Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Volgens artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut kan de ambtenaar "die in dienst van de Gemeenschappen treedt na de dienst bij een overheidsorgaan, een nationale of internationale organisatie of een onderneming te hebben beëindigd, ... bij zijn aanstelling in vaste dienst het volgende bedrag aan de Gemeenschappen doen betalen :
- hetzij de actuariële tegenwaarde van de rechten op ouderdomspensioen, die hij bij het overheidsorgaan, de organisatie of de onderneming heeft verworven,
- hetzij de afkoopsom die hem bij zijn vertrek verschuldigd is door het pensioenfonds van het overheidsorgaan, de organisatie of de onderneming ."
In dat geval - aldus lid 2, tweede alinea - "bepaalt de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van de rang waarin deze in vaste dienst is aangesteld, het aantal pensioenjaren dat zij volgens haar eigen regeling aanrekent uit hoofde van de vroegere diensttijd op basis van het bedrag van de actuariële tegenwaarde of van de afkoopsom ".
2 . In 1980 verzocht verzoeker in het hoofdgeding, F . Watgen ( hierna : verzoeker ), die Luxemburgs staatsburger is en ambtenaar van het Europees Parlement, de Luxemburgse Caisse de pension des employés privés ( verweerster in het hoofdgeding, hierna : verweerster ), de actuariële tegenwaarde van de pensioenrechten die hij tot die datum had verworven, over te schrijven naar de Gemeenschappen . Vier jaar lang bleef elk antwoord uit, aangezien verweerster had besloten te wachten op de uitslag van een gelijksoortig geschil met een andere Luxemburgse ambtenaar van het Europees Parlement ( zie in dit verband de prejudiciële beslissing van het Hof van 18 maart 1982 in zaak 212/81, CPEP/Bodson, Jurispr . 1982, blz . 1019, gevolgd door het arrest van de Luxemburgse Cour de cassation van 28 oktober 1982 ). Toen uiteindelijk een beslissing werd genomen, kon zij verzoeker geen voldoening geven .
Verweerster voerde de overschrijving namelijk wel uit, maar baseerde zich daarbij op de afkoopsom . Naar haar zeggen was zij daartoe gehouden op grond van artikel 18 van de wet van 16 december 1963 . Ik herinner eraan dat dit artikel, zoals gewijzigd bij de wet van 14 maart 1979, bepaalt dat "wanneer iemand van een Luxemburgs pensioenstelsel dat op premie - of bijdragebetaling berust, overgaat naar een pensioenregeling van een internationale instelling, die de mogelijkheid voorziet tot afkoop van de pensioenrechten die werden verworven gedurende de perioden van tewerkstelling vóór diens aanstelling in vaste dienst, ... de bijdragen die aan het Luxemburgse pensioenstelsel werden betaald op aanvraag van de betrokkene ( worden ) overgeschreven naar het pensioenstelsel van de internationale instelling, rekening houdende met samengestelde interesten van 4% 's jaars, berekend vanaf 31 december van elk jaar van aansluiting ".
Tegen dit besluit van verweerster stelde verzoeker onmiddellijk beroep in bij de conseil arbitral des assurances sociales, gevolgd door hoger beroep bij de conseil supérieur . Deze laatste heeft, "gezien het verschil van mening tussen partijen, dat voortvloeit uit een aanmerkelijk verschil tussen de beginselen neergelegd in het communautaire recht enerzijds en in het Luxemburgse recht anderzijds", krachtens artikel 177, derde alinea, EEG-Verdrag besloten om het Hof de volgende vragen voor te leggen :
a ) Zijn de regels voorzien in artikel 18, lid 3, van de wet van 16 december 1963, verenigbaar met de in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut aan Europese ambtenaren geboden keuzemogelijkheid?
b ) Bestaat deze keuzemogelijkheid ook wanneer de door de betrokkene gekozen formule hetzij onbekend is in de nationale wettelijke regeling waaraan het betrokken sociale-zekerheidsorgaan is onderworpen, hetzij onverenigbaar is met het financieringsstelsel dat dit orgaan moet toepassen?
Partijen in het hoofdgeding, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, de Britse, de Luxemburgse en de Franse regering hebben schriftelijke opmerkingen ingediend . Alleen laatstgenoemde heeft ter terechtzitting niet het woord genomen .
3 . Ik wil er meteen op wijzen, dat het in casu volstrekt overbodig is om de argumenten van interveniënten uiteen te zetten en de gegrondheid ervan te onderzoeken . Het probleem dat in beide vragen centraal staat - namelijk of artikel 11 Ambtenarenstatuut een werkelijke keuzemogelijkheid biedt tussen de twee daarin voorziene overschrijvingsmethoden - is namelijk kort geleden door het Hof opgelost in zijn arrest van 17 december 1987 ( zaak 315/85, Commissie/Groothertogdom Luxemburg, Jurispr . 1987, blz . 539 ), waarin ik eveneens conclusie heb genomen . In het beroep dat in die zaak aan de orde was, verweet de Commissie het gastland van het Hof niet-nakoming van de ingevolge artikel 11 op hem rustende verplichtingen, voor zover zijn sociale wetgeving - meer in het bijzonder voornoemd artikel 18 van de wet van 16 december 1963 - aan burgers die hun betrekking in de particuliere sector opgeven om gemeenschapsambtenaar te worden, niet het recht verleent om te opteren voor overschrijving van de actuariële tegenwaarde .
Dienaangaande overwoog het Hof in de eerste plaats, dat noch in de tekst van de statutaire bepaling, noch in de doelstellingen ervan, "een voorrang wordt vastgelegd van één van beide berekeningsmethoden . Immers, ... beoogt artikel 11, lid 2, ... de overgang van een nationaal verzekeringsstelsel naar het gemeenschappelijk stelsel te waarborgen in een van de daar vermelde vormen ." Daaruit volgt, dat "de Lid-Staten ... niet gehouden zijn om de ambtenaren de mogelijkheid te bieden te kiezen tussen overschrijving van de actuariële tegenwaarde en van de afkoopsom" ( r.o . 20 en 22, cursivering van mij ).
Met betrekking tot de Luxemburgse regeling overwoog het Hof ( evenwel zonder dat de verwerende regering het bewijs daarvan had overgelegd ), dat zij "in geen enkel geval de mogelijkheid voorziet dat bij een bijdrageplichtig stelsel aangesloten personen de actuariële tegenwaarde ... naar een ander Luxemburgs stelsel kunnen overschrijven . In dit verband is het (( vanuit het oogpunt van de bepaling van het Ambtenarenstatuut )) niet relevant dat de afkoopsom, zoals in de nationale bepalingen voorzien, geen rekening houdt met de door de Staat betaalde bijdragen ." ( r.o . 25 ).
4 . Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de door de conseil supérieur des assurances sociales in het geding tussen F . Watgen en de Caisse de pension des employés privés bij beschikking van 1 maart 1985 gestelde vragen te beantwoorden als volgt :
"Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen heeft tot doel, de overgang van een nationaal naar het communautair verzekeringsstelsel te waarborgen volgens één der in die bepaling voorziene methoden, te weten overschrijving van de actuariële tegenwaarde of van de afkoopsom . De bepaling moet bijgevolg aldus worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staten niet de verplichting oplegt om hun onderdanen die in dienst van de Gemeenschappen treden, de keuze te bieden tussen deze twee methoden, en zulks ongeacht of het nationale recht deze al dan niet kent ."
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy