CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 27 februari 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3420/83 van de Raad van 14 november 1983 betreffende de invoerregelingen voor de produkten van oorsprong uit landen met Staatshandel die op communautair niveau niet zijn geliberaliseerd (PB 1983, L 346, blz. 6), luidt als volgt: „Het in het vrije verkeer brengen van de in bijlage III opgenomen produkten van oorsprong uit landen met Staatshandel is onderworpen aan kwantitatieve beperkingen in de Lid-Staten die in die bijlage naast deze produkten zijn aangegeven”. Tot de genoemde landen behoort Tsjechoslowakije. Alvorens produkten in het verkeer kunnen worden gebracht, moet een invoervergunning worden verkregen van de bevoegde autoriteiten in de betrokken Lid-Staat (artikel 2, lid 2). Ingevolge artikel 6 geldt „voor invoer in de Lid-Staten van produkten die niet onderworpen zijn aan de invoerregeling als bedoeld in artikel 2 geen enkele kwantitatieve beperking”.
Bijlage III bepaalt, dat produkten van post 93.07 B II a van het GDT en de posten 93.07-45 en 93.07-49 Nimexe-code (1983) „gedeeltelijk onder kwantitatieve beperkingen vallen. Voor de juiste omschrijving van het produkt, zie voetnoot op bladzijde 82”.
Zowel de posten van het GDT als van de Nimexe-code (betreffende de statistieken van de handel tussen Lid-Staten en de handel van de Gemeenschap met derde landen) spreken van „patronen voor het jagen en voor de schietsport”, hoewel in de Nimexe-code een nader onderscheid wordt gemaakt tussen (patronen voor het jagen en voor de schietsport:) „met centrale ontsteking: voor wapens met gladde loop” en „met randvuurontsteking : voor wapens met gladde loop” (verordeningen van de Raad (EEG) nrs. 3333/83 van 4.11.1983, PB 1983, L 313, blz. 1, en 3407/82 van 16.12.1982, PB 1982, L 366, blz. 1). De Franse tekst spreekt van „cartouches de chasse et de tir”, en de Engelse van „sporting and target shooting cartridges”.
De precieze omschrijving van het produkt in de voetnoot bij genoemde bijlage III op Ni-mexe-posten 93.07-45 en 49 voor de Benelux luidt „jachtpatronen” (in het Frans „cartouches de chasse” en in het Engels „sporting cartridges”).
Bij beschikking nr. 83/675/EEG van de Raad van 19 december 1983 (PB 1983, L 381, blz. 1) werden de Lid-Staten verplicht, de in de bijlagen vastgestelde invoercontingenten te openen. In bijlage VI, inzake de invoer uit Tsjechoslowakije voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 1984, werd een hoeveelheid van 120000 stuks vastgesteld voor „nummer van het gemeenschappelijk douanetarief 93.07 B ex II: jachtpatronen, voor wapens met gladde loop”.
Ingevolge artikel 2 van het Nederlandse Invoerbesluit Landen 1981 (Stb. 1981, nr. 576) is de invoer van produkten onder meer uit Tsjechoslowakije zonder vergunning verboden.
De handelsonderneming J. Mikx BV (hierna: Mikx) is gevestigd in Nederland. Zij vroeg op 14 september 1984 een vergunning aan voor de invoer in Nederland van 1000000 hageljachtpatronen voor wapens met gladde loop, kaliber 12, van oorsprong uit Tsjechoslowakije. 500000 van deze patronen, die de aanduiding „Skeet” droegen, bevatten hagelkorrels met een diameter van 2 mm; de overige 500000 droegen de aanduiding „Trap” en bevatten hagelkorrels met een diameter van 2,5 mm. Voor de invoer van de 500000 patronen met een hageldiameter van 2 mm werd een vergunning verleend; bij brief van 20 september 1984 van de minister van Economische Zaken werd de gevraagde vergunning evenwel geweigerd voor de 500000 patronen met een hageldiameter van 2,5 mm, op grond dat het voor dit produkt aan de Benelux toegewezen contingent was uitgeput en vóór 1 januari 1985 geen nieuwe contingenten beschikbaar zouden zijn.
Op 2 oktober 1984 heeft Mikx bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven beroep ingesteld tot nietigverklaring van deze weigering en tot verlening van de gevraagde invoervergunning. Het ministerie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. In deze zaak heeft het College van Beroep het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet artikel 2, eerste lid, van verordening nr. 3420/83, juncto de bijlage III, ad GDT nr. 93.07 B II a, Nimexe-code (1983) nis. 93/07-45 en 93.07-49, met de daarbij behorende voetnoot, aldus worden uitgelegd dat aan de invoerbeperking van patronen uit Tsjechoslowakije zijn onderworpen alle hagelpatronen, welke geschikt zijn voor de jacht, ongeacht of die patronen tevens geschikt zijn om te worden gebruikt voor de schietsport ?
2)
Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord, dient het samenstel van de daarin genoemde voorschriften dan aldus te worden uitgelegd dat hagelpatronen, hoewel op zich zelf geschikt voor de jacht, niet zijn onderworpen aan de kwantitatieve invoerbeperking, indien zij zijn bestemd voor de schietsport ?”
Blijkbaar werden reeds in 1966 contingenten vastgesteld voor de invoer van patronen uit Tsjechoslowakije in de Benelux. Aanvankelijk werd geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten patronen en eerst later, in een mededeling aan Tsjechoslowakije in het kader van het GATT, werd het Benelux-contingent beperkt tot „jachtpatronen” (sporting cartridges, cartouches de chasse). Toen de Gemeenschap bij beschikking 74/652/EEG van de Raad (PB 1974, L 358, blz. 1) voor het eerst het beheer van deze contingenten op zich nam, werd laatstgenoemde bepaling automatisch overgenomen; sedertdien is zij bij de vaststelling van de contingenten steeds toegepast, blijkbaar zonder dat de Commissie op de onderhavige vraag is ingegaan. Voor de wijziging door de Beneluxlanden is geen andere reden gesuggereerd dan de mogelijkheid, dat in die landen een grotere produktie bestaat van jachtpatronen — andere patronen dan voor de schietsport — en dat deze produktie bescherming behoeft.
Het douanerecht is voor beide even hoog.
Noch genoemde beschikking noch de GDTof Nimexe-indeling bevat aanwijzingen voor objectieve verschillen tussen beide typen patronen. De Commissie heeft voor het Hof verklaard, dat deskundigen en ambtenaren ondanks herhaalde discussies geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de verschillen tussen die patronen, die in de praktijk niet van elkaar kunnen worden onderscheiden. Suggesties dat er met betrekking tot de slaghoedjes wellicht een verschil zou zijn, zijn van de hand gewezen, omdat de diverse producenten ieder hun eigen produktiewijze hebben.
De Nederlandse regering hanteert de hageldiameter van 2 mm als grens. Patronen met een hageldiameter van minder dan 2 mm worden beschouwd als patronen voor de schietsport en kunnen vrij worden ingevoerd; patronen met een hageldiameter van meer dan 2 mm worden beschouwd als patronen voor het jagen en vallen onder de contingenteringsregeling. De Commissie heeft het Hof evenwel meegedeeld, dat 1) de schietsportinstanties in Nederland het gebruik voor de schietsport toestaan van patronen met een hageldiameter van 2,5 mm of minder, doch niet van meer dan 2,5 mm; en dat 2) patronen met een hageldiameter van meer dan 2,5 mm alleen worden gebruikt voor de jacht, terwijl patronen met een hageldiameter van 1,75 tot 2,5 mm zowel voor de jacht als voor de schietsport worden gebruikt. Patronen met een hageldiameter van minder dan 1,75 mm worden blijkbaar nergens gemaakt. Patronen met een hageldiameter van minder dan 2,5 mm zouden worden gebruikt voor konijnen, patrijzen, waterhoenders en leeuweriken: hoe kleiner het wild, hoe kleiner de diameter van de hagelkorrel.
Eén ding lijkt mij duidelijk: de betrokken bepalingen kunnen niet aldus worden verstaan, dat zij doelen op het beoogde gebruik van de patronen, gelijk Mikx betoogt. De douane kan op het tijdstip van invoer immers onmogelijk vaststellen, waarvoor de uiteindelijke koper de patronen zal of wil gebruiken, ongeacht de op de patronen gedrukte aanduidingen.
Beziet men de omschrijving „patronen voor het jagen” op zichzelf, dan lijkt de door de Commissie voorgestelde uitlegging als „patronen welke geschikt zijn voor de jacht” juist, hoewel de Commissie de moeilijkheden in verband hiermee erkent en sterke tegenargumenten aanvoert. Dit zou betekenen, dat alle patronen die geschikt zijn voor de jacht, onder de contingenteringsregeling vallen. Gezien de voor het Hof gemaakte opmerkingen, zouden dan alle patronen onder die regeling vallen. Dit resultaat zou niet per se absurd zijn, wanneer de toelating van patronen met een grotere hageldiameter onopzettelijk is geschied of wanneer er inderdaad geen verschil tussen beide typen patronen bestaat; en bij gebreke van andere aanwijzingen zou ik dit hebben beschouwd als de normale betekenis van de betrokken uitdrukking.
Er bestaat echter wel een andere aanwijzing. In de voetnoot van bijlage III bij verordening nr. 3420/83 wordt met betrekking tot een aantal in de bijlage genoemde produkten bepaald, dat zij „volledig onder kwantitatieve beperkingen” vallen, terwijl andere „gedeeltelijk onder kwantitatieve beperkingen” vallen. Deze voetnoot en de in bijlage III opgenomen tabellen hebben klaarblijkelijk betrekking op een Nimexe-post en wijzen erop, dat in sommige gevallen alle produkten van een bepaalde post aan een contigentering zijn onderworpen en in andere gevallen slechts enkele produkten („sommige produkten”, blz. 82) van een post. Zo zijn voor Italië alle produkten van Nimexe-post 93.07-45 en 49 gecontingenteerd, voor het Verenigd Koninkrijk alleen de specifiek omschreven munitie en voor de Benelux alleen jachtpatronen.
Aangezien een onderscheid moet worden gemaakt om te waarborgen dat alleen bepaalde, doch niet alle patronen onder een contingenteringsregeling vallen, kan het stelsel mijns inziens slechts effect sorteren wanneer wordt aangenomen, dat de contingenteringsregeling van toepassing is op patronen die alleen geschikt zijn voor de jacht, en niet op die welke ook voor de schietsport kunnen worden gebruikt.
Het ligt op de weg van de nationale rechter om aan de hand van nader te leveren bewijs uit te maken, welke patronen „alleen geschikt zijn voor de jacht”; dit is niet de taak van het Hof, dat in ieder geval niet beschikt over objectieve criteria of voldoende aanwijzingen om nauwkeurig te kunnen bepalen, welke patronen onder de contingenteringsregeling vallen.
Zo dit tot onaanvaardbare resultaten mocht leiden, dient de Raad nader te bepalen, welke patronen onder de contingenteringsregeling vallen, zoals reeds is geschied ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
Artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3420/83, gelezen in samenhang met bijlage III, posten nrs. 93.07 B II a van het GDT, nrs. 93.07-45 en 93.07-49 van de Nimexe-code (1983) met de daarbij behorende voetnoot, moet aldus worden uitgelegd, dat de invoerbeperking voor patronen uit Tsjechoslowakije slechts geldt voor patronen die enkel geschikt zijn voor de jacht en niet voor de schietsport.
Over de kosten van Mikx heeft de verwijzende rechter te beslissen. De kosten van de Commissie komen niet voor vergoeding in aanmerking.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy