CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 23 april 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A —
Op 24 mei 1982 meldde verzoekster in de onderhavige zaak via de tot haar concern behorende onderneming Galvanor overeenkomstig beschikking nr. 3302/81 bij de Commissie een investeringsprogramma aan voor een produktie-installatie voor verzinkte platen. Dit zijn produkten van de categorie Ie en ld in de zin van artikel 1 van beschikking nr. 234/84 tot verlenging van het stelsel voor toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie. De inbedrijfstelling van die installatie met een capaciteit van 155000 ton per jaar was gepland voor het tweede kwartaal van 1984. In de aangifte stond met zoveel woorden, dat de nieuwe installatie van de produktie de plaats zou innemen (remplacer) van twee gesloten of te sluiten installaties (te weten die van Blagny met een capaciteit van 60000 ton produkten van de categorie Ic en de koudwalsstraat van Montataire met een capaciteit van 400000 ton produkten van categorie Ib.
Op 10 februari 1983 gaf de Commissie ter zake een advies als bedoeld in artikel 54 EGKS-Verdrag. Daarin verklaart zij, dat zij bij de beoordeling rekening had gehouden („prise en compte”) met de sluiting van beide voornoemde installaties, en dat het investeringsprogramma derhalve kon worden geacht „conforme aux objectifs généraux de la Communauté” te zijn.
Na de inbedrijfsneming van de installatie, die zoals gepland in het tweede kwartaal van 1984 plaatsvond, poogde verzoekster daarvoor in het kader van de geldende staalquotaregeling aanvullende produktie-quota te krijgen. Op 27 april 1984 verzocht zij daartoe de Commissie om haar met ingang van het tweede kwartaal van 1984 aanvullende referentieproduktiecijfers — voor de produkten van de categorieën Ie en Id — toe te kennen ten belope van 155000 ton per jaar (waarvan 65% voor produkten van categorie Ie en 35% voor produkten van categorie Id). In dit verzoek werd verwezen naar de „règlementation en vigeur à l'époque” (gelet op het globale verband wil dat zeggen, de regeling die gold in het voorjaar van 1983), zodat moest worden aangenomen, dat om een aanpassing werd verzocht op grond van artikel 15 van beschikking nr. 1696/82 dat reeds uit andere zaken bekend is (zoals bekend, komt deze bepaling sedert beschikking nr. 2177/83 van 28 juli 1983 niet meer in de quotaregeling voor).
Omdat verzoekster in antwoord daarop bij brief van een directeur van de Commissie van 20 juni 1984 enkel werd meegedeeld, dat de diensten van het directoraat „Staal”„examinent actuellement votre demande en vue de soumettre une décision à la Commission”, richtte zij zich op 5 juli 1984 opnieuw tot de Commissie. Daarin herhaalde zij dat de nieuwe verzinkingsinstallatie als voorzien in gebruik was genomen; daarbij wees zij erop dat zij ten gevolge van het uitblijven van een tijdige aanpassing van de quota reeds in het tweede kwartaal van 1984 haar quota had overschreden en dat het niet mogelijk was gebleken quota te ruilen of over te nemen; ter voorkoming van een geldboete verzocht zij derhalve „de bien vouloir autoriser exceptionnellement l'imputation de ces réalisations sur les quotas à valoir au titre de la troisième ligne de galvanisation” (dus op de aanvullende quota waarop zij rekende).
Zoals bekend, hadden verzoeksters inspanningen geen resultaat. Uit een op beschikking nr. 234/84 gebaseerde mededeling van 31 december 1984, die betrekking had op het eerste kwartaal van 1985, kon verzoekster afleiden dat zij voor 1985 dezelfde jaarlijkse referentieproduktiecijfers en -hoeveelheden ontving als voor 1984. Dit bleek na een vergelijking met de op de eerste twee kwartalen van 1984 betrekking hebbende mededeling van 23 mei 1984. Hetzelfde geldt voor een mededeling van 20 februari 1985, waarin enkel voor het eerste kwartaal van 1985 een iets hoger produktiequotum werd vastgesteld, omdat in beschikking nr. 313/85 van 6 februari 1985 het verminderingspercentage voor de categorie Ie was gewijzigd; voor het overige kwamen de pro-duktie- en leveringsquota overeen met die welke in de mededeling van 31 december 1984 waren genoemd.
Dit was voor verzoekster de eerste aanleiding om in een beroep dat op 1 april 1985 bij het Hof is ingekomen, het probleem van de verhoging van de produktiequota wegens inbedrijfstelling van de nieuwe verzinkingsinstallatie aan het Hof voor te leggen (zaak 81/85). Verzoekster concludeerde daarin (in de versie, zoals gewijzigd bij repliek), dat het den Hove behage:
a)
nietig te verklaren de beschikking van 20 februari 1985, voor zover daarin wordt geweigerd aanvullende referentieproduktiecijfers toe te kennen voor de produkten van de categorieën Ie en Id;
b)
te verklaren, dat de omstandigheid dat in de beschikkingen nrs. 2177/83 en 234/84 niet de mogelijkheid wordt genoemd om de referentieproduktiecijfers aan te passen, aldus moet worden verstaan, dat dit enkel van belang is voor nieuwe investeringen, maar niet voor investeringen ter zake waarvan reeds een begin van uitvoering was gemaakt onder de vorige regeling, en wel na een gunstig advies van de Commissie;
c)
subsidiair (voor het geval het vorige verzoek zou worden afgewezen), onwettig te verklaren beschikking nr. 234/84, voor zover daarin de onder de regeling van beschikking nr. 1696/82 bestaande mogelijkheden om aanvullende referentieproduktiecijfers toe te kennen zijn ingetrokken, of niet in overgangsmaatregelen is voorzien;
d)
het verzoek tot vergoeding van de geleden schade ontvankelijk te verklaren en de beslissing aan te houden tot een latere fase van de procedure.
Nog voor de instelling van het beroep in zaak 81/85 stuurde de auteur van hogergenoemde brief van 20 juni 1984 op 18 maart 1985 verzoekster een nieuwe brief (waarin hij naar zijn eerstgenoemde schrijven verwees). Daarin werd om te beginnen gesteld, dat een eind 1984 door de Commissie gedaan voorstel tot wijziging van beschikking nr. 234/84, dat een oplossing van verzoeksters problemen had mogelijk gemaakt (het voorzag namelijk in de samenvoeging van de categorie Ie en Id en in een verhoging van de referentieproduktiecijfers) op de unanieme weerstand van Euroferleden (waaronder verzoekster) was afgesprongen. Voorts werd daarin de aandacht gevestigd op beschikking nr. 470/85 van 25 februari 1985 tot wijziging van beschikkingen nr. 234/84 (deze maakte aanvullende quota voor de categorie Id mogelijk) en werd verzoekster gesuggereerd een verzoek in die zin in te dienen (wat verzoekster vervolgens ogenschijnlijk heeft gedaan, en wel — zoals ter terechtzitting werd vernomen — met gunstig resultaat). Bovendien ontving verzoekster op 29 maart 1985 een brief van M. Narjes, een vice-voorzitter van de Commissie. Deze brief herhaalde in hoofdzaak wat reeds was gezegd over de ontwerpbeschikking van de Commissie van eind 1984 en over beschikking nr. 470/85. Ter zake van de inbedrijfstelling van verzoeksters nieuwe verzinkingsinstallatie en de door haar onvoldoende geachte produktiequota van categorie Ie werd daarin voorts opgemerkt, dat de beschikkingen nrs. 2177/83 en 234/84 niet meer voorzagen in toekenning van aanvullende referentieproduktiecijfers voor installaties die nog tijdens de geldigheidsduur ervan in bedrijf waren gesteld.
Verzoekster, die hierin een uitdrukkelijke afwijzing van haar verzoek van 27 april 1984 zag, stelde daarop een tweede beroep in (zaak 119/85). Daarin concludeert zij — wederom ontleen ik de formulering aan de repliek — dat het den Hove behage:
a)
nietig te verklaren de beschikking van 29 maart 1985 en, voor zover nodig, de brief van 18 maart 1985, voor zover de Commissie bij deze beschikkingen weigert verzoekster aanvullende referentieproduktiecijfers toe te kennen voor de produkten van de categorieën Ie en ld;
b)
hetzelfde te verklaren als in zaak 81/85 sub b is gevraagd (zie hoger);
c)
voor zover nodig, onwettig te verklaren de beschikkingen nrs. 2 177/83 en 234/84, omdat die, zonder in overgangsmaatregelen te voorzien, niet uitdrukkelijk de mogelijkheid van toekenning van aanvullende referentieproduktiecijfers voor produkten van de categorieën Ie en ld voorzagen, die wel in de voorgaande beschikkingen bestond;
d)
het verzoek tot vergoeding van de geleden schade ontvankelijk te verklaren, op de wijze geformuleerd sub d in zaak 81/85.
De Commissie acht deze beroepen — zoals bekend — primair niet-ontvankelijk. Subsidiair concludeert zij tot ongegrondverklaring.
B — Mijn juridische beoordeling is de volgende.
I — De ontvankelijkheid van de beroepen
1. Het beroep in zaak 81/85
a)
Dit beroep strekt primair tot nietigverklaring van de beschikking van 20 februari 1985, voorzover daarin wordt geweigerd verzoekster aanvullende refererentieproduktiecijfers toe te kennen voor de produkten van de categorieën Ie en Id.
Ter ondersteuning van dit beroep wordt — onder andere — aangevoerd, dat in beschikking nr. 234/84 (zoals trouwens ook in de daaraan voorafgaande beschikking) ten onrechte niet, zoals in artikel 15 van beschikking nr. 1696/82, de mogelijkheid was voorzien om de referentieproduktiecijfers aan te passen voor ondernemingen die van de Commissie geen negatief advies hadden gekregen voor een nieuwe produktie-installatie, en die nog tijdens de geldigheidsduur van beschikking nr. 1696/82 een aanvang hadden gemaakt met de uitvoering van het desbetreffende investeringsprogramma.
Volgens verweerster had verzoekster onmiddellijk nadat zij kennis had gekregen van beschikking nr. 2177/83, hiertegen moeten opkomen, en kon zij, nu zij had verzuimd tijdig te reageren, niet in 1985 bij de toetsing van een heel normale quotabeschikking daarop terugkomen. Voorts is volgens verweerster in elk geval doorslaggevend, dat verzoekster niet tijdig een beroep op grond van artikel 35 EGKS-Verdrag had ingesteld, nadat op haar verzoek van 27 april 1984 bij het verstrijken van de voorgeschreven termijn nog geen positieve beschikking was gegeven.
Verzoekster is het niet eens met deze beoordeling; zij merkt om te beginnen op, dat ondernemingen volgens artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag met betrekking tot algemene beschikkingen slechts een beperkt recht van beroep hebben. Overigens betwijfelt zij of haar verzoek van 27 april 1984, nu daarin geen „mise en demeure” voorkomt, de termijnen van artikel 35 EGKS-Verdrag heeft doen ingaan. Voorts verklaart zij dat de Commissie haar op 20 juni 1984 had beloofd, haar verzoek te onderzoeken. Daar uit ervaring is gebleken dat dergelijke onderzoeken veel tijd vergen (dit wordt onder andere geïllustreerd door de beschikking van 27 januari 1986 naar aanleiding van een verzoek op basis van artikel 10, lid 3, van beschikking nr. 234/84), was het volgens haar niet aannemelijk, dat haar verzoek na het verstrijken van de termijn van twee maanden stilzwijgend was afgewezen. Zulk een — stilzwijgende — afwijzing zou evenwel eerst kunnen worden gezien in de beschikking van 20 februari 1985 (aangezien daarin de referentieproduktiecijfers van verzoekster van 1984 ongewijzigd werden overgenomen). Verzoekster zou daartegen tijdig beroep hebben ingesteld, zoals trouwens ook door een ander beroep in zaak 119/85, nadat op 29 mei 1985 haar verzoek uitdrukkelijk was afgewezen.
aa)
Bij de beoordeling van dit punt van geschil overtuigde mij aanvankelijk het standpunt van de Commissie, dat in hoofdzaak is gebaseerd op het ontbreken van een tijdig beroep tegen de algemene beschikkingen nrs. 2177/83 en 234/84, vooral omdat op grond van hetgeen verzoekster heeft betoogd, kan worden aangenomen dat de in artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag vervatte beperking van het recht van beroep in een zaak als de onderhavige geen effect zou hebben (verzoekster betoogde immers dat was nagelaten juist voor situaties als de hare bijzondere overgangsmaatregelen te treffen, wat zonder moeite als een geval van „misbruik van bevoegdheid te (haren) opzichte” kan worden aangemerkt).
Evenwel mag niet uit het oog worden verloren, dat verzoeksters hoofdstelling — na de repliek — luidt dat de betrokken algemene beschikkingen bij juiste uitlegging voor gevallen als het hare (ook zonder dat dit met zoveel woorden wordt gezegd) een aanpassing van de referentieproduktiecijfers naar het voorbeeld van artikel 15 van beschikking nr. 1696/82 toestaan; het gaat dus in het geheel niet om kritiek op deze algemene beschikkingen of de vaststelling van de onwettigheid ervan. Waar dit laatste evenwel subsidiair werd aangevoerd, voor het geval de algemene beschikkingen anders mochten worden uitgelegd, dient anderzijds te worden betwijfeld, of zulk een exceptie van onwettigheid tegen algemene beschikkingen — want daarom gaat het hier — kan worden uitgesloten op grond dat deze algemene beschikkingen niet tijdig werden bestreden. Volgens vaste rechtspraak is het inderdaad mogelijk tegen een individuele beschikking op te komen met een beroep op de onwettigheid van de algemene beschikking waarop deze individuele beschikking berust, ook al is de beroepstermijn wat deze laatste beschikking betreft verstreken (zie de arresten van 13 juni 1958, zaak 9/56, Meroni SpA, Jurispr. 1958, blz. 9; 13 juni 1958, zaak 10/56, Meroni SAS, Jurispr. 1958, blz. 53 en 12 juni 1958, zaak 15/57, Compagnie des hauts fourneaux de Chasse, Jurispr. 1958, blz. 163).
Anders dan de Commissie meent, kan moeilijk worden betwist dat er een „onmiddellijk verband rechtens” (in de zin van het arrest van 31 maart 1965, zaak 21/64, Macchiorlati Dalmas e Figli, Jurispr. 1965, blz. 241) bestaat tussen de beschikking tot afwijzing van het verzoek van verzoekster en — de vermeend gebrekkige — algemene beschikking nr. 234/84, aangezien volgens de door verzoekster subsidiair verdedigde stelling, haar verzoek is afgewezen omdat beschikking nr. 234/84 geen aanpassingsclausule bevatte als in artikel 15 van beschikking nr. 1696/82.
bb)
Volgens mij heeft de Commissie ongetwijfeld gelijk, wanneer zij stelt, dat gerekend vanaf de indiening van het verzoek in april 1984 het beroep niet tijdig is ingesteld.
—
In dit verband lijkt mij om te beginnen weinig in te brengen tegen de opvatting, dat verzoekster zich met haar brief van 27 april 1984, waarvan de inhoud hierboven werd behandeld, niet geldig tot de instelling heeft gewend in de zin van artikel 35 EGKS-Verdrag. Verzoekster vraagt daarin duidelijk om een begunstigende beschikking. Het feit dat zij daarbij niet uitdrukkelijk naar een rechtsgrondslag verwijst, behoeft voor haar niet nadelig te zijn, aangezien de verwijzing naar de bepalingen betreffende de verhoging van de referentieproduktiecijfers, die van toepassing waren toen een aanvang werd gemaakt met de uitvoering van het investeringsprogramma, kan worden geacht een voldoende duidelijke verwijzing naar artikel 15 van beschikking nr. 1696/82 te zijn. Dit moet het volgens mij de Commissie voldoende duidelijk hebben gemaakt (in de zin van het arrest van 4 februari 1959, zaak 17/57, De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg, Jurispr. 1959, blz. 9), dat tegen haar eventuele stilzitten in rechte zou worden opgekomen. Het Verdrag vereist hier kennelijk geen nadere „mise en demeure”. Indien die toch noodzakelijk zou zijn, zou het eveneens hierboven reeds vermelde rappel van verzoekster van 5 juli 1984 als zodanig kunnen worden aangemerkt; van toen af gerekend zou het beroep evenwel evenmin tijdig zijn ingesteld.
—
Ook is het duidelijk, dat de door verzoekster verlangde beschikking niet binnen twee maanden na de indiening van het verzoek is gegeven. Volgens het in het Verdrag voorziene stelsel van rechtsbescherming komt dit neer op een stilzwijgende weigering per die datum, waartegen binnen een maand beroep moet worden ingesteld (wat in casu in de zomer van 1984 en niet in de herfst van 1985 zou zijn geweest). Uit de arresten van 22 maart 1961 (gevoegde zaken 42 en 49/59, Snupat, Jurispr. 1961, blz. 101) en 12 juli 1984 (zaak 81/83, Acciaierie e ferriere Busseni SpA, Jurispr. 1984, blz. 2951, 2961) volgt duidelijk, dat artikel 35 EGKS-Verdrag inderdaad in die zin moet worden uitgelegd.
—
Wanneer verzoekster daartegenover verwijst naar de brief van een directeur van de Commissie van 20 juni 1984, waarin een onderzoek wordt beloofd dat noodzakelijkerwijs lang zou duren, dan ben ik met de Commissie van mening, dat de beroepstermijn voor de onderhavige vordering van verzoekster als zodanig op deze wijze niet kon worden verlengd.
Aldus moet kennelijk het arrest van 17 juli 1959 (zaak 42/58, Société des aciers fins de l'Est, Jurispr. 1959, blz. 389, 431) worden gelezen; ter zake van een brief van de onderdirecteur van de afdeling Markt van de Hoge Autoriteit, waarin werd meegedeeld dat de vraag in studie was genomen, verklaarde het Hof, dat deze brief geen beschikking was in de zin van het Verdrag en dat er derhalve sprake was van een stilzwijgende weigering in de zin van artikel 35 (vgl. het arrest in de gevoegde zaken 45 en 49/59, Jurispr. 1961, blz. 98). Bijzonder duidelijk is, wat dit aangaat, ook de relevante rechtspraak inzake het ambtenarenrecht, waarin het niet nemen van een besluit op een verzoek of het niet antwoorden op een klacht na het verstrijken van bepaalde termijnen rechtsgevolgen teweegbrengt, waarop dan tijdig moet worden gereageerd. Te dezen heeft het Hof ondubbelzinnig gesteld, dat het verstrijken van de termijn neerkomt op een stilzwijgende afwijzende beschikking, waartegen moet worden opgekomen. Een „tussenbesluit” waarin om geduld wordt gevraagd of waarin een onderzoek wordt beloofd, kan evenwel niet worden beschouwd als een handeling die de beroepstermijn verlengt, die partijen — in het belang van de rechtszekerheid — niet naar goeddunken kunnen aanpassen (zie de arresten van 14 december 1965, zaak 12/65, Bauer, Jurispr. 1965, blz. 1291; 14 december 1965, zaak 52/64, Pfloeschner, Jurispr. 1965, blz. 1263; 7 juli 1971, zaak 79/70, Müllers, Jurispr. 1971, blz. 698 en 17 februari 1972, zaak 40/71, Richez-Parise, Jurispr. 1972, blz. 73).
In dit verband lijkt mij vooral van belang, dat het toegezegde onderzoek — en voor verzoekster moet dit duidelijk zijn geweest — geen betrekking had op het verzoek in haar brief waarmee zij zich tot de Commissie wendde (de toekenning van aanvullende referentieproduktiecijfers wegens de inbedrijfstelling van een nieuwe installatie conform de bepalingen die van toepassing waren toen deze werken werden aangevangen). Gelet op de ondubbelzinnige en verzoekster bekende situatie rechtens (artikel 15 van beschikking nr. 1696/82 werd bewust niet in de daarop volgende regeling overgenomen) was geen lang onderzoek vereist. Zoals ter terechtzitting is verklaard, was het veeleer de bedoeling om te onderzoeken of verzoekster kon worden geholpen met bestaande soepele voorschriften (zoals artikel 15, lid 2, van beschikking nr. 234/84, op grond waarvan in geval van stillegging van installaties referentiehoeveelheden kunnen worden gecedeerd); in bijzonderheid ging het om het probleem van de wijziging van het voor verzinkte plaat geldende stelsel (te weten de samenvoeging van de categorieën Ie en ld en de vaststelling van nieuwe gunstiger referentieproduktiecijfers voor de nieuw te creëren gemeenschappelijke categorie). Daarover werd reeds onderhandeld, toen verzoekster haar verzoek indiende (in zaak 119/85 erkent zij dat uitdrukkelijk in haar repliek); daarop hadden een door de Commissie aan de Raad gerichte mededeling van 29 november 1984 en een ontwerpbeschikking van 21 december 1984 betrekking (deze leverden evenwel niets op, zodat uiteindelijk — in beschikking nr. 470/85 — het stelsel slechts gedeeltelijk werd vernieuwd en enkel voor categorie ld in aanvullende quota werd voorzien).
Wanneer verzoekster er evenwel de voorkeur aan gaf om, in plaats van haar aanvankelijke verzoek door te zetten, te wachten op de — onzekere — afloop van de eerder genoemde andere demarches, dan kan haar, wanneer de situatie eindelijk is opgehelderd, zeker niet worden toegestaan om na het verstrijken van de toepasselijke termijn haar oorspronkelijke verzoek om toekenning van aanvullende referentieproduktiecijfers, zoals de vroegere regeling die kende, weer op te vatten.
—
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat zelfs indien men verzoeksters opvatting omtrent de aan de brief van 20 juni 1984 te verbinden gevolgen tot de zijne maakt (dus aanneemt, dat verzoekster terecht heeft gewacht op de bekendmaking van de referentieproduktiecijfers voor 1985 — volgens verzoekster onmiskenbaar de afsluiting van de periode van onderzoek) moeilijk kan worden aangenomen dat het beroep tijdig is ingesteld. In feite was de beschikking van 20 februari 1985 (waarop verzoekster zich baseert) niet de eerste handeling waaruit zij kon opmaken, dat haar referentieproduktiecijfers niet werden aangepast (en haar verzoek tot aanpassing dus werd afgewezen). Zulks bleek immers reeds duidelijk uit de eerste beschikking van 31 december 1984 betreffende het eerste kwartaal van 1985. Zij had dus op zijn laatst daarop moeten reageren en niet mogen wachten op de beschikking van 20 februari 1985 (die weliswaar de eerstgenoemde beschikking verving, doch enkel wat de verminderingspercentages voor categorie Ie betreft, terwijl zij op andere punten, ook wat de referentieproduktiecijfers betreft, enkel de gegevens van 31 december 1984bevestigt).
cc)
Mitsdien moet het primaire verzoek niet-ontvankelijk worden geacht wegens overschrijding van de beroepstermijn.
b)
Ter zake van het op de algemene beschikkingen nrs. 2177/83 en 234/84 betrekking hebbende verzoek tot vaststelling (of uitlegging), waarbij subsidiair om nietigverklaring van deze beschikkingen wordt verzocht, heeft de Commissie eveneens bezwaren aangevoerd. Wat het verzoek tot vaststelling betreft, is zij van mening dat het Hof niet via interpretatieve weg, in de plaats van de Commissie, artikel 15 van beschikking nr. 1696/82 kan doen herleven, noch de Commissie een instructie kan geven om een dergelijke bepaling, die niet in beschikking nr. 234/84 voorkomt, met terugwerkende kracht opnieuw in te voeren. Met betrekking tot het subsidaire verzoek verdedigt zij, dat verzoekster een desbetreffende exceptie van onwettigheid niet met goed gevolg kan aanvoeren, daar niet kan worden gezegd dat de algemene beschikkingen de rechtsgrondslag vormden voor de bestreden individuele beschikking, voorzover daarin een aanpassing van de referentieproduktiecijfers werd geweigerd. Er bestaat dus geen direct verband tussen de individuele beschikking, die als het ware slechts een automatische toepassing van het quotastelsel vormt, en het ontbreken van een aanpassingsbepaling in de algemene beschikkingen.
aa)
Mijns inziens is het duidelijk, dat beide genoemde verzoeken — zo zij als zelfstandige verzoeken zijn bedoeld —, niet-ontvankelijk zijn.
Het stelsel van rechtsbescherming van het EGKS-Verdrag, dat slechts zeer bepaalde beroepswegen voorziet, kent duidelijk niet het verzoek om uitlegging van een rechtsvoorschrift; eveneens is het duidelijk, dat het door verzoekster genoemde artikel 31, dat niet meer dan een algemene taakomschrijving van het Hof bevat, niet als rechtsgrondslag voor zulk een verzoek kan dienen.
Van het subsidiair geformuleerde verzoek moet anderzijds worden gezegd, dat dit — als zelfstandig verzoek — moet worden geacht niet-ontvankelijk te zijn wegens het overschrijden van de beroepstermijn.
bb)
Wordt evenwel aangenomen — wat voor de subsidiaire vraag voor de hand ligt — dat beide genoemde verzoeken in feite middelen zijn die worden aangevoerd ter ondersteuning van het primaire verzoek (en dus de motivering van bet beroep betreffen), dan kan slechts worden vastgesteld dat er geen reden meer is om deze te onderzoeken, daar het primaire verzoek — zoals gezien — niet-ontvankelijk is.
c)
Wat ten slotte het verzoek om schadevergoeding betreft, moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen van het verzoekschrift niet echt duidelijk blijkt, of een dergelijk verzoek reeds is ingediend, dan wel of dit voor de toekomst wordt aangekondigd (wat tot gevolg zou hebben dat dit nu niet behoeft te worden onderzocht).
Mocht de eerste hypothese juist zijn — daarvoor pleit de opmerking in de repliek dat dit verzoek is gedaan „à titre conservatoire” en „pour faire l'économie d'une nouvelle procédure” —, dan verwijs ik ter zake naar mijn conclusie van 11 juni 1985 in de gevoegde zaken 63 en 147/84 (Finsider, Jurispr. 1985, blz. 2858), waarin ik reeds al het nodige heb gezegd in een vergelijkbare situatie. Uit artikel 34 EGKS-Verdrag blijkt duidelijk, dat een beroep tot schadevergoeding slechts openstaat, indien de Commissie na een nietigverklaring nalaat passende maatregelen te nemen en nadat is vastgesteld dat aan de bestreden handeling een fout kleefde van zodanige aard dat zij een aansprakelijkheid voor de Gemeenschap meebracht. Derhalve is een verzoek tot schadevergoeding dat tegelijk met een verzoek tot nietigverklaring wordt ingesteld, zeker prematuur en bijgevolg niet-ontvankelijk.
Voorts lijkt het niet zinvol, dit verzoek zo uit te leggen, alsof wordt gevraagd vast te stellen dat aan de bestreden beschikking een fout kleeft van zodanige aard dat zij een aansprakelijkheid van de Gemeenschap met zich meebrengt. Indien het beroep tot nietigverklaring immers — zoals ik heb aangetoond — niet ontvankelijk kan worden geacht, is het ook niet mogelijk tot een vaststelling als bedoeld in artikel 34 EGKS-Verdrag te komen.
d)
Met de Commissie geef ik derhalve in overweging het beroep in zaak 81/85 op alle onderdelen niet-ontvankelijk te verklaren.
2. Het beroep in zaak 119/85
Na al hetgeen reeds is gezegd, kan ik ter zake kort zijn.
a)
Wat de primaire vordering betreft (vordering tot nietigverklaring, zie boven blz. 1780), volstaat de constatering dat verzoeksters verzoek om toekenning van aanvullende referentieproduktiecijfers wordt geacht stilzwijgend te zijn afgewezen twee maanden nadat verzoekster zich tot de Commissie heeft gericht (te weten eind juni 1984), doch uiterlijk in de beschikking van 31 december 1984 waarmee de referentieproduktiecijfers voor 1985 werden meegedeeld (voor zover niet reeds de mededeling van de quota voor het derde en vierde kwartaal van 1984 relevant worden geacht). Later gegeven beschikkingen betreffende hetzelfde onderwerp zijn dus als louter bevestigende handelingen te beschouwen, die — bij gebreke van nieuwe feiten — geen nieuwe beroepstermijn kunnen doen ingaan. Dit blijkt duidelijk uit de vaste rechtspraak ter zake (zie arrest van 23 april 1956, gevoegde zaken 7 en 9/54, Groupement des industries sidérurgiques luxembourgeoises, Jurispr. 1956, blz. 55: in deze zaak was na het verstrijken van de in artikel 35 voorziene termijn voor een reactie nog een expliciete beschikking gegeven). Ook de uitspraken in ambtenarenzaken ter zake zijn hier van belang (arrest van 14 april 1970, zaak 24/69, Nebe, Jurispr. 1970, blz. 145, zie ook zaak 79/70).
Het verzoek om de beschikkingen van 18 en 29 maart 1985 nietig te verklaren, voor zover de Commissie daarin heeft geweigerd verzoekster aanvullende referentieproduktiecijfers toe te kennen voor produkten van de categorieën Ie en Id, is dus zeker nietontvankelijk. Derhalve behoeft ook niet te worden geantwoord op de vraag, of de betrokken brieven wel het karakter van een beschikking hebben, dan wel of dit — zoals de Commmissie stelt — twijfelachtig is, daar zij slechts inlichtingen bevatten die uitsluitend voor verzoekster van belang zijn (waarbij nog komt dat, wat de brief van 18 maart 1985 betreft, deze niet van de Commissie maar slechts van een hogere ambtenaar afkomstig was).
b)
Voor de overige verzoeken die met de verzoeken in zaak 81/85 overeenstemmen, verwijs ik naar mijn opmerkingen aldaar.
3.
Samengevat leidt dit tot de conclusie, dat beide beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
II — De gegrondheid
Omdat het antwoord op de ontvankelijkheidsvraag zo duidelijk is, zou ik in feite ervan kunnen afzien om subsidiair nog de gegrondheid van deze beroepen te behandelen. Ik wil evenwel in enkele woorden schetsen, welke indruk ik ter zake heb opgedaan.
1.
Om te beginnen de stelling die in verzoeksters betoog logischerwijs op de eerste plaats komt, te weten: de weigering aanvullende referentieproduktiecijfers toe te kennen is onwettig, omdat beschikking nr. 234/84 (evenals de daaraan voorafgaande beschikking), op correcte wijze uitgelegd, nog de mogelijkheid bood om de referentieproduktiecijfers aan te passen voor gevallen waarin tijdens de geldigheidsduur van een quotaregeling een aanvang was gemaakt met de uitvoering van een investeringsprogramma, wat — als in beschikking nr. 1696/82 — zulk een aanpassing toeliet.
Volgens mij is dit standpunt duidelijk onhoudbaar. Na vergelijking van beschikking nr. 1696/82 met de latere beschikkingen blijkt zeer duidelijk, dat in deze laatste geen aanpassingsclausule, zoals verzoekster die wenst, voorkomt. Dat dit bewust en zonder voorbehoud gebeurde, blijkt — zoals de Commissie, op dit punt onweersproken, verklaart — uit de mededeling van de Commissie aan de Raad van juni 1983, waarmee beschikking nr. 2177/83 werd voorbereid en waarvan de ondernemingen kennis hadden.
Wat verzoekster met haar verzoek beoogt, heeft in feite niets meer met uitlegging te maken; veeleer wordt gevraagd een recht te creëren, hetgeen het Hof, gelet op de duidelijke wilsuiting van de auteur van de beschikking, niet kan doen.
2.
Vervolgens is de vraag aan de orde, of het ontbreken van een aanpassingsregel voor de inbedrijfstelling van nieuwe installaties in beschikking nr. 234/84 een rechtslacune is.
Volgens verzoekster is dat om verschillende redenen aannemelijk.
a)
Om te beginnen is er haars inziens sprake van schending van het beginsel van bet gewettigd vertrouwen. Dit vereist volgens haar dat althans voor ondernemingen waarvan het investeringsprogramma onder eenvorig stelsel een gunstig advies heeft gekregen, als overgangsmaatregel de mogelijkheid van aanpassing van de referentieproduktiecijfers moet worden voorzien.
Zoals bekend, werd deze stelling ook reeds verdedigd in de gevoegde zaken 63 en 147/84, zonder dat het Hof deze opvatting tot de zijne maakte. In de onderhavige zaken is verzoekster evenwel van mening, dat haar geval anders moet worden beoordeeld en dat daarbij enerzijds van belang is, dat volgens genoemd arrest adviezen in de zin van artikel 54, die in het kader van het quotastelsel zijn gegeven, anders moeten worden beoordeeld dan volgens de oorspronkelijke rechtspraak (namelijk niet als gewone raadgevingen), alsook anderzijds, dat het Hof het in dit arrest uitdrukkelijk mogelijk oordeelde, dat een gunstig advies in de zin van artikel 54 in andere omstandigheden een gerechtvaardigd vertrouwen kan wekken (arrest van 19 september 1985, gevoegde zaken 63 en 147/84, Finsider, Jurispr. 1985, r. o. 21; alsook mijn conclusie bij die zaak sub B I c, Jurispr. 1985, blz. 2865-2867).
Met betrekking tot dit punt, en inzonderheid met betrekking tot verzoeksters standpunt, dat een in het kader van het quotastelsel afgegeven gunstig advies in de zin van artikel 54 EGKS-Verdrag in feite een machtiging is (omdat zonder zulk een machtiging geen aanvullende quota kunnen worden verkregen en dus ook geen nieuwe installatie in bedrijf kan worden gesteld), zij er meteen al op gewezen dat het genoemde arrest, gelet op zijn context, duidelijk vaststelt dat een gunstig advies in de zin van artikel 54 EKGS-Verdrag ook in het kader van het quotastelsel niet als een machtiging mag worden opgevat (zie inzonderheid r. o. 21).
Verder is het vooral van belang — en daarmee kom ik tot de „andere omstandigheden” in de onderhavige zaak waarop verzoekster zo sterk de nadruk legt — welke verwachtingen er op grond van de rechtssituatie van beschikking nr. 1696/82 (die van toepassing was toen de Commissie verzoekster een gunstig advies gaf) omtrent een aanpassing van de referentieproduktiecijfers konden bestaan, en of de Commissie verzoekster een „aanwijzing” heeft verstrekt (in de zin van het arrest van 14 februari 1978, zaak 68/77, IFG, Jurispr. 1978, blz. 353), ingevolge welke zij gewettigd erop mocht vertrouwen dat zij de geplande installatie met aanvullende quota in bedrijf kon stellen. Daarbij mag om te beginnen niet uit het oog worden verloren, dat de voor een nieuwe installatie geldende aanpassingsregels (zoals de Commissie heeft aangetoond) sedert de invoering van het quotastelsel steeds strikter zijn geworden en dat bijgevolg het voortduren en de verscherping van de crisis (die in 1983 kon worden vastgesteld) veeleer een grond waren om aan te nemen, dat dergelijke aanpassingsmogelijkheden niet ongewijzigd in stand zouden blijven, maar eerder zouden worden beperkt. Anderzijds mag, indien men liever uitgaat van de situatie die bestond onder beschikking nr. 1696/82, niet uit het oog worden verloren, dat in artikel 15 van die beschikking niet een onvoorwaardelijk recht op aanpassing van de referentieproduktiecijfers wordt verleend, maar de Commissie een beoordelingsvrijheid wordt gelaten. Voor het ontstaan van een vertrouwen is dus van essentieel belang, hoe de Commissie haar bevoegdheid gebruikte. Welnu, haar praktijk schijnt te zijn geweest — en indien verzoekster dit niet wist, had zij zich op de hoogte moeten stellen alvorens maatregelen te treffen —, dat een aanpassing enkel mogelijk was voor produkten van categorie ld, en dan nog alleen wanneer het gebruik van referentieproduktiecijfers van gesloten installaties niet volstond om de gemiddelde benuttingsgraad voor installaties van dat type in de Gemeenschap te halen (rekening houdend met een zekere aftrek). Toen de Commissie het advies uitbracht waaraan verzoekster zo'n groot belang hecht, kon er bijgevolg geen sprake van zijn, dat er een reden was om te verwachten dat voor de nieuwe installatie in elk geval de referentieproduktiecijfers zouden worden verhoogd (los van de sluitingen waarover verzoekster reeds in haar verzoek en waarover de Commissie in haar advies sprak); zulks een verwachting was zeker niet gegrond met betrekking tot de produkten van categorie Ie, omdat de capaciteit van de nieuwe installatie nagenoeg overeenstemde met die van de gesloten installatie (55000 tegenover 60000 ton). Welnu, blijkens haar verzoek van 27 april 1984, waren vooral deze produkten voor verzoekster van belang. Voor de produkten van categorie ld waren er kennelijk geen onoverkomelijke moeilijkheden (volgens verzoekster zelf konden die in de loop van 1984 worden opgelost met behulp van artikel 11 van beschikking nr. 234/84); op dit punt kon — gelet op de verbeterde marktsituatie — ook beschikking nr. 470/85 uitkomst brengen (wat, naar ter terechtzitting is verklaard, voor verzoekster in een beschikking van januari 1986 is gebeurd).
Bijgevolg kan slechts worden geconcludeerd dat het ook in de onderhavige zaak niet mogelijk is, beschikking nr. 234/84 (en de daaraan voorafgaande beschikking) met een beroep op het beginsel van het gewettigd vertrouwen onwettig te verklaren omdat een aanpassingsbepaling als in artikel 15 van beschikking nr. 1696/82 ontbreekt.
b)
Volgens verzoekster zijn de genoemde algemene beschikkingen ook onwettig, omdat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden.
Ter toelichting stelt verzoekster dat een latere handeling de rechtsgevolgen van een eerdere handeling die rechten in het leven heeft geroepen, niet ongedaan kan maken; bijgevolg kunnen ondernemingen die op grond van een door de Commissie in het kader van beschikking nr. 1692/82 uitgebracht gunstig advies recht hebben op aanpassing van hun referentieproduktiecijfers, dit recht onder latere beschikkingen niet verliezen.
De Commissie heeft ter zake terecht opgemerkt, dat de aangevoerde argumenten in de grond dezelfde zijn als die welke reeds onder het middel van schending van het gewettigd vertrouwen zijn aangevoerd, en dat zij onder dit hoofd evenmin kunnen worden aanvaard als in het kader van het vorige middel. Inderdaad is het, zoals gezegd, kennelijk onjuist om uit een advies dat de Commissie tijdens de geldigheidsduur van beschikking nr. 1696/82 heeft uigebracht, een recht op aanpassing af te leiden. Bovendien is het duidelijk dat de aanpassingsmogelijkheid van artikel 15 van beschikking nr. 1696/82 slechts binnen het kader van een in tijdsduur begrensd quotastelsel gold; het valt moeilijk te verdedigen, dat zij ongewijzigd in stand had moeten blijven, zonder rekening te houden met de economische ontwikkeling (nog daargelaten dat verzoekster, naar al hetgeen bekend is, voor de werking van haar nieuwe installatie waarschijnlijk niet eens voordeel zou hebben gehad bij een dergelijke bepaling).
Ik zie dan ook niet in, hoe aan het rechtszekerheidsbeginsel een argument kan worden ontleend tegen het ontbreken van bepalingen die een aanpassing van de referentieproduktiecijfers van verzoekster voor produkten van de categorieën Ie en ld wegens inbedrijfstelling van een nieuwe installatie mogelijk zouden maken.
c)
Voorts voert verzoekster tegen de betrokken algemene beschikkingen aan, dat het optreden van de Commissie in strijd is met haar eerdere wilsuitingen, en dat de Commissie aldus ook bepaalde doelstellingen van artikel 3 EGKS-Verdrag beeft miskend (vooral de sub a, c en g genoemde, ter zake waarvan verzoekster met name heeft aangevoerd, dat het verzoekster onmogelijk werd gemaakt voor haar succesvolle produkten aan de vraag van haar afnemers te voldoen).
Wat het eerste deel van het betoog betreft, kan wederom worden verwezen naar het arrest in de gevoegde zaken 63 en 147/84, waarin soortgelijke overwegingen reeds irrelevant werden verklaard (zie r. o. 26 alsook mijn conclusie onder B II 3, Jurispr. 1985, blz. 2868). Voor zover verzoekster in dit verband stelt dat het advies van de Commissie met een machtiging moet worden gelijkgesteld en dat het ontbreken van een aanpassingsclausule een rendabele exploitatie van haar nieuwe installatie in de weg staat, dient bovendien te worden opgemerkt dat in het advies van de Commissie in feite geen machtiging kan worden gezien (wat reeds in het arrest-Finsider is duidelijk gemaakt); nog afgezien van het feit dat, zoals in de jurisprudentie reeds herhaaldelijk is vastgesteld, in het kader van het quotastelsel een rendabel gebruik van de installaties in beginsel niet wordt gewaarborgd, zij voorts nog opgemerkt, dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij, door de quota van gesloten of te sluiten installaties te gebruiken (waarvan, zoals gezegd, uitdrukkelijk sprake was in het advies van de Commissie), voor haar nieuwe installatie niet kon komen tot een bevredigende benuttingsgraad in vergelijking tot het communautair gemiddelde.
Ook wat het tweede onderdeel van verzoeksters betoog betreft kan het meest belangrijke eveneens aan het arrest-Finsider worden ontleend (r. o. 27, alsook mijn conclusie onder B II 3, Jurispr. 1985, blz. 2868-2869). Ten aanzien van verzoeksters opvatting dat voor de betrokken produkten de afzetmogelijkheden duidelijk waren verbeterd, dient volledigheidshalve hooguit te worden opgemerkt dat uit de door de Commissie aangetoonde evolutie van de verminderingspercentages in 1983 en 1984 volgt, dat dit niet het geval was voor de produkten van categorie Ie (waarop verzoeksters verzoek tot verhoging van haar quota vooral betrekking had). Ter zake van verzoeksters verklaring betreffende het voldoen aan de vraag van haar afnemers, zij bovendien nog opgemerkt dat zij zich te dezen ten onrechte op artikel 3, sub a, beroept, en zij eraan herinnerd, dat in het arrest van 13 december 1984 (zaak 78/83, Usinor, Jurispr. 1984, blz. 4177) werd overwogen dat de noodzaak om aan de vraag van afnemers te voldoen een quotaoverschrijding niet kan rechtvaardigen.
d)
Slechts enkele woorden volstaan omtrent het door verzoekster tegen de betrokken algemene beschikkingen aangevoerde verwijt van discriminatie, waarbij zij erop wijst, dat andere ondernemingen wel een verhoging van hun referentieproduktiecijfers hebben bekomen.
Mijns inziens heeft de Commissie dit op overtuigende wijze weerlegd met het argument, dat de situaties niet vergelijkbaar zijn. Dit is inderdaad zo voor ondernemingen die, wegens de eerdere inbedrijfstelling van hun nieuwe installatie nog gebruik hebben kunnen maken van de toentertijd nog geldende aanpassingsregel, waarvoor juist de datum van inbedrijfstelling bepalend was. Dit geldt ook voor andere ondernemingen waarop een aantal zeer specifieke aanpassingsbepalingen zijn toegepast (te weten bepalingen betreffende nieuwe produktieactiviteiten of ondernemingen die wegens overschrijding van een minimumproduktie onder de toepassing van het quotastelsel vielen).
3.
Hoewel tot nu toe is gebleken, dat de door verzoekster tegen de algemene beschikkingen aangevoerde grieven niet gerechtvaardigd zijn, moet toch nog even worden ingegaan op het middel ontleend aan motiveringsgebreken.
Zoals bekend, stelt verzoekster dat de weigering om aanvullende referentieproduktiecijfers toe te kennen in de beschikking van 20 februari 1985 niet is gemotiveerd, en dat wat dit aangaat de algemene verwijzing naar beschikking nr. 234/84 niet toereikend kan worden geacht (omdat daarin evenmin een rechtvaardiging voor het ontbreken van een aanpassingsmogelijkheid is gegeven), evenmin trouwens als de in de zomer van 1983 aan Eurofer gedane mededeling betreffende de niet-verlenging van de aanpassingsclausule in beschikking nr. 2177/83.
Voor zover het hier om de beschikking van 20 februari 1985 gaat, waarbij verzoekster haar produktiequota voor het eerste kwartaal van 1985 werden meegedeeld, maar waarin zij ook een stilzwijgende afwijzing van haar verzoek van april 1984 ziet, is het mijns inziens duidelijk dat geen kritiek mogelijk is tegen het ontbreken van een motivering in het deel van deze beschikking dat de vermeende stilzwijgende afwijzing zou bevatten. Hier ligt de situatie gelijk als in het geval waarin op een verzoek helemaal niet wordt geantwoord, waarin uiteraard motiveringsgebreken uitgesloten zijn (anders zou elke stilzwijgende afwijzing zonder meer wegens motiveringsgebreken moeten worden nietigverklaard). Hier kan bovendien worden verwezen naar het arrest van 3 maart 1982 (zaak 14/81, Alpha Steel, Jurispr. 1982, blz. 749), waarin het Hof overwoog dat de Commissie niet behoeft te motiveren, waarom zij geen andere, niet in de beschikking genoemde maatregelen heeft genomen (r. o. 18).
Zo verzoekster ook doelt op de motivering van algemene beschikking nr. 234/84 — wat gezien haar betoog aannemelijk zou kunnen zijn —, dan kan wederom gewoon worden verwezen naar het arrest-Finsider, waarin het Hof in verband met een identieke grief verklaarde, dat de voor nieuwe installaties geldende aanpassingsregel reeds bij beschikking nr. 2177/83 is ingetrokken en dat voorts in een beschikking niet voor elk detail een reden kan worden verlangd.
4.
Mijn subsidiaire overwegingen kunnen dus enkel aldus worden samengevat, dat noch verzoeksters grieven tegen de handelingen waartegen zij rechtstreeks is opgekomen, noch haar grief die de rechtsgrondslag ervan betreft, gegrond lijken. Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een fout van zodanige aard dat zij een aansprakelijkheid van de Commissie in de zin van artikel 34 EGKS-Verdrag meebrengt.
C — Conclusie
De door Usinor ingestelde beroepen moeten mijns inziens niet-ontvankelijk, althans ongegrond worden verklaard. Verzoekster dient te worden verwezen in de kosten van het geding.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy