CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 12 december 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
Mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak hebben elf verzoekers beroep ingesteld tot nietigverklaring van de afwijzing van hun sollicitatie in intern vergelijkend onderzoek COM/B/2/82.
In mijn zojuist genomen conclusie in zaak 294/84 ben ik in bijzonderheden ingegaan op alle aspecten van dat vergelijkend onderzoek en op het verloop ervan; verzoekers in de onderhavige zaak voeren mutatis mutandis dezelfde argumenten aan en verklaren zich akkoord met wat er tijdens de mondelinge behandeling in die zaak is voorgedragen. Op die bijzonderheden kom ik dan ook niet meer terug; ik volsta met te verwijzen naar de vorige conclusie.
Evenals in zaak 294/84 ontvingen de verzoekers in de zaak waarom het thans gaat, in juni 1984 een brief van de Commissie, waarin hun werd meegedeeld dat zij niet op de lijst van de tot de examens toegelaten kandidaten waren geplaatst. Ook zij verzochten daarop om een nieuw onderzoek van hun sollicitatie. Zij beklaagden zich er ook over, dat in de brief van 15 juni 1984 niet was meegedeeld op welke gronden hun sollicitatie was afgewezen. Zij kregen antwoord met de brief van 7 september 1984, waarvan ik de inhoud in mijn conclusie in de andere zaak heb weergegeven.
De Commissie voert aan, dat ook dit beroep tardief en dus niet ontvankelijk is. Op de redenen uiteengezet in mijn vorige conclusie, wijs ik dit argument van de hand voor zover het beroep tegen het besluit van 7 september 1984 is gericht.
Verzoekers in de onderhavige zaak hebben weliswaar bedenkingen over de geldigheid van sommige bepalingen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, doch hun beroep is niet rechtstreeks tegen die aankondiging gericht, aangezien, gelijk zij zelf erkennen, de beroepstermijn daarvoor is verstreken.
In de eerste plaats beklagen zij zich erover, dat de afwijzing van hun sollicitatie niet naar behoren met redenen is omkleed. Weliswaar bevatte de brief van september meer informatie dan die van juni, doch deze was nog steeds onvoldoende. Voorts hebben zij bezwaren tegen het door de jury gehanteerde begrip „geschiktheid”, dat volgens hen te vaag is en waaruit niet blijkt aan welke criteria de kandidaten moesten voldoen.
Mijns inziens kan dit argument niet slagen. Het lijkt mij volkomen aanvaardbaar een in het licht van de omstandigheden relevante geschiktheid als norm te hanteren.
Wat de motiveringsgebreken betreft, dient men te bedenken dat bij een vergelijkend onderzoek als het onderhavige, met zeer vele kandidaten, een motivering in algemene termen in eerste instantie voldoende kan zijn. Wanneer echter iemand de redenen wenst te vernemen waarom zijn sollicitatie is afgewezen, en de heropening van zijn dossier verlangt, is de jury mijns inziens gehouden mee te delen welke factoren in het geval van de betrokkene een rol hebben gespeeld. Dit is met name het geval wanneer het jurybesluit is gebaseerd op het feit, dat alle kandidaten van de derde groep zijn afgewezen omdat zij op bepaalde punten niet de vereiste geschiktheid bezaten, al voldeden zij op andere punten wel. De kandidaten hadden het recht te weten, op welk punt zij waren afgewezen, zodat zij konden nagaan of de jury bij haar besluit had gedwaald ten aanzien van het recht, bij voorbeeld door niet ter zake dienende aspecten in haar overwegingen te betrekken. In het onderhavige geval konden zij dit niet weten omdat zij niet duidelijk genoeg waren ingelicht.
Voorts zijn verzoekers de mening toegedaan, dat de gesprekken met hun hiërarchieke meerderen onwettig waren; voor zo een gesprek bestond enkel reden indien het noodzakelijk was, doch niet automatisch in alle gevallen; het Ambtenarenstatuut voorziet weliswaar de mogelijkheid van bijzitters, maar dit mogen niet de meerderen van de kandidaten zijn.
Naar mijn oordeel was het niet onwettig de meerderen te horen, al was het wellicht beter geweest dat na de proeven te doen. In ieder geval fungeerden de assistenten niet als bijzitters; zij hebben enkel verdere inlichtingen en adviezen gegeven, waarvan de jury bij haar besluitvorming gebruik kon maken.
Anderzijds ware het om de in mijn conclusie in zaak 294/84 uiteengezette redenen billijk geweest de kandidaten de gelegenheid te bieden om te reageren op wat de assistenten hadden gezegd, wat evenwel niet is gebeurd.
Voorts stellen verzoekers, dat het jurybesluit om bepaalde kandidaten tot de proeven toe te laten en andere — waaronder de verzoekers in de onderhavige zaak — af te wijzen, kennelijke dwalingen bevat. In principe staat het aan de jury om over toelating of niettoelating te beslissen, en uit de beschikbare gegevens valt niet af te leiden dat zij bij haar besluiten heeft gedwaald ten aanzien van het recht. Op dit punt beschikt het Hof gewoon niet over voldoende informatie.
In repliek werd de aanvankelijke bewering dat sommige kandidaten zouden zijn gediscrimineerd, teruggenomen — terecht, want uit niets blijkt dat deze grief gerechtvaardigd is. Verder is schending van het vertrouwensbeginsel gesteld, doch in dermate algemene termen, dat dit middel niet kan slagen.
Ik ben het daarentegen wel eens met het bezwaar van verzoekers tegen het feit dat sommige juryleden tevens als assistent zijn opgetreden en in die hoedanigheid inlichtingen hebben verstrekt over sommige kandidaten, ook al hebben zij vervolgens niet mee beslist over de toelating van de betrokkenen tot de proeven.
Gelet op het voorgaande en op grond van de constatering, dat aan verzoekers, na hun desbetreffend verzoek, niet voldoende duidelijk is gemaakt waarom zij waren afgewezen, en hun niet de mogelijkheid is gegeven kennis te nemen van of te reageren op de door de assistenten gegeven inlichtingen en adviezen, geef ik het Hof in overweging:
a)
het besluit om verzoekers niet toe te laten tot de examens van intern vergelijkend onderzoek COM/B/2/82, nietig te verklaren;
b)
de Commissie te verwijzen in de door verzoekers gemaakte kosten.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy