CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 12 december 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak hebben 53 ambtenaren van de Commissie, ten tijde van de feiten aangesteld in de categorie C, bij het Hof beroep ingesteld tot nietigverklaring van intern vergelijkend onderzoek COM/B/2/82 en van alle verrichtingen in het kader daarvan. Zij verzoeken meer in het bijzonder om nietigverklaring van de weigering van de jury om hen toe te laten tot de examens van het vergelijkend onderzoek, en van de aanstellingen van andere kandidaten als resultaat van dit vergelijkend onderzoek.
Volgens de aankondiging van het intern vergelijkend onderzoek ging het om de vorming van een reserve van adjunct-assistenten, adjunct-secretariaatsassistenten en adjunct-technische assistenten in de rangen 5 en 4 van categorie B. Oorspronkelijk zou de reservelijst geldig zijn tot 31 december 1983, doch deze termijn is verlengd tot 31 december 1986.
Voor deelneming aan dit vergelijkend onderzoek kwamen in aanmerking kandidaten die voldeden aan welbepaalde voorwaarden ter zake van rang en functie, anciënniteit en leeftijd. Alle verzoekers voldeden aan deze voorwaarden en werden tot het vergelijkend onderzoek toegelaten.
De sollicitaties moesten worden ingediend met gebruikmaking van het „Algemeen sollicitatieformulier” en van een „bijlage ad hoc”, waarop de kandidaat melding moest maken van zijn opleiding, diploma's, vervulde functies en daarbij verworven beroepservaring, en van zijn kennis van stenotypen in de verschillende talen.
Na onderzoek van het dossier en
„i)
nadat een onderhoud met de kandidaten die aan de voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek [voldeden, had] plaatsgehad in de gevallen waarin de jury zulks nodig [achtte] om de geschiktheid van de kandidaat voor het uitoefenen van een functie in een hogere categorie te kunnen beoordelen, en
ii)
nadat hij [zo nodig] ( 1 ) een onderhoud [had] gehad met de hiërarchieke meerderen (gewoonlijk op het niveau van de assistenten van de directeurengeneraal), die [hem] inlichtingen verstrekken en van advies dienen omtrent de geschiktheid van de kandidaat om een functie op het niveau van categorie B uit te oefenen,”
moest de jury de lijst vaststellen van de tot het examen toegelaten kandidaten en in samenspraak met de kandidaat de aard van de door deze af te leggen proeven bepalen.
De proeven konden met name bestaan in een periode van opleiding, praktische oefeningen of de uitvoering van een bepaalde opdracht om na te gaan of de kandidaat de vereiste geschiktheid bezat. De jury diende de beoordelingscriteria vast te stellen en kon desgewenst assessoren aanwijzen.
Ongeveer 860 personen solliciteerden, waarvan er veertig volgens de jury niet voor deelneming aan het vergelijkend onderzoek in aanmerking kwamen. Daarna zag de jury zich geconfronteerd met de niet te onderschatten taak om de overblijvende kandidaten te selecteren voor plaatsing op de reservelijst, waaruit gedurende de geldigheidsduur van de lijst naar verwachting in een honderdtal vacatures zou kunnen worden voorzien.
In de eerste plaats moest de jury natuurlijk de te volgen procedure vaststellen. Overeenkomstig zijn verplichting onderzocht hij de sollicitatieformulieren, de bijlagen en de bijgevoegde documenten. Verder besloot hij de persoonsdossiers van de kandidaten in zijn onderzoek te betrekken. De jury stelde een vragenlijst op, die bij elk van de betrokken directoratengeneraal met betrekking tot de daar werkzame kandidaten aan een assistent werd voorgelegd. Toen veel assistenten weigerden de vragenlijst in te vullen, besloot de jury tot een gesprek met de betrokken assistenten over de tot de examens toegelaten kandidaten. De jury was van mening, dat om redenen van billijkheid alle sollicitanten moesten worden besproken en niet alleen die over wie de jury nadere inlichtingen wenste.
Toen de jury in 1982 zijn werkzaamheden aanvatte, besloot hij tot een gesprek met de kandidaten die „twijfelachtig” of „negatief” leken. In maart 1984, toen zijn werkzaamheden al wat gevorderd waren, besloot hij op grond van de informatie waarover hij al beschikte, dat een gesprek met de kandidaten overbodig was, daar dit waarschijnlijk geen verdere informatie van belang zou opleveren. In plaats daarvan verdeelde de jury, op basis van de dossiers en de met de assistenten gevoerde gesprekken, de kandidaten in zes groepen. Bovenaan, in groep 5, werden ingedeeld de kandidaten die reeds een functie op B-, BS- of BT-niveau vervulden, en in groep 4 degenen die in elk opzicht geschikt waren om onmiddellijk met een dergelijke functie te worden belast. Onderaan, in groep 2, kwamen de kandidaten die kennelijk onvoldoende geschikt waren, in groep 1 die welke nagenoeg, en in groep O die welke volkomen ongeschikt waren voor de te begeven posten. Daartussenin, in groep 3, werden de kandidaten ingedeeld die aan sommige, doch niet aan alle vereisten voor de betrokken B-posten voldeden.
De groepen 5 en 4 omvatten te zamen 221 kandidaten die aan alle vereisten voor een of meer posten van B-, BS- of BT-niveau voldeden. Aangezien men er toen van uitging, dat binnen drie jaar in 151 vacatures moest worden voorzien, werden die 221 kandidaten op de reservelijst geplaatst. Met een ruime meerderheid en slechts twee tegenstemmen besloot de jury om niet over te gaan tot een nieuw onderzoek van de kandidaten in de middengroep (3). Verder bereidde de jury passende proeven voor voor de kandidaten op de reservelijst.
In juni 1984 ontvingen alle verzoekers in de onderhavige zaak een brief waarin hun werd meegedeeld dat de jury hen niet op de lijst van de tot de proeven toegelaten kandidaten had geplaatst. Voorts heette het, dat de jury kennis had genomen van hun dossier en van hun sollicitatieformulier, het gesprek met de vertegenwoordiger van het betrokken directoraatgeneraal of de betrokken dienst in zijn overwegingen had betrokken en rekening had gehouden met beroepservaring, opleiding en mobiliteit.
Alle verzoekers verzochten naar het schijnt om nadere inlichtingen, terwijl drie van hen, M. Seube, R. Basch en R. Pelliccionne, onmiddellijk een klacht in de zin van het Ambtenarenstatuut indienden.
Op 7 september 1984 ontvingen verzoekers een nieuwe brief, waarin hun werd meegedeeld dat de jury hun sollicitatie opnieuw had onderzocht, doch geen gegevens had gevonden die het mogelijk zouden hebben gemaakt tot een ander besluit te komen. Voorts werd in de brief verwezen naar de vastgestelde criteria, zoals beroepservaring, opleiding en beoordelingsrapporten; er werd op gewezen, dat de jury rekening had gehouden met het dossier en met de gesprekken, en dat hij had besloten al die kandidaten toe te laten die reeds B-functies vervulden dan wel alle daartoe vereiste kwalificaties bezaten.
De verzoekschriften in de onderhavige zaak zijn op 10 december 1984 ter griffie van het Hof ingeschreven. De Commissie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij tardief en dus niet ontvankelijk zijn.
Het is duidelijk, dat het in december 1984 te laat was om op te komen tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek van 1982 en tegen de brief van juni 1984 met het oorspronkelijke besluit, behalve voor de twee of drie verzoekers die krachtens het Ambtenarenstatuut een klacht tegen die brief hadden ingediend.
Of in dit geding de geldigheid van de brief van 7 september 1984 kan worden betwist, hangt ervan af, of die brief enkel een bevestiging bevat van het in de brief van juni meegedeelde besluit (in welk geval er niet tegen kan worden opgekomen) dan wel of het om een nieuw besluit gaat. De grens tussen de twee is niet altijd gemakkelijk te trekken; het is ook niet wenselijk de jury of, naar gelang van het geval, de Commissie te ontmoedigen om tot een echte heroverweging van een besluit over te gaan, wanneer men al te gemakkelijk aanneemt dat daardoor een nieuwe termijn ingaat. Er zijn goede argumenten voor de opvatting van de Commissie, dat de tweede brief in dit geval niet meer was dan een nadere toelichting van een reeds meegedeeld besluit. Uitgaande van de gegevens waarover het Hof beschikt, komt het mij anderzijds voor dat de jury, zoals hem was verzocht, de betrokken gevallen werkelijk opnieuw en grondig heeft onderzocht en nogmaals tot het besluit is gekomen dat de betrokken kandidaten niet tot het examen konden worden toegelaten. Dít kan blijken uit de omstandigheid, dat van de talrijke andere afgewezen kandidaten die eveneens om herziening van het oorspronkelijke besluit hadden verzocht, er alsnog achttien door de jury zijn toegelaten.
Ik ben dan ook van mening, dat met betrekking tot alle verzoekers het beroep tijdig is ingesteld en ontvankelijk is, in zoverre het gericht is tegen het besluit van 7 september 1984. Het is derhalve niet nodig te onderzoeken of verzoekers Seube, Basch en Pelliccionne tijdig tegen het besluit van juni zijn opgekomen.
Wat de zaak ten gronde betreft, betogen verzoekers in de eerste plaats dat het vergelijkend onderzoek georganiseerd is voor de vorming van een reserve voor drie verschillende functies, te weten adjunct-assistent, adjunct-secretariaatsassistent en adjuncttechnisch assistent. Deze functies en de loopbaanstructuur van degenen die ze vervullen, zo zeggen zij, zijn zo verschillend, dat het onmogelijk is om in een vergelijkend onderzoek als het onderhavige één bepaalde norm te hanteren. Ik meen dat hiermee de regelmatigheid van het vergelijkend onderzoek zelf in het geding wordt gebracht en dat dit middel tardief en dus niet ontvankelijk is. Zou het wel ontvankelijk zijn, dan zou ik mij, in weerwil van bepaalde verschillen tussen de functies en van het feit dat sommige sollicitaties moesten worden aangepast omdat de betrokkenen kennelijk naar de verkeerde post hadden gesolliciteerd, op het standpunt plaatsen dat de verschillen tussen de diverse posten niet zo groot waren, dat het vergelijkend onderzoek daardoor ongeldig werd.
In de tweede plaats stellen verzoekers dat a) de aankondiging van vergelijkend onderzoek in strijd was met artikel 1, sub d, van bijlage III bij het Statuut, doordat „de diplomas en andere schriftelijke bewijsstukken of de ervaring die voor het ambt is vereist” niet waren vermeld, en b) dat, voor zover de in de brieven van juni en 7 september 1984 vermelde criteria als de normen ter zake van bewijsstukken of ervaring moeten worden beschouwd, daarvan te laat kennis is gegeven. Ook hier is onderdeel a) in wezen tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek gericht en dus tardief, en dit geldt ook voor onderdeel b), voor zover dit tegen de brief van juni is gericht. Mijns inziens kan dit middel in geen geval slagen. In de aankondiging van vergelijkend onderzoek waren de criteria voor het niveau en de duur van de beroepservaring vermeld. In die aankondiging werd ook verwezen naar het sollicitatieformulier en de ad hoe-bijlage. In het sollicitatieformulier worden bijzonderheden over opleiding en diploma's gevraagd; bovendien moet de sollicitant meedelen welke beroepservaring hij heeft, en welke zijn kennis is van stenografie en typen. Bij een vergelijkend onderzoek van dit soort en op dit niveau kan ervaring even belangrijk zijn als diploma's en mag de jury zijn besluit baseren op een globale beoordeling daarvan.
Als zesde middel voeren verzoekers aan, dat de aard van het examen als omschreven in punt III, 2, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek in strijd is met artikel 1, sub e, van bijlage III bij het Statuut, volgens hetwelk „bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van een examen” in de aankondiging moet worden vermeld „de aard van dit examen en de waardering der verschillende onderdelen hiervan”. Verzoekers stellen dat niet was meegedeeld waarin het examen zou bestaan; blijkens de omschrijving ging het niet om een examen in de gebruikelijke betekenis van het woord, doch om verschillende, op de individuele kandidaat afgestemde proeven, zonder indicaties betreffende de puntenwaardering. Het lijkt mij duidelijk dat dit middel niet ontvankelijk is, daar het zich richt tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Aangezien verzoekers niet aan de proeven hebben deelgenomen, kunnen zij met hun beroep niet tegen het examen als zodanig opkomen.
Dan volgen drie middelen die verband houden met de handelwijze van de jury (middelen 5, 3 en 4). Volgens verzoekers was het onwettig om degenen die al B-functies vervulden, als groep toe te laten, zonder onderzoek van hun verdiensten en zonder ze met de andere sollicitanten te vergelijken. Wellicht was dit niet de beste methode, want het is mogelijk dat sommige van de toegelaten kandidaten hun B-functie niet op bevredigende wijze vervulden en misschien minder bekwaam waren dan kandidaten die nog een C-functie hadden. Daartegenover staat dat men wel bepaalde criteria moest vaststellen om de 800 kandidaten tot een overzichtelijk aantal terug te brengen, en dat het kaf in ieder geval van het koren zou worden gescheiden in de loop van de proeven en op grond van de beoordelingsrapporten en kwalificaties. Ik ben dan ook niet van mening, dat de handelwijze van de jury op dit punt onwettig was.
Verder maken verzoekers bezwaar tegen het feit dat de assistenten in alle gevallen (en niet enkel wanneer dat nodig was) zijn geraadpleegd; in sommige gevallen kenden de assistenten de kandidaten waarschijnlijk niet eens, misschien hadden zij persoonlijke redenen om het vertrek van sommige kandidaten te bevorderen of tegen te werken, en de resultaten zouden binnen de verschillende afdelingen ongelijk zijn geweest. Verslagen uit verschillende onderafdelingen waren moeilijk te vergelijken. Bovendien was geen enkele sollicitant uitgenodigd voor een onderhoud, zodat zij in het ongewisse bleven over wat de assistenten hadden gezegd.
Ik meen dat de jury mocht beslissen om geen van de kandidaten te interviewen, doch waar hij aanvankelijk had besloten een gesprek te voeren met de als twijfelachtig of negatief beoordeelde kandidaten, is heţ naar mijn gevoel te betreuren dat de sollicitaties van de middengroep (de kandidaten die geacht werden sommige van de vereiste kwalificaties te bezitten) niet opnieuw zijn onderzocht, zoals een minderheid van de juryleden wenste. Men had hen voor een gesprek kunnen oproepen om twijfels weg te nemen, want voor de andere groepen was duidelijk dat zij wel respectievelijk niet moesten worden toegelaten. Op zich lijkt dit middel mij evenwel een onvoldoende grond voor nietigverklaring.
Anderzijds lijkt het mij evenwel volstrekt onjuist, dat de jury de assistenten heeft gehoord zonder de kandidaten van hun opmerkingen in kennis te stellen. Zelfs nu zijn nog geen verslagen van die gesprekken overgelegd, al schijnen er door de deelnemers wel aantekeningen te zijn gemaakt. Wat er gezegd is, kan volkomen juist zijn geweest en was het waarschijnlijk ook; maar het kan ook aantoonbaar onjuist zijn geweest of gebaseerd op een misverstand dat kon worden rechtgezet. Verzoekers wisten wat er in de stukken stond die zij bij hun sollicitatieformulier hadden gevoegd. Zij hadden de gelegenheid gehad om opmerkingen te maken bij hun beoordelingsrapporten. Dat alles is in aanmerking genomen. En ook als de adviezen van de assistenten niet doorslaggevend waren, blijkt uit het procesdossier duidelijk dat er wel rekening mee is gehouden. Het ware niet meer dan billijk geweest verzoekers de gelegenheid te bieden commentaar te geven op die adviezen. Door dit na te laten, heeft de jury mijns inziens ten aanzien van alle verzoekers in de onderhavige zaak een onregelmatig besluit genomen, dat alleen reeds op deze grond nietig moet worden verklaard. Waar de betrokkenen niet de gelegenheid is geboden hun standpunt kenbaar te maken, is kennelijk het beginsel van hoor en wederhoor uit het oog verloren.
Wat volgens mij helemaal niet door de beugel kan, is dat met betrekking tot verscheidene kandidaten sommige juryleden of hun plaatsvervangers als vertegenwoordigers van de directoratengeneraal zijn opgetreden, ook al zijn zij niet betrokken geweest bij de beslissing over die kandidaat of kandidaten. Een dergelijke handelwijze moet wel tot argwaan leiden en kan niet gerechtvaardigd zijn, gelet op het grote aantal personen waaruit de vertegenwoordigers van de directeurengeneraal konden worden gekozen.
In hun zevende, alle mogelijkheden omvattend middel stellen verzoekers dat de gevolgde procedure in strijd was met alle bepalingen van bijlage III en met alle andere toepasselijke procedureregels. In de omstandigheden van het geval behoeft hierop niet nader te worden ingegaan, met name omdat deze grief niet nader is uitgewerkt.
In weerwil van de aanzienlijke inspanningen en de toewijding van de juryleden, inzonderheid van de voorzitter, moet mijns inziens het besluit om verzoekers niet tot de proeven toe te laten, worden nietigverklaard, aangezien de reservelijst nog steeds geldig is. Onduidelijk is hoevelen van de verzoekers in de derde groep (de middengroep) en in de andere groepen waren ingedeeld; ik zou in ieder geval alle verzoekers op één lijn willen plaatsen.
Anderzijds lijkt het mij niet juist of noodzakelijk om de besluiten inzake de toelating van andere kandidaten tot de proeven of hun plaatsing op de reservelijst nietig te verklaren. Op die besluiten valt niets af te dingen. De sollicitaties van verzoekers moeten evenwel opnieuw worden onderzocht, ten einde uit te maken of sommigen hunner tot de proeven kunnen worden toegelaten; daarbij moeten de sollicitanten zelf worden gehoord.
Op grond van dit alles concludeer ik tot
—
nietigverklaring van het besluit om verzoekers niet toe te laten tot de proeven van vergelijkend onderzoek COM/B/2/82,
—
verwijzing van de Commissie in de kosten van verzoekers.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
( 1 ) Deze woorden ontbreken in de Nederlandse ickst van de aankondiging (N.v.d.V.).
Full & Egal Universal Law Academy