CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 25 februari 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Bij de bemonstering van een door de firma Kampfmeyer-France uit de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerde partij „speciale basisbereiding” voor taart van het merk „Phénix” stelde de Franse Service de répression des fraudes de aanwezigheid vast van een stof — de emulgator E 475 — die niet op de verpakking was aangegeven, hoewel deze verpakking de vermelding „in overeenstemming met de Franse wetgeving” droeg, gevolgd door de samenstelling van het produkt.
mdat deze emulgator in Frankrijk niet in levensmiddelen mag worden gebruikt, werd Kampfmeyer, in de persoon van haar directeur C. Muller, strafrechtelijk vervolgd voor het tribunal correctionnel te Straatsburg, en veroordeeld tot een geldboete. Van dit vonnis kwam de importeur in beroep, waarbij hij zich beriep op de bepalingen van richtlijn nr. 74/329 van de Raad van 18 juni 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der Lid-Staten inzake emulgatoren, stabilisatoren, verdikkingsmiddelen en geleermiddelen waarvan het gebruik in levensmiddelen is toegestaan (PB 1974, L 189, biz. 1; hierna: de richtlijn emulgatoren), en op artikel 30 EEG-Verdrag.
De cour d'appel te Colmar vraagt zich af, of deze bepalingen van toepassing zijn, gelet op het in Frankrijk geldende verbod om het additief E 475 te gebruiken, en stelt bijgevolg de twee volgende vragen:
„1.
Heeft richtlijn nr. 74/329 van de Raad van 18 juni 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der Lid-Staten inzake de emulgatoren, stabilisatoren, verdikkingsmiddelen en geleermiddelen waarvan het gebruik in levensmiddelen is toegestaan, tot gevolg dat een Lid-Staat het gebruik van een van de in bijlage I vermelde stoffen niet mag verbieden, en zo niet, onder welke voorwaarden kan een dergelijk verbod dan verenigbaar worden geacht met het gemeenschapsrecht ?
2.
Kan een Lid-Staat die het gebruik van een van de in bijlage I van de richtlijn van 18 juni 1974 vermelde stoffen op regelmatige wijze heeft verboden, de invoer en het in de handel brengen op zijn grondgebied van een produkt dat deze stof bevat en in overeenstemming met de gemeenschapsvoorschriften in een andere Lid-Staat is vervaardigd, om andere dan de in artikel 8, lid 4, van de richtlijn vermelde redenen beletten, zonder in strijd te komen met artikel 30 EEG-Verdrag ?”
2.
Artikel 1 van het Franse decreet van 15 april 1912 (JORF van 29.6.1912) verbiedt hét in de handel brengen van levensmiddelen, waaraan andere chemische stoffen zijn toegevoegd dan die waarvan het gebruik, na advies van de Conseil supérieur d'hygiène publique de France en de Académie nationale de medicine, bij ministeriële besluiten is toegelaten. Dit regiem is uitgebreid tot ingevoerde produkten.
Een circulaire van 8 augustus 1980 (JORF van 25.9.1980, NC biz. 8544) bepaalt, aan welke voorwaarden verzoeken om toelating van het gebruik van stoffen die bestemd zijn om opzettelijk aan levensmiddelen te worden toegevoegd (additieven en technologische hulpmiddelen), moeten voldoen. In die verzoeken moet met name worden aangegeven, welk nut die stoffen hebben voor gebruikers en consumenten, wat hun specifieke eigenschappen zijn en of zij onschadelijk zijn.
De Franse regeling berust dus op het beginsel dat het gebruik van additieven verboden is, uitgezonderd die welke op een positieve lijst zijn geplaatst. Deze regeling kan worden vergeleken met de Belgische, die aan de orde was in 's Hofs recente arrest van 10 december 1985 (zaak 247/84, Motte, Jurispr. 1985, blz. 3887, zie in het bijzonder r. o. 6). Evenals in die zaak wil ik er hier op wijzen, dat het bij de onderhavige prejudiciele verwijzing opgeworpen uitleggingsprobleem geen betrekking heeft op het verbod om het additief E 475 in levensmiddelen te gebruiken, maar op de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een nationale regeling die, behoudens voorafgaande toelating, het gebruik van additieven verbiedt.
De vraag is dus of, gelet op de bepalingen van richtlijn nr. 74/329 dan wel, indien deze niet van toepassing zou zijn, op de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, een Lid-Staat een dergelijk verbod mag handhaven, wanneer hem niet gevraagd is om een beslissing over de toelating van het betrokken additief.
3.
Het staat buiten twijfel, dat richtlijn nr. 74/329 de Lid-Staten de mogelijkheid laat zowel om een dergelijk verbod te handhaven als om een verzoek om toelating af te wijzen.
Evenals dé drie andere basisrichtlijnen van de Raad inzake additieven — de richtlijn kleurstoffen van 23 oktober 1962 (PB 1962, blz. 2645), de richtlijn conserveermiddelen, nr. 64/54 van 5 november 1963 (PB 1964, blz. 161), en de richtlijn anti-oxydantia, nr. 70/357 van 13 juli 1970 (PB 1970, L 157, blz. 31) — beoogt de richtlijn emulgatoren de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften, waarvan de verscheidenheid het vrije verkeer van levensmiddelen en de mededingingsvoorwaarden ongunstig kan beïnvloeden. Bij die harmonisatie moet rekening worden gehouden met „de eisen die de bescherming van de volksgezondheid stelt”, met de noodzaak „de verbruikers tegen vervalsingen te beschermen”, alsmede met „de economische en technologische behoeften, binnen de door de bescherming van de volksgezondheid gestelde grenzen” (derde overweging van de considerans).
Daartoe voorziet de richtlijn twee fasen:
—
„in een eerste stadium, de opstelling van één enkele lijst van emulgatoren, stabilisatoren, verdikkingsmiddelen en geleermiddelen waarvan het gebruik voor de behandeling van levensmiddelen door de Lid-Staten mag worden toegestaan...” (vierde overweging van de considerans);
—
„in een tweede stadium, de vaststelling door de Raad van de voorwaarden voor het gebruik van elk van deze stoffen, met andere woorden aan welke levensmiddelen zij mogen worden toegevoegd, alsmede de voorwaarden voor deze toevoeging” (zesde overweging van de considerans en artikel 4).
In het eerste stadium verbiedt de richtlijn de Lid-Staten, het gebruik van niet uitdrukkelijk in bijlage I opgesomde additieven toe te laten. Anderzijds verplicht zij hen geenszins, het gebruik van alle daarin vermelde additieven toe te laten. In dit opzicht zijn de titel zelf van de richtlijn, de bewoordingen van de vierde overweging van de considerans en van bijlage I volstrekt duidelijk: het gaat slechts om de opstelling van een lijst van de stoffen „waarvan het gebruik in levensmiddelen is toegestaan” (pouvant être employés dans les denrées alimentaires). Deze letterlijke uitlegging vindt bevestiging in artikel 2, lid 1, dat luidt als volgt: „Voor de behandeling van levensmiddelen met emulgatoren, stabilisatoren, verdikkingsmiddelen en geleermiddelen staan de Lid-Staten slechts het gebruik toe van de in bijlage I genoemde stoffen...”. Het eerste doel van de richtlijn is dus, de Lid-Staten een verplichting om niet te doen op te leggen.
Maar omdat de Raad nog steeds niet de maatregelen heeft getroffen die de overgang naar de tweede harmonisatiefase mogelijk maken, staat het voorlopig nog aan de Lid-Staten om te bepalen niet alleen aan welke levensmiddelen de additieven mogen worden toegevoegd, maar ook de voorwaarden waaronder dat mag gebeuren.
Mogen zij echter van deze speelruimte gebruik maken om een verbod van additieven te handhaven ? Anders dan in de drie andere richtlijnen inzake additieven, die, ofschoon deze vrijheid van handelen erkennend, de Lid-Staten verbieden het gebruik van een in de bijlage genoemd additief geheel uit te sluiten (respectievelijk de artikelen 1, lid 2, 2, lid 2, en 9), komt in de richtlijn emulgatoren geen bepaling van die aard voor.
Volgens Kampfmeyer kan het ontbreken van dit voorbehoud niet aldus worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten vrij zou staan een algemeen en absoluut verbod uit te vaardigen; een dergelijke uitlegging zou immers het nuttig effect van de richtlijn in gevaar brengen.
Kampfmeyer beroept zich daartoe op de strekking van de procedure van artikel 5, die de Lid-Staten dienen te volgen wanneer zij het gebruik van een in bijlage I genoemd additief willen verbieden. Men moet er immers van uitgaan, dat de richtlijn het gebruik van alle in bijlage I opgesomde stoffen in beginsel toelaat. De enige mogelijkheid voor de Lid-Staten om het gebruik ervan volstrekt te verbieden, zou dan ook besloten liggen in artikel 5, dat gericht is op de bescherming van de volksgezondheid.
Dit betoog moet worden verworpen. In zijn arresten van 12 juni 1980 (zaak 88/79, Grunert, Jurispr. 1980, blz. 1827) en 5 februari 1981 (zaak 108/80, Kugelmann, Jurispr. 1981, blz. 433) heeft het Hof, op basis van het uitdrukkelijke voorbehoud van de artikelen 2, lid 2, en 9 van de richtlijnen conserveermiddelen en anti-oxydantia, een symbolische grens gesteld aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om het gebruik van additieven te reglementeren. Omdat een overeenkomstige bepaling in richtlijn nr. 74/329 ontbreekt, moet derhalve worden aangenomen dat niets de Lid-Staten belet om, zoals dat in de betrokken nationale regeling het geval is, een volledig verbod van een der in bijlage I ervan opgesomde additieven te handhaven. Voor deze additieven immers kan het voorbehoud niet worden geacht besloten te liggen in de bepalingen of de structuur van de richtlijn, zulks in tegenstelling tot de algemene voorlopige bevoegdheid van de Lid-Staten, die het gevolg is van het stilzitten van de Raad.
Het nuttig effect van de richtlijn in de eerste fase van de beoogde harmonisatie volgt al uit het verbod voor de Lid-Staten om additieven toe te laten die niet in bijlage I zijn opgenomen. Voor het overige zijn de Lid-Staten aan de bepalingen van de richtlijn gebonden wanneer zij, op een desbetreffend verzoek, bij voorbeeld toelating geven voor het gebruik van één van de wel in bijlage I genoemde stoffen. In dat geval heeft de harmonisatie, hoe embryonaal ook, met name het volgende tweeledige effect.
In de eerste plaats dwingt zij de Lid-Staat die op een eenmaal gegeven toelating wenst terug te komen, de daartoe voorgeschreven communautaire procedure voor voorlopige schorsing in acht te nemen, waarbij een definitief verbod met eenparigheid van stemmen door de Raad moet worden ingesteld (artikel 5 van de richtlijn). Om het gebruik van een eerder toegelaten stof te verbieden, staat een Lid-Staat geen andere weg open dan deze communautaire procedure.
In de tweede plaats bepaalt de richtlijn, dat de Lid-Staten de invoer van een in bijlage I voorkomend additief niet mogen verbieden „uitsluitend op grond” van het feit dat zij „de etikettering onvoldoende achten”, wanneer deze etikettering aan de door de richtlijn gestelde voorwaarden voldoet (artikel 8, lid 4).
Deze bepalingen — het zij nogmaals gezegd — gelden natuurlijk alleen voor de stoffen van bijlage I waarvan het gebruik door een Lid-Staat is toegestaan; vooralsnog belet de richtlijn de Lid-Staten niet, een reeds bestaand verbod te handhaven.
4.
Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht moet bijgevolg worden aangenomen, dat richtlijn nr. 74/329 geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om op hun grondgebied het gebruik van additieven zonder voorafgaande vergunning te verbieden.
Wanneer een dergelijk verbod wordt uitgebreid tot levensmiddelen die worden ingevoerd uit een andere Lid-Staat waar het gebruik van het additief wettelijk is toegelaten, wordt hun beoordelingsvrijheid evenwel beperkt door de regels van het gemene recht inzake het vrije goederenverkeer.
Volgens vaste rechtspraak immers kan een dergelijk gebruiksverbod de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, feitelijk of potentieel beïnvloeden en aldus een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking zijn. Zo het echter gebaseerd is op de noodzaak om het menselijk leven te beschermen, kan het worden gerechtvaardigd met de afwijkingsbepalingen van artikel 36 EEG-Verdrag, mits het overigens aan de vereisten van dit artikel voldoet (arresten van 5.2.1981, zaak 53/80, Kaasfabriek Eyssen, Jurispr. 1981, blz. 409; 14.7.1983, zaak 174/82, Sandoz, Jurispr. 1983, blz. 2445; 30.11.1983, zaak 227/82, Van Bennekom, Jurispr. 1983, blz. 3883; 10.12.1985, zaak 247/84, Motte, reeds aangehaald).
Indien op ingevoerde levensmiddelen uit een andere Lid-Staat waar het betrokken additief wettelijk is toegelaten, een regeling wordt toegepast die zoals de onderhavige uitgaat van het principe dat het gebruik van additieven behoudens voorafgaande toelating verboden is, is zulks stellig een met het beginsel van artikel 30 EEG-Verdrag onverenigbare belemmering van het handelsverkeer. Aangezien de door de richtlijn tot stand gebrachte harmonisatie zoals reeds opgemerkt onvolledig is, zal de beoordeling van de verenigbaarheid van die regeling met het gemeenschapsrecht uiteindelijk enkel afhangen van de draagwijdte die aan de afwijkingsbepaling van artikel 36 wordt toegekend (zaak 247/84, Motte, r.o. 16 en 17). Om gerechtvaardigd te zijn, moet een dergelijk verbod binnen de door 's Hofs rechtspraak getrokken enge grenzen blijven.
Uitgaande van de vaststelling dat de harmonisatie inzake additieven nog maar „zeer gedeeltelijk” is en dat de'gemeenschapswetgever „blijk heeft gegeven van een grote voorzichtigheid met betrekking tot de potentiële schadelijkheid van die stoffen”, inzonderheid gelet op de onzekerheden die „bij de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek” nog kunnen bestaan, is het Hof steeds tot de slotsom gekomen, dat „het aan de Lid-Staten staat om, bij ontbreken van harmonisatie..., te beslissen over de mate waarin zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen willen waarborgen, waarbij zij echter rekening dienen te houden met de vereisten van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap” (zaak 247/84, Motte, reeds aangehaald, r.o. 18 en 19; cursivering van mij).
Want hoe legitiem ook het streven van een Lid-Staat moge zijn om ondanks het ontbreken van een uniforme regeling de in artikel 36 EEG-Verdrag bedoelde „bescher-, ming van de gezondheid en het leven van personen” te waarborgen, hij moet daarbij „het evenredigheidsbeginsel, waardoor de laatste volzin van artikel 36 is ingegeven” (zaak 174/82, Sandoz, reeds aangehaald, r.o. 18) eerbiedigen, welk beginsel vereist dat „verboden of beperkingen van de invoer geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen”.
Concreet uitgedrukt, een verbod om zonder voorafgaande toelating een bepaalde stof te gebruiken, kan enkel maar gerechtvaardigd zijn in de zin van artikel 36, indien het berust op een beoordeling van de behoefte die er aan de toevoeging van de stof bestaat (technologisch, economisch, organoleptisch of psychologisch), en op een wetenschappelijk onderzoek van het risico voor de menselijke gezondheid, dat het gebruik van die stof kan opleveren. Bovendien mag het verbod „niet verder gaan dan wat noodzakelijk is ter verwezenlijking van rechtmatige doelstellingen van gezondheidsbescherming”, en moet „de toestemming voor het in de handel brengen van de betrokken produkten dus worden verleend wanneer dat met die doelstellingen verenigbaar is” (zaak 247/84, Motte, r.o. 21-23).
Ten slotte preciseert het Hof nog dat, wanneer een verzoek om voorafgaande toelating is ingediend, de Lid-Staat „van geval tot geval” dient aan te tonen, dat aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 36 is voldaan (zaak 174/82, Sandoz, r.o. 21 e.V.; zaak 227/82, Van Bennekom, r.o. 40).
Uit 's Hofs rechtspraak meen ik bijgevolg te mogen afleiden dat, wil een verbodsmaatregel de toets van artikel 36 kunnen doorstaan, zij in de eerste plaats voor de handelaars de mogelijkheid moet inhouden om een verhandelingsvergunning te verkrijgen. Is het immers niet mogelijk om via een vergunningsprocedure van het verbod af te wijken, dan onttrekt de Lid-Staat zich daarmee aan zijn verplichting om voor elk levensmiddel het bewijs te leveren dat het additief gevaarlijk of nutteloos is, wat juist de voorwaarde voor toepassing van artikel 36 EEG-Verdrag is. In de tweede plaats moet het verbod, ongeacht of er al dan niet een technologische behoefte aan het additief bestaat, gebaseerd zijn op het bestaan van een risico voor de menselijke gezondheid. Daarentegen moet de vergunning steeds worden verleend, wanneer het additief voldoet aan de — cumulatieve — criteria van nuttigheid en onschadelijkheid (zaak 247/84, Motte, r.o. 24).
Aangezien aan deze twee voorwaarden niet hetzelfde gewicht toekomt, moet uiteraard worden bepaald, welke de voorrang heeft, en het is duidelijk dat de bescherming van de gezondheid van personen op de eerste plaats komt. Dit volgt noodzakelijk uit de logica van artikel 36 en uit de derde overweging van de considerans van de richtlijn. Voor het overige heeft het Hof het begrip „behoefte” ruim opgevat en daaronder niet alleen technologische en organoleptische behoefte verstaan, maar ook de economische of psychologische. Wanneer inderdaad het bestaan van een „werkelijke behoefte” voldoende is (zaak 247/84, Motte, r.o. 24), moet wegens het mogelijke risico voor de menselijke gezondheid het daaraan te koppelen veiligheidsaspect de summa conditio zijn van iedere beslissing met betrekking tot invoer.
5.
Laten wij nu eens zien wat de bijzonderheden zijn van de onderhavige zaak, om ze te toetsen aan 's Hofs rechtspraak.
Zoals gezegd, mag het additief E 475, als zodanig of verwerkt in een levensmiddel, niet in Frankrijk worden gebruikt en dus ook niet worden ingevoerd zonder voorafgaande vergunning, die slechts wordt gegeven indien de toevoeging aan een werkelijke behoefte beantwoordt en geen risico voor de gezondheid inhoudt.
Voor de toepassing van dit tweeledige criterium op deze emulgator moeten wij ons licht opsteken bij het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding (hierna: WCMV), opgericht bij beschikking nr. 74/234 van de Commissie van 16 april 1974 (PB 1974, L 136, biz. 1).
Dienaangaande hebben zowel de Commissie als verweerster in het hoofdgeding betoogd, dat het WCMV in zijn rapport over emulgatoren, stabilisatoren, verdikkingsmiddelen en geleermiddelen (advies van 30.11.1978, blz. 30) de technologische voordelen van de stof E 475 heeft beschreven, met name voor bakkerijprodukten. Het zouden juist deze voordelen zijn die ertoe geleid hebben, dat het gebruik ervan in banketbakkersprodukten in de Bondsrepubliek Duitsland is toegelaten.
Hetzelfde rapport bevat een toxicologische beoordeling van de emulgator E 475: de dagelijkse toelaatbare dosis voor de mens, waarboven een risico voor de gezondheid zou kunnen ontstaan, zou maximaal 25 mg/kg lichaamsgewicht bedragen, wat overigens zou overeenstemmen met de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek binnen de internationale organisaties. In de Duitse regeling zou juist deze limiet zijn overgenomen.
Kan uit deze vaststellingen, zoals verweerster en de Commissie lijken te suggereren, het onweerlegbare vermoeden worden afgeleid dat de stof E 475 zowel nuttig als onschadelijk is ? Ik meen van niet. Wat hun kwaliteit ook moge zijn, de studies van het WCMV nemen ter zake niet alle onzekerheid weg. Dit volgt niet alleen uit de omstandigheid dat het daarbij om een raadgevend orgaan gaat, maar ook — en dit is daar een rechtstreekse consequentie van — uit de omstandigheid dat de nationale wettelijke regelingen onderling verschillen, wat zijn verklaring vindt in de uiteenlopende voedingsgewoonten in de Lid-Staten (zaak 247/84, Motte, reeds aangehaald, r.o. 24).
Het zij nogmaals gezegd: uitsluitend door de vaststelling van een gemeenschapsregeling, waarbij enerzijds de levensmiddelen waarbij de toevoeging van de stof E 475 aan een werkelijke behoefte beantwoordt, en anderzijds de maximale, niet te overschrijden dosis op eenvormige wijze worden bepaald, kunnen de Lid-Staten van hun verantwoordelijkheden ter zake worden ontheven. Om die reden meen ik, in tegenstelling tot de Commissie, dat de vermelding van de stof E 475 in bijlage I van de richtlijn emulgatoren enkel tot gevolg heeft, dat de Lid-Staten zich niet mogen verzetten tegen de invoer van voedingswaren, uitsluitend op grond dat deze die stof bevatten.
In elk geval kunnen zowel de studies van de internationale organisaties als die van het WCMV een stevige basis vormen voor ieder verzoek om een vergunning voor de verhandeling van de stof E 475. Frankrijk zou dit verzoek slechts kunnen afwijzen door te bewijzen dat, gelet op de Franse voedingsgewoonten, de toevoeging ervan aan geen enkele werkelijke behoefte beantwoordt en een risico voor de menselijke gezondheid oplevert, zelfs indien de dagelijkse toelaatbare dosis niet wordt overschreden (zaak 247/84, Motte, reeds aangehaald, r.o. 24).
De Commissie heeft voorts gesuggereerd, dat de betrokken Lid-Staat over een meer geschikt middel beschikt om de bescherming van de gezondheid van personen te waarborgen: het zou de importeurs kunnen verplichten, vóór de uitvoer daarvan aangifte te doen, zodat de nationale instanties tijdig zouden kunnen optreden indien bij die controle een risico aan het licht zou komen. Dit betoog moet om dezelfde redenen worden verworpen als advocaatgeneraal Mancini in de zaak-Motte heeft uiteengezet. Een dergelijk systeem is slechts schijnbaar doeltreffend, want het legitieme streven om de menselijke gezondheid te beschermen, zal de nationale instanties immers stellig aanleiding geven om, wanneer wegens de aanwezigheid van de verboden stof aangifte van de invoer wordt gedaan, de betrokken levensmiddelen grondig te onderzoeken.
Gelet op het voorgaande, faalt ten slotte ook het argument dat de Commissie ontleent aan richtlijn nr. 79/112 van 8 februari 1979 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering... van levensmiddelen...(PB 1979, L 33, biz. 1). Artikel 15, lid 2, hiervan maakt immers een uitdrukkelijk voorbehoud voor het geval dat niet-geharmoniseerde nationale bepalingen met name gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de volksgezondheid.
6.
Wat betekent deze analyse voor de nationale rechter ?
Er zijn twee mogelijkheden: ofwel er is beroep ingesteld tegen de weigering van een Lid-Staat om de handelaar de gevraagde vergunning te verlenen, ofwel er is, zoals in casu, een strafvervolging wegens frauduleuze invoer ingesteld. In beide processituaties zal de Lid-Staat, onder controle van de nationale rechter, in het concrete geval moeten bewijzen dat het verbod op de verhandeling van de ingevoerde produkten in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 36 EEG-Verdrag, zoals deze door het Hof zijn uitgelegd.
7.
Ik geef het Hof derhalve in overweging, de vragen van de cour d'appel te Colmar te beantwoorden als volgt:
1)
Bij de huidige stand van haar toepassing doet richtlijn nr. 74/329 geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om een regeling die, behoudens voorafgaande toelating, het gebruik in levensmiddelen van een in bijlage I genoemde stof verbiedt, te handhaven.
2)
Iedere Lid-Staat is verplicht de bepalingen van richtlijn nr. 74/329, in het bijzonder de artikelen 5 en 8, na te leven met betrekking tot elke in bijlage I genoemde stof waarvan hij het gebruik eerder heeft toegelaten.
3)
Een nationale regeling die, behoudens voorafgaande toelating, het gebruik in levensmiddelen van een in bijlage I van de richtlijn genoemde stof, zoals de emulgator E 475, verbiedt,
—
is in beginsel onverenigbaar met de bepalingen van artikel 30 EEG-Verdrag, wanneer zij tot geïmporteerde goederen wordt uitgebreid,
—
maar kan ten opzichte van de vereisten van artikel 36 EEG-Verdrag gerechtvaardigd zijn, wanneer de Lid-Staat in elk concreet geval aantoont dat, gelet op de nationale voedingsgewoonten en de resultaten van het internationaal en gemeenschappelijk wetenschappelijk onderzoek, de verboden stof, ofschoon zij aan een bijzondere behoefte beantwoordt, een risico voor de gezondheid van personen oplevert.
4)
De nationale rechterlijke instantie die van de. zaak kennisneemt, heeft na te gaan of aan deze voorwaarde is voldaan, gelet op de criteria op grond waarvan het verbod is vastgesteld.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy