CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 21 mei 1987 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I — Kader van het geschil
1.
In het onderhavige beroep verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof, vast te stellen dat de Helleense Republiek door de artikelen 50, 65, 71 en 72 van de Griekse verordening 72/77 betreffende de regeling van de markten (hierna: de „Marktregeling”), zoals gewijzigd in 1982, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 30 EEG-Verdrag en richtlijn 71/307/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake textielbenamingen (hierna „de richtlijn”). ( 1 )
2.
Aanvankelijk had de Commissie vier grieven aangevoerd. Naar aanleiding van de in 1985 in de Marktregeling aangebrachte wijzigingen heeft zij een van de twee onderdelen van haar vordering betreffende artikel 65 (het verbod tot verkoop, in bepaalde omstandigheden, van uit andere Lid-Staten ingevoerde katoengarens) laten vallen. Derhalve behoeft nog slechts uitspraak te worden gedaan over de drie overblijvende grieven, waarbij het Hof slechts de in het met redenen omkleed advies en in het inleidend verzoekschrift bedoelde teksten behoeft te onderzoeken en geen rekening behoeft te houden met de wijzigingen die verweerster naderhand heeft aangebracht in de bepalingen die nog steeds bestreden worden. Immers, het in artikel 169 voorziene advies, dat verplicht aan het beroep voorafgaat, heeft
„de functie het onderwerp van het geschil te omschrijven”. ( 2 )
Weliswaar kan de Commissie in de loop van de procedure bepaalde grieven laten vallen. Doet zij dat evenwel niet, en zulks ondanks de wijziging van de gekritiseerde nationale wet, dan kan het Hof geen uitspraak doen over andere dan de oorspronkelijke elementen van het beroep, die alleen in geding zijn. ( 3 )
3.
Nog steeds om het voorwerp van het geschil af te bakenen zij met betrekking tot artikel 50 van de Marktregeling opgemerkt dat het, in weerwil van het door de Helleense Republiek geformuleerde voorbehoud, zowel in het met redenen omkleed advies als in het beroepschrift op geldige manier is aangevoerd. Immers, het advies wijdt afzonderlijke overwegingen aan artikel 50, dat een algemene bepaling is, en aan de artikelen 65, 71 en 72, die „meer in het bijzonder de door de richtlijn” geregelde textielprodukten betreffen. ( 4 )
4.
Wat artikel 72 betreft, heeft de Commissie, die dit artikel accessoir acht ten opzichte van artikel 71, rekening houdend met het „ontwerp van wijziging” van artikel 71, in repliek te kennen gegeven, dat zij zich het recht voorbehield om het opnieuw te onderzoeken „in het licht van deze nieuwe elementen”. Ter terechtzitting heeft haar vertegenwoordiger uiteengezet, dat het amendement op artikel 71 grotendeels maar niet volledig aan de bezwaren tegen artikel 72 tegemoetkwam en dat de Commissie geen afstand deed van haar vordering met betrekking tot dat artikel. De laatste grief betreft dus primair artikel 71, alsmede artikel 72, voor zover het met het vorige verband houdt.
5.
Bijgevolg moet worden onderzocht, of en in hoeverre:
—
artikel 50 van de Marktregeling (tekst van 1982) in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag;
—
artikel 65 (eveneens in de versie van 1982), doch uitsluitend voor zover dit de verplichte etikettering in het Grieks op de buitenverpakking van voor groothandelverkoop bestemde garens en gesponnen draden betreft, en de artikelen 71 en 72 van de Marktregeling (versie van 1977) in strijd zijn met artikel 30 EEG-Verdrag en met de richtlijn.
II — Artikel 50 van de Marktregeling
6.
Artikel 50 van de Marktregeling (in de versie van 13.8.1982, die per 1.1.1983 van kracht is) bepaalt dat „op de verpakking van ingevoerde artikelen van alle aard ... duidelijk leesbaar in het Grieks moeten worden vermeld”: de naam, voornaam of handelsnaam van de vertegenwoordiger, de importeur of de verpakker, het adres van hun plaats van vestiging, de aard van het produkt, het exacte nettogewicht of volume, het land waar het is vervaardigd, en in voorkomend geval de vermelding „verpakt in Griekenland”. Het bepaalt verder, dat deze maatregel niet van toepassing is op ingevoerde produkten waarvoor de etikettering door bijzondere bepalingen is geregeld. Verantwoordelijk voor het aanbrengen van die vermeldingen zijn de vertegenwoordiger, de importeur of de verpakker. De tekst van artikel 50 is op 14 januari 1983 aan alle douane-instanties meegedeeld; daarbij werd bepaald, dat de produkten „die niet aan de voorschriften beantwoorden, niet mogen worden ingeklaard”.
7.
Met de Commissie moet worden aangenomen, dat een dergelijke regeling, voor zover zij tot gevolg heeft dat met betrekking tot een produkt dat is ingevoerd in een staat waarin het wettig zou kunnen worden verkocht in de Lid-Staat waar het is geproduceerd, door de betrokken bedrijven bijkomende bewerkingen moeten worden uitgevoerd en verdere kosten worden gemaakt, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 is, zoals dit is uitgelegd in 's Hofs arrest Dassonville. ( 5 ) Terecht merkt de Commissie op, dat de bekende formulering van de vijfde overweging van dat arrest ( 6 ), die in de latere rechtspraak herhaaldelijk is overgenomen, een algemene strekking behoudt en dat zij de maatregelen omvat die zonder onderscheid gelden voor nationale en ingevoerde produkten.
8.
De Helleense Republiek heeft in haar verweer trouwens minder gepoogd om deze analyse van de Commissie te weerleggen, dan om de betrokken bepaling te rechtvaardigen op grond van de noodzaak om de eindverbruiker te beschermen. Zij beroept zich op dat oogmerk in haar antwoord op het met redenen omkleed advies en voegt daaraan toe, dat „artikel 50, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening nr. 52/83 betreffende de regeling van de markten, de vereiste vermeldingen op de verpakking van allerhande ingevoerde produkten voorschrijft voor produkten die bestemd zijn voor verkoop aan de eindverbruiker”. Dit verklaart ongetwijfeld, waarom zij in dupliek betoogt dat „dit artikel de verplichtingen van de kleinhandelaar betreft, niet die van de importeur”, waaraan zij toevoegt dat „niets belet dat de in artikel 50 bedoelde produkten worden ingevoerd zonder de genoemde vermeldingen”. Wellicht gaat dit op voor de huidige, overigens niet overgelegde redactie van artikel 50, maar niet voor de tekst die het voorwerp is van het onderhavige beroep.
9.
Sedert het arrest Cassis de Dijon ( 7 ) van 1979 is in 's Hofs rechtspraak een beginsel vastgelegd, dat in de rechtsleer ( 8 ) de „rule of reason” wordt genoemd en dat de door het arrest Dassonville geformuleerde fundamentele regel verzacht. Op grond daarvan kunnen bepaalde nationale regelingen buiten het verbod van maatregelen van gelijke werking vallen, wanneer de betrokken regeling haar rechtvaardiging vindt in dwingende eisen „verband houdende met, inzonderheid, de bescherming van de consumenten”. ( 9 ) Voor de toepassing van deze regel moet aan drie voorwaarden zijn voldaan:
—
de betrokken nationale maatregelen moeten zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en ingevoerde produkten;
—
er mag geen gemeenschappelijke regeling inzake de verhandeling van de betrokken produkten bestaan;
—
de maatregelen dienen noodzakelijk te zijn en evenredig aan het beoogde doel.
10.
Het is niet duidelijk, waarom de bescherming van de Griekse consument vereist, dat de gegevens die in artikel 50 (versie van 1982) zijn opgesomd, op de verpakking van de ingevoerde goederen moeten zijn aangebracht vanaf bet tijdstip dat zij Griekenland binnenkomen. De vraag of al deze gegevens dan wel sommige daarvan in het belang van de consument door de kleinhandelaar aan de consument moeten worden meegedeeld, behoeft in de onderhavige procedure niet te worden onderzocht. Mitsdien moet deze bepaling in strijd worden geacht met artikel 30 EEG-Verdrag.
III — Artikel 65 van de Marktregeling
11.
De Commissie heeft haar grief met betrekking tot het verbod van verkoop van katoengarens die niet aan bepaalde voorwaarden van aanbieding voldoen, ingetrokken en bestrijdt enkel de bepalingen van artikel 65 van de Marktregeling, die de importeurs, ondernemers, ambachtslieden, fabrikanten of verpakkers verplichten om garens en gesponnen draden die bestemd zijn voor verkoop aan de Griekse weef- en breigoederenindustrie in het Grieks te etiketteren.
12.
Met de Commissie moet worden aangenomen, dat dit vereiste in strijd is met bepaalde voorschriften van de richtlijn, vastgesteld op basis van artikel 100 van het Verdrag, waarvan artikel 1 als volgt luidt:
„Textielprodukten mogen vóór verwerking, gedurende het produktieproces en in de diverse stadia van de distributie, binnen de Gemeenschap slechts op de markt worden gebracht, indien zij in overeenstemming zijn met het bepaalde in deze richtlijn.”
13.
Door etikettering in elk geval verplicht te stellen, is afgeweken van de bij artikel 8, lid 1, van de richtlijn aan de Lid-Staten opgelegde verplichting om de handelaars in de gelegenheid te stellen de etikettering te vervangen door „begeleidende handelsdocumenten... wanneer de betrokken produkten (textielprodukten) niet te koop worden aangeboden aan de eindverbruiker...” Ook al geeft de richtlijn geen definitie van het begrip „eindverbruiker”, hieronder kan slechts worden verstaan, degene die het textielprodukt kan aankopen voor persoonlijk gebruik of voor gebruik in zijn gezin of zelfs in zijn beroep, doch zonder van meet af aan de bedoeling te hebben om het, al dan niet na bewerking, verder te verkopen. Buiten deze definitie vallen niet alleen de importeur, de ondernemer en de groothandelaar, maar ook de ambachtsman.
14.
Voor zover dit artikel deze laatsten verplicht om reeds vóór het te koop aanbieden en de verkoop aan de eindverbruiker, dus vóór het produkt zijn potentiële gebruiker bereikt, etiketten aan te brengen in het Grieks, is het in strijd met artikel 8, lid 2, sub c, dat bepaalt:
„De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat op hun grondgebied, bij het te koop aanbieden en de verkoop aan eindverbruikers, voor het etiketteren of merken, als bedoeld in dit artikel, mede gebruik wordt gemaakt van hun nationale talen.”
15.
Voor zover het verplicht om niet door de richtlijn voorziene gegevens te vermelden aangaande de benaming of de samenstelling van de produkten — zoals bij voorbeeld type en nummer van de garens —, is het in strijd met de bepalingen van artikel 14 van de richtlijn, waarvan het eerste lid als volgt luidt:
„De Lid-Staten mogen het op de markt brengen van textielprodukten niet verbieden of belemmeren om redenen, verband houdende met de benamingen of de aanduidingen van de samenstelling, indien die produkten voldoen aan het bepaalde van deze richtlijn.”
Een uitzondering hierop, die de Helleense Republiek evenwel niet ter rechtvaardiging van de betrokken maatregel heeft ingeroepen, is de stand-stillbepaling van artikel 14, tweede lid:
„Het bepaalde in deze richtlijn vormt geen belemmering voor de toepassing in elke Lid-Staat van de aldaar geldende bepalingen betreffende de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, de aanduidingen van herkomst en oorsprong, alsmede het tegengaan van oneerlijke concurrentie.”
16.
De andere vermeldingen die evenmin in de richtlijn zijn voorzien, zoals de naam of de handelsnaam van de onderneming en de stad waar de zetel gevestigd is of de stad van herkomst van de produkten vallen, voor zover zij geen betrekking hebben op de benaming en de samenstelling van het produkt, niet binnen het toepassingsgebied van de richtlijn. Evenals ter zake van artikel 50 merk ik op, dat deze vermeldingen worden vereist vóór het stadium van het aanbod aan de eindverbruiker, zodat zij niet gerechtvaardigd zijn uit hoofde van artikel 30 EEG-Verdrag.
17.
Overigens ontkent de Helleense Republiek niet echt de haar verweten niet-nakoming, maar beroept zij zich in haar verweerschrift en in dupliek slechts op de nieuwe versie van artikel 65, die van latere datum is dan het met redenen omkleed advies en die dus niet in geding is.
18.
Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de in het met redenen omkleed advies en in het inleidend verzoekschrift bedoelde vroegere versie van artikel 65 van de Marktregeling in strijd was met artikel 30 EEG-Verdrag alsook met de hiervoor genoemde bepalingen van de richtlijn.
IV — De artikelen 71 en 72 van de Marktregeling
19.
De Commissie is van oordeel, dat voor zover zij benamingen voorschrijven die verschillen van die welke in de richtlijn zijn opgesomd, de artikelen 71 en 72 in strijd zijn met de bepalingen van de richtlijn, ongeacht de gebruikte methode van merken van de textielprodukten: op de produkten aangebrachte labels dan wel inschrijving in het bedrijf. Bovendien zouden deze teksten eveneens indruisen tegen het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag, omdat zij tot extra kosten leiden voor de handelaars, inclusief de buitenlandse fabrikanten. Ten slotte zouden zij niet kunnen worden gerechtvaardigd uit hoofde van de noodzaak om de eindverbruiker te beschermen,
—
noch, ratione temporis, voor zover zij van toepassing zijn op het stadium van de groothandel,
—
noch, ratione materiae, in het stadium van de kleinhandel, waar artikel 72 de vermelding vereist van het nummer van de aankoopfactuur en van de oorsprong of herkomst van de goederen.
20.
Voor haar verweer baseert de Helleense Republiek zich voornamelijk op de „nieuwe bepalingen” van artikel 71, zoals deze zijn gewijzigd na het met redenen omkleed advies, en die dus zonder belang is voor het onderhavige geding. Wat artikel 72 betreft, stelt zij zich op het standpunt, dat de aanduiding van het nummer van de aankoopfactuur voor de consument het enige middel is om de aard van de gebruikte grondstof te controleren, en dat ingevolge artikel 14, lid 2, van de richtlijn vermelding van de oorsprong of herkomst van de goederen mag worden verlangd. Indien de stand-stillbepaling van artikel 14, lid 2, gelet op de datum van toetreding van de Helleense Republiek, in de onderhavige zaak rechtsgeldig kan worden ingeroepen, moet niettemin om de door de Commissie terecht aangevoerde andere redenen worden gesteld, dat zowel de in de onderhavige procedure bedoelde tekst van artikel 71, als artikel 72 in strijd zijn met de bepalingen van artikel 30 EEG-Verdrag en van artikel 8, leden 1 en 2, sub c, en artikel 14, lid 1, van de richtlijn.
V — Conclusie
21.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging,
1)
vast te stellen:
—
dat de Helleense Republiek, door in artikel 50 van de verordening betreffende de regeling van de markten (tekst van 1982), behoudens uitzondering, de invoer van allerlei produkten afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat op de verpakking in het Grieks een aantal gegevens is vermeld, ook al konden deze produkten in de Lid-Staat waar zij zijn geproduceerd wettig worden verhandeld, haar verplichtingen krachtens artikel 30 EEG-Verdrag niet is nagekomen,
—
dat de Helleense Republiek, door de betrokken marktdeelnemers te verplichten om:
—
voor de verkoop in het groothandelsstadium van garens en gesponnen draden voor de vervaardiging van textiel- en breigoedartikelen etiketten in het Grieks aan te brengen;
—
voor de verkoop in zowel het groothandels- als het kleinhandelsstadium van textielprodukten labels aan te brengen die verschillende gegevens bevatten, waarvan sommige niet zijn voorzien in richtlijn 71/307 van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake textielbenamingen,
haar verplichtingen krachtens vorengenoemde richtlijn, inzonderheid artikel 8, leden 1 en 2, sub c, en artikel 14, en krachtens artikel 30 EEG-Verdrag niet is nagekomen,
2)
verweerster te verwijzen in de kosten.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
( 1 ) PB 1971, L 185, biz. 16.
( 2 ) Arrest van 27 mei 1981, gevoegde zaken 142 en 143/80, Essevi en Salengo, r. o. 15, Jurispr. 1981, blz. 1413.
( 3 ) Zie in dit verband het arrest van 10 maart 1970, zaak 7/69, Commissie/Italiaanse Republiek, Jurispr. 1970, blz. 111.
( 4 ) Cursivering van mij.
( 5 ) Arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Jurispr. 1974, blz. 837.
( 6 ) „Overwegende dat iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen is teteschouwen”.
( 7 ) Arrest van 20 februari 1979, zaak 120/78, Rewe, Jurispr. 1979, blz. 649; zie ook arrest van 10 november 1982, zaak 261/81, Rau/De Smedt, Jurispr. 1982, blz. 3961; ten slotte arresten van 12 maart 1987, zaak 178/84, Commissie/Bondsrepubliek Duitsland en zaak 176/84, Commissie/Helleense Republiek, Jurispr. 1987, blz. 1227 en 1193.
( 8 ) Zie, bij voorbeeld, Timmermans in Dertig jaar gemeenschapsrecht, blz. 305.
( 9 ) Zaak 261/81, Rau, voornoemd, r. o. 12.
Full & Egal Universal Law Academy