CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 23 april 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Verzoeker in het hoofdgeding, A. J. M van Roosmalen, is een aan het klooster van Postel te België verbonden Nederlands priester die in 1955 als missionaris naar Zaïre werd uitgezonden. In 1977 meldde hij zich aan voor een vrijwillige verzekering ten behoeve van personen die werkzaamheden verrichten in een ontwikkelingsland, die is voorzien bij artikel 77 van de Nederlandse Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1975, nr. 674; hierna: AAW).
Nadat hij in 1981 in Zaïre een ziekte had opgelopen ten gevolge waarvan hij arbeidsongeschikt was geworden, vroeg hij in oktober van dat jaar de desbetreffende in de AAW voorziene uitkeringen aan. Deze uitkeringen werden hem aanvankelijk per 12 januari 1982 toegekend, doch bij besluit van 8 december 1982 van het bevoegde so-ciale-zekerheidsorgaan, verweerder in het hoofdgeding, per 1 december van dat jaar weer ingetrokken.
Deze intrekking geschiedde op grond van artikel 10 van het ter uitvoering van voornoemd artikel 77 vastgestelde KB van 19 november 1976 (Stb. 1976, nr. 622), waarin met name wordt bepaald:
„Degene, die als verzekerde wordt beschouwd heeft... eerst recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij hier te lande onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en indien de arbeidsongeschiktheid na afloop van deze periode nog voortduurt.”
Blijkens het bevelschrift waarmee de Raad van Beroep te Utrecht de zaak aan het Hof heeft voorgelegd, zou Van Roosmalen volgens verweerder niet aan deze voorwaarde voldoen, omdat hij zich op 2 juli 1982 definitief te Postel heeft gevestigd, nadat hij aldaar sedert maart 1981 regelmatig verblijf had gehouden.
2.
De Nederlandse rechterlijke instantie vraagt zich af, of voornoemd verblijfsvereiste verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
Zijn eerste vraag is dan ook, of een dergelijk vereiste, voor zover de vrijwillig verzekerde die terugkeert vanuit een ontwikkelingsland, op grond daarvan verplicht is zich na het intreden van de verzekerde gebeurtenis in Nederland te vestigen en aldaar onafgebroken gedurende 52 weken verblijf te houden, en niet in een andere Lid-Staat verblijf mag houden of zich mag vestigen, een belemmering vormt van het vrije personenverkeer, zoals verankerd in zowel de artikelen 52 en 53 EEG-Verdrag als in andere bepalingen van gemeenschapsrecht.
Met de vragen 2 tot en met 4 hoopt de Nederlandse rechterlijke instantie eveneens duidelijkheid te verkrijgen over het begrip „zelfstandige”, zodat hij kan vaststellen of verzoeker in het hoofdgeding, gelet op de aard van zijn werkzaamheden en de personele werkingssfeer van de AAW, zich kan beroepen op de bepalingen van artikel 1, sub a-ii of iv, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981 houdende uitbreiding van verordening nr. 1408/71 tot zelfstandigen en hun gezinsleden (PB 1981, L 143, biz. 1)
De Nederlandse rechterlijke instantie, die vaststelt dat het op verzoeker toepasselijke artikel 77 van de AAW buiten het grondgebied van de EEG verrichte werkzaamheden in aanmerking neemt voor de toekenning van invaliditeitsuitkeringen, wil met zijn vijfde vraag vernemen of de AAW uit dien hoofde kan worden beschouwd als een „wetgeving” in de zin van artikel 2 van verordening nr. 1408/71 en, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, of een werknemer of zelfstandige, die
„uitsluitend ter zake van werkzaamheden buiten het grondgebied van de EEG aan deze wetgeving onderworpen is geweest, aanspraak kan maken op de door deze verordening geboden bescherming”.
Ten slotte vraagt hij, zakelijk weergegeven, of het vereiste dat men in het jaar voorafgaande aan het besluit tot toekenning van uitkeringen, in Nederland moet hebben gewoond of verblijf hebben gehouden, wordt gedekt door de bepalingen van artikel 2, lid 4, van voornoemde verordening nr. 1390/81, dat met name de opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats gedurende de overgangsperiode na de inwerkingtreding van deze verordening op 1 juli 1982 (artikel 4) betreft.
3.
Met deze zes prejudiciële vragen wordt het volgende probleem aan de orde gesteld : kan een gemeenschapsonderdaan met een beroep op de bepalingen van verordening nr. 1408/71, zoals deze sedert 1 juli 1982 bij verordening nr. 1390/81 zijn uitgebreid tot zelfstandigen, bereiken dat geen toepassing wordt gegeven aan een woonplaatsvereiste, waaraan dient te zijn voldaan voor het recht op invaliditeitsuitkeringen uit hoofde van de wettelijke regeling van een Lid-Staat betreffende arbeidsongeschiktheid ? Aldus samengevat behoeven de gestelde vragen een nadere precisering en zijn zij bepalend voor de wijze van behandeling.
Evenals de Commissie ben ik van mening, dat het antwoord op de eerste vraag noodzakelijk zal voortvloeien uit het antwoord op de laatste. Verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1390/81, is vastgesteld om uitvoering te geven aan de bepalingen van de artikelen 51 en volgende EEG-Verdrag, zodat de inroepbaarheid van het woonplaatsvereiste moet worden beoordeeld met inachtneming van al deze bepalingen.
Gezien de bijzondere omstandigheden van de zaak, dient evenwel eerst te worden onderzocht of betrokkene het recht heeft om zich op voornoemde verordening te beroepen. Weliswaar valt de Nederlandse wettelijke regeling onder de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 — te weten als tak van sociale zekerheid betreffende prestaties bij invaliditeit (artikel 4, lid 1, sub b, en bijlage VI, sub I. Nederland, punt 4) —, doch blijkens de motivering van het bevelschrift gaat het voor de nationale rechterlijke instantie om de vraag, of de betrokkene onder de personele werkingssfeer van deze verordening valt, zoals omschreven in artikel 2, lid 1, volgens hetwelk
„deze verordening van toepassing is op werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten zijn...”
In verband met de door verzoeker verrichte bijzondere werkzaamheden heeft de verwijzende rechter in het bijzonder twijfels met betrekking tot zijn hoedanigheid van „zelfstandige” in de zin van artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 (vragen 2 tot en met 4). Voorts vraagt hij zich af, of kan worden gesteld dat op verzoeker de wetgeving van een Lid-Staat van toepassing is, als bedoeld in voornoemde bepalingen en artikel 1, sub j, van de verordening, wanneer de AAW de buiten het geografisch grondgebied van de Gemeenschap verrichte werkzaamheden in aanmerking neemt.
Wanneer ten aanzien van deze twee vraagstukken een oplossing is gevonden, zal dus eventueel nog dienen te worden nagegaan of het betwiste woonplaatsvereiste in overeenstemming is met het afgeleide gemeenschapsrecht.
Het begrip „zelfstandige”
4.
Gelijk de Commissie heeft opgemerkt, stelt de AAW voor het recht op uitkeringen als voorwaarde, dat de aanvrager in het jaar voorafgaande aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis „inkomen heeft verworven uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven”. Naar Nederlands fiscaal recht is het begrip inkomen niet strikt beperkt tot opbrengst van arbeid of winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep, doch omvat het in meer algemene zin, om de formulering van de verwijzende rechter in de derde vraag te citeren, inkomen uit
„arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende regels redelijkerwijs kan worden verwacht.”
Door deze definitie wordt de werking van de AAW van de categorieën loontrekkenden en „echte” zelfstandigen uitgebreid tot een restcategorie van „oneigenlijke” zelfstandigen, ten aanzien waarvan de verwijzende rechter zich afvraagt of zij als „zelfstandige” in de zin van verordening nr. 1408/71 kunnen worden beschouwd.
De vragen 2 tot en met 4, die over het begrip „zelfstandige” gaan, moeten in deze context worden bezien. Alvorens, gelijk de Commissie heeft gedaan, de strekking en structuur van de ter zake relevante bepalingen van verordening nr. 1408/71 te onderzoeken, lijkt het noodzakelijk er nog eens op te wijzen, dat deze verordening moet worden uitgelegd met inachtneming van de geest waarin zij is opgesteld, en de doelstellingen van het Verdrag welke zij nastreeft (zaak 17/76, Brack, Jurispr. 1976,blz. 1429, r. o. 19).
Wat dit aangaat, stelt het Hof zich in vaste rechtspraak op het standpunt, dat de communautaire regeling op het stuk van de sociale zekerheid
„is ingegeven door een algemene tendens in het sociale recht van de Lid-Staten om de sociale zekerheid ter zake van identieke risico's en gebeurlijkheden tot nieuwe categorieën van personen uit te breiden” (zaak 17/76, r. o. 20)
Gelijk advocaat-generaal Mayras in zijn conclusie in zaak 17/76 (blz. 1463) heeft opgemerkt, mogen, gelet op de doelstelling van artikel 51 EEG-Verdrag — „het tot standkomen van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer van werknemers” (zaak 75/63, Unger, Jurispr. 1964, blz. 369, 384) — de maatschappelijk-professionele maatstaven die de categorieën werknemers of loontrekkenden kenmerken, niet „eng” worden opgevat. In dezelfde lijn verklaarde advocaat-generaal Gand met betrekking tot verordening nr. 3, die gold voordat verordening nr. 1408/71 werd vastgesteld, dat
„het toepassingsgebied der verordening wordt... bepaald naar het criterium van sociale zekerheid en niet naar dat van het arbeidsrecht” (zaak 19/68, De Cicco, Jurispr. 1968, blz. 657, 702).
Mitsdien moet het begrip werknemer of zelfstandige overeenkomstig de door het Verdrag zelf verlangde gemeenschapsrechtelijke inhoud, om de in het principiële ar-rest-Unger gegeven definitie nog eens te gebruiken,
„al diegenen omvatten, die onder welke benaming ook, als zodanig onder de onderscheiden nationale stelsels van sociale zekerheid vallen” (ibid., biz. 386).
Het is dus de aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid van een Lid-Staat en niet de kwalificatie naar nationaal recht van de verrichte werkzaamheden, waardoor een gemeenschapsonderdaan aan verordening nr. 1408/71 wordt vastgelegd.
In casu nu staat vast, dat de betrokkene verzekerd was uit hoofde van de AAW die, zoals ik reeds heb opgemerkt, onder de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt.
5.
De uitlegging van het begrip „zelfstandige” is dus niet doorslaggevend voor de toepassing van de communautaire waarborg. Zou dit begrip, waarvan de verwijzende rechter het Hof om uitlegging heeft verzocht, voor hem niettemin enig nut hebben voor de oplossing van het bij hem aanhangige geschil, dan meen ik het volgende te moeten opmerken.
Bedoelde term dient mijns inziens een ruime betekenis te krijgen; dit vloeit voort uit zowel de bovengenoemde rechtspraak van het Hof als uit de bepalingen van verordening nr. 1408/71. In casu betreft het iemand die
„in het kader van een stelsel van sociale zekerheid van een Lid-Staat, ingesteld voor werknemers of voor zelfstandigen of voor alle ingezetenen of voor bepaalde categorieën ingezetenen, vrijwillig verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen behorende tot de takken van sociale zekerheid waarop deze verordening van toepassing is”.
In dit verband preciseert artikel 1, sub a-iv, van de verordening dat
„onder ‚werknemer’ en onder ‚zelfstandige’ respectievelijk wordt verstaan ieder:
(...)
—
(die) al dan niet in loondienst werkzaam is (...)”.
De categorie niet in loondienst werkzame personen komt, zoals de Commissie heeft aangetoond, in deze door haar als „tautologie” gekwalificeerde definitie ruwweg overeen met de categorie zelfstandigen. Evenals voor de verwijzende rechter, Nederland en de Commissie is dat voor mij dan ook aanleiding om nauwkeuriger criteria te zoeken in de andere bepalingen van artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71. Het vereiste van een uniforme uitlegging rechtvaardigt dit.
Eigenlijk levert enkel artikel 1, sub a-ii, betreffende de verplichte verzekering, bruikbare criteria. Immers, het verwijst ofwel naar de wijze van beheer of van financiering van het toepasselijke stelstel van sociale zekerheid, voor zover op grond daarvan de aanvrager als werknemer of zelfstandige kan worden onderkend, ofwel, indien „dergelijke criteria niet aanwezig zijn”, naar de definitie gegeven in bijlage I, waarin de gemeenschapswetgever het volgens de laatste overweging van verordening nr. 1390/81 noodzakelijk heeft geoordeeld, „nader te bepalen wat moet worden verstaan onder ‚werknemer’ en ‚zelfstandige’ in de zin van verordening nr. 1408/71, wanneer op de betrokkene een stelsel van sociale zekerheid van toepassing is dat voor alle ingezetenen, bepaalde categorieën ingezetenen of de gehele beroepsbevolking van een Lid-Staat geldt”.
Wat Nederland betreft, is onder punt I van deze bijlage bepaald dat
„als zelfstandige in de zin van artikel 1, sub a, ii), van de verordening wordt aangemerkt degene die anders dan in dienstbetrekking zijn beroepswerkzaamheden uitoefent.”
Ter zake leidt de door de Commissie gemaakte vergelijking van de verschillende taalversies van deze tekst tot een ruime uitlegging. Deze definitie omvat dus niet enkel de beroepswerkzaamheden (in de Nederlandse versie gebezigde term), doch meer algemeen alle werkzaamheden die anders dan in dienstbetrekking worden uitgeoefend, mits daarvoor inkomen wordt genoten. Immers, werknemers en zelfstandigen hebben gemeen, dat zij als tegenprestatie voor de gedane arbeid een inkomen ontvangen. Mitsdien staat niets eraan in de weg, om een „zelfstandige” te kwalificeren als iemand die anders dan in dienstbetrekking werkzaamheden heeft verricht en als tegenprestatie daarvoor inkomen heeft ontvangen in de zin van het Nederlandse belastingrecht, niet zijnde inkomen uit een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf.
Het begrip „wetgeving” of „wettelijke regeling”
6.
Artikel 77 van de AAW breidt het recht om zich te verzekeren uit tot diegenen die werkzaamheden hebben verricht of verrichten „in een land dat (...) als ontwikkelingsland kan worden beschouwd”. Vallen degenen die aldus zijn verzekerd uit hoofde van een wetgeving die rekening houdt met werkzaamheden in staten buiten het grondgebied van de Gemeenschap, zoals omschreven in artikel 227 EEG-Verdrag, onder de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, en artikel 1, sub j, van deze verordening, volgens hetwelk
„ten aanzien van elke Lid-Staat onder ‚wetgeving’ of ‚wettelijke regeling’ worden verstaan de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de Ín artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid” ?
Het antwoord op deze vraag moet bevestigend luiden. Evenals advocaat-generaal Capotorti acht ik namelijk
„bij de afbakening van het toepassingsgebied van verordening nr. 1408/71 niet de plaats waar betrokkene zijn arbeid verricht doorslaggevend, doch — om het even waar hij zich voor het verrichten van zijn arbeid heeft bevonden of bevindt — de verhouding tussen de werknemer en het lichaam, in een Lid-Staat met de uitvoering van de sociale verzekering belast.”
Verder verklaart genoemde advocaat-generaal nog:
„Het gaat er niet om de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht uit te breiden tot verzekeringstijdvakken die in het kader van het zekerheidsstelsel van een dier (derde) Staten zijn vervuld; ik acht uitsluitend van belang dat die tijdvakken vervuld zijn in het kader van een zekerheidsstelsel dat door een Lid-Staat in het leven is geroepen” (zaak 87/76, Bozzone, Jurispr. 1977, blz. 687, 707).
In het arrest-Bozzone besliste het Hof overeenkomstig deze conclusie; in gelijke zin, en die rechtspraak bevestigend, verklaarde het Hof in zijn arrest in zaak 150/79 (Commissie/België, Jurispr. 1980, blz. 2621), met betrekking tot een Belgische wet
„waarbij de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische staat zijn geplaatst (...)” (r. o. 2),
dat een dergelijk stelsel,
„dat, onder toezicht van de Belgische staat, wordt beheerd door een Belgisch publiekrechtelijk lichaam en dat, in het algemeen gesproken, thans geen effect sorteert in de voormalige Belgische kolonieën, doch hoofdzakelijk op het gebied van het Belgische moederland (...), invloed kan hebben op het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, waarvan de vrijheid door de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag en door de gemeenschapsregeling wordt gewaarborgd.”
Het Hof leidde daaruit af, dat
„het enkele feit dat alle uitkeringen hun oorsprong vinden in verzekeringsperioden die vóór 1 juli 1960 buiten het gemeenschapsterritoir zijn vervuld, niet tot gevolg kan hebben dat de gemeenschapsregeling inzake de sociale zekerheid niet van toepassing zou zijn” (zaak 150/79, r. o. 7).
Mitsdien moet worden aangenomen dat de Nederlandse Arbeidsongeschiktheidswet, die in artikel 77 ook van toepassing wordt verklaard op personen die werkzaamheden in een ontwikkelingsland hebben verricht, een „wetgeving” of „wettelijke regeling” is in de zin van de artikelen 1, sub j, en 2, lid 1; bovendien wordt het aldus ingevoerde stelsel van sociale zekerheid onder controle van de staat beheerd door een Nederlands orgaan.
Deze institutionele aanknopingsfactor vormt het beslissende criterium voor de toepassing van verordening nr. 1408/71, zodat het van weinig belang is of de verzekerde zijn werkzaamheden al dan niet uitsluitend in een derde land heeft verricht. Zo gezien, kan ook het bestaan van bijzondere banden tussen dit derde land en de Lid-Staat zelf — een omstandigheid die kenmerkend was voor de verhoudingen tussen België en zijn voormalige koloniën in de beide hiervoor aangehaalde zaken — niet van invloed zijn op deze conclusie. Weliswaar vermeldt het Hof het bestaan van deze verhoudingen in zijn uitspraak in de zaak-Bozzone, doch noch in dit arrest, noch ook in het arrest in de niet-nakomingszaak 150/79 was het het bijzondere karakter van de banden tussen de twee betrokken staten, dat ertoe noopte de Belgische wet als „wetgeving” of „wettelijke regeling” in de zin van verordening nr. 1408/71 aan te merken.
Ik ben dan ook van mening dat de onderhavige Nederlandse bepaling als „wetgeving” in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 moet worden aangemerkt.
Het woonplaatsvereiste
7.
Vervolgens dient nog te worden onderzocht, of het omstreden woonplaatsvereiste — „hier te lande onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt (zijn) geweest” — verenigbaar is met artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1390/81, volgens hetwelk
„elke uitkering welke in verband met de nationaliteit van de betrokkene dan wel met diens woonplaats niet is vastgesteld dan wel is geschorst, wordt op verzoek van de betrokkene vastgesteld of hervat met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening”,
dat wil zeggen op 1 juli 1982 (artikel 4).
Deze bepaling kent dus aan ieder die binnen de personele werkingssfeer van de onderhavige gemeenschapsverordeningen valt, met ingang van 1 juli 1982 de sociale-zekerheidsuitkeringen toe waarvan de vaststelling was geweigerd of waarvan de betaling, nadat zij waren vastgesteld, later is geschorst „in verband met de nationaliteit van de betrokkene dan wel met diens woonplaats”.
In dit verband vraagt de Nederlandse rechter zich af, of voornoemd woonplaatsvereiste, waarvan het bestaan van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen afhankelijk is, niet krachteloos wordt gemaakt door artikel 2, lid 4, ofschoon dit slechts lijkt te slaan op het geval waarin het pensioen van de verzekerde niet wordt vastgesteld of de desbetreffende uitkeringen hem niet wordenuitbetaald nadat hij zijn woonplaats heeft verplaatst naar een andere Lid-Staat dan die van het orgaan dat de uitkering verschuldigd is.
Zoals Nederland en de Commissie opmerken, stelt deze vraag het probleem aan de orde van de draagwijdte van het beginsel van „opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats”; dit beginsel is neergelegd in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71 en vindt in artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1390/81 slechts toepassing ten aanzien van een overgangsperiode. In concreto gaat het er dus om, of deze bepaling moet worden opgevat als een voorwaarde voor de verkrijging van het recht dan wel louter voor de verwezenlijking of het behoud ervan.
Ter zake bepaalt artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71, waarin de oudere bepalingen van verordening nr. 3 naar hun inhoud zijn overgenomen:
„Tenzij in deze verordening anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit (...), verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurdverklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is” (cursivering van mij).
Het Hof heeft reeds een uitspraak gedaan over de betekenis die aan het woord „verkregen” in dit artikel moet worden toegekend. In zijn arrest-Smieja verklaarde het, dat deze bepaling ten doel heeft
„het vrije verkeer van werknemers te bevorderen door belanghebbenden te beschermen tegen de nadelen die uit verplaatsing van hun woonplaats van de ene Lid-Staat naar de andere kunnen voortvloeien” (zaak 51/73, Jurispr. 1973, blz. 1213, punt 20).
In het arrest-Caracciolo besliste het Hof dan ook, dat
„dit beginsel niet alleen meebrengt, dat de belanghebbende, zelfs na zijn woonplaats in een andere Lid-Staat te hebben gevestigd, zijn op grond van de wettelijke regelingen van een of meer van de Lid-Staten verkregen recht op pensioenen, renten en uitkeringen behoudt, maar ook dat dit recht hem niet kan worden ontzegd om de enkele reden dat hij niet woonachtig is op het grondgebied van de Staat waar het orgaan dat de uitkering verschuldigd is zich bevindt” (zaak 92/81, Jurispr. 1982, blz. 2213, r. o. 14, cursivering van mij).
Bepalend voor deze oplossing is artikel 51 van het EEG-Verdrag, dat, naar het Hof in zijn recente arrest-Spruyt nog eens heeft opgemerkt,
„een bijdrage beoogt te leveren aan het tot stand brengen van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer voor migrerende werknemers, welke vrijheid een van de grondslagen van de Gemeenschap vormt.”
En het Hof vervolgde:
„Het doel van de artikelen 48 tot en met 51 zal niet worden bereikt, indien werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer de sociale-zekerheidsvoordelen zouden verliezen, die hen door de wettelijke regelingen van een Lid-Staat worden toegekend” (arrest van 28 februari 1986, zaak 284/84, Spruyt, r. o. 18 en 19).
Deze rechtspraak dwingt in beginsel dus tot de opheffing van alle woonplaatsclausules die niet slechts voor het behoud van reeds verkregen rechten, maar ook voor het ontstaan van uitkeringsrechten bepalend zijn.
In dit kader moet dan ook artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1390/81 worden gelezen. Immers, op grond van deze bepaling kan tegenover zelfstandigen wier recht voor juli 1982 zou zijn ontstaan indien zij hadden voldaan aan het woonplaatsvereiste, geen beroep worden gedaan op de bepaling van artikel 2, lid 1, volgens hetwelk
„aan deze verordening... geen enkel recht (kan) worden ontleend voor een tijdvak dat aan haar inwerkingtreding voorafgaat”,
doch kunnen zijzelf zich met ingang van deze datum wel beroepen op artikel 10 van verordening nr. 1408/71, zoals uitgelegd door het Hof.
Ik wil evenwel nog twee opmerkingen maken.
—
Aldus opgevat, kan dit beginsel, zoals in artikel 10, lid 1, zelf uitdrukkelijk wordt voorzien, op bepaalde punten worden aangepast. Zo wordt in bijlage VI bij verordening nr. 1408/71, betreffende „bijzonderheden voor de toepassing van de wetgevingen van bepaalde Lid-Staten”, met betrekking tot Duitsland (punt C, sub 1) bepaald:
„Artikel 10 van de verordening laat onverlet de bepalingen krachtens welke de buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland voorgekomen ongevallen (en beroepsziekten), alsmede de buiten dit grondgebied vervulde tijdvakken niet of slechts onder bepaalde voorwaarden aanleiding geven tot het verlenen van prestaties wanneer de rechthebbenden buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland wonen.”
Daarentegen wordt met betrekking tot de „toepassing van de Nederlandse wetgeving op de arbeidsongeschiktheidsverzekering” — in bijlage VI, punt I, Nederland, sub 4, — geen uitzondering van die aard gemaakt. Zonder een dergelijke uitzondering nu dient het algemene beginsel van artikel 10, lid 1, te worden toegepast.
—
De door mij voorgestane oplossing lijkt mij niet in strijd met die welke advocaat-generaal Sir Gordon Slynn in zijn conclusie in de zaak 302/84 (Ten Holder, Jurispr. 1986, blz. 1821) heeft voorgesteld met betrekking tot een gelijksoortig verblijfsvereiste in een overgangsbepaling van de AAW. In dat geval was verzoeker reeds verplicht verzekerd in de Bondsrepubliek Duitsland toen hij zich vrijwillig aansloot bij de AAW. In een dergelijk geval heeft de vrijwillige verzekering slechts een subsidiair karakter en is zij bijgevolg uitgesloten van de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, en wel door artikel 13 daarvan, waarin wordt bepaald dat
„(...) degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van een enkele Lid-Staat zijn onderworpen” (cursivering van mij).
8.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen van de Raad van Beroep te Utrecht te beantwoorden als volgt:
„1)
Verordening nr. 1408/71 is van toepassing op onderdanen van de Lid-Staten, die invaliditeitsuitkeringen ontvangen uit hoofde van de Nederlandse wetgeving op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, sub a-ii en iv, alsook bijlage I, sub I, Nederland, van verordening nr. 1408/71 dient onder „zelfstandige” te worden verstaan eenieder die anders dan in dienstbetrekking beroepswerkzaamheden heeft verricht waarvoor hij inkomen heeft ontvangen — in de zin van de Nederlandse wetgeving —, niet zijnde inkomen uit een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf in de zin van dezelfde wetgeving.
2)
De wetgeving van een Lid-Staat die voor de toekenning van door het bevoegde nationale orgaan te betalen sociale-zekerheidsuitkeringen ook geheel of gedeeltelijk de werkzaamheden in aanmerking neemt die de onder deze wetgeving vallende verzekerden in een derde land hebben verricht, dient als een „wetgeving” in de zin van verordening nr. 1408/71 te worden beschouwd.
3)
Artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1390/81 is van toepassing op de weigering van het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, om een invaliditeitsuitkering te verlenen, op grond dat de aanvrager niet gedurende de voorafgaande 52 weken ononderbroken in de betrokken Lid-Staat heeft gewoond.”
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy