CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
van 11 december 1985
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
1.1. De achtergrond van de in geding zijnde verordening
Evenals de zaak 290/84 (Mainfrucht), waarin de advocaatgeneraal Lenz op 12 november jl. conclusie nam en de Vierde kamer op 10 december jl. zijn arrest wees, betreft de zaak 65/85 de uitlegging van het begrip „transactiewaarde” in artikel 3 van de verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van goederen (PB 1980, L 134, bLz. 1). Een bijzonderheid van deze verordening is gelegen in het feit, dat zij uitvoering geeft aan de door de Raad op 10 december 1979 goedgekeurde en in het kader van de Tokyo-ronde gesloten „Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel”. Deze gedetailleerde uitvoeringsregeling van artikel VII van de GATT, welk artikel de douanewaarde betreft, is gepubliceerd in Publikatieblad 1980, L 71, biz. 107. Zij zal, wegens haar de Gemeenschap bindende karakter, met het bijbehorende Protocol (PB 1980, L 71, biz. 127) onder omstandigheden voor de uitlegging van de onderhavige verordening eveneens van belang kunnen zijn. De verwijzingsrechter acht in de overwegingen van zijn verwijzingsbeschikking met name artikel 8 van genoemd Protocol mogelijk van belang voor de beantwoording van de gestelde vraag. Aan genoemd Protocol is uitvoering gegeven in de verordening (EEG) nr. 3193/80 van de Raad van 8 december 1980, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1224/80. Voor de teksten van de in casu relevante en hierna vermelde voorschriften verwijs ik naar de geciteerde publikatiebladen. De voor de onderhavige zaak belangrijkste voorschriften zijn overgenomen in het rapport ter terechtzitting.
1.2. De feiten en het procesverloop
Verzoekster, tevens verweerster in „Revision” voor het Bundesfinanzhof (hierna: verzoekster), verzocht in juli 1980 om een partij cacaobonen in het vrije verkeer te mogen brengen. In haar aangifte vermeldde zij, naast de netto-factuurprijs, een bedrag ad 157 DM ter zake van door haar gemaakte weegkosten. Uit het door verzoekster overgelegde koopcontract blijkt, dat de koop moest plaatsvinden cif-Hamburg „net delivered weights”, dat de hoogte van de koopprijs derhalve moest worden vastgesteld op basis van het uitgeleverde gewicht en dat de weegkosten voor rekening van de koper kwamen. Verweerder, tevens verzoeker in „Revision”, het Hauptzollamt Hamburg-Ericus (hierna: verweerder), rekende de weegkosten bij de douanewaarde. Verzoekster stelde daartegen beroep in bij het Finanzgericht Hamburg, dat oordeelde dat de weegkosten ten onrechte in de douanewaarde waren begrepen. Daarop stelde verweerder „Revision” in bij het Bundesfinanzhof. Hij heeft onder meer betoogd, dat de weegkosten een ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen gedane betaling vormen in de zin van artikel 3, lid 3, sub a, van verordening nr. 1224/80. Op de verkoper zou een verplichting tot levering en eigendomsoverdracht rusten waarvan, wanneer het een naar gewicht verkocht goed betreft, de uitvoering mede zou afhangen van de gewichtsbepaling. De weegkosten zouden deel uitmaken van de voor rekening van de verkoper komende leveringskosten. Dit zou worden bevestigd door de uitlegging van de in internationale handelscontracten gebruikelijke bedingen. Het wegen zou geen door de koper voor zijn eigen rekening verrichte activiteit in de zin van artikel 3, lid 3, sub b, van vorengenoemde verordening zijn.
Het Bundesfinanzhof heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 3, leden 1 en 3, van verordening nr. 1224/80 in de vóór 1 januari 1981 geldende versie aldus worden uitgelegd, dat bij een koopcontract met n.u.g.-beding de weegkosten bij aankomst deel uitmaken van de transactiewaarde, ook indien deze volgens het koopcontract ten laste van de koper komen?”
In zijn verwijzingsbeschikking overweegt het Bundesfinanzhof, dat bij de uitlegging van artikel 3, lid 3, sub a, waarschijnlijk moet worden uitgegaan van de nieuwe versie van deze bepaling, zoals aangevuld bij verordening nr. 3193/80 van 8 december 1980. Volgens de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 3193/80 dienden met deze aanvulling de bepalingen van verordening nr. 1224/80 in overeenstemming te worden gebracht met een aantal bepalingen van het Protocol waarvan de akte van aanvaarding van de EEG op 25 juli 1980 was neergelegd. Voormelde toevoeging zou woordelijk overeenkomen met artikel 8 van afdeling I van het Protocol dat op 1 november 1979 is gesloten tussen de partijen bij de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) (PB 1980, L 71, biz. 127).
De door verzoekster betaalde weegkosten zouden deel uitmaken van de transactiewaarde, wanneer zodanige betaling ten behoeve van de verkoper wordt gedaan en verzoekster ze heeft gedaan „ter nakoming van een verplichting van de verkoper”.
Volgens de preambule van de Overeenkomst inzake de douanewaarde dient de douanewaarde te worden vastgesteld volgens eenvoudige en objectieve criteria. Aan dit vereiste zou slechts volledig worden voldaan, wanneer uitsluitend de in het koopcontract vervatte bedingen in aanmerking worden genomen. Hiertegen zou evenwel kunnen worden ingebracht, dat type-elementen die niet overeenstemmen met de elementen van het concrete contract, niet vreemd zijn aan de regeling inzake de douanewaarde. Het zou derhalve niet uitgesloten zijn, dat ook het begrip „verplichting van de verkoper” een dergelijk type-element inhoudt. Daarvoor zou pleiten, dat anders de hoogte van de transactiewaarde, en dus van de douanewaarde, verregaand zou worden overgelaten aan het goeddunken van de partijen bij het contract dat aan de invoer ten grondslag ligt.
Mocht het Hof tot de conclusie komen, dat als verplichtingen van de verkoper zijn te beschouwen alle verplichtingen die gewoonlijk op de verkoper rusten, dan zou de vraag rijzen of, gelet op de aard van het betrokken koopcontract, de weegkosten gewoonlijk voor rekening van de verkoper komen. Deze opvatting zou steun kunnen vinden in artikel 90 van het Verdrag van Den Haag van 1 juli 1964 houdende een eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken (United Nations Treaty Series 834, biz. 107). Daar het hier om een contract met n.u.g.-beding gaat, zouden de weegkosten kunnen worden geacht vóór de vervulling van de leveringsverplichting te zijn ontstaan.
2. Standpunt Commissie
Tijdens de procedure voor Uw Hof heeft uitsluitend de Commissie schriftelijk en mondeling haar standpunt over de gestelde vraag naar voren gebracht. Ook de Commissie wijst daarbij in haar schriftelijke opmerkingen op de vermelde GATT-oorsprong van de onderwerpelijke verordening, maar baseert haar standpunt vervolgens uitsluitend op de genoemde verordening. Haar schriftelijk uiteengezette en ter zitting nog nader verduidelijkte standpunt vat ik, grotendeels conform het rapport ter terechtzitting, als volgt samen.
Artikel 3, lid 1, van de verordening omschrijft de „transactiewaarde” als „de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap”, zo nodig aangepast overeenkomstig artikel 8.
Artikel 8, lid 3, bevat een uitputtende opsomming van de aan de werkelijk betaalde prijs toe te voegen elementen. Aangezien de weegkosten niet bij de aldaar opgesomde elementen zijn vermeld en evenmin onder een van de genoemde elementen kunnen worden gebracht, is het rechtsprobleem waarvan de oplossing bepalend is voor de beslechting van het onderhavige geschil, de vraag of de weegkosten moeten worden beschouwd als een bestanddeel van de door de koper aan de verkoper werkelijk betaalde prijs.
Artikel 3, lid 3, bepaalt wat de werkelijk betaalde of te betalen prijs is, en geeft sub a een opsomming van positieve en sub b van negatieve criteria om deze prijs vast te stellen. De wijziging van het bepaalde sub a bij verordening nr. 3193/81 van 1 januari 1981 is irrelevant voor de onderhavige zaak, daar de prejudiciële vraag betrekking heeft op feiten van vóór die datum. Die wijziging heeft trouwens in hoofdzaak een declaratoir karakter.
Volgens het bepaalde sub a behoeft de betaling niet noodzakelijk in geld plaats te vinden, maar kan zij ook „niet rechtstreeks” geschieden. Uit het bepaalde sub b volgt, dat de weegkosten niet als een niet-rechtstreekse betaling worden beschouwd. Uit deze laatste bepaling kan namelijk worden afgeleid, dat deze kosten niet in de douanewaarde moeten worden begrepen wanneer, zoals in casu, uit het koopcontract blijkt, dat de koper de weging op eigen kosten en voor eigen rekening verricht en deze derhalve niet als onrechtstreekse betaling aan de verkoper kan worden beschouwd. De Commissie wijst er bovendien op, dat de weging als economische prestatie binnen de Gemeenschap heeft plaatsgevonden en op die grond geen deel van de douanewaarde behoort uit te maken.
Daar de onderhavige regeling — behoudens enkele hier niet van belang zijnde uitzonderingen — uitdrukkelijk uitgaat van de concrete transacties, is het naar de mening van de Commissie in beginsel niet van belang, of een concreet contract al dan niet met gebruikelijke relaties tussen partijen in een internationaal koopcontract overeenstemt.
Ten slotte wijst de Commissie erop, dat het Comité douanewaarde in 1981 heeft uitgemaakt, dat de kosten van lossing en opslag niet in de douanewaarde zijn begrepen, wanneer ze geen element van de werkelijk betaalde prijs zijn. Dit vertoont op verschillende punten gelijkenis met de onderhavige zaak.
Bijgevolg geeft de Commissie het Hof in overweging de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 3 van verordening nr. 1224/80 van de Raad in zijn vóór 1 januari 1981 geldende versie moet aldus worden uitgelegd, dat bij koopcontracten met n.u.g.-beding, de weegkosten bij aankomst geen niet-rechtstreekse betaling vormen die deel uitmaakt van de transactiewaarde, wanneer zij ten laste van de koper komen.”
Ter zitting heeft de Commissie nogmaals benadrukt, dat onder de nieuwe regeling in beginsel van het concrete in geding zijnde contract moet worden uitgegaan, hetgeen met name bij verschil in aankoopprijs voor identieke waren tot uiteenlopende douanewaarden kan leiden. Ter voorkoming van willekeurige prijsmanipulaties schrijven met name de artikelen 3, lid 3, en 8, van verordening nr. 1224/80 echter onder omstandigheden bepaalde correcties voor. Ter zitting verduidelijkte de Commissie nader, waarom deze correctieverplichtingen op grond van de hier in geding zijnde tekst van de verordening in casu naar haar mening niet van toepassing zijn. De weegkosten maken duidelijk geen deel uit van de werkelijk betaalde koopprijs. De correctievoorschriften van artikel 8 zijn hier evenmin toepasselijk. Minder duidelijk achtte de Commissie, dat geen sprake was van een onrechtstreekse betaling als in artikel 3, lid 3, sub a, bedoeld. Met name bij de door haar voor het concrete geval als opgemerkt schriftelijk ontkende toepasselijkheid van verordening nr. 3193/80 zou hier twijfel mogelijk zijn, omdat ook een door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper verrichte betaling hier in de werkelijk betaalde prijs begrepen wordt geacht. De Commissie meende echter ter zitting, dat in een dergelijk twijfelgeval artikel 3, lid 3, sub b, de doorslag moet geven en dat de weegkosten dan moeten worden geacht te vallen onder het begrip „activiteiten die verband houden met het verhandelen van de goederen, welke door de koper voor zijn eigen rekening worden verricht” en derhalve, behoudens artikel 8 ingevolge laatstgenoemd voorschrift „niet” (dienen) „te worden beschouwd als een niet rechtstreekse betaling aan de verkoper, zelfs niet indien men deze activiteiten kan aanmerken als ten voordele te strekken van de verkoper of ingevolge een overeenkomst met de verkoper te zijn verricht”. Bij een „aankomstcontract” van het type als hier aan de orde betaalt de koper anders dan bij de vaker voorkomende koopcontracten, waarbij met de verzending het risico op de koper overgaat, uitsluitend de ontvangen waar, dat wil zeggen de waar, die hij zelf bij aankomst door weging heeft vastgesteld. Bovendien herhaalde de Commissie ter zitting, dat het niet de bedoeling kan zijn douanerechten te heffen over economische handelingen (in casu de weging) die binnen de Gemeenschap hebben plaats gevonden.
3. Conclusie
Op de interessante vraag, of voor de betrokken transactie weliswaar niet de eerst op 8 december 1980 vastgestelde verordening nr. 3193/80, maar misschien wel het daaraan ten grondslag liggende en (blijkens haar preambule) op 25 juli 1980 door de Gemeenschap aanvaarde Protocol van belang was, behoef ik hier niet in te gaan. In haar betoog ter zitting heeft de Commissie immers als hierboven kort samengevat betoogd, dat ook toepassing van verordening nr. 3193/80 (die aan genoemd Protocol uitvoering geeft) haar niet tot een andere conclusie zou leiden, dan in haar schriftelijke opmerkingen verdedigd. Met die conclusie kan ik mij verenigen, al vraag ik mij af, of die conclusie in het concrete geval niet reeds volgt uit de omstandigheid, dat het wegen hier geenszins tot de verplichtingen van de verkoper behoorde, zodat reeds op die grond onmogelijk van een onrechtstreekse betaling aan de verkoper kan worden gesproken.
De argumentatie van de Commissie op de andere punten acht ik eveneens overtuigend, waarbij ik alleen een nog groter gewicht zou willen toekennen aan het argument, dat het niet de zin van de vaststelling van de douanewaarde kan zijn betalingen voor economische handelingen binnen de Gemeenschap in de douanewaarde te begrijpen. In een andere vorm (namelijk met betrekking tot transportkosten binnen de Gemeenschap) is dit punt ook aan de orde in de zaak 290/84, die ik in de aanvang van mijn conclusie vermeldde.
Concluderend stel ik U op de aangegeven gronden voor, de vraag van het Bundesfinanzhof conform het voorstel van de Commissie als volgt te beantwoorden:
„Artikel 3 van verordening nr. 1224/80 van de Raad in zijn vóór 1 januari 1981 geldende versie moet aldus worden uitgelegd, dat bij koopcontracten met n.u.g.-beding, de weegkosten bij aankomst geen niet-rechtstreekse betaling vormen die deel uitmaakt van de transactiewaarde, wanneer zij ten laste van de koper komen.”
Full & Egal Universal Law Academy