CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 23 januari 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Bij arrest van 5 december 1984 heeft het Arbeidshof te Bergen andermaal een prejudiciële vraag gesteld naar aanleiding van het geschil tussen Sinatra en het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers (hierna: het Pensioenfonds).
Sinatra, van Italiaanse nationaliteit, appellant in het hoofdgeding, werkte als loontrekkende in Italië van 1948 tot 1956 en vervolgens als mijnwerker in België van 1957 tot 1970.
Op grond van deze werkzaamheden geniet hij
—
in Italië sedert 1 december 1970 een invaliditeitspensioen krachtens de algemene verzekeringsregeling, pro rata berekend overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: de verordening), en
—
in België sedert 1 april 1971 een invaliditeitspensioen voor gehuwde ondergrondse mijnwerkers krachtens het Belgische Koninklijk Besluit van 19 november 1970 (artikelen 1 tot 4); dit is een forfaitaire uitkering, waarvan de toekenning afhangt van een minimum-verzekeringsduur van vijf of tien jaar, doch het bedrag overigens losstaat van de precieze duur van de volbrachte tijdvakken. Vanaf 10 mei 1971 werd het Belgische invaliditeitspensioen verminderd met het bedrag van een rente wegens een in België opgelopen beroepsziekte.
In het eerste prejudiciële verzoek van het Arbeidshof te Bergen van 7 januari 1981 (arrest van 2.2.1982, zaak 7/81, Jurispr. 1982, blz. 137) stond voorop de vraag, of volgens artikel 51 van de verordening het Pensioenfonds wegens een verandering in de persoonlijke situatie van Sinatra in 1976 — zijn echtgenote had werk gevonden en het Belgische invaliditeitspensioen was van een „gehuwdenpensioen” in een „alleenstaandenpensioen” omgezet — mocht overgaan tot een volledig heronderzoek van het dossier, zoals in feite was geschied. Immers, het had met toepassing van alle gemeenschapsverordeningen ter zake het bedrag van het Italiaanse pensioen voor het tijdvak 1 april 1971 tot 1 juli 1975 in mindering gebracht op de Belgische uitkering, waardoor Sinatra 38000 BFR als teveel ontvangen moest terugbetalen, en was overeenkomstig artikel 46 van de verordening overgegaan tot een herberekening van de Belgische uitkering vanaf 1 januari 1975, daarbij rekening houdend met diverse wijzigingen, zoals het wegvallen per 1 januari 1976 van de gehuwdentoeslag.
Het Hof verklaarde in zijn arrest van 2 februari 1982 dat „een herberekening overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 verplicht is bij elke wijziging in de door de Lid-Staat betaalde uitkeringen”, onverminderd enkele uitzonderingen, waartoe niet behoren veranderingen in de persoonlijke situatie van de sociaal verzekerde. Op 2 november 1983 oordeelde de rechter in het hoofdgeding, dat het Pensioenfonds derhalve terecht tot herberekening van de door hem verschuldigde uitkering was overgegaan; verder nodigde hij partijen uit, conclusie te nemen over andere vragen betreffende de verenigbaarheid van het toepasselijke Belgische recht — te weten artikel 23, paragraaf 1, van een Koninklijk Besluit van 19 november 1970 — met het gemeenschapsrecht, met name de artikelen 45, 46 en 12 van de verordening. Het ging erom of, en tot welk bedrag, het Italiaanse pensioen in mindering mocht worden gebracht op het Belgische pensioen. Partijen in het hoofdgeding zijn het op dit punt oneens.
Artikel 23, paragraaf 1, van voormeld Koninklijk Besluit is volgens de rechter in het hoofdgeding een extern anti-cumulatievoorschrift, waarmee wordt bedoeld dat het eveneens van toepassing is op in het buitenland verkregen uitkeringen. Vóór de wijziging bij Koninklijk Besluit van 3 augustus 1983 luidde deze bepaling als volgt:
„Het overeenkomstig dit besluit toegekend invaliditeitspensioen mag slechts met één of meerdere rust- of invaliditeitspensioenen gecumuleerd worden tot het beloop van het jaarlijkse bedrag van het in artikel 4, leden 1,2 en 4, vastgestelde pensioen, naar gelang het een gehuwde arbeider of een ongehuwde arbeider, weduwnaar, uit de echt gescheiden of feitelijk gescheiden arbeider betreft.”
Op 3 augustus 1983 werd deze bepaling in dier voege gewijzigd, dat het invaliditeitspensioen niet mag worden gecumuleerd met één of meerdere rust- of invaliditeitspensioenen „toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving”.
In rechtsoverweging 8 van voormeld arrest van 2 februari 1982 heeft het Hof de strekking van zijn rechtspraak in herinnering gebracht:
„Het... aan de migrerende werknemers toegekende recht op toepassing van de gunstigste socialezekerheidsregeling impliceert in beginsel dat bij elke wijziging van de onder dit stelsel toegekende uitkeringen een nieuwe vergelijking overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 wordt gemaakt tussen de nationale en de samentel-lings- en prorataregeling, ten einde te bepalen welke na de ingetreden wijziging de voordeligste is.”
De twee partijen in het hoofdgeding zijn het erover eens, dat de verzekeringstijdvakken in België (14 jaar als mijnwerker) en in Italië (3 jaar — algemeen stelsel) strikt genomen niet kunnen worden samengeteld in de zin van artikel 45, lid 2, van de verordening, aangezien zij onder twee verschillende stelsels vallen.
De betrokken bepaling luidt:
„2)
Indien de wettelijke regeling van een Lid-Staat de toekenning van bepaalde uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de tijdvakken van verzekering uitsluitend in een aan een bijzonder stelsel voor werknemers onderwor- pen beroep of eventueel met het verrichten van bepaalde werkzaamheden zijn vervuld, wordt voor de toekenning van deze uitkeringen slechts rekening gehouden met de tijdvakken welke krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten zijn vervuld, indien deze tijdvakken krachtens een overeenkomstig stelsel of, bij afwezigheid daarvan, in hetzelfde beroep... zijn vervuld.”
Voor het Arbeidshof te Bergen heeft appellant in het hoofdgeding echter met een beroep op rechtsoverweging 8 van 's Hofs arrest van 2 februari 1982 gesteld, dat deze uitspraak geen enkele zin zou hebben indien niet werd overgegaan tot samentelling en proratisatie als voorzien in artikel 46; het Pensioenfonds van zijn kant betoogde onder verwijzing naar de arresten van 13 oktober 1977 (zaak 22/77, Mura, Jurispr. 1977, blz. 1699) en 13 oktober 1977 (zaak 37/77, Greco, Jurispr. 1977, blz. 1711), dat de samentelling die volgens deze rechtspraak zou moeten geschieden, ingevolge artikel 45, lid 2, van de verordening onmogelijk is. Bijgevolg zou het in het Belgische recht vervatte anti-cumulatievoorschrift onverkort van toepassing zijn.
Het Arbeidshof heeft in de motivering van zijn verwijzingsarrest erop gewezen, dat „moet worden uitgemaakt of het Belgische bevoegde orgaan, waar het niet moet overgaan tot samentelling en proratisatie om een recht op een invaliditeitspensioen voor mijnwerkers te verlenen, overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 een vergelijking moet maken tussen de in artikel 46, leden 1 tot 3, neergelegde gemeenschapsregeling en de nationale regeling met inbegrip van de anti-cumulatieregel, ten einde uit te maken welke de voor de migrerende werknemer gunstigste regeling is.”
De prejudiciële vraag van het Arbeidshof luidt als volgt:
„Dient verordening nr. 1408/71, inzonderheid de artikelen 12, 45 en 46, aldus te worden uitgelegd, dat, wanneer de wettelijke regeling van een Lid-Staat van de Gemeenschap het recht op een invaliditeitspensioen ingevolge een bijzonder stelsel voor mijnwerkers afhankelijk stelt van de vervulling van een welbepaald minimum-verzekeringstijdvak, zonder dat het betrokken bedrag samenhangt met de totale duur van de verzekeringstijdvakken (die niet worden samengeteld), en wanneer bedoelde wettelijke regeling een externe anti-cumulatieregel bevat, het bevoegde orgaan van deze Lid-Staat in het geval van een werknemer die binnen de werkingssfeer van deze wettelijke regeling valt, doch daarnaast ook krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat ingevolge het aldaar geldende algemene stelsel een pro rata berekend pensioen geniet, moet overgaan tot een vergelijking van de communautaire uitkering — berekend op basis van artikel 46, lid 1, zonder toepassing van de nationale anti-cumulatiebepalingen, en van artikel 46, lid 3, dat het hoogste theoretische pensioenbedrag als plafond neemt — met de uitsluitend op de toepassing van de nationale wettelijke regeling (de externe anti-cumulatieregel daaronder begrepen) gebaseerde uitkering, ten einde te bepalen welke de voor de migrerende werknemer gunstigste (dat wil zeggen het hoogste pensioenbedrag opleverende) regeling is ?”
2.
Sinatra betoogde zowel in zijn schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de samentelling
—
van de verzekeringstijdvakken die bepalend zijn voor het ontstaan van het recht op uitkering, hetgeen in casu in verband met artikel 45, lid 2, en wegens de verschillende opzet van de stelsels niet mogelijk is, en
—
van die welke bij de berekening van de hoogte van de uitkering moeten worden meegeteld.
De artikelen 45 en 46 van de verordening zouden uitvoering geven aan de met artikel 51 EEG-Verdrag nagestreefde doelstellingen, en uit de rechtspraak waaraan het Pensioenfonds refereert, zou volgen dat artikel 46 onverminderd van toepassing is wanneer het resultaat gunstiger is volgens deze bepaling dan volgens de nationale regels.
Zijn totale verzekeringsloopbaan zou door samentelling neerkomen op zeventien jaar, en met toepassing van de prorataberekening (14/17) in België zou hij op een gunstiger resultaat uitkomen dan bij toepassing van de Belgische regeling met inbegrip van het anti-cumulatievoorschrift (voordeel: 596 BFR). Waar het resultaat gunstiger blijkt volgens artikel 46, zou derhalve dat artikel moeten worden toegepast.
3.
Het Pensioenfonds herhaalt de voornaamste argumenten die het voor de rechter in het hoofdgeding reeds heeft uiteengezet, en stelt, dat het de in voormelde uitspraken van het Hof vervatte beginselen heeft nageleefd; zijns inziens kan, gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 45, lid 2, van de verordening, geen samentelling — en bijgevolg geen prorataberekening — plaatsvinden.
4.
Volgens de Italiaanse regering, die in deze zaak opmerkingen heeft ingediend, zou deze zaak aanleiding kunnen geven tot een herziening van 's Hofs rechtspraak ter zake. De door de communautaire berekeningswijze geboden waarborg zou wel eens illusoir kunnen blijken wanneer het gaat om onder verschillende stelsels vervulde verzekeringstijdvakken, hetgeen, gelet op artikel 45, lid 2, van de verordening, zou kunnen meebrengen dat artikel 46, lid 2, geen toepassing vindt. Wanneer deze waarborg wegvalt, zouden de Lid-Staten naar goeddunken nationale anti-cumulatievoorschriften kunnen vaststellen en zo de uitkeringen van een andere Staat in eigen zak steken. Bijgevolg zou een nieuwe uitlegging van artikel 12 van de verordening in overweging moeten worden genomen.
Het Hof zou lid 2 van dit artikel aldus hebben uitgelegd, dat er geen sprake is van een vaststelling overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 wanneer een van de twee vast te stellen uitkeringen uitsluitend krachtens de nationale wetgeving wordt verkregen, zulks op grond van het beginsel dat de gemeenschapsregeling niet doorwerkt in de nationale regeling.
De coördinatie van de nationale wetgevingen, die ingevolge het gemeenschapsrecht en met name artikel 51 EEG-Verdrag noodzakelijk is, gelijk het Hof reeds beklemtoonde, zou evenwel een aansporing moeten zijn om een oplossing te zoeken die willekeur van de Lid-Staten uitsluit. Deze noodzaak zou speciaal tot uitdrukking moeten komen in artikel 12 van de verordening, dat ter verwezenlijking van deze coördinatie ook is bedoeld, aangezien daarin sprake is van vaststelling „overeenkomstig” en niet alleen maar „krachtens” artikel 46 van de verordening. Artikel 46, lid 1, zou dan moeten worden toegepast zonder rekening te houden met de nationale anti-cumulatieregel, wat zou worden bevestigd door artikel 46, lid 3, tweede alinea, waarin uitdrukkelijk de mogelijkheid is voorzien krachtens één enkele nationale wetgeving verschuldigde uitkeringen te verminderen. Ook al is deze bepaling inmiddels onverenigbaar verklaard met artikel 51 EEG-Verdrag (arrest van 21.10.1975, zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, biz. 1149), toch zou daaruit blijken van het streven om de coördinatie van de stelsels uit te breiden tot alle mogelijke vormen van samenloop van uitkeringen, waarop artikel 46 betrekking heeft.
Mitsdien zou moeten worden vastgesteld, dat artikel 12, lid 2, in de weg staat aan toepassing van nationale anticumulatieregels op uitkeringen die uitsluitend zijn verkregen op basis van krachtens een nationale wetgeving in aanmerking genomen tijdvakken, ten einde in het kader van de communautaire coördinatie te voorkomen dat door nationale regelingen de verzekerden elders verkregen rechten zonder meer kunnen verliezen. Wat naar gemeenschapsrecht niet geoorloofd is, zou niet naar nationaal recht wèl geoorloofd mogen zijn.
Voor het geval dat het Hof aan zijn rechtspraak, in de door de Italiaanse regering daaraan gegeven uitlegging zou vasthouden, heeft zij in overweging gegeven artikel 46, lid 2, betreffende de cumulatie van verzekeringstijdvakken en de prorataberekening, in ieder geval van toepassing te verklaren „bij analogie”, alsmede eventueel artikel 46, lid 3, betreffende het communautaire plafond, aan de hand waarvan een communautair theoretisch bedrag kan worden vastgesteld dat niet kan worden verminderd krachtens nationale anticumulatie voorschriften.
5.
De Commissie heeft om te beginnen erop gewezen, dat tot 1 september 1983 artikel 23, paragraaf 1, van het Koninklijk Besluit van 19 november 1970 geen betrekking had op cumulatie met in het buitenland verkregen uitkeringen, waaruit volgt dat het tot die datum een intern anticumulatievoorschrift was en externe werking eerst verkreeg door de desbetreffende wijziging.
Onder verwijzing naar de regels neergelegd in 's Hofs rechtspraak, inzonderheid in het arrest van 2 juli 1981 (gevoegde zaken 116, 117, 119, 120 en 121/80, Celestre, Jurispr. 1981, blz. 1737), betoogt de Commissie
—
dat tot 1 september 1983 het interne anticumulatievoorschrift niet tot gevolg kon hebben, dat het bedrag van het Italiaanse pensioen in mindering werd gebracht op het door Sinatra uitsluitend krachtens de Belgische wetgeving verkregen recht op uitkering;
—
dat vanaf 1 september 1983 het externe anticumulatievoorschrift in de berekening van de uitkeringen kon worden betrokken, zij het met inachtneming van de in voormeld arrest Celestre vastgestelde methode, te weten door de volgens het nationale recht met inbegrip van het anticumulatievoorschrift berekende uitkering te vergelijken met de uitkering berekend volgens artikel 46 van de verordening in zijn geheel, zoals door advocaatgeneraal Sir Gordon Slynn in zijn conclusie in de zaak Celestre is beschreven. Bij de vaststelling van de naar gemeenschapsrecht verschuldigde uitkering zou het nationale anticumulatievoorschrift ingevolge artikel 12, lid 2, in fine, van de verordening buiten beschouwing blijven voor de toepassing van de nationale wetgeving. Het aldus berekende bedrag (de „autonome” uitkering) zou ingevolge artikel 46, lid 1, tweede alinea, moeten worden vergeleken met het volgens artikel 46, lid 2, sub a (samentelling van alle vervulde verzekeringstijdvakken) en b (prorataberekening) berekende bedrag.
Aangezien samentelling niet noodzakelijk is bij de berekening van de uitkering, verkregen door vervulling van de minimum-verzekeringsperiode, zou de autonome uitkering, waarbij geen rekening is gehouden met het anticumulatievoorschrift, gelijk zijn aan het theoretische bedrag waarop ongeacht de duur van de vervulde tijdvakken aanspraak bestaat, alsook aan het werkelijke bedrag.
Ingevolge artikel 46, lid 3, van de verordening ten slotte zou, afhankelijk van het Italiaanse theoretische bedrag, de autonome uitkering eventueel nog moeten worden verminderd, waarna de hoogste van beide uitkeringen, de nationale of de communautaire, zou moeten worden toegekend.
6.
Laat ik er aanstonds op wijzen, dat mijns inziens deze zaak een schijnprobleem aan de orde stelt en geen aanleiding geeft om 's Hofs eerdere rechtspraak ter zake ter discussie te stellen.
Het gaat erom, of artikel 45, lid 2, van de verordening in de weg staat aan toepassing van artikel 46, lid 2, sub a, betreffende de samentelling van door de betrokkene vervulde verzekeringstijdvakken. Volgens artikel 45, lid 2, kunnen verzekeringstijdvakken die zijn vervuld krachtens ongelijksoortige stelsels, een bijzonder en een algemeen, niet worden samengeteld met bet oog op bet verkrijgen, het behoud of bet herstel van het recht op uitkering. De werkingssfeer van artikel 46 is een andere; daarin gaat het namelijk om de vaststelling van de uitkeringen.
Lid 1 van deze bepaling geeft aan, welke berekeningen het bevoegde orgaan van een Lid-Staat moet uitvoeren dat voor de toekenning van een uitkering geen toepassing behoeft te maken van artikel 45. Anders gezegd, het heeft betrekking op het geval, dat het recht op uitkering ontstaat enkel op grond van het of de in een Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvak(ken). Dit is in casu het geval voor het Belgische pensioen, aangezien Sinatra de vereiste minimum-verzekeringsperiode heeft vervuld die aanspraak geeft op een invaliditeitspensioen voor ondergronds mijnwerker, waarvan het bedrag onafhankelijk is van de duur der daadwerkelijk vervulde periode. Wat daarentegen het Italiaanse pensioen betreft, moet ingevolge artikel 46, lid 2, eerste alinea, vooraf het bepaalde in artikel 45 worden toegepast.
Hoe moet, uitsluitend vanuit het oogpunt van artikel 46, lid 1, het Pensioenfonds nu te werk gaan ? Volgens 's Hofs rechtspraak, waarvan het reeds geciteerde arrest Celestre het meest bekende voorbeeld is, moet het orgaan dat artikel 46, lid 1, toepast, eerst en met inachtneming van het anti-cumulatievoorschrift het nationale uitkeringsbedrag vaststellen, om daarna dit bedrag te vergelijken met het bedrag berekend overeenkomstig artikel 46 in zijn geheel beschouwd.
In de fase van lid 1, eerste alinea, van artikel 46, moet het betrokken orgaan — voor het ontstaan van het recht op uitkering behoeven de verzekeringstijdvakken niet te worden samengeteld — om te beginnen de „autonome” uitkering vaststellen die overeenkomt met de totale duur van de krachtens zijn nationale wetgeving in aanmerking te nemen verzekeringstijdvakken. Ingevolge artikel 12, lid 2, in fine, blijft de nationale anti-cumulatieregel buiten toepassing, indien het gelijksoortige uitkeringen betreft. De verwijzende rechter heeft in de onderhavige zaak vastgesteld, dat de Belgische invaliditeitsuitkering en het (geproratiseerde) Italiaanse pensioen gelijksoortig zijn. Bijgevolg geldt de in het arrest Celestre neergelegde regel :
„... het in artikel 46, lid 1, bedoelde bedrag is het bedrag waarop de werknemer volgens de nationale wetgeving recht zou hebben indien hij geen pensioen ontving krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat. Wanneer de werknemer die aantoont een bepaald aantal jaren van verzekering te hebben vervuld, krachtens de nationale wetgeving recht heeft op een volledig pensioen, moet het bedrag van dit volledige pensioen in aanmerking worden genomen” (r.o. 12).
Ingevolge artikel 46, lid 1, tweede alinea, moet hetzelfde orgaan vervolgens het „theoretische” uitkeringsbedrag berekenen, dat zou worden verkregen door samentelling van de in de verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering en van wonen (artikel 46, lid 2, sub a), alsmede het „werkelijke” bedrag verkregen door prorataberekening (artikel 46, lid 2, sub b). In dit stadium van de berekening is artikel 45 nog steeds niet van toepassing; evenmin staat het in de weg aan toepassing van artikel 46, lid 2, sub a (samentelling), dat in fine de volgende verduidelijking bevat:
„Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wettelijke regeling onafhankelijk is van de duur der tijdvakken die zijn vervuld, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag.”
Bij een dergelijke wettelijke regeling kan het dus voorkomen dat, waar het bedrag van de uitkering onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, het bedrag van het autonome pensioen gelijk is aan het theoretische bedrag. Dit is hier het geval. Wat betreft de berekening van het „werkelijke” bedrag verkregen door proratisatie van de overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub b vervulde verzekeringstijdvakken — appellant in het hoofdgeding en de Commissie zijn het over de uitlegging daarvan niet eens — wijs ik erop, dat het uit deze bepaling voortvloeiende bedrag in geen geval hoger kan zijn dan het volgens lid 1 berekende bedrag, aangezien het „autonome” pensioenbedrag gelijk is aan het theoretische bedrag.
Ingevolge artikel 46, lid 1, tweede alinea, moet het hoogste bedrag worden aangehouden; dit kan enkel het bedrag van het autonome pensioen zijn.
De verwijzende rechter heeft 's Hofs rechtspraak kennelijk zonder meer aanvaard en terecht eraan herinnerd, dat bij een bevestigend antwoord op zijn vraag — hetgeen ik bepleit — nog zou moeten worden uitgemaakt, hoe hoog het Italiaanse theoretische bedrag is, opdat geïntimeerde in het hoofdgeding, „het orgaan dat lid 1 (van artikel 46) toepast”, zijn uitkering eventueel zou kunnen corrigeren overeenkomstig lid 3, tweede alinea, van dit artikel. Ten slotte zullen het nationale en het communautaire bedrag moeten worden vergeleken, waarna het hoogste van de twee aan de verzekerde moet worden uitgekeerd.
7.
Op grond van dit alles geef ik het Hof in overweging, het Arbeidshof te Bergen te antwoorden als volgt:
—
Artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1408/71 geeft geen aanleiding tot toepassing van artikel 45, aangezien de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op uitkering uitsluitend krachtens een nationale wetgeving zijn vervuld, zonder dat bij de krachtens deze wetgeving vervulde tijdvakken andere, in een of meer andere Lid-Staten vervulde tijdvakken moeten worden opgeteld.
—
Indien een bevoegd orgaan van een Lid-Staat een onder een bijzonder stelsel vallend invaliditeitspensioen moet vaststellen dat is verkregen na verloop van een miniraum-verzekeringstijdvak, zonder dat het bedrag ervan samenhangt met de precieze duur van de vervulde tijdvakken, moet het, wanneer de verzekerde elders een geproratiseerd invaliditeitspensioen geniet krachtens het algemene stelsel van een andere Lid-Staat, overgaan tot een vergelijking van de krachtens zijn nationale wetgeving — eventuele anti-cumulatievoorschriften daaronder begrepen — verschuldigde uitkering met de communautaire uitkering — berekend op basis van artikel 46 in zijn geheel, zonder toepassing van de nationale anti-cumulatievoorschriften in geval van gelijksoortige uitkeringen —, waarbij het van de duur van de vervulde tijdvakken onafhankelijke uitkeringsbedrag is te beschouwen als het in artikel 46, lid 2, sub a, bedoelde theoretische bedrag.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy