CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 12 december 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A —
Na de mondelinge behandeling van heden namiddag, mogen de feiten als bekend worden beschouwd. In tegenstelling tot de Franse regering meen ik, evenals de Commissie, dat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn. Tot op heden was het Hof steeds bereid, de rechterlijke instanties van de Lid-Staten behulpzaam te zijn bij het oplossen van moeilijkheden bij de toepassing van het gemeenschapsrecht. Ofschoon de verwijzende rechter geen uitlegging van het gemeenschapsrecht vraagt en de motivering van zijn beschikking zeer summier is, kan uit de context betrekkelijk gemakkelijk worden afgeleid, wat de verwijzende rechter wil. Hij wil weten of het gemeenschapsrecht bepalingen bevat op grond waarvan personen die zonder vergunning reactieven in de handel brengen, strafrechtelijk niet mogen worden vervolgd, en of de door de beklaagde vervaardigde produkten onder het gemeenschapsrecht vallen, en zo ja, onder welk gemeenschapsrechtelijk begrip.
B —
Op de eerste vraag dient te worden geantwoord dat het gemeenschapsrecht dergelijke bepalingen niet bevat. In het gemeenschapsrecht, meer bepaald in artikel 1 van richtlijn 65/65 van de Raad van 26 januari 1965 (PB 1965, nr. 22 van 9 februari 1965, blz. 369) wordt wel een definitie gegeven van „farmaceutische specialiteit”, „geneesmiddel” en „substantie”.
1.
Farmaceutische specialiteiten zjn alle geneesmiddelen die onder een speciale benaming en in een bijzondere verpakking in de handel worden gebracht (artikel 1, sub 1).
Een voor menselijk gebruik bestemde farmaceutische specialiteit mag in een Lid-Staat slechts in de handel worden gebracht als daartoe van tevoren door de bevoegde overheid van deze Lid-Staat een vergunning is afgegeven (artikel 2 en 3). Daarbij is het niet van belang of de farmaceutische specialiteit aan apothekers wordt geleverd, of uitsluitend aan gespecialiseerde medische instellingen.
Krachtens deze bepaling zijn de Lid-Sţaten verplicht voorschriften uit te vaardigen, waardoor wordt gewaarborgd dat geen enkele farmaceutische specialiteit zonder vergunning in de handel wordt gebracht. Deze bepaling staat duidelijk niet eraan in de weg dat een Lid-Staat het zonder vergunning in de handel brengen van farmaceutische specialiteiten strafbaar stelt.
2.
Artikel 1 van richtlijn 65/65 bevat eveneens definities van „geneesmiddel” en „substantie”. Het gemeenschapsrecht kent evenwel geen bepalingen met betrekking tot het in de handel brengen van deze produkten. Bijgevolg kunnen de Lid-Staten in beginsel vrij beslissen, of en in welke mate zij het in de handel brengen van deze produkten willen regelen. Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht zijn er geen bepalingen die een Lid-Staat verbieden voorwaarden te stellen voor het in de handel brengen van dergelijke produkten, en overtreding van deze voorwaarden strafbaar te stellen.
3.
Het is de verwijzende rechter die in concreto moet onderzoeken of de door de verdachte vervaardigde produkten onder één van de voornoemde begrippen vallen, en in voorkomend geval, onder welk.
C —
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging, de vraag van de rechter in het hoofdgeding te beantwoorden als volgt:
Het gemeenschapsrecht bevat geen bepalingen, die eraan in de weg staan dat een Lid-Staat het zonder vergunning in de handel brengen van farmaceutische specialiteiten, geneesmiddelen en substanties strafbaar stelt.
Het is de verwijzende rechter die in concreto moet onderzoeken of de door de verdachte vervaardigde produkten onder één van de voornoemde begrippen vallen, en in voorkomend geval, onder welk.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy