CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 4 november 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A — 1.
Krachtens artikel 1 van het besluit van de Raad van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen (PB 1970, L 94, blz. 19) worden aan de Gemeenschappen eigen middelen toegekend om het evenwicht van hun begroting te verzekeren, en volgens artikel 4 van dit besluit wordt de begroting van de Gemeenschappen met ingang van 1 januari 1975 in haar geheel uit eigen middelen gefinancierd. De eigen middelen omvatten — ingevolge artikel 2 van dit besluit — in de eerste plaats de heffingen en de douanerechten, alsmede — krachtens artikel 4 van 's Raads besluit — een bepaald percentage van de ontvangsten uit de belasting over de toegevoegde waarde (voor de onderhavige zaak is dit verder niet van belang).
2.
Luidens artikel 3, lid 1, vijfde alinea, betalen de Gemeenschappen aan elke Lid-Staat, bij wijze van inningskosten, 10% van de overeenkomstig artikel 3, lid 1, gestorte bedragen terug. Artikel 6 bepaalt verder, dat de communautaire middelen door de Lid-Staten worden geheven overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, en dat de Lid-Staten deze middelen ter beschikking van de Commissie stellen. Volgens artikel 6, lid 2, stelt de Raad bepalingen vast betreffende de wijze waarop deze ontvangsten ter beschikking van de Commissie worden gesteld en betreffende de storting ervan.
3.
Op grond van laatstgenoemde bepaling en van artikel 209 EEG-Verdrag (in de redactie van het Verdrag houdende wijziging van een aantal financiële bepalingen), luidende „de Raad bepaalt de regels en de procedure volgens welke de budgettaire ontvangsten, waarin het stelsel der eigen middelen van de Gemeenschappen voorziet, ter beschikking van de Commissie worden gesteld, en schrijft voor welke maatregelen moeten worden toegepast om in voorkomend geval te voorzien in de behoefte aan kasmiddelen” — stelde de Raad op 19 december 1977 verordening nr. 2891/77 vast (PB 1977, L 336, blz. 1).
4.
Artikel 9 daarvan bepaalt, dat het bedrag van de vastgestelde eigen middelen door iedere Lid-Staat wordt geboekt op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat die Lid-Staat aanwijst, is geopend.
5.
Krachtens artikel 10, lid 1, geschiedt de boeking uiterlijk op de 20e dag van de tweede maand na die waarin het recht is vastgesteld. Hierbij moet worden opgemerkt, dat volgens artikel 2 van de verordening een recht als vastgesteld geldt, zodra de overeenkomstige vordering door de bevoegde dienst of instelling van de Lid-Staat deugdelijk is geconstateerd. Voorts staat er in artikel 10, lid 2 (aangezien het voor het geding van bijzonder belang is, citeer ik letterlijk) :
„Zo nodig kan de Commissie de Lid-Staten verzoeken de boeking van andere middelen dan de BTW-middelen met een maand te vervroegen op basis van de gegevens waarover zij de 15e van die maand beschikken.”
6.
Van belang is ook artikel 11, volgens hetwelk elke vertraging bij het boeken op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening de betrokken Lid-Staat verplicht tot het betalen van rente ten belope van de hoogste discontovoet die op de vervaldatum in de Lid-Staten wordt toegepast. Een belangrijke rol in de argumentatie van de Britse regering spelen de leden 2 en 3 van artikel 12, luidende:
„Indien de behoeften aan kasmiddelen groter zijn dan de activa van bovengenoemde rekeningen, kan de Commissie hogere bedragen opnemen dan het totaal van deze activa. In dat geval stelt zij de Lid-Staten vooraf in kennis van de te verwachten overschrijdingen.
Het verschil tussen de totale activa en de behoeften aan kasmiddelen wordt over de Lid-Staten omgeslagen, zoveel mogelijk naar verhouding tot de op grond van de begroting geraamde ontvangsten van elk hunner.”
7.
In april 1983 werd een beroep gedaan op artikel 10, lid 2, blijkbaar voor de eerste maal. Wegens de ontwikkeling van de uitgaven werden de Lid-Staten bij een telexbericht van 28 april 1983 verzocht, de in april vastgestelde ontvangsten in plaats van de 20e juni de 20e mei op de rekening van de Commissie te boeken. Volgens de Commissie hebben alle Lid-Staten hieraan gevolg gegeven met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, dat het desbetreffende bedrag pas een maand later (dus op het gewone tijdstip) crediteerde.
8.
Toen de Commissie vaststelde, dat het Verenigd Koninkrijk aan haar verzoek geen gehoor had gegeven, verzocht zij bij brief van 31 mei 1983 nogmaals om het in het telexbericht genoemde bedrag zo spoedig mogelijk over te maken, erop wijzend dat zij anders gebruik zou maken van de in geval van vertraging geldende bepalingen — gedoeld werd op artikel 11 van verordening nr. 2891/77. In een schrijven van 8 juli 1983 werden hieruit de consequenties getrokken: op grond dat het bedrag ad 115089307,99 UKL (het op 20 juni 1983 deugdelijk vastgestelde bedrag) 31 dagen te laat was gecrediteerd, vorderde de Commissie hierover betaling van rente ten belope van 2003815,21 UKL (berekend op basis van de discontovoet van de Bank van Griekenland ad 20,5%) en verzocht zij de Britse regering dit bedrag ten spoedigste op de rekening van de Commissie te boeken.
9.
In antwoord op de eerste brief heeft de Permanente Vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk er in een schrijven van 30 juni 1983 op gewezen, dat de gevraagde vervroegde boeking niet kon worden uitgevoerd wegens de op 9 mei aangekondigde ontbinding van het Parlement. Naar in de loop van het geding is gebleken, trok de Britse regering het recht van de Commissie om vervroegde boeking te verzoeken niet in twijfel. Zij zag — en ziet — evenwel in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2891/77 geen duidelijke verplichting voor de Lid-Staten en was daarom van mening, dergelijke vrijwillige aanvullende betalingen niet rechtstreeks krachtens de European Communities Act van 1972 te kunnen verrichten, maar daarvoor de toestemming van het Parlement nodig te hebben. Door de parlementsontbinding op 13 mei 1983 kon een desbetreffend wetsontwerp echter niet meer tijdig worden voorbereid.
10.
In antwoord op het tweede schrijven deelde de Britse regering op 16 september 1983 mee geen rente te zullen betalen, omdat artikel 11 van verordening nr. 2891/77 niet van toepassing was op onverplichte voortijdige betalingen.
11.
Dit was voor de Commissie aanleiding, een procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag in te stellen. In een brief van 6 januari 1984 wees zij erop, dat verordening nr. 2891/77 in de Lid-Staten rechtstreeks toepasselijk was, zodat de ontbinding van het Britse Parlement de toepassing van de verordening niet in de weg kon staan. In dit schrijven werd verder beklemtoond, dat artikel 11 van de verordening ook van toepassing was op artikel 10, lid 2, en werden de Britse autoriteiten aangemaand om het door de Commissie berekende bedrag aan rente binnen twee maanden op de rekening van de Commissie te boeken.
12.
Daar de Britse regering blijkens een schrijven van 26 maart 1984 bij haar standpunt bleef, bracht de Commissie op 20 september 1984 een met redenen omkleed advies uit. Daarin werd onder meer vastgesteld, dat de Britse regering een bedrag van 115089307,99 UKL met een maand vertraging op de rekening van de Commissie had geboekt, als gevolg waarvan rente verschuldigd was ten belope van 2003815,21 UKL, en werden de Britse autoriteiten gesommeerd binnen twee maanden de noodzakelijke maatregelen te treffen.
13.
Aangezien de Britse regering in haar standpunt volhardde dat de Commissie verordening nr. 2891/77 verkeerd uitlegde (vgl. haar brief van 26 november 1984), heeft de Commissie ten slotte de zaak aanhangig gemaakt bij het Hof met het verzoek, vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door niet te voldoen aan het op grond van artikel 10, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 2891/77 tot hem gerichte verzoek en door te weigeren de in artikel 11 van deze verordening bedoelde rente te betalen, zijn verplichtingen krachtens het EEG-Verdrag niet is nagekomen.
Β — 14.
Mijn standpunt in deze is als volgt.
1)
Om te beginnen moet ten aanzien van de verplichting om rente te betalen een misverstand uit de weg worden geruimd.
Het Verenigd Koninkrijk heeft er in dit verband op gewezen, dat volgens ramingen op basis van de op 5 mei 1983 beschikbare cijfers het overeenkomstig artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2891/77 vervroegd te boeken bedrag slechts 111476741,48 UKL beliep. Zo er al rente was verschuldigd, mocht deze alleen over dit bedrag worden berekend — wat neer zou komen op 1940910,39 UKL — en niet over het op 20 juni 1983 definitief geboekte bedrag (van 115089307,99 UKL).
15.
De Commissie heeft dit niet tegengesproken en zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat als het op 15 mei 1983 geraamde bedrag haar was meegedeeld, zij de rente op basis van dat bedrag had berekend. Bijgevolg moeten de in het met redenen omklede advies van de Commissie en in het verzoekschrift genoemde cijfers worden bijgesteld.
16.
Voor het onderhavige geding heeft dit evenwel geen verdere consequenties, aangezien in de conclusies van het verzoekschrift geen cijfers zijn genoemd. Bovendien staat het Verenigd Koninkrijk op het standpunt, dat geen rente van hem kan worden verlangd omdat artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2891/77 geen verplichting creëert, en dat de rentevordering onrechtmatig is, zelfs als de door de Commissie voorgestane uitleg van artikel 10, lid 2, juist zou zijn, aangezien dit eerst zou blijken uit de uitspraak van het Hof in deze zaak.
17. 2)
Het is wel duidelijk dat in deze zaak het voornaamste strijdpunt is, of een verzoek van de Commissie krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2891/77 in feite een verplichting voor de Lid-Staten inhoudt, waarvan niet-nakoming schending van het Verdrag oplevert in de zin van artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag.
18. a)
Volgens de Commissie pleit hiervoor reeds, dat de omstreden bepaling deel uitmaakt van het nieuwe stelsel van eigen middelen, welke rechtstreeks ter beschikking staan van de Gemeenschap en ten aanzien waarvan de Lid-Staten alleen inningsgerechtigd zijn. Zij baseert zich in het bijzonder (op de afzonderlijke argumenten van de Commissie kom ik later nog terug) op de in de aanhef van artikel 10, lid 2, gebruikte uitdrukking „zo nodig”, die voor de uitlegging van meer belang zou zijn dan het werkwoord dat is gebruikt om het optreden van de Commissie te karakteriseren; zij beroept zich op het doel van de regeling, een doeltreffend beheer van begrotings- en kasmiddelen mogelijk te maken, op het systeem van de regeling, waarin de artikelen 10, lid 1, en 12, lid 2, een belangrijke plaats zouden innemen, en met name op het nuttig effect dat voor haar interpretatie zou pleiten.
19.
Het Verenigd Koninkrijk daarentegen bestrijdt met klem, dat artikel 10, lid 2, een absolute verplichting voor de Lid-Staten zou inhouden. Zijns inziens zijn de Lid-Staten die op grond van artikel 10, lid 2, benaderd worden, niet tot meer verplicht dan overeenkomstig artikel 5 EEG-Verdrag met de Commissie samen te werken, dit wil zeggen dat zij, wanneer zij van de juistheid van het optreden van de laatste overtuigd zijn geraakt, al het hun mogelijke moeten doen om positief te reageren („use their best endeavours to respond affirmatively”). Voor deze opvatting (waarin de Lid-Staat dus niet geheel vrij is om al dan niet in te gaan op de vraag van de Commissie) beroept het Verenigd Koninkrijk zich in het bijzonder op het in artikel 10, lid 2, ter aanduiding van het optreden van de Commissie gebruikte werkwoord, dat geen van de taalversies gebiedend genoeg zou zijn, juist waar het om financiële verplichtingen gaat. Deze uitleg zou worden bevestigd door vergelijking met de in artikel 175, tweede alinea, EEG-Verdrag gebruikte bewoordingen en door het feit dat de bepaling die de vervroegde boeking van toekomstige middelen regelde in verordening nr. 2/71 houdende toepassing van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen (te weten artikel 11, lid 2) in duidelijk gebiedendere bewoordingen was gesteld; ook in andere leden van artikel 10 van verordening nr. 2891/77 zouden stringentere formuleringen zijn gebruikt ter aanduiding van kennelijke verplichtingen.
20.
Door deze interpretatie van artikel 10, lid 2, zou een doeltreffend beheer van de begrotingsmiddelen geenszins in gevaar worden gebracht. Want nog afgezien van het feit dat zij uiteraard op de goede wil van de Lid-Staten kan rekenen, waaraan het in mei 1983 ook het Verenigd Koninkrijk niet had ontbroken, zou de Commissie op grond van artikel 12, lid 2, haar rekening zonder meer kunnen overschrijden; bovendien zouden omvang en duur van de overschrijding precies kunnen worden aangepast aan de behoeften, terwijl artikel 10, lid 2, het alleen maar mogelijk maakt om gewoonlijk zeer aanzienlijke bedragen die niet steeds in hun geheel ter beschikking behoeven te staan, een maand eerder te boeken.
21. b)
Wat dit geschilpunt betreft, heeft de Commissie er terecht de nadruk op gelegd, dat men volgens het nu geldende stelsel niet meer te doen heeft met financiële bijdragen, met andere woorden betalingen door de Lid-Staten, maar met inkomsten die de Gemeenschap rechtstreeks toekomen en ten aanzien waarvan de Lid-Staten enkel inningsbevoegd zijn (ter dekking van de bij de inning gemaakte kosten worden hun krachtens artikel 3 van het besluit van 21 april 1970 bepaalde bedragen terugbetaald). Dit mag bij de uitlegging van welke bepaling van de thans in het geding zijnde verordening ook, niet uit het oog worden verloren. In principe kan hierin stellig aanleiding worden gevonden de rechten van de Gemeenschappen met betrekking tot de wijze waarop haar eigen middelen door de Lid-Staten beschikbaar worden gesteld, ruim uit te leggen.
22.
Daarentegen moet gezegd, dat de benadering van het Verenigd Koninkrijk van het betrokken probleem bedenkelijk voorkomt. Het is ongetwijfeld niet juist om in verband met artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2891/77 over „aanvullende betalingen” te spreken (verweerschrift, blz. 5) en om met betrekking tot dergelijke „financiële verplichtingen” van de Lid-Staten een beroep te doen op het grondwettelijk beginsel van parlementaire goedkeuring voor het gebruik van openbare middelen. Een dergelijke benadering miskent de feiten en moet derhalve bij de uitlegging van de relevante bepalingen buiten beschouwing blijven.
23.
c) Aangezien in het betoog van het Verenigd Koninkrijk taalkundige overwegingen op de voorgrond staan (zoals bekend, zou het in artikel 10, lid 2, gebruikte werkwoord en de formulering van deze bepaling in haar geheel niet op een absolute verplichting van de Lid-Staten wijzen), zal ik dit aspect eerst behandelen.
24. aa)
Ik geef zonder meer toe, dat men zich ter aanduiding van een verplichting van de Lid-Staten een ondubbelzinniger formulering kan voorstellen dan die van artikel 10, lid 2, zoals bij voorbeeld de mededelende vorm die in de Franse, Italiaanse en Nederlandse versie van het overeenkomstige artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2/71 (in de Italiaanse en Franse tekst daarvan kwamen overigens ook de dwingendere woorden „demande” en „richiesta” voor) en in de rechtstreeks tot de Lid-Staten gerichte bepalingen van artikel 10, leden 1, 3 en 5, van verordening nr. 2891/77 is gebruikt.
25. bb)
Ik moet er evenwel op wijzen, dat — anders dan het Verenigd Koninkrijk meent — de gedachte aan een verplichting van de Lid-Staten niet in alle taalversies van artikel 10, lid 2, vergezocht lijkt. Dit is zeker niet het geval bij de Duitse versie, aangezien de term „Ersuchen” voor de geadresseerde zonder meer een verplichting inhoudt (zoals bij voorbeeld kan worden afgeleid uit de §§ 156 e. v. van het Gerichtsverfassungsgesetz, betreffende rogatoire commissies). Hetzelfde geldt — naar mij werd verzekerd — ook voor de Griekse tekst, waarin het gebruikte werkwoord een gebod uitdrukt.
26.
Wat de Franse en de Deense versie betreft, werkt een vergelijking met de in artikel 175 EEG-Verdrag gebruikte formulering verhelderend (weliswaar in een andere richting dan het Verenigd Koninkrijk meent, dat ten behoeve van zijn betoog eveneens deze vergelijking heeft gemaakt). In beide taalversies van artikel 175, tweede alinea, volgens hetwelk een instelling eerst tot handelen moet worden uitgenodigd alvorens een beroep wegens nalaten tegen haar kan worden ingesteld, wordt hetzelfde werkwoord gebruikt als in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2891/77 („invitée” in de Franse, „opfordret” in de Deense versie). Dit is opmerkelijk, ook wanneer — zoals het Verenigd Koninkrijk terecht heeft benadrukt — de uitnodiging tot handelen overeenkomstig artikel 175, tweede alinea, op zich natuurlijk geen verplichting schept, aangezien deze bepaling immers op de gedachte is gebaseerd, dat naar de mening van de uitnodigende persoon een verplichting tot handelen bestaat voor de betrokken instelling. Het feit dat de hiervoor gebruikte formulering dezelfde is als in artikel 10, lid 2, rechtvaardigt zonder meer de conclusie, dat men ook in de laatstgenoemde bepaling een verplichting tot uitdrukking heeft willen brengen.
27. cc)
Ook al pleiten andere taalversies er misschien eerder voor om juist geen verplichting van de Lid-Staten aan te nemen, mag niet uit het oog worden verloren, dat taalkundige argumenten als de onderhavige onvermijdelijk slechts een beperkte waarde hebben voor de bepaling van de betekenis van gemeenschapsregelingen, die niet op dezelfde wijze als nationale wetsbepalingen kunnen worden voorbereid als gevolg van het steeds toenemende aantal gebruikte talen (één in 1951, vier in 1957, zes in 1972, zeven in 1979, negen in 1985); zo moest bij de totstandkoming van de onderhavige verordening met zes officiële talen rekening worden gehouden. Bij de uitlegging van een communautaire bepaling dienen veeleer het doel ervan en het stelsel als geheel op de voorgrond te staan.
28.
Als dit tot een bepaalde uitlegging leidt (ik zal hier zo dadelijk op ingaan), dan komt daarna met betrekking tot het taalkundige aspekt enkel nog de vraag aan de orde, of die uitlegging ook verenigbaar is met de letter van de bepaling, anders gezegd, of zij elkaar nog dekken of dat de tekst daarmee geweld wordt aangedaan. Dit laatste nu is — zo heeft men mij gezegd — bij aanvaarding van een verplichting voor de Lid-Staten in geen van de taalversies erg aannemelijk; feitelijk wordt de idee van een verplichting voor de Lid-Staten door geen van de in de verschillende talen gebruikte uitdrukkingen a priori uitgesloten.
29. d)
Als wij dan nu nader bezien, wat ons het doel en de systematiek van de regeling te zeggen hebben, dan moet mijns inziens worden erkend, dat verzoekster in dit geval de beste argumenten heeft.
30. aa)
Het is van belang voor ogen te houden, dat volgens het gemeenschapsrecht de Commissie belast is met het beheer van de begrotings- en kasmiddelen van de Gemeenschap. Als zij het in een bepaalde situatie noodzakelijk acht, dat de eigen middelen van de Gemeenschap op een vroeger tijdstip ter beschikking worden gesteld om zo in een dringende behoefte te kunnen voorzien (daarop wijzen de beginwoorden van artikel 10, lid 2, „zo nodig”), en zij dit de Lid-Staten meedeelt, kan ik niet inzien, waarom de Lid-Staten — die maar een beperkt zicht op de zaak hebben — de mogelijkheid van bezwaar zouden moeten hebben evenals een belangrijke stem in het beheer van fondsen waarop niet zij, maar de Gemeenschap recht heeft.
31.
Want wat zou er in dit verband gecontroleerd moeten worden door een nationaal parlement dat kennelijk geen bevoegdheden meer bezit met betrekking tot de eigen middelen van de Gemeenschap? Evenmin kan ik inzien, waarom de Lid-Staten op zijn minst de mogelijkheid zouden moeten hebben te stellen, dat zulke grote bedragen als waar het in artikel 10, lid 2, om gaat, niet nodig zijn en dat een bepaalde situatie evengoed zou kunnen worden opgeheven met behulp van artikel 12, lid 2 (waarop ik nog zal terugkomen). Er mag zonder meer van worden uitgegaan, dat verzoekster hiermee zelf rekening houdt bij de bepaling van de behoeften en bij kleinere financiële tekorten niet naar artikel 10, lid 2, grijpt.
32. bb)
Van belang is voorts de directe context van de bepaling; daarbij ligt het voor de hand, artikel 10, lid 2, te lezen in verband met lid 1 van dit artikel (volgens hetwelk het bedrag van de vastgestelde eigen middelen uiterlijk op de 20e dag van de tweede maand na die waarin het recht is vastgesteld, automatisch wordt geboekt). Artikel 10, lid 2, kan derhalve — zoals de Commissie heeft gesteld — als een aanvulling op lid 1 worden beschouwd. Dit leidt tot de conclusie (aangezien de Lid-Staten ook op grond van artikel 10, lid 1, geen medezeggenschapsrechten hebben), dat de bevoegdheden van verzoekster krachtens lid 2 eveneens afdwingbaar moeten zijn en niet de gerelativeerde en afgezwakte vorm hebben die het Verenigd Koninkrijk suggereert.
33. cc)
Van bijzonder belang voor een juist begrip van de in geding zijnde bepaling is het zopas genoemde artikel 12, lid 2, van verordening nr. 2891/77, dat ik aan het begin van mijn conclusie heb geciteerd. Zonder twijfel geeft het de Commissie de onvoorwaardelijke en onbeperkte mogelijkheid om haar rekeningen bij de centrale banken van de Lid-Staten zo nodig te overschrijden, zoals ook het Verenigd Koninkrijk erkent. Gelet op deze verstrekkende bevoegdheid — die bovendien niet eigen middelen van de Gemeenschap betreft, maar waarbij zo te zeggen uit nationale middelen wordt geput — is het mijns inziens niet consistent te stellen, dat de Commissie krachtens artikel 10, lid 2, dat enkel de vervroegde boeking van eigen middelen betreft waarop de Gemeenschap reeds recht heeft en dat bijgevolg minder vergaande gevolgen heeft, slechts over beperkte bevoegdheden beschikt.
34.
In het bijzonder de visie van het Verenigd Koninkrijk op de context van de bepaling vind ik niet overtuigend. Artikel 12, lid 2, zou zijn bedoeld om financiële problemen voor de Commissie te voorkomen ingeval de Lid-Staten een krachtens artikel 10, lid 2, gedaan verzoek naast zich zouden neerleggen, zodat de in laatstbedoelde bepaling voorziene mogelijkheid slechts van ondergeschikte betekenis zou zijn. Reeds het gebruik van de term „zo nodig” in artikel 10, lid 2, wijst erop, dat de visie van het Verenigd Koninkrijk op de verhouding tussen de twee genoemde bepalingen onhoudbaar is en dat de bepalingen juist los van elkaar moeten worden gezien, want van een dergelijke noodsituatie zou nauwelijks nog sprake kunnen zijn, als de toepassing van artikel 12, lid 2, voorrang had in geval van een precaire financiële toestand van de Gemeenschap. Bovendien is het welhaast ondenkbaar, dat de communautaire wetgever aan de mogelijkheid van „rood staan”, wat voor de Gemeenschap een hachelijke zaak is, prioriteit heeft willen toekennen boven het vervroegd opvragen van de eigen middelen. Het ligt dan ook meer voor de hand om aan te nemen — ook al omdat zij in de verordening in verschillende titels staan —, dat elk van de twee bepalingen een eigen betekenis _ heeft (artikel 10, lid 2, zou dan in beginsel in aanmerking komen bij tijdelijke tekorten, terwijl artikel 12, lid 2, meer bedoeld zou zijn ter oplossing van langdurige structurele problemen, aangezien het de voorafgaande kennisgeving aan de Lid-Staten voorschrijft en bovendien geen vereffening voorziet op een later tijdstip, zoals artikel 10, lid 2, tweede alinea). Dit pleit ertegen om de ene bepaling (artikel 10, lid 2) restrictief uit te leggen op grond van de andere (artikel 12, lid 2) en ervóór om beide wat dedraagwijdte van de bevoegdheden van de Commissie betreft naast elkaar uit te leggen.
35. dd)
Ten slotte kan voor het standpunt van de Commissie nog steun worden gevonden in overwegingen, ontleend aan het nuttig effect van de betrokken bepaling, die aantonen dat de door het Verenigd Koninkrijk verdedigde opvatting zou leiden tot problemen en moeilijkheden waarvan bezwaarlijk kan worden aangenomen, dat de wetgever deze beoogd zou hebben of op de koop toe genomen.
36.
Tegen het standpunt van het Verenigd Koninkrijk, dat de Commissie de Lid-Staten moet overtuigen van de noodzaak om artikel 10, lid 2, toe te passen en dat de Lid-Staten vervolgens al het hun mogelijke moeten doen om positief te reageren, kan al aanstonds worden ingebracht, dat wanneer zich een noodzaak voordoet in de zin van artikel 10, lid 2, er veelal weinig tijd is voor uitgebreide gedachtenwisselingen met de Lid-Staten om hen te overtuigen (nog geheel afgezien van het feit, dat onder andere ook de nationale parlementen nog zouden moeten worden ingeschakeld, wat tot bijkomende moeilijkheden zou kunnen leiden ingeval deze tijdelijk niet zouden kunnen functioneren).
37.
Ook is er geen overlegprocedure die de Lid-Staten een gemeenschappelijke standpuntbepaling mogelijk zou maken. Bijgevolg zouden de overredingspogingen van de Commissie tot uiteenlopende standpunten kunnen leiden. Het zou evenwel zeker niet wenselijk zijn, als de toepassing van artikel 10, lid 2, voor de verschillende Lid-Staten ongelijke gevolgen zou hebben (zouden bij voorbeeld enkele Lid-Staten op het verzoek van de Commissie ingaan en de financiële behoeften daarmee gedekt kunnen worden zonder dat nog een beroep op artikel 12, lid 2, nodig is, dan zouden de Lid-Staten die zich afwijzend hebben opgesteld, onterecht bevoordeeld worden).
38.
Bovendien zouden er aanzienlijke problemen rijzen, wanneer als gevolg van de uiteenlopende reacties van de Lid-Staten ook een beroep op artikel 12, lid 2, nodig zou zijn. Enerzijds, omdat volgens artikel 12, lid 2, een voorafgaande kennisgeving aan de Lid-Staten vereist is, waarvoor misschien niet voldoende tijd blijft na de vruchteloze pogingen van de Commissie ex artikel 10, lid 2. Anderzijds, omdat moeilijk valt te begrijpen hoe bij artikel 12 naar behoren rekening zou kunnen worden gehouden met de vervroegd geboekte eigen middelen, nu het niets zegt over de noodzakelijke verrekening in dergelijke situaties, terwijl het — volgens de Commissie in de praktijk toch al moeilijk te hanteren — derde lid kennelijk is bedoeld voor situaties, waarin alle Lid-Staten gelijk kunnen worden behandeld.
39. b)
Op grond van het voorgaande ben ik van mening, dat de enig juiste interpretatie van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2891/77 is, dat een krachtens deze bepaling door de Commissie gedaan verzoek een onvoorwaardelijke verplichting voor de Lid-Staten inhoudt. Daarmee staat tevens vast dat het Verenigd Koninkrijk, aangezien het geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de Commissie van april 1983, inbreuk heeft gemaakt op het gemeenschapsrecht in de zin van artikel 169 EEG-Verdrag door een rechtstreeks toepasselijke gemeenschapsverordening niet na te leven.
40. 3)
In haar conclusie verzoekt de Commissie verder om vaststellling, dat het Verenigd Koninkrijk ten onrechte geweigerd heeft om overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 2891/77 rente te betalen.
41.a)
Op het eerste gezicht lijkt de uitlegging van deze bepaling geen problemen op te leveren. Het enige vereiste is, dat de boeking niet tijdig heeft plaatsgevonden (zoals ook werd beklemtoond in het arrest van 20 maart 1986 in zaak 303/84, Commissie/Bondsrepubliek Duitsland, Jurispr. 1986, blz. 1171). Indien het verzoek van de Commissie om vervroegde boeking overeenkomstig artikel 10, lid 2, voor de Lid-Staten een onvoorwaardelijke verplichting inhoudt, is, wanneer het niet wordt opgevolgd, artikel 11 zonder twijfel van toepassing.
42.
Het argument van het Verenigd Koninkrijk, dat zich moeilijkheden zouden kunnen voordoen omdat artikel 11 geen bepaald bedrag vermeldt — zo is de Commissie in het onderhavige geval bij de berekening van de rente aanvankelijk uitgegaan van het door het Verenigd Koninkrijk definitief te boeken bedrag — moet mijns inziens falen. Bij artikel 10, lid 2, gaat het enkel om tevoren geschatte bedragen. Deze zijn steeds vaststelbaar (in het onderhavige geval werd het exacte bedrag evenwel pas tijdens de procedure voor het Hof aan de Commissie medegedeeld, maar niettemin onmiddellijk erkend), en om hierover rente te berekenen op basis van artikel 11 levert zeker geen problemen op.
43.
Tegen de toepassing van artikel 11 kan evenmin worden ingebracht, dat het overeenkomstig artikel 10, lid 2, geraamde bedrag in sommige gevallen hoger kan blijken te zijn dan het definitief vastgestelde bedrag en dat in dergelijke gevallen aan de Lid-Staten geen rente wordt vergoed, of dat ingeval het voorlopig geraamde bedrag lager is dan het definitief vastgestelde, over het verschil geen rente behoeft te worden betaald. Het valt inderdaad niet uit te sluiten, dat deze omstandigheden in individuele gevallen tot resultaten leiden die niet geheel billijk zijn. Dit kan evenwel nog geen grond zijn om met betrekking tot de in artikel 10, lid 2, bedoelde bedragen een verplichting tot rentebetaling af te wijzen en het ontbreken van een sanctie maar te accepteren. Aan te nemen valt, dat een en ander elkaar wel enigszins zal opheffen naar mate de regeling vaker en onder wisselende omstandigheden wordt toegepast.
44.
Het Verenigd Koninkrijk voert verder aan, dat geen aanspraak op rente bestaat ingeval de vervroegd geboekte bedragen te hoog zijn geraamd. Deze eenzijdigheid met betrekking tot de vergoeding van rente is in de sfeer van de overheidsfinanciën evenwel een bekend verschijnsel.
45. b)
Hoewel dus in beginsel niets in de weg staat aan toepassing van artikel 11 op de krachtens artikel 10, lid 2, te boeken bedragen, moet nog worden onderzocht, of er in het onderhavige geval (artikel 10, lid 2, wordt immers voor de eerste keer toegepast) wellicht redenen zijn om hiervan af te zien. Volgens het Verenigd Koninkrijk zou een dergelijke reden zijn, dat het te goeder trouw heeft gehandeld en de juridische situatie niet geheel duidelijk was; het verwijst naar het arrest van 28 maart 1985 (zaak 2/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1985, blz. 1127), waarin het Hof in een inbreukprocedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag de betrokken Lid-Staat weliswaar in het ongelijk stelde, maar niettemin elk ván partijen in haar eigen kosten veroordeelde in verband met de onduidelijkheid van de gemeenschapsbepalingen die in geding waren.
46.
Ook al laat artikel 11 zich er niet over uit, of subjectieve elementen (opzet, schuld) een rol spelen voor de toepassing ervan, toch kan dit argument van verweerder (dat neerkomt op een beroep op het strafrechtelijk begrip rechtsdwaling) niet op voorhand worden verworpen. Men zou immers kunnen stellen, dat het bij dit artikel om meer gaat dan alleen het ongedaan maken van de door de betrokken Lid-Staat ten gevolge van de te late boeking genoten voordelen, gelet op het feit dat het rentepercentage gelijk is aan de hoogste discontovoet die in de Lid-Staten wordt toegepast. Toch kan dit argument mijns inziens uiteindelijk niet worden aanvaard. Van een echte onduidelijkheid die slechts door een rechterlijke uitspraak zou kunnen worden weggenomen, is bij artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2891/77 geen sprake. Uitgaande van het doel en het systeem van de regeling als blijkend uit alle taalversies — wat bij communautaire regelgeving de meest aangewezen interpretatiemethode is —, kon er geen ernstige twijfel bestaan en waren er geen redelijke gronden om het standpunt van het Verenigd Koninkrijk (dat voornamelijk is gebaseerd op het werkwoord „to invite”) juist te achten. Het is toch wel veelzeggend, dat geen van de andere Lid-Staten het verzoek van de Commissie naast zich heeft neergelegd. Evenmin mag worden vergeten, dat het Verenigd Koninkrijk het verzoek niet uitvoerde, enkel omdat het meende voor de vervroegde beschikbaarstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap de goedkeuring van het nationale parlement nodig te hebben — wat een volstrekt misplaatste gedachte is.
47. c)
Zelfs indien echter de Britse regering in haar opvatting werd gevolgd en de juridische situatie — tegen de hier verdedigde zienswijze in — als niet geheel duidelijk werd beschouwd, dan nog kan dit niet tot het door haar beoogde resultaat leiden. Zij heeft het standpunt van de Commissie over de juridische situatie — waarmee zij volledig op de hoogte was — geheel genegeerd en daarmee de kans om te winnen, maar ook het risico van verlies aanvaard. Nu haar bezwaar ongegrond is gebleken, dient zij de juridische consequenties van dit beroep te dragen. Daaronder valt ook het betalen van rente over de opeisbare schuld. Het is niet geheel onverklaarbaar, maar uiteindelijk toch onjuist om in het vastgestelde percentage een sanctie te zien. De bedoeling ervan is de onvoorwaardelijke naleving van de communautaire verplichtingen te verzekeren, wat ook is gelukt, afgezien van het onderhavige geval. Hoewel verweerder met dit rentepercentage bekend was, heeft hij het toch laten aankomen op een rechtsgeding, en het is niet onbillijk en unfair, dat hij nu de consequenties moet dragen.
48. d)
Bijgevolg dient de Commissie ook te slagen in haar vordering tot vaststelling, dat het Verenigd Koninkrijk ten onrechte heeft geweigerd rente te betalen over het op 15 mei 1983 vervroegd te boeken bedrag (op de betaling van rente was het Verenigd Koninkrijk trouwens reeds op 31 mei 1983 geattendeerd).
C — 49.
Gelet op het voorafgaande kan ik het Hof slechts in overweging geven, de Commissie in het gelijk te stellen en bijgevolg vast te stellen, dat het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen uit het EEG-Verdrag niet is nagekomen door geen gevolg te geven aan het tot hem gerichte verzoek op grond van artikel 10, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 2891/77 van de Raad houdende toepassing van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen, en door te weigeren de in artikel 11 van deze verordening bedoelde rente te betalen. Mitsdien moet het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Nord-Ierland in de kosten worden verwezen.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy