bedrag als vrachtkosten mag worden aangegeven, doch dat deze kosten moeten worden gedocumenteerd en met controleerbare bescheiden moeten worden gestaafd. Anders zou de douanewaarde uiteindelijk door de verkoper, louter door het opmaken van een factuur, worden bepaald, hetgeen manipulatie van de douanewaarde zou vergemakkelijken.
Alvorens uitspraak te doen, heeft het Bundesfinanzhof het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen verzocht:
„1.
a)
Wanneer de binnenlandse koper aan de buitenlandse verkoper naast de prijs voor de goederen op grond van een afzonderlijke factuur een apart bedrag betaalt voor de ‚kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap’, omvat dan de transactiewaarde in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1224/80 beide bedragen ?
b)
Zo ja, moet dit bedrag, om als douanewaarde te kunnen worden aangemerkt, overeenkomstig de voorwaarden van artikel 5 van verordening nr. 1224/80 worden aangepast ?
2.
Bij een bevestigend antwoord op de onder 1 gestelde vragen:
a)
Is artikel 15, lid 2, sub a, van verordening nr. 1224/80 van toepassing, wanneer de betrokkene slechts vrachtkosten heeft aangetoond die enkel het vervoer binnen de Gemeenschap betreffen ?
b)
Zo ja: onderstelt bij doorgaand vervoer in de zin van artikel 15, lid 2, sub a, van verordening nr. 1224/80 de voor de vaststelling van de douanewaarde voorziene aftrek van de vrachtkosten die rekenkundig op de binnen de Gemeenschap afgelegde afstand vallen, dat de betrokkene ingevolge artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1224/80 de totale kosten voor het doorgaande vervoer afzotiderlijk moet aantonen? Zo ja: zijn deze kosten aangetoond, wanneer de betrokkene deze vrachtkosten afzonderlijk berekent of is daartoe vereist, dat de betrokkene door het overleggen van controleerbare bescheiden bewijst dat de kosten voor het doorgaande vervoer daadwerkelijk zijn gemaakt ? Indien een dergelijk bewijs nodig is: welke eisen moeten aan dit bewijs worden gesteld ? Kunnen de douane-instanties van dit bewijs afzien, wanneer de betrokkene op grond van de handelwijze van zijn leverancier niet in staat is dit bewijs te leveren ?”
B.
Mijn conclusie is als volgt gestructureerd: eerst zal ik met betrekking tot de afzonderlijke vragen het standpunt van de verwijzende rechter en vervolgens dat van partijen bij de procedure voor het Hof van Justitie weergeven, en ten slotte zal ik dan mijn persoonlijke opvatting geven.
I.
1.
Het Bundesfinanzhof wijst er om te beginnen op, dat volgens artikel 3, lid 1, van de verordening de transactiewaarde „de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs [is] indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap”. Deze prijs is de „totale betaling ... voor de ingevoerde goederen” en omvat „alle betalingen die werkelijk zijn gedaan ... als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, en wel door de koper aan de verkoper ...”. Voor de bepaling van de transactiewaarde was het waarschijnlijk van geen belang, of de betalingen van de koper aan de verkoper in een of in meer bedragen, op grond van een of van meer facturen geschiedden, en of deze bedragen moeten worden betaald voor de goederen zelf en voor andere, op de goederen betrekking hebbende diensten van de verkoper. Tot de transactiewaarde zouden in het onderhavige geval dus naast de eigenlijke prijs van de goederen, ook de als vrachtkosten binnen Duitsland aangemerkte betalingen behoren.
Bij een bevestigend antwoord is vervolgens de vraag, of deze waarde als zodanig reeds de douanewaarde is, dan wel of zij eerst moet worden aangepast, daar ingevolge artikel 15 van de verordening bepaalde vrachtkosten niet zijn inbegrepen.
Ingeval de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap overeenkomstig artikel 15 kunnen worden afgetrokken, wenst het Bundesfinanzhof met vraag 2, sub a, te vernemen, of artikel 15, lid 2, van toepassing is in het onderhavige geval, waarin verzoekster alleen facturen voor de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap heeft overgelegd en geen facturen voor het vervoer tot aan de Duitse grens. In het onderhavige geval zijn de ingevoerde goederen op dezelfde wijze vervoerd tot een plaats die verder binnenwaarts is gelegen dan de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap; juist voor dat geval geldt artikel 15, lid 2, waarvan de toepassing niet afhankelijk mag zijn van de wijze waarop de betrokkene de vrachtkosten aantoont.
Voor het geval dat artikel 15, lid 2, in casu van toepassing is, wenst het Bundesfinanzhof met vraag 2, sub b, te vernemen, of de kosten van vervoer binnen de Gemeenschap slechts van de prijs van de goederen mogen worden afgetrokken, wanneer deze kosten onderscheiden zijn. Het Bundesfinanzhof wijst erop, dat deze verplichting weliswaar alleen in het kader van artikel 15, lid 1, is voorzien, doch dat zij misschien op overeenkomstige wijze ook in het geval van artikel 15, lid 2, kan gelden.
Het Bundesfinanzhof neigt dan ook naar de opvatting dat, ondanks het verschillend woordgebruik in artikel 15 (in de Duitse tekst van verordening nr. 1224/80 wordt in lid 1 het woord „ausgewiesen”, en in lid 2 het woord „nachgewiesen” gebruikt), de betrokkene de juistheid van de onderscheiden vrachtkosten altijd met controleerbare bescheiden moet aantonen, ook wanneer alleen voor de vrachtkosten binnen de Gemeenschap facturen voorhanden zijn. Anders heeft de betrokkene, door alleen de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap aan te tonen, de mogelijkheid om eigenmachtig om het even welk bedrag van de koopprijs van de goederen af te trekken en als kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap aan te geven, en zodoende de douanewaarde te verlagen.
Om dit risico te vermijden, volstaat het niet om, gelijk het Finanzgericht heeft gedaan, de douane het recht te verlenen, de juistheid van de door de betrokkenen afzonderlijk aangegeven kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap te controleren door ze met de gebruikelijke kosten te vergelijken, aangezien uitsluitend de werkelijk gemaakte kosten mogen worden afgetrokken.
Gaat men evenwel ervan uit, dat de betrokkene de juistheid van de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap met controleerbare bewijzen moet aantonen, dan rijst de vraag of de douane ermee kan volstaan na te gaan of de vervoerkosten aannemelijk lijken, wanneer het de betrokkene, bij gebrek aan medewerking van zijn verkoper, onmogelijk is om nauwkeuriger bewijsstukken voor te leggen.
2.
Met betrekking tot de prejudiciële vragen van het Bundesfinanzhof hebben verzoekster en de Commissie van de Europese Gemeenschappen in wezen gelijkluidende opmerkingen ingediend. Deze kunnen als volgt worden samengevat:
a)
Beide partijen zijn van mening dat vraag 1, sub a, — namelijk of de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap in de douane-, respectievelijk de transactiewaarde zijn inbegrepen — op grond van de ontstaansgeschiedenis en de systematiek van de verordening ontkennend moet worden beantwoord.
Uit de considerans van de verordening volgt, dat zij is vastgesteld ten einde de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) ( 1 ) (hierna: douanewaarde-codex) in gemeenschapsrecht om te zetten. Naar luid van artikel 8, lid 2, van bedoelde overeenkomst zijn de partijen slechts bevoegd om de kosten van het vervoer van de ingevoerde goederen tot de haven of de plaats van invoer in de douanewaarde te begrijpen. Bijgevolg was de Gemeenschap niet bevoegd om een regeling vast te stellen waarbij ook de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap in de douanewaarde werden begrepen.
Deze opvatting vindt steun in de systematiek van de verordening. In artikel 3 is nergens gesteld, dat de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap in de transactiewaarde zijn begrepen; er wordt alleen verwezen naar artikel 8, betreffende de kosten van het vervoer buiten de Gemeenschap. In artikel 3, lid 3, wordt bepaald, dat de werkelijk betaalde of te betalen prijs „de totale betaling [is] die door de koper ... voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan”. Dit betekent evenwel zeker niet, dat de eventueel door de koper aan de verkoper betaalde kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap tot deze prijs behoren.
Uit artikel 15 van de verordening valt af te leiden, dat de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap niet in de douanewaarde zijn begrepen; noch wanneer zij onderscheiden zijn van de prijs (aldus lid 1), noch wanneer zij naar evenredigheid van de volledige vervoerkosten moeten worden afgesplitst (aldus lid 2).
Mitsdien geven verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie in overweging, prejudiciële vraag 1, sub a, ontkennend te beantwoorden.
b)
Ofschoon de andere vragen van het Bundesfinanzhof slechts zijn gesteld, voor het geval van een bevestigend antwoord op vraag 1, sub a, gaan partijen er niettemin toch nader op in.
Met betrekking tot vraag 1, sub b, — of de transactiewaarde moet worden aangepast, wanneer de vervoerkosten binnen de Gemeenschap daarin begrepen zijn — is verzoekster van mening, dat een prijs „franco grens”, die reeds de kosten van het vervoer buiten de Gemeenschap omvat, niet via artikel 15 kan worden aangepast, daar de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap geen bestanddeel van de douanewaarde zijn en dus niet in de prijs mogen worden meegerekend. Artikel 15 kan slechts worden toegepast, in gevallen waarin de overeengekomen prijs niet alleen de prijs voor de goederen maar ook prestaties betreft die verder reiken dan de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap, zoals bij voorbeeld kosten van vervoer binnen de Gemeenschap.
De Commissie betoogt, dat enkel wanneer de douane de gescheiden opgave van de prijs van de goederen en de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap in de door de importeur overgelegde facturen weigert te erkennen, en de opvatting huldigt dat het door de importeur betaalde totale bedrag een prijs franco thuis is, zij bevoegd is bij de vaststelling van de douanewaarde de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap overeenkomstig artikel 15 van de verordening van het totale bedrag af te trekken. Deze aftrek is evenwel slechts mogelijk, wanneer deze kosten als zodanig herkenbaar zijn en van de prijs van de waar kunnen worden onderscheiden.
c)
Met betrekking tot vraag 2, sub a, — of artikel 15, lid 2, sub a, van de verordening van toepassing is wanneer de betrokkene slechts vrachtkosten heeft aangetoond die enkel het vervoer binnen de Gemeenschap betreffen — voert verzoekster aan, dat artikel 15, lid 2, in het onderhavige geval niet van toepassing kan zijn, daar deze bepaling vooronderstelt dat de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap niet afzonderlijk zijn aangetoond, als bedoeld in artikel 15, lid 1. Uit de verwijzingsbeschikking valt evenwel op te maken, dat deze kosten wel degelijk afzonderlijk werden aangetoond.
Ook de Commissie is van mening, dat artikel 15, lid 2, in het onderhavige geval niet kan worden toegepast, daar niet aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan. Deze bepaling behelst globale regels, aan de hand waarvan in een aantal standaardgevallen de douanewaarde kan worden vastgesteld. Zij betreft evenwel uitsluitend het geval waarin uit de afzonderlijk aangetoonde vrachtkosten niet valt op te maken, hoeveel in concreto de kosten van het vervoer buiten en de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap precies bedragen. In zulk een geval moet het totale bedrag naar rata van het binnen en het buiten de Gemeenschap afgelegde traject worden gesplitst.
d)
Met betrekking tot het eerste deel van vraag 2, sub b, — of bij doorgaand vervoer de voor de vaststelling van de douanewaarde voorziene aftrek van de rekenkundig op het traject binnen de Gemeenschap vallende vrachtkosten onderstelt dat de betrokkene de totale kosten voor het doorgaand vervoer afzonderlijk moet aantonen — betoogt verzoekster, dat naar luid van artikel 15, lid 1, van de verordening alleen de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap, doch niet de totale vrachtkosten afzonderlijk moeten worden aangetoond. Mitsdien zou deze vraag ontkennend moeten worden beantwoord.
e)
Met betrekking tot het tweede deel van vraag 2, sub b, — of de totale vrachtkosten kunnen worden geacht afzonderlijk te zijn aangetoond, wanneer de betrokkene deze afzonderlijk heeft berekend, dan wel of daartoe vereist is, dat de betrokkene door het overleggen van controleerbare bescheiden bewijst dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt — voert verzoekster aan, dat ingevolge artikel 15, lid 1, van de verordening enkel kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap onderscheiden moeten zijn van de prijs van de goederen („getrennt ausgewiesen”), waarmee is bedoeld dat deze kosten afzonderlijk in een document moeten worden opgevoerd. Deze opvatting zou overigens door de Engelse tekst van de verordening worden bevestigd. Bijgevolg kan uit artikel 15, lid 1, niet worden afgeleid, dat bij toepassing van deze bepaling controleerbare bescheiden moeten worden overgelegd. Zodanige bewijzen moeten daarentegen slechts worden overgelegd in het kader van artikel 15, lid 2, naar luid waarvan de kosten moeten worden „aangetoond” („Nachweis”).
De Commissie deelt ook op dit punt verzoeksters opvatting. Zij is van mening dat het vereiste dat de kosten onderscheiden moeten zijn, te ver wordt doorgevoerd, wanneer men dit slechts voldaan acht, wanneer de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap formeel zijn gestaafd met afzonderlijke bescheiden, waarvan de juistheid en echtheid in geval van twijfel vaststaat. „Ausweis” betekent niet dat de kosten formeel moeten worden aangetoond. Blijkens de douanewaarde-codex wordt met dit begrip alleen bedoeld, dat het mogelijk moet zijn de kosten te „onderscheiden”, dat zij „als afzonderlijk kostenbestanddeel herkenbaar” moeten zijn. Aan dit vereiste is voldaan wanneer de kosten afzonderlijk op de factuur zijn opgevoerd. Bovendien wordt in de verordening het woord „Nachweis” alleen dan gebruikt, wanneer niet alleen een afzonderlijke identificering, doch ook concrete en geloofwaardige bewijsstukken vereist zijn, zoals bij voorbeeld in artikel 15, lid 2, sub a.
f)
Wat het derde onderdeel van vraag 2, sub b, betreft — welke eisen aan het bewijs van de vrachtkosten moeten worden gesteld, en of de douane daarvan kan afzien, wanneer de betrokkene door de handelwijze van zijn leverancier niet in staat is dit bewijs te leveren — voert verzoekster aan, dat de verordening ten doel heeft, „de wereldhandel te stimuleren via een billijk, uniform en neutraal systeem ... waarbij het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden wordt uitgesloten”. De douanewaarde moet derhalve „worden bepaald aan de hand van criteria die met de handelspraktijk verenigbaar zijn”.
Om deze oogmerken niet te ondergraven, kunnen aan het bewijs geen hogere eisen worden gesteld dan in de handelspraktijk realiseerbaar zijn. Het bewijs moet dan ook steeds beperkt blijven tot wat de importeur met de mogelijkheden die hem ter beschikking staan, kan aantonen, zonder dat hij daarbij op eventuele hulp van zijn verkoper of zijn vervoerder moet zijn aangewezen.
De Duitse douane houdt overigens sinds enige tijd minder streng de hand aan hun eisen ter zake van het bewijzen van de totale vrachtkosten. In november 1982 is namelijk een dienstnota uitgevaardigd, volgens welke het vereiste van controleerbaarheid niet meer geldt, wanneer de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap volgens de aangifte niet meer dan 1,80 DM per kilometer bedragen.
Verzoekster ziet niet in, waarom kosten van vervoer binnen de Gemeenschap die het forfaitaire bedrag van 1,80 DM per kilometer overschrijden, niet zonder bijzondere bewijzen geldend zouden kunnen worden gemaakt.
Deze uitlegging wordt overigens bevestigd door artikel 10 van de verordening, waarin alleen wordt uitgegaan van documenten en inlichtingen, waarover de betrokkene zelf beschikt.
Volgens de Commissie is de douane niet verplicht, de bij haar aangemelde bedragen en overgelegde documenten betreffende de kosten van vervoer binnen de Gemeenschap zonder meer te aanvaarden. Aangezien het gemeenschapsrecht te dezen geen enkele bepaling bevat, staat het aan de nationale instanties om de juistheid van de verklaringenvan de importeur te controleren. In dit verband verwijst de Commissie naar 's Hofs arrest van 14 februari 1980 (zaak 84/79, Meyer-Uetze/Hauptzollamt Bad Reichenhall, Jurispr. 1980, blz. 291) betreffende de uitlegging van artikel 8 van verordening nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB 1968, L 148, blz. 6), een bepaling die identiek is met artikel 15 van de onderhavige verordening. Volgens deze uitspraak moeten de overgelegde facturen aan de hand van objectieve criteria worden gecontroleerd, en moeten zij worden goedgekeurd voor zover de opgevoerde bedragen overeenkomen met de gebruikelijke kosten voor soortgelijke prestaties.
g)
Wat het vierde deel van vraag 2, sub b, betreft — of de douane van het bewijs van de vrachtkosten kan afzien, wanneer de betrokkene door de handelwijze van zijn leverancier niet in staat is dit bewijs te leveren —, voert verzoekster aan, dat uit de considerans van de verordening valt op te maken, dat in zodanig geval de douane van dit bewijs niet alleen mag, doch zelfs moet afzien.
h)
Ten slotte verwijst de Commissie nog naar de opvatting van de Duitse douane. Deze verlangt, dat de betrokkene bij de douanewaarde-aangifte instaat voor de juistheid van de verstrekte gegevens; daartoe is hij evenwel níet in staat, aangezien hij zonder inzage van de interne berekeningen van de verzender in het Oostblok alleen de hem in rekening gebrachte, doch niet de daadwerkelijk gemaakte kosten van het vervoer vanaf de grens kent. Aangezien ondernemingen in het Oostblok niet volgens de beginselen van de vrije economie behoeven te rekenen, zeggen ook de gebruikelijke binnenlandse tarieven niets over de daadwerkelijk gemaakte kosten. Met dergelijke pro-forma-rekeningen mag de douanewaarde niet worden gemanipuleerd, zodat zij in beginsel niet als bewijs kunnen dienen. Zonder geldige en dus aangetoonde „onderscheiden” prijzen kunnen dergelijke kosten dus niet worden afgetrokken.
In het ingevolge artikel 17 van de verordening ingestelde Comité Douanewaarde is het onderhavige probleem meermaals aan de orde geweest, doch de Duitse douane-instanties vonden daarin voor hun opvatting geen steun. Evenals de andere Lid-Staten, blijft de Commissie de mening toegedaan, dat de verwezenlijking van het doel van artikel 15, te weten de kosten van vervoer binnen de Gemeenschap buiten de douanewaarde te houden, wordt verijdeld door een bestuurspraktijk volgens welke zonder meer wordt geweigerd, bepaalde facturen betreffende binnenlandse vrachtkosten, waarvan de betaling vaststaat, in aanmerking te nemen.
i)
Op vragen van het Hof van Justitie heeft het Bondsministerie van Financiën, intervenient in het hoofdgeding, geantwoord dat de dienstnota betreffende de globale erkenning van de kosten van vervoer binnen de Gemeenschap, die is vastgesteld nadat het onderhavige geding was aanhangig gemaakt, is opgesteld, omdat het in andere Lid-Staten gebruikelijk is, de kosten van vervoer binnen de Gemeenschap zonder bewijs te erkennen, wanneer deze kosten kennelijk niet te hoog zijn of in overeenstemming zijn met de gebruikelijke binnenlandse vervoertarieven. Was de Duitse douane bij haar standpunt gebleven dat in elk afzonderlijk geval het bewijs diende te worden geleverd van de daadwerkelijk in rekening gebrachte vrachtkosten, dan had zulks tot een distorsie van de mededinging en verleggingen van het handelsverkeer kunnen leiden.
Overigens hebben de bij het onderhavige geding betrokken Duitse instanties voor het Hof van Justitie geen verklaring afgelegd. De Bondsregering heeft evenmin opmerkingen ingediend.
j)
Concluderend geven partijen het Hof in overweging, de prejudiciële vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:
Verzoekster:
„Wanneer de binnenlandse koper aan de buitenlandse verkoper naast de prijs voor de goederen op grond van een afzonderlijke factuur een apart bedrag betaalt voor ‚kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap’, omvat de transactiewaarde in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1224/80 niet beide bedragen, doch enkel de door de koper aan de verkoper betaalde prijs voor de goederen zonder de afzonderlijk in rekening gebrachte kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap.”
De Commissie:
„1)
De kosten van het vervoer van ingevoerde goederen tussen de grens van de Gemeenschap en de plaats van levering in het binnenland mogen niet in de douanewaarde worden inbegrepen.
2)
Wanneer dergelijke kosten zijn begrepen in de door de koper werkelijk te betalen of betaalde prijs, zijn zij ‚ausgewiesen’ [aangetoond] in de zin van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1224/80, wanneer zij in de ter zake opgestelde facturen zijn opgevoerd als een van de prijs van de goederen onderscheiden kostenbestanddeel.
3)
De controle van de juistheid der aldus opgevoerde bedragen dient te geschieden door de bevoegde instanties van de Lid-Staten, die daarbij de doelstellingen van verordening nr. 1224/80 in acht moeten nemen. Een vaste bestuurspraktijk om facturen als die welke in het hoofdgeding zijn overgelegd, zonder meer niet te erkennen, is onverenigbaar met dit doel, inzonderheid met dat van artikel 15, lid 1, van de verordening.”
II.
Vooraleer ik mijn standpunt betreffende de prejudiciële vragen uiteenzet, wil ik een opmerking herhalen die de Commissie in zaak 153/85, eveneens een verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing inzake douanewaarde, heeft gemaakt:
„Uit het onderhavige geval blijkt, dat het lang niet altijd gemakkelijk is, eenvoudige en courant voorkomende situaties onder een door deskundigen met grote zorgvuldigheid uitgedacht normenstelsel te brengen.”
Deze moeilijkheden zijn wellicht hierop terug te voeren, dat verordening nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (hierna: de verordening) in de artikelen 3 tot 7 nog enige samenhang vertoont, doch verder bestaat uit een opeenvolging van op zich staande bepalingen, zoals met name het hier in geding zijnde artikel 15, waarvan de formulering onvoldoende houvast biedt om onmiddellijk duidelijk te zijn.
1.
Centraal in het verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing staat de vraag of, wanneer de binnenlandse koper aan de buitenlandse verkoper naast de prijs van de goederen op grond van een afzonderlijke factuur een apart bedrag heeft betaald voor de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap, de transactiewaarde in de zin van artikel 3, lid 1, van de verordëning dan beide bedragen omvat.
Artikel 3, lid 1, van de verordening luidt als volgt:
„De douanewaarde van ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, is de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, aangepast overeenkomstig artikel 8 ... ”
In artikel 3, lid 3, sub a, wordt vervolgens de werkelijk betaalde of te betalen prijs omschreven als volgt:
„De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan.”
Bij verordening nr. 3193/80 van de Raad (PB 1980, L 333, blz. 1) is deze definitie met de volgende zinsnede uitgebreid:
„... en omvat alle betalingen die werkelijk zijn gedaan of moeten worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, en wel door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper.”
Ofschoon het Bundesfinanzhof zich in de motivering van zijn verwijzingsbeschikking ook op laatstbedoelde zinsnede heeft gebaseerd en haar letterlijk heeft aangehaald, moet zij in het onderhavige geval buiten beschouwing worden gelaten, aangezien genoemde wijzigingsverordening op dit punt eerst met ingang van 1 januari 1981 van toepassing is, en dus ten tijde van de onderhavige importen en de vaststelling van de douanewaarde ervan nog niet van belang was.
Het in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1224/80 genoemde artikel 8, volgens hetwelk de transactiewaarde eventueel moet worden aangepast om als douanewaarde te kunnen worden aangemerkt, bepaalt in lid 1:
„Bij de vaststelling van de douanewaarde met toepassing van artikel 3, wordt de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met:
...
e)
i)
de kosten van vervoer en verzekering van de ingevoerde goederen ...
tot de plaats van binnenkomst van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap.”
Uit de aangehaalde bepalingen valt duidelijk op te maken, dat in beginsel kosten van vervoer binnen de Gemeenschap niet in de douanewaarde zijn inbegrepen. Bij verkoop van goederen voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, omvat de transactiewaarde de totale betaling die door de koper aan de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan. Eventueel moet deze transactiewaarde overeenkomstig artikel 8 worden aangepast, bij voorbeeld wanneer de betaling voor de ingevoerde goederen niet de vrachtkosten tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap omvat, dat wil zeggen de plaats waar het eerste douanekantoor is gevestigd (artikel 14, lid 1, sub c). Uit de tekst van artikel 3 van de verordening valt dus reeds op te maken, dat als douanewaarde wordt beschouwd de volledige betaling voor de ingevoerde goederen op de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap. Deze conclusie wordt bevestigd door artikel 8 van de verordening. Wanneer namelijk de kosten van vervoer tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap nog niet in de prijs van de goederen zijn begrepen, moet bij de vaststelling van de douanewaarde de transactiewaarde met deze vrachtkosten worden verhoogd. A contrario volgt daaruit noodzakelijkerwijs, dat de kosten van vervoer tussen de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap en de plaats van bestemming van de goederen niet tot de douanewaarde behoren.
Deze uitlegging van de verordening wordt overigens bevestigd door haar ontstaansgeschiedenis.
Blijkens de considerans van de verordening is zij vastgesteld om de gemeenschapsbepalingen ter zake van de douanewaarde in overeenstemming te brengen met de in het kader van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) gesloten „Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel” (PB 1980, L 71, biz. 107). In deze context kan in het midden worden gelaten of bedoelde overeenkomst (douanewaarde-codex) in de interne sfeer van de Gemeenschap rechtstreekse werking kan hebben (zie te dezen de arresten van 16 maart 1983 in zaak 266/81, SIOT, Jurispr. 1983, blz. 731, en in de gevoegde zaken 267-269/81, SPI, Jurispr. 1983, blz. 801). Vast staat evenwel, dat in de door de EEG aangenomen douanewaarde-codex aanwijzingen voor de uitlegging van de verordening kunnen worden gevonden.
Deze aanwijzingen hebben alle dezelfde strekking, namelijk dat de kosten van binnenlands vervoer, respectievelijk de kosten van vervoer binnen de Gemeenschap niet in de douanewaarde mogen worden meegerekend.
In de douanewaarde-codex zijn verschillende berekeningsmethoden voorzien, waarvan hier evenwel alleen de in de artikelen 1 en 8 vervatte berekening van de douanewaarde op basis van de transactiewaarde relevant is. Ook in de douanewaarde-codex is de transactiewaarde omschreven als „de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het land van invoer, aangepast overeenkomstig artikel 8”. Ingevolge artikel 8, lid 2, van de douanewaarde-codex, kunnen de partijen bij de Overeenkomst bepaalde kosten geheel of voor een deel in de douanewaarde begrijpen:
„Bij de vaststelling van haar nationale wetgeving, voorziet elke partij in bepalingen inzake het begrijpen in of het uitsluiten van de douanewaarde, hetzij geheel of voor een deel, van de volgende elementen:
a)
de kosten van het vervoer van de ingevoerde goederen tot de haven of de plaats van invoer ...”
Het staat partijen derhalve vrij, de kosten van het vervoer tot de haven of de plaats van invoer in de douanewaarde te begrijpen; zij zijn daartoe evenwel niet verplicht. A contrario kan dus uit de douanewaarde-codex worden afgeleid, dat de kosten van het vervoer over het grondgebied van de invoerende partij bij de Overeenkomst niet in de douanewaarde mogen worden begrepen.
Deze conclusie vindt bovendien bevestiging in de noot inzake artikel 1 in bijlage I, dat een bestanddeel van de douanewaarde-codex is en luidt als volgt:
„De volgende kosten behoren niet tot de douanewaarde op voorwaarde dat zij niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen:
b)
vrachtkosten na de invoer;
...”
Deze noot voor de interpretatie van artikel 1 van de douanewaarde-codex is overgenomen in artikel 15, lid 1, van de verordening, dat luidt als volgt:
„De kosten van vervoer na de invoer in het douanegebied van de Gemeenschap behoren niet tot de douanewaarde van ingevoerde goederen op voorwaarde dat zij onderscheiden zijn van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs.”
Voorlopig dient derhalve op vraag 1, sub a, van het Bundesfinanzhof te worden geantwoord, dat onderscheiden „kosten van vervoer binnen de Gemeenschap” die naast de prijs van de goederen in rekening zijn gebracht, geen deel uitmaken van de transactiewaarde in de zin van artikel 3, lid 1, van de verordening en dus evenmin in de douanewaarde zijn begrepen.
2.
Ofschoon het Bundesfinanzhof de vraag aan welke eisen het onderscheiden bewijs van vervoerkosten binnen de Gemeenschap ingevolge artikel 15, lid 1, van de verordening moet voldoen, eerst bij het onderzoek van artikel 15, lid 2, aan de orde heeft gesteld, dient reeds thans nader op dit probleem te worden ingegaan.
Uit de tekst zelf van artikel 15 blijkt reeds dat aan de „getrennter Ausweis” in de zin van lid 1, minder strenge eisen worden gesteld dan aan de „Nachweis” van lid 2. De communautaire wetgever heeft hier — en zulks niet enkel in de Duitse versie van de verordening — bewust verschillende begrippen gekozen.
Ook hiervoor is de reden in de douanewaarde-codex te vinden. Het begrip „getrennter Ausweis” wordt namelijk in de Franse en de Engelse originele versie van de noot inzake artikel 1 als volgt geformuleerd:
„La valeur en douane ne comprendra pas les frais ou coûts ci-après à la condition qu'ils soient distincts du prix effectivement payé ou à payer pour les marchandises importées.”
„The customs value shall not include the following charges or costs, provided that they are distinguished irom the price actually paid or payable for the imported goods.”
Met het begrip „getrennt ausgewiesen” wordt dus niet meer geëist dan dat de betrokken kostenbestanddelen van de kostprijs moeten kunnen worden onderscheiden, als afzonderlijke kostenbestanddelen herkenbaar moeten zijn.
Tot dezelfde conclusie kwam ook het overeenkomstig artikel 18 aanhef, sub 2, van de douanewaarde-codex opgerichte Technisch Comité, dat in een advies heeft verklaard dat invoerrechten en heffingen van het land van invoer steeds als „onderscheiden” zijn te beschouwen, aangezien zij „naar hun aard” van de werkelijk betaalde prijs kunnen worden onderscheiden. Letterlijk verklaarde het Technisch Comité:
„Étant donné que, par définition, il est possible d'établir une distinction entre les droits et taxes du pays d'importation et le prix effectivement payé ou à payer, ces droits et taxes ne font pas partie de la valeur en douane.”
„Since the duties and taxes of the country of importation are by their nature distinguishable from the price actually paid or payable, they do not form part of the customs value.”
Het Technisch Comité was tot deze conclusie gekomen in een zaak waarin de invoerrechten en heffingen van een land van invoer niet afzonderlijk op de factuur waren opgevoerd doch in de betaalde prijs waren begrepen, en de invoerder niet eens om aftrek van deze heffingen had verzocht.
Wanneer voor „onderscheiden” kosten dus reeds volstaat dat zij afzonderlijk kunnen worden berekend, dan moet zeker aan dit vereiste zijn voldaan, wanneer zowel de prijs van de ingevoerde goederen als de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap afzonderlijk zijn aangegeven.
Dit betekent natuurlijk niet, dat het betrokken douanekantoor de aangegeven bedragen en de overgelegde bewijsstukken voor de binnenlandse vrachtkosten zonder meer moet aanvaarden. De Commissie heeft er terecht op gewezen, dat het douanekantoor vanzelfsprekend bevoegd en verplicht is, te onderzoeken of en in hoeverre de aangegeven kosten met de werkelijkheid overeenstemmen. Wat dit aangaat, is uit artikel 2, lid 4, sub g, van de verordening, juncto de zesde overweging van de considerans van deze verordening, onder abstractie van het concrete toepassingsgebied ervan, de algemene gedachte af te leiden, dat de douanewaarde niet mag worden vastgesteld op basis van willekeurige of fictieve waarden. Het betreft hier evenwel een algemene vraag van rechtstoepassing waarvoor tot dusverre in het gemeenschapsrecht geen regelen zijn gesteld, zodat ter zake de nationale instanties bevoegd zijn.
Wanneer evenwel reeds bij een bewijs (Nachweis) van het prijsverschil tussen de prijs franco plaats van bestemming en de prijs franco grens, als bedoeld in artikel 15, lid 2, sub b, volgens voornoemd arrest van 14 februari 1980 (zaak 84/79) ( 2 )„achteraf afgelegde verklaringen van de leverancier of diens vertegenwoordiger als bewijsmiddel worden aanvaard indien zij aannemelijke gegevens bevatten over de prijssituatie op het tijdstip van de invoer”, moet zulks voor de nationale instanties een aanwijzing zijn dat aan onderscheiden kosten („getrennter Ausweis”) niet dezelfde eisen kunnen worden gesteld als aan een bewijs („Nachweis”).
3.
Mijn uiteenzetting met betrekking tot de andere vragen van het Bundesfinanzhof kan ik kort houden, aangezien deze vragen slechts zijn gesteld, voor het geval vraag 1, sub a, bevestigend wordt beantwoord.
a)
Vraag 1, sub b: aanpassing van de transactiewaarde ingeval de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap daarin zijn begrepen.
Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. De overeenkomstig artikel 3 van de verordening vastgestelde transactiewaarde kan niet ten belope van de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap worden aangepast, aangezien deze kosten a priori niet daarin begrepen zijn.
b)
Vraag 2, sub a: toepasselijkheid van artikel 15, lid 2, sub a, van de verordening, wanneer alleen de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap onderscheiden zijn.
Deze vraag moet eveneens ontkennend worden beantwoord, aangezien het hier om een probleem gaat dat buiten het toepassingsgebied van artikel 15, lid 2, van de verordening valt.
Artikel 15, lid 2, sub a, van de verordening betreft de vraag, hoe de totale kosten van het vervoer binnen en buiten de Gemeenschap in kosten van vervoer binnen en kosten van vervoer buiten de Gemeenschap worden gesplitst. Aangezien het probleem van de onderscheiden kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap reeds in artikel 15, lid 1, is geregeld, kan artikel 15, lid 2, sub a, alleen betrekking hebben op het geval waarin de vrachtkosten bekend zijn, doch de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap niet afzonderlijk zijn aangetoond.
c)
Het antwoord op het eerste deel van vraag 2, sub b, namelijk of bij doorgaand vervoer in de zin van artikel 15, lid 2, sub a, de totale kosten voor het doorgaande vervoer afzonderlijk moeten worden aangetoond, volgt rechtstreeks uit hetgeen ik tot dusverre heb gezegd. Het luidt bevestigend, omdat artikel 15, lid 2, sub a, de splitsing van de totale vrachtkosten in kosten van vervoer binnen en kosten van vervoer buiten de Gemeenschap regelt. Er zij evenwel op gewezen, dat deze bepaling niet van toepassing is wanneer de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap reeds overeenkomstig artikel 15, lid 1, afzonderlijk zijn aangetoond.
d)
Het tweede deel van vraag 2, sub b, te weten de vraag wanneer zodanig afzonderlijk bewijs is geleverd, kan, gelet op hetgeen hiervoor onder punt 2 met betrekking tot het begrip onderscheiden kosten („getrennter Ausweis”) reeds is uiteengezet, bevestigend worden beantwoord. Ook hier zij evenwel erop gewezen, dat deze vraag de splitsing van totale vrachtkosten betreft, hetgeen in het hoofdgeding niet aan de orde was.
e)
Het antwoord op het derde en het vierde deel van vraag 2, sub b, namelijk welke eisen aan het bewijs van de totale vrachtkosten moeten worden gesteld, en of de douane van dit bewijs kan afzien wanneer de betrokkene door de handelwijze van zijn leverancier niet in staat is dit bewijs te leveren, volgt eveneens uit de hiervoor beantwoorde vraag. Aangezien niet kan worden verlangd, dat voor de totale vrachtkosten bijzondere bewijsstukken worden overgelegd, doch alleen dat zij onderscheiden zijn, geldt analoog hetgeen ik hiervoor onder punt 2 heb gezegd met betrekking tot de eisen die aan „onderscheiden” kosten („getrennter Ausweiss”) moeten worden gesteld.
4.
Deze aldus bereikte conclusie, dat de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap in de transactiewaarde noch in de douanewaarde zijn inbegrepen, wordt nog door andere overwegingen bevestigd. Weliswaar zijn ingevolge artikel 15, lid 2, sub b, bij goederen die tegen een uniforme prijs franco plaats van bestemming worden gefactureerd, de kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap in beginsel in de douanewaarde begrepen, doch ingevolge deze bepaling mogen deze kosten worden afgetrokken, indien ten genoegen van de douane wordt aangetoond dat de prijs franco grens lager is dan de uniforme prijs voor levering franco plaats van bestemming.
Verder dienen volgens artikel 15, lid 2, sub c, indien het vervoer kosteloos of met een vervoermiddel van de koper plaatsvindt, enkel de vrachtkosten tot de plaats van binnenkomst, berekend volgens de gebruikelijke tarieven voor vervoer met eenzelfde soort vervoermiddel, in de douanewaarde te worden begrepen. De kosten van het vervoer binnen de Gemeenschap dienen hier evenmin in de douanewaarde te worden meeberekend, zoals het Hof in het arrest van 14 februari 1980 in zaak 84/79 heeft bevestigd:
„De nationale rechterlijke instantie dient evenwel rekening te houden met de doelstelling van de communautaire bepaling, namelijk om het mogelijk te maken dat de aan het vervoer in het douanegebied van de Gemeenschap verbonden kosten die daadwerkelijk in de uniforme prijs zijn begrepen — doch ook uitsluitend deze -, bij de bepaling van de douanewaarde van de prijs worden afgetrokken. ”
Deze uitspraak met betrekking tot de oude verordening nr. 803/68 inzake de douanewaarde is ook thans nog relevant, aangezien de desbetreffende bepalingen vergelijkbaar zijn.
Ten slotte wil ik in het algemeen nog opmerken, dat het onbegrijpelijk zou zijn om over kosten van vervoer binnen de Gemeenschap, dus over een dienst die op het grondgebied van de Gemeenschap is verricht, invoerrechten te heffen. Dit zou aanleiding kunnen geven tot discriminatie van de marktdeelnemers binnen de Gemeenschap, aangezien dezelfde goederen dan naar gelang van de afstand van de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap verschillend zouden worden belast.
Een dergelijke opvatting zou indruisen tegen het algemene gelijkheidsbeginsel, en zou evenmin in overeenstemming zijn met de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 803/68 inzake de douanewaarde van de goederen; weliswaar is deze verordening vervangen door verordening nr. 1224/80, doch enkel om het gemeenschapsrecht in overeenstemming te brengen met de douanewaarde-codex, en niet om fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht, zoals het beginsel van gelijke behandeling der marktdeelnemers, buiten werking te stellen.
Daar ingevolge artikel 14, lid 1, sub c, de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap voor goederen welke langs de weg zijn aangevoerd, de plaats is waar het eerste douanekantoor is gevestigd, zouden ingevoerde goederen zwaarder worden belast naarmate de plaats van bestemming verder van dit douanekantoor af ligt. Ik kan evenwel niet inzien waarom bij voorbeeld goederen die, zoals in het onderhavige geval, uit Bulgarije afkomstig zijn, zwaarder zouden moeten worden belast, enkel omdat zij niet voor een in Beieren, dicht bij de gemeenschapsgrens woonachtige koper bestemd zijn, doch voor een koper in bij voorbeeld Bretagne of Denemarken.
C.
Concluderend geef ik het Hof in overweging, op de vragen van het Bundesfinanzhof te antwoorden als volgt:
1)
De kosten voor het vervoer van ingevoerde goederen van de gemeenschapsgrens tot de plaats van levering in het binnenland, mogen niet in de douanewaarde worden begrepen.
2)
Zijn dergelijke kosten in de door de koper werkelijk te betalen of betaalde prijs begrepen, dan zijn zij aangetoond („ausgewiesen”) in de zin van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1224/80, wanneer zij in de desbetreffende facturen in de vorm van een van de prijs van de waar onderscheiden kostenbestanddeel zijn opgevoerd.
3)
Het staat aan de bevoegde instanties van de Lid-Staten, de juistheid van de ter zake opgevoerde bedragen te toetsen.
( *1 ) Vertaald uit het Dutis.
( 1 ) Zie besluit nr. 80/271 van de Raad van 10 december 1979, PB 1980, L 71, blz. 1.blz. 107 e.v.
( 2 ) Dit arrest i's gewezen met betrekking tot artikel 8, lid 2, van verordening nr. 803/68 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1968, L 148, blz. 6), doch aangezien het om een vergelijkbare bepaling gaat, is het ook bij de uitlegging van artikel 15, lid 2, sub c, van verordening nr. 1224/80 ter zake dienend.
Full & Egal Universal Law Academy