CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 10 juli 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Tijdens de gehele relevante periode waren A.-M. Clemen, O. Schneider en E. Mc Donnell tijdelijk functionaris bij de Commissie in categorie C. Bij verzoekschrift van 4 maart 1985, ingekomen ter griffie op 4 april 1985, hebben verzoeksters geconcludeerd dat het den Hove behage:
a)
Nietig te verklaren de door de Commissie aan O. Schneider en E. Mc Donnell afgegeven salarisafrekeningen van mei 1984, de aan A.-M. Clemen afgegeven salarisafrekening van juli 1984, alsmede alle volgende salarisafrekeningen, voor zover daarbij uitvoering wordt gegeven aan verordening (EGKS, EEG, EGA) nr. 2615/76 van de Raad van 21 oktober 1976 houdende vaststelling van artikel 20, vierde alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, en van de bijbehorende salaristabel (PB 1976, L 299, biz. 1).
b)
De Commissie krachtens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering te verwijzen in de kosten van het geding en, krachtens artikel 73, sub b, van dat Reglement, in de door verzoeksters in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van een advocaat.
Artikel 2 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Regeling) bepaalt dat als „tijdelijk functionaris” wordt aangemerkt: a) het personeelslid, aangesteld om een ambt te vervullen waaraan een tijdelijk karakter is verleend; b) het personeelslid, aangesteld om tijdelijk een vast ambt te vervullen; c) het personeelslid, aangesteld om een functie te bekleden bij een persoon die een hem krachtens de Verdragen opgedragen ambt bekleedt, en d) het personeelslid, aangesteld om tijdelijk een vast ambt te vervullen dat wordt bezoldigd uit de onderzoek- en investeringskredieten en dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de begroting van de betrokken Instelling. Deze laatste categorie is aan de Regeling toegevoegd bij artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2615/76.
Artikel 20 van de Regeling bepaalt onder meer dat artikel 66 van het Statuut van overeenkomstige toepassing is op tijdelijke functionarissen, zodat tijdelijke functionarissen hetzelfde basissalaris als ambtenaren in vaste dienst dienen te krijgen. Bij artikel 1, lid 5, van verordening nr. 2615/76 werd evenwel aan artikel 20 een vijfde, niet genummerde alinea toegevoegd, die luidt als volgt:
„Wat evenwel de functionarissen als bedoeld in artikel 2, sub d, betreft, worden de maandelijkse basissalarissen voor iedere rang en iedere salaristrap overeenkomstig onderstaande tabel vastgesteld.”
Voor de categorieën A, LA en Β zijn de basissalarissen van die tabel dezelfde als die voor ambtenaren in vaste dienst, maar voor de categorieën C en D liggen zij evenwel in alle salaristrappen ongeveer 5% lager.
Verzoeksters komen dan ook veeleer op tegen de vijfde dan tegen de vierde alinea van artikel 20.
Deze wijzigingen zijn op 30 oktober 1976 in werking getreden (ingevolge artikel 3 van verordening nr. 2615/76). Ofschoon de vierde categorie van tijdelijke functionarissen nog steeds bestaat, heeft de Raad in juni 1985 de specifiek op hen van toepassing zijnde basissalarissentabel ingetrokken. Artikel 7 van verordening (EGKS, EEG, EURATOM) nr. 1578/85 van de Raad van 10 juni 1985 (PB 1985, L 154, biz. 1) luidt als volgt:
„In artikel 20 (van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen) worden de vijfde alinea en de daarop betrekking hebbende tabel van de maandelijkse basissalarissen geschrapt.”
Ingevolge artikel 13 van verordening nr. 1578/85 is deze intrekking in werking getreden op 1 januari 1985 voor de tijdelijke functionarissen die in dienst waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van de verordening, te weten op 14 juni 1985; ten aanzien van verzoeksters was dit het geval.
De drie verzoeksters werden respectievelijk op 1 juli 1979, 4 juli 1979 en 1 juni 1979 als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub a, van de Regeling aangeworven. In 1983 werden zij op een tijdelijke post tewerkgesteld in het „FAST” -researchpro-gramma. Per 1 januari 1984 werden deze posten budgettair als vaste posten behandeld. De Commissie zond verzoeksters een ontwerpaanvullende overeenkomst bij hun aanwervingsovereenkomsten, waarbij deze laatsen werden omgezet in aanwervingsovereenkomsten voor tijdelijke functionarissen in de zin van artikel 2, sub d, van de Regeling, dat wil zeggen personeelsleden, aangesteld om tijdelijk een vast ambt te vervullen dat wordt bezoldigd uit de onder^ zoek- en investeringskredieten. De ontwerpaanvullende overeenkomsten dragen als datum 30 maart 1984; verzoeksters beweren evenwel, dat zij hun eerst op 17 april 1984 zijn toegezonden. Zij zijn eind april 1984 ondertekend en teruggezonden door A.-M. Clemen en E. Mc Donnell en begin mei 1984 door O. Schneider. Dit wordt door de Commissie niet ontkend.
In de aanvullende overeenkomst was niet vermeld dat hun salaris met ongeveer 5% zou dalen. Ter terechzitting is aan het Hof meegedeeld, dat verzoeksters zich destijds geen rekenschap gaven van de invloed van de betrokken aanvullende overeenkomst, en dat zij daaromtrent geen inlichtingen hebben ingewonnen. Pas toen ze hun salarisafrekening onder ogen kregen — O. Schneider en Mc Donnell in mei 1984 en A.-M. Clemen in juli 1984 — beseften verzoeksters dat hun basissalaris lager was.
Het tot aanstelling bevoegd gezag probeerde de nieuwe salarisschaal retroactief toe te passen vanaf 1 januari 1984; na protest van verzoeksters evenwel gaf het toe, dat dit voor de periode van 1 januari tot 30 maart 1984 onjuist zou zijn.
Respectievelijk op 25, 26 en 20 juli 1984 dienden de drie verzoeksters elk een klacht in overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut. Zij maakten bezwaar tegen de salarisvermindering die het gevolg was van de omzetting van hun overeenkomsten in de zin van artikel 2, sub a, tot overeenkomsten in de zin van artikel 2, sub d. Bij identiek luidende brieven van 4 januari 1985 aan A.-M. Clemen en van 10 januari 1985 aan O. Schneider en E. Mc Donnell wees de Commissie deze klachten af. Deze besluiten zijn op 21 januari 1985 aan E. Mc Donnell en op 25 januari 1985 aan A.-M. Clemen en O. Schneider ter kennis gebracht (zoals blijkt uit de bij het onderhavige beroep gevoegde ondertekende ontvangstbewijzen). Zij hebben bij het Hof beroep ingesteld binnen de termijn van artikel 91 van het Statuut.
De Commissie aanvaardt dat het beroep ontvankelijk is. Formeel waren de administratieve klachten tegen de aanvullende aanwervingsovereenkomsten gericht, en het beroep tegen de salarisafrekeningen. Uit de in de klacht geformuleerde opmerkingen blijkt evenwel duidelijk, dat zij betrekking heeft op gevolgen van verordening nr. 2615/76, via de aanvullende aanwervingsovereenkomst, voor de salarisafrekeningen. In wezen hebben klacht en beroep hetzelfde voorwerp. Ik meen dan ook, dat het beroep niet niet-ontvankelijk kan worden geacht, op grond dat het niet hetzelfde voorwerp zou betreffen als de klacht.
Het beroep is thans evenwel beperkt tot de periode van 1 april tot 31 december 1984, omdat verzoeksters ten gevolge van de intrekking van de vijfde alinea van artikel 20 van de Regeling sedert 1 januari 1985 hetzelfde salaris ontvangen als ambtenaren van dezelfde categorie en salaristrap.
Verzoeksters betogen, dat hetgeen is gebeurd in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling, zoals bij voorbeeld erkend door het Hof in de arresten van 31 mei 1979 (zaak 156/78, Newth, Jurispr. 1979, blz. 1941) en van 2 december 1982 (gevoegde zaken 198 tot 202/81, Micheli, Jurispr. 1982, blz. 4145). Zij ontvingen een salaris dat 5% lager was dan dat van andere personeelsleden die hetzelfde werk verrichtten en zich in een vergelijkbare situatie bevonden; ten gevolge van de aanvullende aanwervingsovereenkomst ontvingen zij 5% minder dan zij vroeger voor hetzelfde werk ontvingen; als ambtenaar van categorie C werden zij slechter behandeld dan ambtenaren die eveneens onder artikel 2, sub d, vallen, maar die tot de categorieën A en Β behoren en hetzefde salaris hebben als ambtenaren in vaste dienst; hun salaris is niet 5% lager.
Volgens de Commissie dienen verschillen tussen verschillende categorieën ambtenaren of tijdelijke functionarissen niet discriminerend te worden geacht. Daartoe baseert zij zich op 's Hofs arresten van 6 oktober 1983 (gevoegde zaken 118 tot 123/82, Celant, Jurispr. 1983, blz. 3012, r. o. 22) en van 23 januari 1986 (zaak 171/84, Soma, Jurispr. 1986, blz. 192, r. o. 30), alsook op de conclusie van advocaat-generaal M. Darmon van 15 maart 1984 (zaak 326/82, Aschermann, Jurispr. 1984, blz. 2253, in het bijzonder blz. 2268) waarin hij stelde, dat tijdelijke functionarissen, ook al zijn zij in dezelfde categorieën ingedeeld, niet volgens dezelfde criteria of in dezelfde omstandigheden zijn aangeworven als andere ambtenaren of andere tijdelijke functionarissen van artikel 2, sub a, b en c, van de Regeling. De Commissie betoogt in het bijzonder, dat bij verordening nr. 2615/76 een nieuwe categorie 2, sub d, in het leven is geroepen ten einde de positie te verbeteren van degenen die voorheen als — al dan niet plaatselijk — functionaris verbonden waren aan een inrichting van een gemeenschappelijk onderzoekscentrum. Hun salarissen zijn aanzienlijk verhoogd. Om budgettaire redenen werd een onderscheid gemaakt tussen de categorieën A en B enerzijds en de categorieën C en D anderzijds. In de categorieën C en D bevonden zich veel plaatselijke functionarissen en functionarissen verbonden aan een inrichting van een gemeenschappelijk onderzoekscentrum, terwijl er weinig tot de categorieën A en B behoorden, zodat functionarissen van de categorieën C en D, ten einde de totale kosten te beperken, niet hetzelfde salaris ontvingen als andere ambtenaren van dezelfde categorieën. Pas in 1985, toen er geld beschikbaar was, en het tweede — permanente — „FAST”-programma werd gelanceerd, is dit „verschil” van 5% opgeheven.
Het algemene beginsel dat personeelsleden die zich in een verschillende situatie bevinden ook verschillend mogen worden behandeld, lijkt mij algemeen aanvaard. De vraag of er sprake was van ongelijke behandeling, in de zin van een onbillijke of discriminerende behandeling, moet evenwel in elk afzonderlijk geval aan de hand van de feiten worden beoordeeld. Volgens mij bestaat er een fundamenteel verschil tussen de zaken- Celant en Soma enerzijds en de onderhavige zaak anderzijds. In de eerstgenoemde zaken hadden de betrokken functionarissen niet de hoedanigheid van tijdelijk functionaris voordat zij bij verordening nr. 2615/76 onder de tijdelijke functionarissen werden ingedeeld. Door hun opname in de categorie van tijdelijke functionarissen verkregen zij aanzienlijke voordelen. In die omstandigheden werd het feit, dat niet alle ambtenaren dezelfde pensioenuitkeringen verkregen als gerechtvaardigd beschouwd. In casu waren verzoeksters reeds tijdelijk functionaris (op grond van artikel 2, sub a), voordat zij overgingen naar de in artikel 2, sub d, bedoelde categorie functionarissen. De uitspraak in de zaken- Celant en Soma kan mijns inziens dan ook niet op hen worden toegepast. Evenmin lijkt de conclusie van advocaat-generaal Darmon mij de hier bedoelde situatie te betreffen.
Volgens mij hebben verzoeksters het recht om hun situatie uit hoofde van artikel 2, sub d, te vergelijken met die van andere ambtenaren die hetzelfde werk verrichten, doch op wie artikel 2, sub a, van toepassing is of blijft. Ook hebben zij het recht hun situatie van na de aanvullende aanwervingsovereenkomst te vergelijken met hun vroegere situatie onder artikel 2, sub a. Er was een verschil in behandeling, waarvan niet is aangetoond dat het objectief gerechtvaardigd was. Voorts kunnen zij volgens mij stellen, dat op de dag van hun overgang het onderscheid tussen ambtenaren van de categorieën A en B en henzelf niet gerechtvaardigd was, ook al was dit onderscheid omwille van de hiervoor uiteengezette redenen in 1976 misschien wel gerechtvaardigd met betrekking tot degenen die van het statuut van plaatselijk functionaris naar dat van tijdelijk functionaris overgingen. Het is duidelijk, dat de oorspronkelijke redenen voor het onderscheid, ook al was dit destijds gerechtvaardigd, in 1983 waren verdwenen — „dat er geen deugdelijke gronden aanwezig zijn om die ongelijkheid in bezoldiging bij gelijk werk en gelijke functies te handhaven” (toelichting bij het voorstel van de Commissie tot intrekking van de gewraakte bepaling — voorstel van de Commissie: PB 1983, C 213, biz. 7, toelichting COM(83)455 def.). Ik zie geen enkele aanvaardbare reden, waarom in 1984, toen verzoeksters van de categorie onder artikel 2, sub a, overgingen naar die onder artikel 2, sub d, een onderscheid moest worden gemaakt tussen de categorie C enerzijds, en de categorieën A en B anderzijds.
Ik ben dan ook van mening, dat zij bij hun overgang op het eerste gezicht, wat hun salaris betreft, ongelijk werden gehandeld en dat niet is aangetoond dat zulks objectief gerechtvaardigd was.
De Commissie betoogt, dat verzoeksters de wijziging van hun aanwervingsovereenkomst vrijelijk hebben aanvaard. De eerste zin van de vierde alinea van de onderscheiden besluiten waarbij de klachten van verzoeksters zijn afgewezen, luidt evenwel als volgt: „... de Commissie was verplicht Uw overeenkomst van (hier vermeldt de Commissie de datum van elk der oorspronkelijke aanwervingsovereenkomsten van 1979) op te zeggen, dan wel U een wijziging van die overeenkomst voor te stellen, hetgeen is gedaan”. Verzoeksters werden met andere woorden voor de keuze geplaatst de voorgestelde wijziging te ondertekenen ofwel hun baan te verliezen. Onder die omstandigheden kan onmogelijk het argument worden aanvaard, dat verzoeksters in casu afstand hebben gedaan van hun recht om beroep in te stellen.
Voorts betoogt de Commissie, dat verzoeksters door de overgang naar posten als bedoeld in artikel 2, sub d, van de Regeling pensioenrechten hebben gekregen, die zij onder artikel 2, sub a, niet hadden. Dit gaat echter slechts op voor een beperkte periode, aangezien bij verordening nr. 2799/85 van de Raad van 27 september 1985 (PB 1985, L 265, biz. 1) met ingang van 9 oktober 1985 voor tijdelijke functionarissen als bedoeld in artikel 2, sub a, van de Regeling een pensioen is ingevoerd. De pensioenrechten die verzoeksters volgens de Commissie thans genieten, zijn evenwel slechts potentiële rechten. Zij zullen later immers slechts een pensioen ontvangen wanneer zij bij het bereiken van de relevante leeftijd aan alle voorwaarden voldoen om voor een pensioen in aanmerking te komen, inzonderheid aan de voorwaarde dat zij ten minste tien jaar in dienst zijn geweest. Louter potentiële rechten gedurende een periode van enkele maanden vormen mijn inziens geen omstandigheden die ongelijk genoeg zijn om het door verzoeksters bestreden verschil in behandeling te rechtvaardigen. Hadden verzoeksters, zoals ter terechtzitting is opgemerkt, in 1984 hun ontslag ingediend, dan zou bovendien hun uitkering bij vertrek op basis van hun lager salaris zijn berekend.
De Commissie betoogt nog, dat de overgang naar posten als bedoeld in artikel 2, sub d, van de Regeling verzoeksters meer zekerheid verschaft. Het is waar dat verzoeksters voortaan budgettair gezien een vaste post bekleden, terwijl zij onder artikel 2, sub a, een tijdelijke post bekleedden. Zij zijn echter nog steeds tijdelijk functionaris, en kunnen bijgevolg met een opzegtermijn van drie maanden worden ontslagen. Volgens mij kan men onmogelijk volhouden, dat het door de Commissie aangevoerde verschil in status de ongelijke bezoldiging van verzoeksters voor werk dat gedurende de gehele relevante periode hetzelfde was als tevoren, objectief rechtvaardigt.
Ten slotte betoogt de Commissie nog, dat de beroepen van weinig belang zijn. Zij beweert dat aan de eisen van verzoeksters reeds grotendeels was tegemoetgekomen door het besluit om de salarisvermindering niet retroactief toe te passen, en door de invoering van verordening nr. 1578/85. Zij verwijt hun haarkloverij met betrekking tot de kleine bedragen waarover nog wordt getwist. Volgens mij kan onderhavig beroep niet als een „de minimis-beroep” worden aangemerkt, en hebben verzoeksters, die tot de categorie C behoren, dit beroep niet vexatoir ingesteld.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door de Commissie aan O. Schneider en E. Mc Donnell afgegeven salarisafrekeningen van mei 1984, de aan A.-M. Clemen afgegeven salarisafrekening van juli 1984, alsmede alle volgende salarisafrekeningen nietig te verklaren, voor zover daarbij uitvoering wordt gegeven aan verordening nr. 2615/76 houdende vaststelling van artikel 20, vijfde alinea, van de Regeling en van de daarbij behorende salaristabel. Bovendien dient de Commissie in de kosten te worden verwezen.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy