Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In het kader van een geding tussen J.*W.*Teuling-Worms en de Bedrijfsvereniging voor de Chemische Industrie verzoekt de Raad van Beroep te Amsterdam om uitlegging van artikel*5 EEG-Verdrag junctis de richtlijnen nr.*79/7/EEG van de Raad van 19*december*1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid ( PB*1979, L*6, blz.*24 ), en richtlijn nr.*76/207/EEG van de Raad van 9*februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van datzelfde beginsel ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden ( PB*1976, L*39, blz.*40 ).
De verwijzende rechter verkeert in twijfel over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van het Nederlandse stelsel van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waarin bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering rekening wordt gehouden met : a)*de burgerlijke staat en de directe en indirecte inkomsten van de echtgenoot; b)*de aanwezigheid van ten laste komende kinderen . De Raad van Beroep vraagt in het bijzonder om uitlegging van de strekking van het verbod van discriminatie op grond van het geslacht in de beide richtlijnen, en om een uitspraak over een interessante principiële vraag, namelijk welke werking een richtlijn heeft wanneer de aan de Lid-Staten gelaten uitvoeringstermijn nog niet is verstreken .
2 . Voor een beter begrip van de zaak in het kader waarvan de prejudiciële vragen zijn gesteld, is het noodzakelijk zich een beeld te vormen van de ingewikkelde Nederlandse regeling inzake arbeidsongeschiktheidsuitkeringen . Deze regeling is verspreid over vier bronnen : 1)*de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18*februari 1966 ( hierna : WAO ), in werking getreden op 1*juli 1967 ( Stbl.*84 ); 2)*de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van 11*december 1975 ( hierna : AAW ), in werking getreden op 1*oktober 1976 ( Stbl.*674 ); 3)*de Wet invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen van 20*december 1979, waarbij de AAW is gewijzigd met terugwerkende kracht tot 1*oktober 1978 ( Stbl.*708 ); 4)*de Wet afschaffing minimumdagloon WAO van 29*december 1982 ( Stbl.*737 ). De vier wetten grijpen op verschillende manieren in elkaar en het onderzoek van het erin vervatte stelsel wordt bemoeilijkt doordat er voortdurend nieuwe bepalingen en overgangsmaatregelen zijn uitgevaardigd die het geheel ondoorzichtiger maken .
Laten we echter systematisch te werk gaan en eerst een blik werpen op de WAO . De WAO regelt de verplichte verzekering van werknemers tegen loonderving wegens arbeidsongeschiktheid voor perioden van meer dan een jaar . De uitkeringen worden, ongeacht de persoonlijke situatie van de betrokkene, berekend op basis van de mate van arbeidsongeschiktheid en het laatste loon dat de betrokkene ontving voordat hij arbeidsongeschikt werd . Om echter te voorkomen dat uitkeringsgerechtigden wier loon bijzonder laag was, een lagere uitkering zouden krijgen dan zij tot dan toe krachtens de Invaliditeitswet hadden ontvangen, werd in artikel*14, lid*3, WAO de berekeningsgrondslag van de uitkering gebonden aan het door de Raad voor de Sociale Zekerheid vastgestelde en periodiek herziene minimumdagloon . Bij wet van 25*juni 1975 ( Stbl.*377 ) werd dat loon gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel*8, lid*1, van de wet van 27*november 1968 ( Stbl.*657 ). Vanaf die datum was het bedrag van de WAO-uitkering dus gelijk aan dat van het wettelijk minimumloon, ongeacht de situatie ( geslacht, burgerlijke staat, kostwinnerschap, inkomsten ) van de uitkeringsgerechtigde .
Vervolgens de AAW . Deze beoogt bescherming te geven tegen hetzelfde risico en voorziet eveneens in een verplichte verzekering; zij geldt echter uitsluitend voor Nederlandse ingezetenen, behoudens -*in de redactie die van kracht was tot 31*december 1977 *- gehuwde vrouwen, en de uitkering wordt op een andere grondslag berekend dan bij de WAO . Er wordt namelijk uitgegaan van een minimumlevensniveau en rekening gehouden met de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de rechthebbende . De verhouding tussen de twee wetten is ingewikkeld : sterk vereenvoudigd is het zo, dat de primaire uitkering wordt toegekend op grond van de AAW, die voor werknemers in loondienst wordt aangevuld met een uitkering krachtens de WAO, wanneer het laatste loon van de arbeidsongeschikte hoger was dan de in de andere wet voorziene berekeningsgrondslag ( artikel*46, sub*a, WAO ). Men dient echter voor ogen te houden, dat de twee wetten op verschillende tijdstippen zijn gewijzigd -*wetten van 30*december 1983 ( Stbl.*698 ), 28*juni 1984 ( Stbl.*271 ) en 19*december 1984 ( Stbl.*633 )*- en dat de gevolgen daarvan gefaseerd in werking zijn getreden, voor de AAW tussen 1979 en 1984 en voor de WAO tussen 1982 en 1986 .
De derde bron is de wet inzake gelijke uitkeringsrechten van mannen en vrouwen . Deze is bedoeld als eerste stap in de tenuitvoerlegging van richtlijn nr.*79/7; zij heeft echter ingrijpende veranderingen gebracht in de regels voor de toekenning en berekening van AAW-uitkeringen en geleid tot een regeling die voor vele verzekerden minder gunstig is dan de vroegere . De nieuwe regeling namelijk houdt weliswaar geen rekening met het geslacht bij de toekenning van de uitkeringen, doch stelt strengere voorwaarden voor die toekenning en verlaagt het bedrag ervan tot 70% van het wettelijk minimumloon, terwijl een verhoging van dit percentage uitsluitend mogelijk is voor uitkeringsgerechtigden met gezinslasten .
In het bijzonder zijn door wijziging van artikel*10 AAW drie verschillende parameters voor de berekening van de uitkeringen ingevoerd : a)*de "algemene" grondslag, die geldt voor alle gerechtigden die ouder zijn dan 20*jaar; b)*de "gemiddelde" grondslag, voor gerechtigden met gezinslasten, wier gezinsinkomen ligt tussen 15 en 30% van een bepaald maximum; c)*de "hoge" grondslag, die volgens het nieuwe artikel*10, lid*4, AAW geldt voor twee groepen personen : 1)*gehuwden wier gezamenlijk inkomen uit of in verband met arbeid op de datum waarop het recht op de uitkering ontstaat, lager is dan 15% van bedoeld maximum; 2)*ongehuwden die een eigen kind of pleegkind hebben dat jonger is dan 18*jaar dat tot hun gezin behoort of grotendeels te hunnen laste komt, indien hun inkomen uit of in verband met arbeid op de dag waarop het recht op de uitkering ontstaat, niet meer bedraagt dan 15% van dat maximum .
Ten slotte dan de vierde bron, die voor ons geval van bijzonder belang is . Teneinde te komen tot verlaging van de sociale uitgaven en in het kader van een algemene herziening van de regeling, besloot de Nederlandse wetgever aan het begin van de jaren '80 tot afschaffing van artikel*14, lid*3, WAO, waarin de uitkering werd gebonden aan het wettelijk minimumloon . De nieuwe wet van 29*december 1982 voorziet als grondslag het dagloon van de arbeidsongeschikte op de dag waarop het feit dat tot de arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden, een in de regel lager bedrag dan het wettelijk minimumloon . De koppeling hieraan blijft slechts bestaan voor wie voldoet aan de in artikel*10, lid*4, vastgestelde voorwaarden voor de "hoge" grondslag .
Om echter een plotselinge inkomensvermindering voor de uitkeringsgerechtigden te voorkomen en de sociale-verzekeringsorganen de gelegenheid te geven de hoogte van de uitkeringen opnieuw te berekenen, werd een overgangsregeling getroffen, inhoudende dat de feitelijke afschaffing pas inging op 1*januari 1984 . Bovendien werd een leemte in de wet van 29*december 1982 opgevuld . Deze beoogde, zoals wij zojuist zagen, een geleidelijke overgang van de uitkeringsgerechtigden van het bedrag van het WAO-pensioen naar het in de regel lagere bedrag dat voortvloeit uit de wijzigingen die bij de wet van 20*december 1979 in de AAW zijn aangebracht; die overgang gold echter niet voor de WAO-gerechtigden die niet voldeden aan de voorwaarden voor toelating tot de AAW-regeling, en in het bijzonder niet voor gehuwde vrouwen die vóór 1*oktober 1978 arbeidsongeschikt waren geworden . Bij wet van 30*december 1983 werd derhalve een nieuw artikel*97 in de AAW opgenomen, waarbij bedoelde uitkeringen ook werden toegekend aan vrouwen met een WAO-pensioen -*berekend op basis van het minimumdagloon *- die voor genoemde datum arbeidsongeschikt waren geworden . Vanaf 1*januari 1984 komen gehuwde vrouwen dus in aanmerking voor een AAW-uitkering, maar de consequentie hiervan is dat zij een lagere uitkering krijgen dan onder de WAO-regeling het geval was .
3 . Na aldus het stelsel waarvan de verwijzende rechter de wettigheid betwijfelt, zo goed mogelijk te hebben verduidelijkt, kom ik thans tot de feiten van de zaak . Mevrouw J.*W.*Teuling-Worms, geboren in 1928, werkte vanaf haar 27e jaar bij verschillende ondernemingen, totdat zij op 13*september 1971 arbeidsongeschikt werd . Op 12*september 1972 werd haar een WAO-pensioen toegekend, dat aanvankelijk werd berekend op basis van haar laatstverdiende loon en dat vanaf 1975 gelijk was aan het bedrag van het wettelijk minimumloon, waarbij haar burgerlijke staat of vermogenssituatie geen rol speelden . Toen echter op 1*oktober 1976 de AAW in werking trad -*zoals gezegd sloot deze gehuwde vrouwen van de uitkeringen uit ( artikel*89, lid*3, juncto artikel*9, lid*1, sub*a )*- kwam mevrouw Teuling niet voor toepassing daarvan in aanmerking, en daar haar arbeidsongeschiktheid van vóór 1*oktober 1978 dateert, viel zij evenmin onder de gelijkstellingswet van 20*december 1979, waarbij die discriminatie werd opgeheven .
Bij brief van 18*juni 1984 ontving zij van het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Chemische Industrie bericht, dat na de wijziging van het sociale stelsel bij de wet van 29*december 1982 haar pensioen vanaf 1*januari 1984 niet meer zou worden berekend op basis van het wettelijk minimumloon, maar van het laatste door haar verdiende loon . De daaruit voortvloeiende verlaging zou evenwel in fasen plaatsvinden .
Mevrouw Teuling kwam tegen deze beschikking in beroep bij de Raad van Beroep te Amsterdam . De Raad overwoog onder*meer, dat zij als gevolg van de invoering bij de wet van 29*december 1982 van een stelsel van gedifferentieerde uitkeringen geen aanspraak meer kon maken op een pensioen gelijk aan het bedrag van het wettelijk minimumloon, en dat een dergelijk stelsel, dat voornamelijk op het bestaan van gezinslasten is gebaseerd, een indirecte discriminatie van gehuwde vrouwen oplevert en derhalve onverenigbaar is met de gemeenschapswetgeving en in het bijzonder met het in artikel*4, lid*1, van richtlijn nr.*79/7 gehuldigde gelijkheidsbeginsel .
Bij uitspraak van 4*februari 1985 heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel*177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :
"1 . Is een stelsel van uitkeringsrechten bij arbeidsongeschiktheid waarbij de hoogte van de uitkering mede wordt bepaald door de burgerlijke staat en de inkomsten uit of in verband met arbeid van de echtgenoot, dan wel door de aanwezigheid van een ten laste komend kind, in overeenstemming met artikel*4, eerste lid, van de richtlijn nr.*79/7/EEG d.d . 19*december 1978 van de Raad van de Europese Gemeenschappen?
2 a)*Is met de onder vraag*1 vermelde richtlijnbepaling verenigbaar de wet van 29*december 1982, Stbl.*737, waarbij de voor alle WAO-verzekerden geldende garantie dat de ( netto-)uitkering ten minste gelijk is aan het ( netto-)wettelijke minimumloon is vervallen, als gevolg waarvan deze garantie nog slechts geldt voor degene die voldoet aan de voorwaarden van artikel*10, vierde lid, van de AAW?
2 b)*Dient bij de beantwoording van voorgaande vraag, gelet op de in artikel*8 van de richtlijn genoemde termijn, alsmede op het bepaalde in artikel*5 van die richtlijn en artikel*5 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, nog betekenis te worden gehecht aan de omstandigheid, dat bedoelde wet dateert van 29*december 1982 en op 1*januari 1983 ten dele in werking is getreden, terwijl voorzien is in een gefaseerde inwerkingtreding van de feitelijke gevolgen van de regeling, met ingang van tijdstippen gelegen zowel voor als na de afloop van de termijn van artikel*8 van de richtlijn?
3 . Is voor de beantwoording van voorgaande vragen mede van belang het bepaalde in de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen d.d . 9*februari 1976 ( nr.*76/207/EEG )?
4 . Indien vraag*1 en/of 2a ontkennend worden beantwoord, houdt dat in dat de -*alsdan geschonden *- communautaire norm rechtstreeks door belanghebbenden tegenover nationale instanties kan worden ingeroepen?"
4 . Zoals bekend, beoogt richtlijn nr.*79/7 van 19*december 1978 de geleidelijke uitbreiding van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ( artikel*119 EEG-Verdrag ) tot de sector van de sociale zekerheid . Artikel*4, lid*1, bepaalt, dat dit beginsel "inhoudt dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot : de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen; de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening; de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties ".
Voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn beschikten de Lid-Staten over een periode van zes*jaar volgende op de kennisgeving ervan; deze termijn verstreek op 22*december 1984 ( artikel*8 ). Artikel*5 bepaalt voorts, dat "de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen opdat alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen die strijdig zijn met het beginsel van gelijke behandeling worden ingetrokken ".
5 . De verwijzende rechter vraagt in de eerste plaats, of een stelsel van uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid, waarbij de hoogte van de uitkering mede wordt bepaald door de burgerlijke staat en de inkomsten uit of in verband met arbeid van de echtgenoot van de rechthebbende dan*wel door de aanwezigheid van een ten laste komend kind, een indirecte discriminatie vormt en daarom in strijd is met het in artikel*4, lid*1, van de richtlijn neergelegde beginsel .
Het is duidelijk waarom de Raad van Beroep deze vraag heeft gesteld . De door hem toe te passen regeling voorziet, zoals wij zagen, in een verhoging van de uitkeringen voor personen met gezinslasten en eenieder weet dat regelingen van die aard, ook indien zij luiden in termen van volstrekte gelijkheid van mannen en vrouwen, uiteindelijk toch vooral in het voordeel van eerstgenoemden uitvallen . In de praktijk immers oefenen alle mannen die niet gebrekkig, ziek of werkloos zijn, een beroepswerkzaamheid uit; daarentegen zijn er nog heel wat vrouwen die, uit vrije keuze of noodgedwongen, thuis blijven en zodoende niet kunnen aantonen dat zij een echtgenoot of kinderen ten laste hebben . Het is dus eerder de man die in aanmerking komt voor een verhoging in verband met gezinslasten, zodat het in de regel de vrouw is die indirect wordt gediscrimineerd .
Het begrip indirecte discriminatie door verwijzing naar de burgerlijke staat of de gezinssituatie, wordt in de gemeenschapsrichtlijnen inzake gelijke behandeling niet omschreven en ook de ontstaansgeschiedenis van die richtlijnen levert geen aanknopingspunten voor een dergelijke omschrijving . Wel is enige opheldering te vinden in het antwoord dat de Commissie eind 1981 heeft gegeven op een schriftelijke vraag ( nr.*2295/80 ) van mevrouw Lizin . Volgens het lid van de Commissie belast met sociale zaken, de heer Richard, moet onder indirecte discriminatie worden verstaan "verkapte of verborgen discriminaties, die voor de werknemers van een bepaald geslacht in feite zouden voortvloeien uit de in aanmerkingneming van de echtelijke staat of de gezinssituatie bij de vaststelling van de rechten die binnen de werkingssfeer van de beide richtlijnen vallen" ( PB*1981, C*129, blz.*22 ). Indirecte discriminaties zijn dus niet formeel op het geslacht gebaseerd, doch leiden in de praktijk tot een "resultaat" dat niet verschilt van dat van vormen van ongelijke behandeling die uitdrukkelijk met het geslacht verband houden .
In zijn arrest van 31*maart 1981 ( zaak*96/80, Jenkins, Jurispr.*1981, blz.*911 ) heeft het Hof zich beziggehouden met een geval van indirecte discriminatie van vrouwelijke werknemers in loondienst . Een Britse deeltijdwerkneemster beschuldigde haar werkgever ervan, haar een lager uurloon te betalen dan een mannelijke collega die voltijds werkzaam was en hetzelfde werk verrichtte . In hoger beroep verzocht het Employment Appeal Tribunal om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel*119 EEG-Verdrag, waarop het Hof besliste als volgt : "Een verschil in beloning tussen voltijd - en deeltijdwerknemers is slechts dan een verboden discriminatie, wanneer het in werkelijkheid enkel een indirect middel is om het loonpeil van deeltijdwerknemers te verlagen wegens de omstandigheid dat deze groep werknemers uitsluitend dan*wel voornamelijk uit vrouwen bestaat" ( r.o.*15 ).
Ik wil hieraan toevoegen, dat de Commissie, uitgaande van deze uitspraak, het hierbedoelde begrip heeft trachten te verfijnen . "De overweging dat een maatregel personen van een bepaald geslacht betreft, speelt een belangrijke rol, ongeacht of deze maatregel hen uitsluitend of alleen in overwegende mate raakt ." Dit statistische gegeven -*het enkele "overwicht" van vrouwen in de gediscrimineerde groep *- kan zelfs beslissend zijn; het belang ervan vermindert echter wanneer er andere elementen bestaan die een objectieve rechtvaardiging van de maatregel kunnen opleveren, want het is duidelijk dat, indien er van die elementen bestaan, het verkregen resultaat beantwoordt aan het beoogde doel . Er bestaat dus een "vermoeden van indirecte discriminatie ... zodra een schijnbaar neutrale maatregel in feite in overwegende mate de werknemers van een van beide geslachten betreft, zonder dat de bedoeling om te discrimineren behoeft te worden aangetoond . Daarentegen is het aan degene die de vermeende discriminerende maatregel treft, om gronden aan te voeren waaruit blijkt, dat deze gebaseerd was op objectief gerechtvaardigde redenen waaraan iedere gedachte van discriminatie vreemd is" ( Tussentijds verslag over de toepassing van richtlijn nr.*79/7, COM(83)*793 def ., 6*januari 1984, blz.*7 ).
In het licht van het voorgaande lijkt het mij duidelijk, dat voor het door de verwijzende rechter opgeworpen probleem eerst twee punten moet worden onderzocht : a)*heeft de bestreden regeling ongunstiger gevolgen voor vrouwen dan voor mannen?; b)*kunnen ter rechtvaardiging daarvan objectieve redenen worden aangevoerd?
Op het eerste punt moet het antwoord kennelijk bevestigend luiden . Op 16*juni 1983 wendden twee leden van de Emancipatieraad, het orgaan belast met vraagstukken betreffende de vrouwenemancipatie, zich tot de Commissie met de klacht, dat de wijziging die bij de wet van 29*december 1982 was aangebracht in de Nederlandse regeling inzake arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, discriminerend is voor vrouwen . De Commissie verzocht daarop de Nederlandse regering om statistische gegevens, gerelateerd aan het geslacht, over de gevolgen van die wijziging voor uitkeringsgerechtigden krachtens de WAO . Uit die gegevens nu bleek, dat onder de verzekerden voor wie de uitsluitend voor uitkeringsgerechtigden met gezinslasten voorziene verhoging nadelige gevolgen had, zich bijna twee keer zo veel vrouwen als mannen bevonden .
Maar ook bij punt*b ) moet bevestigend worden geantwoord . Waar de Commissie zich namelijk in genoemd "Tussentijds verslag" uitdrukkelijk bezighoudt met de verhoging voor een ten laste komende echtgenoot, acht zij deze gerechtvaardigd wanneer de uitkeringen even hoog zijn als het wettelijk minimumloon, omdat zij dienen ter compensatie van de lasten die op gezinnen rusten en die uiteraard hoger zijn dan die van alleenstaanden . Ik meen dat dit ook in de onderhavige zaak het geval is . Het litigieuze stelsel geeft inderdaad aanleiding tot discriminatie, doch het is billijk en gebaseerd op redelijke motieven . Het wil immers een belang beschermen dat terecht als prioritair wordt beschouwd ( namelijk het belang van degenen die gezinslasten hebben te dragen en wier uitkering, door de koppeling aan het laatstverdiende loon, daalt tot beneden het wettelijk minimumloon ); bovendien blijft, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, de daaruit in feite voortvloeiende afwijking van het gelijkheidsbeginsel binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke .
6 . Vraag*2a van de Raad van Beroep luidt, of artikel*4 van richtlijn nr.*79/7 de Lid-Staten belet de regeling inzake arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in dier voege te wijzigen, dat het bedrag van de uitkering voor verzekerden die niet aan bepaalde voorwaarden voldoen, lager wordt .
Ik meen dat het antwoord voortvloeit uit de conclusie waartoe ik zojuist ben gekomen . Indien een regeling als de Nederlandse objectief gerechtvaardigd is en dus niet in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling, is de omstandigheid dat sommigen een lagere uitkering ontvangen dan vroeger, irrelevant .
7 . De vragen 2b en 4 betreffen daarentegen twee vraagstukken die verband houden met fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht . Wat moet worden vastgesteld, is dit : a)*Welke bevoegdheden hebben de Lid-Staten tijdens de voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn gestelde termijn, en kunnen nationale bepalingen die kennelijk met de voorschriften van de richtlijn in strijd zijn, door de rechter worden getoetst voordat die termijn is verstreken? b)*Heeft het beginsel van gelijke behandeling in de sector van de sociale zekerheid rechtstreekse werking en kunnen particulieren zich voor de rechter beroepen op de daaruit voortvloeiende subjectieve rechten wanneer bovenbedoelde termijn nog niet is verstreken?
Ten aanzien van de eerste vraag ben ik het eens met wat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft gezegd . Zij verdedigt en ontwikkelt een opvatting die door gezaghebbende schrijvers wordt aangehangen, namelijk dat ook wanneer een richtlijn geen uitdrukkelijke "standstill"-clausule bevat, de kennisgeving ervan niettemin een "blokkeringseffect" heeft in die zin, dat de Lid-Staten geen regelingen mogen treffen die in strijd zijn met haar bepalingen . Zoals bekend, heeft de onderhavige richtlijn in het bijzonder ten doel de regelingen van Lid-Staten te harmoniseren door de bestaande verschillen tussen de wettelijke en de bestuursrechtelijke maatregelen te verkleinen . Het is dus duidelijk dat zij, door het enkele feit van haar vaststelling, de Lid-Staten verplicht geen nieuwe maatregelen in te voeren waardoor die verschillen worden geaccentueerd .
Men kan niet zeggen, dat dit in strijd is met het arrest van 5*april 1979 ( zaak*148/78, Ratti, Jurispr.*1979, blz.*1629 ). Weliswaar overwoog het Hof daar ( r.o.*44 ), dat de Lid-Staten tot het einde van de uitvoeringstermijn "ter zake vrij blijven", maar zoals iedere vrijheid kent ook deze haar beperkingen en met name die welke door de logica worden gedicteerd . Zo kan er geen twijfel over bestaan, dat deze vrijheid de bevoegdheid inhoudt om de verschillende regels en praktijken te handhaven, maar zoals gezegd is het al even zeker, dat er niet de bevoegdheid onder valt om de verschillen die de richtlijn wil opheffen, te vergroten . Daarbij valt onder meer te bedenken, dat in de loop van de termijn genomen maatregelen noodzakelijkerwijs beschouwd moeten worden als maatregelen die bedoeld zijn om de gemeenschapsrichtlijn in nationaal recht om te zetten; dergelijke maatregelen dienen dus zeker niet in strijd te zijn met de voorschriften van de richtlijn .
Dat is echter niet alles . Voor de door mij voorgestelde oplossing pleit ook artikel*5, lid*2, van het Verdrag, dat de Lid-Staten opdraagt zich te onthouden van alle maatregelen "welke de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen ". Het niet nakomen van deze algemene verplichting, het tekort schieten in de samenwerking en solidariteit die deze bepaling verlangt, is ook het eerste wat de Commissie zal moeten verwijten aan de landen die zij, in het kader van artikel*169, aanklaagt wegens het negeren van het "blokkeringseffect" en dus van het uit de kennisgeving van de richtlijn voortvloeiende verbod om stappen terug te doen . Het Hof heeft overigens dikwijls naar artikel*5, lid*2, verwezen wanneer het de grenzen bepaalde van de bevoegdheden van de Lid-Staten met betrekking tot andere gemeenschapshandelingen dan richtlijnen, doch die evenals deze op termijn rechten en verplichtingen in het leven riepen : zie voor meer recente rechtspraak de arresten van 14*februari 1978 ( zaak*61/77, Commissie/Ierland, Jurispr.*1978, blz.*417 ), 4*oktober 1979 ( zaak*141/78, Frankrijk/Verenigd Koninkrijk, Jurispr.*1979, blz.*293 ), 10*juli 1980 ( zaak*32/79, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr.*1980, blz.*2403 ) en 5*mei 1981 ( zaak*804/79, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr.*1981, blz.*1045 ).
De overige door de verwijzende rechter gestelde principiële vragen lijken minder problemen op te leveren . Zij betreffen : a)*de rechtstreekse werking van artikel*4 van richtlijn nr.*79/7; b)*de mogelijkheid voor particulieren om zich reeds tijdens de uitvoeringstermijn in*rechte te beroepen op de subjectieve rechten die de regeling verleent, ten einde op te komen tegen nationale bepalingen die op het punt van de gelijke behandeling tekort schieten of daarmee in strijd zijn .
Met betrekking tot het eerste punt verwijs ik naar mijn conclusie van 9*juli 1986 in zaak*71/85 ( Staat der Nederlanden/FNV, arrest van 4 december 1986, Jurispr.*1986, blz.*3855, inz.*3864 ); ik heb daar de rechtstreekse werking van de richtlijn bepleit en met name gewezen op de zwakte van het tegenargument, dat die rechtstreekse werking zou afdoen aan de beoordelingsvrijheid van de Lid-Staten ten aanzien van de wijze waarop zij het beginsel van gelijke behandeling in de sociale zekerheid willen verwezenlijken . Wat het tweede punt betreft, behoef ik slechts nogmaals te herinneren aan het arrest Ratti en aan het arrest van 19*januari 1982 ( zaak*8/81, Becker, Jurispr.*1982, blz.*53 ). In beide arresten besliste het Hof, dat een beroep op de rechtstreekse werking pas mogelijk is na afloop van de termijn waarbinnen de richtlijn in nationaal recht moet worden omgezet : de tegengestelde opvatting negeert immers het verschil dat in artikel*189 EEG-Verdrag wordt gemaakt tussen een richtlijn en een verordening .
8 . De derde vraag strekt ertoe te vernemen, of richtlijn nr.*76/207 betreffende de gelijke behandeling in het arbeidsproces, van invloed is voor de hier bedoelde regeling . Het antwoord luidt bevestigend, voor zover deze regeling vrouwen ervan blijkt te weerhouden toegang te zoeken tot de arbeidsmarkt; deze constatering verliest echter haar gewicht wanneer deze regeling op de sub*5 genoemde gronden objectief gerechtvaardigd en dus niet-discriminatoir moet worden geacht .
9 . Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de door de Raad van Beroep bij uitspraak van 4*februari 1985 in de zaak J.*W.*Teuling-Worms tegen Bedrijfsvereniging voor de Chemische Industrie gestelde vragen te beantwoorden als volgt :
1 ) Het begrip "indirecte discriminatie" bedoeld in artikel*4, lid*1, van richtlijn nr.*79/7 van de Raad van 19*december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook valt een maatregel in het kader van een sociale-zekerheidsregeling, die gebaseerd is op een ogenschijnlijk neutraal differentiatiecriterium, dat echter vooral vrouwen treft en deze aanzienlijk benadeelt ten opzichte van mannen, tenzij dit criterium berust op objectieve redenen die de ongelijke behandeling kunnen rechtvaardigen .
2 ) Ingevolge richtlijn nr.*79/7 juncto artikel*5 EEG-Verdrag hebben de Lid-Staten zich gedurende de voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn gestelde termijn te onthouden van maatregelen die een achteruitgang betekenen ten opzichte van de op het tijdstip van de kennisgeving bestaande situatie en die bijgevolg het bereiken van het met de gemeenschapsrichtlijn beoogde resultaat in gevaar kunnen brengen . Particulieren kunnen zich echter eerst op rechtstreeks werkende bepalingen beroepen wanneer de termijn waarbinnen de richtlijn in nationaal recht moet zijn omgezet, is verstreken .
3 ) Het begrip "indirecte discriminatie" in artikel*2 van richtlijn nr.*76/207 van de Raad van 9*februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, moet aldus worden uitgelegd, dat het een maatregel omvat die vooral vrouwen weerhoudt om toegang te zoeken tot de arbeidsmarkt, tenzij die maatregel gebaseerd is op redenen die de ongelijke behandeling kunnen rechtvaardigen .
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy