CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 12 december 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In 1978 gaf de firma Bienengräber & Co in de Bondsrepubliek Duitsland kleding en toebehoren voor Monchhichi-figuren — in een aantal landen „Kiki” genoemd — aan om deze in het vrije verkeer te brengen. Bienengräber en de douane zijn van mening dat de indeling van deze kledingstukken afhankelijk is van de indeling van de Mon-chhichi-figuur zelf onder hoofdstuk 97 van het gemeenschappelijk douanetarief. De titel van dit hoofdstuk luidt: „Speelgoed, spellen, artikelen voor ontspanning en sportartikelen”, en aantekening 4 bij dit hoofdstuk bepaalt: „Met inachtneming van het bepaalde in Aantekening 1 hiervoor, worden delen, onderdelen en toebehoren, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de artikelen bedoeld bij een der posten van dit Hoofdstuk, ingedeeld als deze artikelen.” De vraag is derhalve: onder welke post van het GDT moet de Monchhichi worden ingedeeld ?
Bienengräber gaf ze aan als goederen van post 97.02, „poppen van alle soorten”. Volgens de douane vielen zij onder post 97.03, „ander speelgoed”. Voor deze laatste post geldt een hoger invoerrecht en voor het Hof is verklaard dat er aanzienlijke bedragen mee zijn gemoeid, gezien de hoeveelheid Monchhichi's die in de Bondsrepubliek Duitsland zijn ingevoerd.
Voor de uitlegging van de posten van het gemeenschappelijk douanetarief kan worden te rade gegaan met de aantekeningen bij het gemeenschappelijk douanetarief en bij de IDR-Toelichtingen, waarvan de Franse en de Engelse tekst authentiek zijn (zaak 74/79, Hako Schuh, Jurispr. 1980, biz. 311, inzonderheid biz. 318).
Aantekening 3 bij de tekst van hoofdstuk 97 GDT luidt in het Engels: „In heading no. 97.02 the term ‚dolls’ is to be taken to apply to such articles as are representations of human beings.” Dezelfde gedachte is in overeenkomstige bewoordingen vervat in de Franse en blijkbaar ook in de Duitse tekst.
In de aantekeningen van de IDR-Toelichtingen bij dit hoofdstuk komt een overeenkomstige bepaling voor: „In heading no. 97.02 the term ‚dolls’ is to be taken to apply only to such articles as are representations of human beings.” De Franse tekst komt daarmee overeen.
Anderzijds luidt de bijzondere toelichting bij post 97.02 in het Engels: „The term ‚dolls’ is to be taken to apply only to such articles as are representations of human beings (including those of a caricature type).” De Franse tekst is hier misschien iets duidelijker: „Par poupées, il y a lieu d'entendre uniquement des articles représentant l'être humain, même s'il s'agit de sujets difformes”, en voegt daar tussen haakjes aan toe „(polichinelles, pantins)” (hansworsten, janklaassens), waaronder mijns inziens ook poppenkastpoppen vallen.
Deze zaak werd door Bienengräber bij het Finanzgericht aanhangig gemaakt. Op grond van een representatieve enquête van een instituut voor marktonderzoek, die had uitgewezen dat 71% van de ondervraagde moeders in de Monchhichi veeleer de nabootsing van een dier dan van een mens zagen, en op grond van een expertise van de Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt Hamburg oordeelde het Finanzgericht, dat de Monchhichi geen pop was. Het heeft wel vastgesteld dat de Monchhichi, zoals het Hof heeft kunnen waarnemen, een aantal uiterlijke kenmerken van een mens had: handen, ogen en een mond, eventueel armen en benen, doch niet de neus van een mens. Zij had evenwel een lange staart en behalve het gezicht, de handen en de voeten, was het gehele lichaam, zoals bij een dier, met een pels bedekt.
Tegen dit vonnis stelde Bienengräber cassatieberoep (Revision) in bij het Bundesfinanzhof; zij verklaarde dat de Franse Commission de conciliation et d'expertise douanière in tegenstelling tot de Duitse experten tot de slotsom was gekomen, dat de Monchhichi's poppen waren in de zin van post 97.02. Daarop heeft het Bundesfinanzhof het Hof twee prejudiciële vragen voorgelegd. Deze vragen luiden:
„1)
Dient aantekening 3 bij hoofdstuk 97 van het gemeenschappelijk douanetarief aldus te worden uitgelegd, dat een figuur slechts als een nabootsing van een mens en bijgevolg als een pop in de zin van post 97.02 A van het gemeenschappelijk douanetarief kan worden aangemerkt, wanneer zij uitsluitend uiterlijke kenmerken vertoont, die — zij het karikaturaal — overeenstemmen met het natuurlijke voorkomen van de mens ?
2)
Bij een ontkennend antwoord op de eerste vraag:
Moeten de begrippen ‚nabootsingen van de mens’ in de zin van aantekening 3 bij hoofdstuk 97 van het gemeenschappelijk douanetarief en ‚poppen’ in de zin van post 97.02 A van het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat een figuur ook als een nabootsing van een mens en bijgevolg als een pop in de zin van het douanetarief kan worden aangemerkt, wanneer zij naast de uiterlijke kenmerken van een mens ook de uiterlijke kenmerken van een dier vertoont ?
Onder welke voorwaarden is het aanvaardbaar, dat naast uiterlijke kenmerken op grond waarvan van een nabootsing van een mens kan worden gesproken, ook uiterlijke kenmerken van een dier aanwezig zijn ?”
Het besluit van het Bundesfinanzhof om deze vragen te verwijzen, is ingegeven door het feit dat, zoals voor het Hof is aangevoerd, de Franse en de Duitse douane hetzelfde standpunt verdedigen: het zijn dierlijke en geen menselijke figuren, terwijl de Belgische douane met de Franse Commission de conciliation et d'expertise douanière van mening is dat het poppen zijn.
De toelichtingen waarnaar ik heb verwezen en die omschrijven wat een pop kan zijn, worden bevestigd door de toelichtingen bij post 97.03. Hierin wordt namelijk uitdrukkelijk verklaard dat in de eerste plaats „dierfiguren” onder dit hoofdstuk vallen. Een dierfiguur is dus geen pop. De toelichtingen bij post 97.02 sluiten aan bij de gewone betekenis van het woord pop (doll, poupée), zoals die bij voorbeeld wordt gevonden in de Collins English Dictionary, die „doll” definieert als een „small model or dummy of a human being”, en het Franse woordenboek „Petit Robert”, dat „poupée” definieert als „figurine humaine servant de jouet d'enfant”.
Een eerste vraag is, of de Monchhichi met of zonder kleding of toebehoren moeten worden beoordeeld. In casu lijkt het vast te staan dat de Monchhichi zonder kleding kan worden en wordt ingevoerd en verkocht. Mijns inziens volgt uit aantekening 4 bij hoofdstuk 97 GDT dat los toebehoren afzonderlijk moet worden beoordeeld. Bijgevolg moet worden uitgemaakt onder welke tariefpost de zogenoemde Monchhi-chi-figuren zonder kleding of toebehoren vallen. Indien dit toebehoren of de kleding aan de pop of het speelgoed vastzat of daarvan een integrerend bestandddeel zou zijn, zou de situatie anders zijn.
Maar zelfs in de veronderstelling dat dit niet het geval zou zijn en de Monchhichi met kleding zou moeten worden beoordeeld, is het nog juist om rekening te houden met wat daaronder zit, dus ook met het feit dat het lijfje bedekt is met een soort pels.
De tweede vraag is: hoe beslist de douane dat een figuur een nabootsing van een mens is ? De gemachtigde van de Commissie heeft erop gewezen, dat dit een beslissing is die eerder door de douane dan door het Hof moet worden genomen. Om evenwel tot enige coherentie tussen de Lid-Staten te komen, moeten hier enkele richtsnoeren worden gegeven. Zijn de criteria te ruim, dan zullen er ongetwijfeld ongewenste uiteenlopende subjectieve beoordelingen in de Lid-Staten voorkomen: er moet zo weinig mogelijk ruimte voor twijfel worden gelaten.
Volgens Bienengräber is het juiste criterium, dat een figuur ook als een nabootsing van een mens kan worden aangemerkt — en bijgevolg als een pop in de zin van het douanetarief — indien zij niet alleen de uiterlijke kenmerken van een mens, doch ook van een dier vertoont. De dierlijke kenmerken die naast menselijke kenmerken voorkomen, hebben geen invloed op de tariefindeling, indien na zorgvuldige bestudering van alle kenmerken van de figuur de typisch menselijke kenmerken nog steeds belangrijker zijn dan de dierlijke. Bienengräber stelt tevens dat rekening moet worden gehouden met het toebehoren en de presentatie van het figuurtje.
De voorgestelde omschrijving laat mijns inziens de douane nog een aanzienlijke beoordelingsvrijheid, die tot grote verschillen zou kunnen leiden. Volstaan 55 of 65% menselijke kenmerken, willen deze het overwicht hebben op de dierlijke kenmerken ? Ik denk van niet.
Mijns inziens moet voor een juiste benadering worden uitgegaan van de vraag of het figuurtje duidelijk en ondubbelzinnig een menselijk wezen voorstelt en niet een ander levend wezen of een kruising van beide. Het figuurtje behoeft evenwel geen precieze afbeelding van het menselijke lichaam zijn; het blijft een pop wanneer er minieme verschillen met het menselijke lichaam zijn of wanneer bepaalde menselijke uiterlijke kenmerken overdreven of gekarikaturiseerd zijn. Indien echter essentiële kenmerken van het figuurtje niet die van het menselijke lichaam zijn, kan het figuurtje voor de tariefindeling niet als een pop worden beschouwd.
Hoewel in casu de uiteindelijke beslissing bij de douane berust, lijken mij de omstandigheden dat een bepaald voorwerp een lange staart heeft en met een pels is bedekt (ook al hebben gezicht, handen, en zelfs armen en benen menselijke kenmerken), belangrijke argumenten tegen de stelling dat het een pop is in de zin van het gemeenschappelijk douanetarief. Dat het voorwerp mensenkleding draagt en menselijk aandoet, lijkt mij geen doorslaggevende of ook maar belangrijke factor. De „Paddington Bear” is als kinderspeelgoed waarschijnlijk even bekend als ander speelgoed. Het is duidelijk een beer met de uiterlijke kenmerken van een dier, ook al draagt hij mensenkleding. Het is evenwel geen nabootsing van een mens.
Mitsdien geef ik in overweging de vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt: post 97.02 van het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat daaronder enkel vallen figuren die duidelijk en ondubbelzinnig nabootsingen zijn van de mens, zelfs in karikaturale vorm, en die geen essentiële uiterlijke kenmerken of een essentieel uiterlijk kenmerk hebben, dat mensen niet bezitten.
De nationale rechter dient over de kosten van de firma Bienengräber te beslissen; de kosten van de Commissie komen niet voor vergoeding in aanmerking.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy