CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 23 september 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Met het onderhavige beroep, ingesteld op 12 februari 1985, vordert Sideradria SpA, een Italiaanse onderneming die rondstaal voor gewapend beton produceert, intrekking althans verlaging van een haar door de Commissie van de Europese Gemeenschappen opgelegde geldboete van 768404 Ecu. In haar beschikking van 19 december 1984 verwijt de Commissie verzoekster, de voor het vierde kwartaal van 1982 vastgestelde produktiequota en de hoeveelheden staal die zij in het laatste kwartaal van 1981 en de vier kwartalen van 1982 op de gemeenschappelijke markt mocht leveren, te hebben overschreden.
Dit is de tweede boete die Sideradria in enkele maanden tijd is opgelegd. Ik herinner eraan dat de vennootschap ook de eerste boete, wegens overschrijding van het leveringsquotum voor het derde kwartaal van 1981, heeft bestreden; maar bij arrest van 12 december 1985 (zaak 67/84, Jurispr. 1985, blz. 3983) heeft het Hof het verzoek om intrekking van de boete afgewezen en alleen het bedrag ervan enigszins verlaagd. Aangezien het onderhavige geding met die zaak veel aspecten gemeen heeft, zal ik veelvuldig verwijzen naar 's Hofs arrest en naar mijn conclusie van 21 mei 1985.
2.
Op 19 augustus 1982 wees de Commissie Sideradria met terugwerkende kracht produktiequota toe voor de laatste twee kwartalen van 1981 en de eerste drie van 1982. Deze aanvullende quota, die de onderneming in staat moesten stellen de tot dan geproduceerde overschotten weg te werken (zie mijn conclusie sub 2), mochten niet worden gebruikt na het derde kwartaal, dat wil zeggen na de periode waarvoor zij waren toegekend. De Commissie stelde echter vast, dat Sideradria niet alleen haar produktiequotum voor het vierde kwartaal van 1982 had overschreden, maar ook haar leveringsquota voor het vierde kwartaal van 1981 en voor alle kwartalen van 1982. Vandaar de boetebeschikking waarvan ik zojuist melding heb gemaakt, gevolgd door de bestrijding ervan door verzoekster.
3.
Met betrekking tot het eerste verwijt betoogt verzoekster, dat zij de gestelde overtreding niet zou hebben begaan, zo de Commissie haar maar had toegestaan om de quota die zij niet had benut, ook na het derde kwartaal van 1982 te gebruiken. Nu de Commissie haar verzoek daartoe niet heeft ingewilligd, kan zij niet worden gestraft voor het enkele feit dat zij na de daartoe gestelde termijn hoeveelheden rondstaal heeft geproduceerd waarvoor het controlerend orgaan haar met terugwerkende kracht quota had toegekend. In ieder geval, zo betoogt de onderneming, moet haar gedrag toelaatbaar worden geacht op grond van artikel 11, lid 3, sub d, van beschikking nr. 1696/82 van 30 juni 1982 (PB 1982, L 191, blz. 1). Dit bepaalt immers: „Indien een onderneming haar produktiequota gedurende het kwartaal waarop deze betrekking hebben niet heeft geproduceerd, kan de Commissie de onderneming toestaan het totaal van de niet-gebruikte quota over te dragen, mits de onderneming bewijst dat een en ander is te wijten aan een geval van overmacht.”
Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard. Een beroep op ontoereikendheid van de voor de overdracht van aanvullende quota gestelde termijn komt er immers op neer, dat men de wettigheid bestrijdt van de handeling waarbij die termijn is vastgesteld. Wanneer ik echter kijk naar de rechtspraak van het Hof (laatstelijk genoemd arrest van 12 december 1985, r. o. 15) is de beschikking van 19 augustus 1982 inmiddels definitief geworden en kan de betrokken onderneming zich dus niet ten exceptieve op de onwettigheid ervan beroepen ter verkrijging van intrekking van de geldboete. Evenmin kan een beroep op overmacht worden gedaan. Verzoekster, deelt immers niet mee, waarom zij de voor overdracht van de aanvullende quota gestelde termijn niet in acht heeft kunnen nemen, ook niet in haar destijds bij de Commissie ingediende verzoek om verlenging van die termijn.
Met betrekking tot de tweede grief, inzake overschrijding van de leveringsquota voor het vierde kwartaal van 1981 en de vier kwartalen van 1982, stel ik vast dat Sideradria de in zaak 67/84 reeds aangevoerde middelen herhaalt, te weten:
a)
een duidelijke wanverhouding tussen produktiequota en leveringsquota;
b)
geen althans onjuiste toepassing van de aanpassingen waarin de gemeenschapswetgever heeft voorzien voor staalondernemingen die in ernstige moeilijkheden zijn komen te verkeren ten gevolge van het eerder toegepaste systeem voor berekening van de quota (artikel 8, lid 2, van beschikking nr. 1831/81 van 24 juni 1981, PB 1981, L 180, blz. 1, zoals gewijzigd bij beschikking nr. 2804/81 van 23 september 1981, PB 1981, L 278, blz. 1, en artikel 14 van beschikking nr. 234/84 van 31 januari 1984, PB 1984, L 29, biz. 1);
c)
het buiten beschouwing laten van bepaalde door de onderneming gemaakte rekenfouten, waardoor de referentiecijfers voor de vaststelling van haar quota in haar nadeel zijn uitgevallen.
In het arrest van 12 december 1985 verklaarde het Hof de eerste twee middelen niet-ontvankelijk en het laatste ongegrond. Mutatis mutandis dringt zich in casu dezelfde oplossing op. Ik behoef hier dan ook niet meer in te gaan op de door het Hof aangevoerde overwegingen (zie voor het overige mijn conclusie in zaak 67/84).
4.
Mitsdien is het alleen nog de vraag, of de opgelegde geldboete overeenstemt met de ernst van de overtreding. Dienaangaande lees ik in de beschikking van 19 december 1984, dat vice-voorzitter Davignon het, rekening houdend met de zeer ernstige financiële situatie waarin de onderneming verkeerde, billijk achtte om het normale boetebedrag van 75 Ecu per ton te verlagen tot 20. Hoewel Sideradria binnen korte tijd recidiveerde, kreeg zij derhalve een milde behandeling. Ik zie niet in, wat het Hof ertoe zou kunnen brengen om verder te gaan dan de reeds door het controlerend orgaan betoonde clementie.
5.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, het op 12 februari 1985 door Sideradria SpA ingestelde beroep te verwerpen en haar overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering te verwijzen in de kosten van het geding.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy