CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 4 februari 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het hoofdgeding betreft een geschil tussen een Franse bank, Crédit lyonnais, bijkantoor Forbach, en R. Anterist te Saarbrücken (Bondsrepubliek Duitsland), die zich tegenover de bank hoofdelijk borg had gesteld voor de schulden van de vennootschap Anterist en Schneider, gevestigd te Stiring-Wendel (Frankrijk). De op 16 mei 1967 ondertekende overeenkomst van borgtocht bevatte het volgende, voorgedrukte beding:
„Toutes demandes et significations seront faites au Crédit lyonnais à son Agence de, actuellement rueno ..., et le tribunal dans le ressort duquel cette agence est située sera seul compétent pour statuer sur tout ce qui concerne l'exécution des présentes, quelle que soit la partie défenderesse.”
Partijen waren dus overeengekomen, dat het tribunal de grande instance te Sarreguemines, binnen welks ressort het bijkantoor te Forbach ligt, bevoegd zou zijn.
Enige jaren later kon de firma Anterist en Schneider op de vervaldag haar schulden niet voldoen. Crédit lyonnais dagvaardde daarop de hoofdelijke borgen voor het Landgericht te Saarbrücken, de woonplaats van R. Anterist. Deze betwistte de bevoegdheid van dit gerecht. Het geschil kwam via een beroep tot cassatie („Revision”) voor het Bundesgerichtshof, dat bij beschikking van 20 december 1984 het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft voorgelegd betreffende de uitlegging van artikel 17, derde alinea, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: het Executieverdrag):
„Is een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter reeds te beschouwen als ‚slechts gemaakt ten behoeve van een der partijen’ in de zin van artikel 17, derde alinea, EEG-Executieverdrag, wanneer enkel vaststaat dat de partijen overeenkomstig artikel 17, eerste alinea, van het Verdrag rechtsgeldig de internationale bevoegdheid zijn overeengekomen van een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende Staat op welks grondgebied die partij woonplaats heeft ?”
De twee door de verwijzende rechter bedoelde alinea's van artikel 17 luiden als volgt:
Eerste alinea
„Indien bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, partijen van wie er ten minste een woonplaats heeft in het gebied van een Verdragsluitende Staat, een gerecht of de gerechten van een Verdragsluitende Staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die Staat bij uitsluiting bevoegd.”
Derde alinea
„Indien de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter slechts is gemaakt ten behoeve van een der partijen, behoudt deze het recht zich te wenden tot elk ander gerecht dat op grond van dit Verdrag bevoegd is.”
2.
De partijen in het hoofdgeding, de Commissie en twee Lid-Staten, Italië en het Verenigd Koninkrijk, hebben — kort samengevat — de volgende opvattingen verdedigd.
Anterist meent, dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord. De woonplaats zou niet kunnen gelden als criterium voor het in de uitzonderingsbepaling van artikel 17, derde alinea, bedoelde voordeel, want dat zou neerkomen op een uitholling van de regel van artikel 17, eerste alinea.
Op grond van de eerste alinea zouden de partijen kunnen voorzien, welke de bij uitsluiting bevoegde rechter is. Het onderzoek dat de rechter zou moeten instellen om te bepalen, of de woonplaats uitsluitend in het voordeel is van de partij die de toepassing van de derde alinea vordert, zou moeilijk te verenigen zijn met de door het Executieverdrag nagestreefde duidelijkheid en vereenvoudiging van de procedure.
3.
Ook de regering van het Verenigd Koninkrijk is van mening, dat artikel 17, derde alinea, een uitzondering vormt op de eerste alinea van dit artikel. Aangezien de meeste bevoegdheidsbedingen dezelfde inhoud hebben als het onderhavige, zou een bevestigend antwoord aan de uitsluitende bevoegdheidsregel van de eerste alinea ieder nuttig effect ontnemen.
Bovendien zou de derde alinea slechts bedingen betreffen die aangeven, bij welke rechter een partij rechtsvorderingen kan instellen, doch zij zou de wederpartij vrij laten om zich op de algemene bevoegdheidsbepalingen van het Executieverdrag te beroepen.
4.
Volgens de Italiaanse regering is de betrokken bepaling van toepassing, indien een partij haar wederpartij, om welke reden ook, de bevoegdheid van een gerecht heeft opgedrongen. Uit bevoegdheidsbedingen zou evenwel niet altijd blijken, of zij zijn overeengekomen in het gemeenschappelijk belang van de partijen — zodat artikel 17, eerste alinea, geldt — of in het belang van slechts één partij. De nationale rechter zou derhalve nauwgezet de wil van partijen moeten onderzoeken en moeten nagaan, of de overeenkomst uitsluitend in het belang van één partij is gesloten. Het woonplaatscriterium zou een aanwijzing kunnen opleveren dat slechts één partij belang heeft bij het beding, maar niettemin zou moeten worden nagegaan of de andere partij er niet eveneens een, zij het ook bijkomstig voordeel bij heeft. Indien het beding in het belang van één enkele partij is gemaakt, zou het haar vrijstaan elk krachtens het Verdrag bevoegd gerecht aan te zoeken, al was het maar om betwisting van de geldigheid van het beding te voorkomen.
5.
De opvatting van de Commissie, waarbij de vertegenwoordiger van Crédit lyonnais, die geen schriftelijke opmerkingen had ingediend, zich ter terechtzitting heeft aangesloten, is dat artikel 17, eerste alinea, zelf geen hoofdregel inhoudt, maar een uitzondering is op de artikelen 2, 5 en 6 Executieverdrag. De tweede en derde alinea zouden het toepassingsgebied ervan slechts beperken. De eerste alinea zou derhalve eng moeten worden uitgelegd.
Omdat elke overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter afwijkt van de hoofdregel van artikel 2 van het Verdrag, die ten gunste van de verweerder strekt, zou een overeenkomst waardoor de algemene regel van artikel 2 opzij wordt gezet, het vermoeden opleveren dat de eiser erdoor wordt bevoordeeld. Op grond van artikel 17, derde alinea, zou de eiser de mogelijkheid hebben, van zijn objectief gunstige rechtspositie geen gebruik te maken.
Ten einde de doelstellingen van het Executieverdrag te respecteren, zou het „voordeel” moeten worden beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven. Een van deze maatstaven zou zijn, dat het gerecht van de woonplaats van een der partijen bevoegd is verklaard. Verder zou in aanmerking kunnen worden genomen, of een economisch sterkere partij gebruik heeft gemaakt van een voorgedrukt standaardcontract, ook indien het bevoegd verklaarde gerecht niet het gerecht van zijn woonplaats is. Wil de zwakste partij de toepasselijkheid van artikel 17, derde alinea, voorkomen, dan zou zij ervoor moeten zorgen dat het beding zo wordt geformuleerd, dat duidelijk blijkt dat zij er ook belang bij heeft. Het voordeel zou dan immers niet meer uitsluitend bij de wederpartij liggen.
6.
De onderhavige zaak doet paradoxaal aan. Immers, Anterist vordert nakoming van een bevoegdheidsbeding, waar Crédit lyonnais onder uit probeert te komen met het argument, dat het uitsluitend ten gunste van hem is gemaakt. Deze tegenstrijdigheid is echter duidelijk slechts ogenschijnlijk. De feitelijke achtergrond van dit leerstellige debat kan hier onbesproken blijven. Dat is een zaak van de nationale rechter en ik wil mij ertoe beperken enkele punten naar voren te brengen die het Hof in staat kunnen stellen de vraag van de nationale rechter te beantwoorden.
7.
Artikel 17, derde alinea, kan niet buiten zijn context worden uitgelegd. De partijen in het hoofdgeding en de intervenienten hebben zich ingespannen om deze bepaling in het meer algemene kader van het Executieverdrag te plaatsen. Ik zal hetzelfde doen.
Blijkens zijn preambule heeft het Verdrag tot doel, de formaliteiten voor de onderlinge erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te vereenvoudigen en de rechtsbescherming van degenen die binnen de Gemeenschap gevestigd zijn, te vergroten. De preambule geeft ook aan, met welke middelen dit moet worden bereikt, waarbij in de eerste plaats wordt genoemd de vaststelling van de bevoegdheid van de gerechten van de Lid-Staten in internationaal verband. Kort gezegd, het Executieverdrag beoogt de rechtszekerheid in het procesrecht te vergroten door een ieder de mogelijkheid te geven, de voor hem bevoegde rechter met zekerheid te bepalen, zodat hij zijn rechten doeltreffend geldend kan maken.
Artikel 17 staat in titel II van het Executieverdrag, die is gewijd aan de bevoegdheidsregels. Deze titel is als volgt opgebouwd: De eerste afdeling, getiteld „Algemene bepalingen”, bepaalt in artikel 2: „... zij, die woonplaats hebben op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, ... [worden] opgeroepen voor de gerechten van die Staat”. De bevoegdheid van de rechter hangt dus af van de woonplaats van de verweerder. De afdelingen 2, 3 en 4 betreffen bijzondere bevoegdheden en afdeling 5 exclusieve bevoegdheden. Deze laatste vormen uitzonderingen op de regel „actor sequitur forum rei”. De afdelingen 7, 8 en 9 betreffen de taak van de rechter.
Artikel 17 staat in afdeling 6, getiteld „Door partijen aangewezen bevoegde rechter”. Deze bepaling levert geen problemen op: het gaat om een in de eerste alinea beschreven prorogatie die, behoudens het bepaalde in de tweede en derde alinea, voor partijen bindend is.
De bevoegdheidsregeling van het Executieverdrag lijkt derhalve te zijn opgebouwd als volgt: naast de wettelijke regeling — de artikelen 2 tot 16 — is er een contractuele regeling mogelijk — artikel 17 —, waarbij de contractspartijen de wettelijke regeling, behoudens wat de van openbare orde zijnde bevoegdheden van artikel 16 betreft, door middel van een bevoegdheidsbeding opzij kunnen zetten.
Dit stelsel geeft de sleutel voor de uitlegging van artikel 17, eerste alinea.
In dit verband moet worden onderscheiden tussen het bestaan van het bevoegdheidsbeding en de verbindende kracht ervan. Het eerste mag niet op grond van vermoedens worden aangenomen; in geval van twijfel is het wettelijke stelsel van toepassing. Zo gezien moet artikel 17, eerste alinea, strikt worden uitgelegd. Zo luidt trouwens ook de rechtspraak van het Hof:
„De in artikel 17 gestelde voorwaarden voor de geldigheid van bedingen tot aanwijzing van een bevoegde rechter moeten strikt worden uitgelegd, aangezien dit artikel tot doel heeft te waarborgen, dat de wilsovereenstemming tussen partijen bij een dergelijk beding, die door aanwijzing van een bevoegde rechter afwijken van de algemene bevoegdheidsregels van de artikelen 2, 5 en 6 Executieverdrag, daadwerkelijk vaststaat en duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt” (arrest van 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ, Jurispr. 1984, blz. 2417, r.o. 14).
Anders is het gesteld met de verbindende kracht. Hier stuiten wij op de fundamentele regel, dat de overeenkomst partijen tot wet strekt. Het bevoegdheidsbeding — mits het niet in strijd is met de van openbare orde zijnde bevoegdheidsregels van artikel 16 — is voor de contractanten bindend. Waar de gemeenschapswetgever het maken van een dergelijk beding heeft toegelaten, kan — wanneer het rechtsgeldig is overeengekomen — een partij er zich niet meer aan onttrekken om zo de wettelijke regeling te doen herleven. De regel dat de geldigheid van de toestemming moet worden getoetst aan de hand van een strikte uitlegging, kan, indien die toestemming perfect is, niet afdoen aan de bindende kracht van het beding.
9.
Rest nog de uitlegging van artikel 17, derde alinea.
De opvatting is wel verdedigd, dat deze bepaling het geval van een eenzijdig beding betreft, waarbij slechts één partij aan het bevoegdheidsbeding is gebonden, terwijl de andere ervan kan terugtreden ten gunste van de wettelijke bevoegdheidsregeling. Indien dit juist zou zijn, dan zou de betrokken alinea met het onderhavige geval niets van doen hebben en toepassing missen. Maar het valt moeilijk in te zien, wat het nut is van een wetsbepaling die de „bevoordeelde” partij weer aanspraak op de wettelijke regeling zou geven, waarvan zij per definitie niet bij overeenkomst afstand heeft gedaan.
Deze bepaling ziet mijns inziens derhalve op een beding dat, ofschoon in het uitsluitend belang van een der partijen overeengekomen, niettemin, zoals in casu, tweezijdig is, of ook op een eenzijdig beding dat inhoudt dat rechtsvorderingen door de wederpartij moeten worden ingesteld voor een uitdrukkelijk aangewezen gerecht. Aan de aldus „bevoordeelde” partij kent artikel 17, derde alinea, het recht toe, van haar voordeel afstand te doen ten gunste van de wettelijke bevoegdheidsregels.
In deze uitlegging vormt de betrokken bepaling een afwijking van het beginsel van de gelijkheid der contractspartijen. Bovendien schept zij naast de contractueel overeengekomen bevoegdheid nog een of meer andere bevoegdheden, wat de door het Executieverdrag en door het bevoegdheidsgeding nagestreefde rechtszekerheid vermindert. Om deze twee redenen moet de bepaling worden gezien als een uitzondering op de krachtens artikel 17, eerste alinea, bij overeenkomst vastgestelde regel en moet zij als zodanig eng worden uitgelegd.
De partijen kunnen in de overeenkomst uitdrukkelijk aangeven, dat het bevoegdheidsbeding uitsluitend is gemaakt ten behoeve van een van hen. Dit zou de taak van de rechter bij de toepassing van de derde alinea aanmerkelijk verlichten.
Dit is in casu echter niet het geval. De rechter moet dus nagaan, of een dergelijk uitsluitend belang uit het contract blijkt. Aangezien de derde alinea eng moet worden uitgelegd, mag het bestaan van dit belang niet op grond van vermoedens worden aangenomen. Omdat het om uitlegging van de wil der partijen gaat, mag het belang evenmin automatisch uit objectieve omstandigheden worden afgeleid. De omstandigheid dat het beding het gerecht van de woonplaats van een der contractanten bevoegd verklaart, vormt derhalve wel een gegeven waarmee de nationale rechter bij zijn beoordeling van de wil van partijen rekening kan en moet houden, doch beslissend is zij niet. Ook andere omstandigheden kunnen grond opleveren om een gemeenschappelijk belang van partijen aan te nemen, zoals het feit dat het op het contract toepasselijke recht de lex fori van de bevoegd verklaarde rechter is.
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„1)
Overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter, die overeenkomstig de in artikel 17, eerste alinea, Executieverdrag gestelde voorwaarden geldig zijn gesloten, hebben voor partijen dezelfde bindende kracht als — bij ontbreken van zulke overeenkomsten — de wettelijke bevoegdheidsregeling van de artikelen 2 tot en met 15 Executieverdrag.
2)
Artikel 17, derde alinea, Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een dergelijke overeenkomst uitsluitend in het belang van een der contractspartijen is gemaakt, deze partij het recht behoudt van dit voordeel afstand te doen en ieder ander krachtens genoemde wettelijke regeling bevoegd gerecht aan te zoeken.
3)
Het staat aan de nationale rechter om telkens op grond van de omstandigheden van het geval en de letter van de overeenkomst te bepalen, of een bevoegdheidsbeding al dan niet uitsluitend in het belang van een der partijen is overeengekomen: bevoegdverklaring van het gerecht binnen welks ressort een partij haar woonplaats heeft, is een gegeven waarvan het belang ter beoordeling van deze rechter staat.”
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy