CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 8 oktober 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 februari 1985, heeft Coc-kerill-Sambre SA krachtens artikel 36, tweede alinea, EGKS-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van individuele beschikking nr. C (84) 1958/1 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1984, waarbij haar krachtens artikel 58 EGKS-Verdrag een boete van Ecu 620570 is opgelegd wegens overschrijding gedurende het eerste semester van 1983 van de bij beschikking nr. 1696/82/EGKS van de Commissie van 30 juni 1982 vastgestelde produktiequota.
Thans behoeft niet de grond, maar dient wel de ontvankelijkheid van het beroep te worden onderzocht: het is namelijk de vraag of dit beroep is ingesteld binnen de termijn van artikel 39, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EGKS, dat bepaalt:
„het beroep bedoeld in de artikelen 36 en 37 van het Verdrag moet geschieden binnen de in de laatste alinea van artikel 33 voorgeschreven termijn van een maand”.
Deze termijn wordt overeenkomstig artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering en artikel 1 van bijlage II bij dit Reglement wegens afstand verlengd met twee dagen.
De Commissie heeft krachtens artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
2.
Tot staving van haar exceptie betoogt de Commissie:
—
Cockerill-Sambre is van de bestreden beschikking op 9 januari 1985, aan haar zetel te Seraing, kennis gegeven;
—
overeenkomstig de reeds aangehaalde artikelen had het beroep op uiterlijk 12 februari 1985 moeten zijn ingesteld;
—
het beroep is eerst op 14 februari 1985 ingesteld.
Met een beroep op de rechtspraak van het Hof heeft de Commissie op het strikte karakter van de beroepstermijnen gewezen; zij betwist verzoeksters verklaring, dat de kennisgeving van de bestreden beschikking eerst op 11 januari 1985 aan haar kantoor te Brussel heeft plaatsgevonden.
3.
Ter rechtvaardiging van haar verklaring voert verzoekster aan dat haar zetel nog steeds te Seraing is gevestigd, doch dat haar bestuur, haar algemene directie, alsook haar centrale administratie per juni 1984 naar Brussel zijn overgebracht. Bij circulaire van 29 mei 1984 zouden al verzoeksters vaste zakenrelaties — waaronder de Commissie — van deze wijziging op de hoogte zijn gebracht.
Omdat de Commissie niet overeenkomstig deze mededeling handelde heeft verzoekster haar — d.w.z. vicevoorzitter Davignon, respectievelijk DG III (directoraat-generaal Staal) — bij gelijkluidende brieven van 21 december 1984 uitdrukkelijk gevraagd, dat alle correspondentie naar haar Brussels adres zou worden gestuurd, „ten einde te voorkomen dat zij verloren raakt of op de zetel te Seraing blijft liggen, en wel ter attentie van de betrokkene zelf of van G. Paulus van de Groep Quota's, die ze zal doorsturen.” Deze brieven zouden op 3 januari 1985 bij de geadresseerden zijn aangekomen.
De betwiste beschikking die die Commissie op 8 januari 1985 bij aangetekende brief met bewijs van ontvangst heeft verzonden, zou op 9 januari 1985 op verzoeksters zetel zijn ingekomen en, nadat het bewijs van ontvangst was ondertekend, van daaruit bij aangetekende brief zijn doorgezonden naar het kantoor te Brussel, alwaar zij op 11 januari 1985 zou zijn aangekomen.
Volgens Cockerill-Sambre wordt nergens in het gemeenschapsrecht bepaald dat van boetebeschikkingen uitsluitend op de zetel van de betrokken vennootschap kan worden kennis gegeven.
Zodra zij daarom verzochten, hetgeen niet verboden zou zijn, zou de Commissie de kennisgevingen moeten verzenden aan de door haar relaties opgegeven adressen; gebeurde dit niet, dan zou de beroepstermijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 173, tweede alinea, in fine, EEG-Verdrag, ingaan op het tijdstip waarop de betrokken onderneming daadwerkelijk van de beschikking heeft kennis gekregen.
Van mening dat zij de op 9 januari 1985 op haar zetel ontvangen brief met de nodige spoed naar Brussel heeft doorgezonden, stelt Cockerill-Sambre SA, dat ervan moet worden uitgegaan, dat zij eerst op 11 januari 1985 daadwerkelijk van de beschikking heeft kennis gekregen en dat bijgevolg het beroep op de laatste dag van de wettelijke termijn is ingesteld.
Subsidiair stelt zij, dat gesteld al dat de Commissie de kennisgeving terecht aan haar zetel zou hebben verzonden, haar zou kunnen worden verweten dat zij door haar onachtzaamheid verzoekster had belet, voor 11 januari 1985 van de beschikking kennis te nemen.
4.
De Commissie, die wegens de door verzoekster aangevoerde nieuwe feiten toestemming kreeg om bij nota te repliceren, bleef bij haar incidenteel verzoek. Volgens haar had de kennisgeving regelmatig en op geldige wijze plaatsgevonden en steunde zij zelfs op een regel van gezond verstand, volgens welke de kennisgeving van een aan een rechtspersoon gerichte beschikking van de Commissie aan de zetel dient te geschieden, a fortiori wanneer het een beschikking betreft waarbij geldboeten worden opgelegd.
Subsidiair stelt de Commissie dat uit de circulaire van 29 mei 1984 niet kon worden afgeleid dat zij „gehouden” was, van haar beschikkingen — inzonderheid die waarbij een boete werd opgelegd — aan het daarin aangeduide adres kennis te geven. De brief van 21 december 1984 zou op dat punt trouwens niet duidelijker zijn geweest. Bovendien zou de ontvangst van die laatste brief (op 3 januari) nagenoeg zijn samengevallen met de verzending van de beschikking (op 8 januari), hetgeen de haar verweten onachtzaamheid zou billijken.
5.
In casu gaat het dus om de vraag, of de Commissie verplicht is, van haar beschikkingen kennis te geven aan het adres dat is opgegeven door degene tot wie de beschikking is gericht.
Mijns inziens moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. De Commissie had op dat verzoek kunnen ingaan, maar was daartoe niet verplicht.
In het arrest van 12 juli 1984 (zaak 209/83, Ferriera Valsabbia, Jurispr. 1984, blz. 3089) heeft het Hof overwogen,
„dat de gemeenschapsregeling inzake de procestermijnen strikt moet worden toegepast ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden” (r.o. 14).
Het Reglement voor de procesvoering bepaalt niet, hoe de kennisgeving moet plaatsvinden waarvan sprake is in artikel 81, paragraaf 1, dat bepaalt:
„de termijn voor het instellen van een beroep tegen een handeling van een der instellingen vangt, in geval van kennisgeving, aan op de dag volgende op die, waarop de handeling ter kennis van de betrokkene werd gebracht...”
Nochtans is blijkens de rechtspraak van het Hof
„van een beschikking naar behoren, in de zin van het (EEG)-Verdrag, kennis gegeven, zodra zij is meegedeeld aan degene aan wie zij is gericht en deze in staat is gesteld daarvan kennis te nemen” (arrest van 21 februari 1973, zaak 6/72, Europemballage en Continental Can, Jurispr. 1973, blz. 215, r.o. 10).
In het arrest van 30 mei 1984 (zaak 224/83, Ferriera Vittoria, Jurispr. 1984, blz. 2349) heeft het Hof onder verwijzing naar de artikelen 33, derde alinea, EGKS-Verdrag en 81, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering, die ook hier van toepassing zijn, verklaard:
„in casu heeft de kennisgeving plaatsgehad bij aangetekende brief met bewijs van ontvangst ...; hierdoor kan de dies a quo van de onderhavige termijn met zekerheid worden vastgesteld ” (r.o. 9).
Het Hof schrijft dus voor de kennisgeving geen vorm voor, maar wel verklaart het dat de kennisgeving bij aangetekende brief met bewijs van ontvangst terzake gepast was. Het Hof heeft evenmin bepaald, welke de plaats van kennisgeving is, daar het er voornamelijk op aankomt, dat degene tot wie de betrokken beschikking is gericht, er daadwerkelijk kennis van heeft genomen.
In de onderhavige zaak wordt niet gesteld, dat de aangetekende brief is afgegeven aan iemand die niet bevoegd was om hem in ontvangst te nemen. Mitsdien kan moeilijk worden verdedigd, dat een kennisgeving aan de zetel van een vennootschap (dit wil zeggen aan haar plaats van vestiging) haar niet in staat zou stellen van de betrokken handeling kennis te nemen.
De voorkeur die Cockerill-Sambre heeft uitgesproken ter zake van de plaats alwaar van de beschikkingen zou moeten worden kennisgegeven, kan in het licht van de toepasselijke bepalingen en de jurisprudentie van het Hof voor de Commissie geen verplichting in het leven roepen, noch van invloed zijn op de termijnen. Ter wille van de rechtszekerheid mag de uitlegging en toepassing van de procesregels niet afhankelijk worden gemaakt van de wisselvalligheden van de interne structuur van de betrokken ondernemingen.
Op grond van een strikte toepassing van de gemeenschapsregeling moet in casu worden vastgesteld, dat de kennisgeving van de bestreden beschikking op 9 januari 1985 naar behoren heeft plaatsgevonden, en dat de termijn waarbinnen daartegen kon worden opgekomen, op 12 februari 1985 is verstreken.
6.
Ik ben dan ook van mening, dat het op 14 februari 1985 ingestelde beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
( *1 ) Vertaald uil het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy