CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 25 februari 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In het kader van een geschil tussen Emir Gül en de Regierungspräsident Düsseldorf heeft het Verwaltungsgericht te Gelsenkirchen verzocht om uitlegging van enige bepalingen van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2; verbeterd in PB 1968, L 295, blz. 12). De verwijzende rechter wenst in het bijzonder te vernemen, of een onderdaan van een derde land aanspraak kan maken op een vergunning voor het uitoefenen van het beroep van arts in de Lid-Staat waar hij met zijn vrouw woont, die zelf in loondienst werkzaam is en de nationaliteit van een andere Lid-Staat bezit.
2.
Emir Gül is Cypriotisch onderdaan van Turkse afkomst en is sedert 1971 gehuwd met een vrouw van Britse nationaliteit, die volgens de British Nationality Act 1971 het recht heeft in het Verenigd Koninkrijk te wonen („right of abode”). Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren die eveneens de Britse nationaliteit hebben. Nadat hij zijn medicijnenstudie aan de universiteit van Istanboel had voltooid, kreeg Gül op 1 oktober 1977 in de Bondsrepubliek Duitsland een vergunning voor het tijdelijk uitoefenen van het beroep van arts om zich te specialiseren in de anesthesie. Voordat deze vergunning werd verleend, had hij zich uitdrukkelijk verplicht om bij beëindiging of staking van de specialistenopleiding naar zijn vaderland terug te keren of, indien mogelijk, naar een ontwikkelingsland te gaan.
De vergunning werd drie keer verlengd (op 20. 6. 1979, 8. 7. 1981 en 6. 7. 1982) en iedere keer werd Gül erop gewezen, dat hij niet mocht rekenen op verdere verlenging. Op 25 oktober 1982 verleende de Ärztekammer Nordrhein hem het diploma van anesthesist. Daarop diende hij een aanvraag voor een permanente vergunning in; hij verklaarde van plan te zijn, met zijn gezin in Duitsland te blijven en de Duitse nationaliteit aan te vragen. De Regierungspräsident Düsseldorf verlengde de voorlopige vergunning vervolgens tot 31 maart 1983. Een nieuw verzoek om verlenging, waarin Gül verzekerde daarna niet opnieuw om verlenging te zullen vragen, werd aanvankelijk afgewezen (1. 2. 1983), doch nadien ingewilligd; de vergunning werd verlengd tot 31 december van hetzelfde jaar, omdat het Marienhospital Altenessen hem nog nodig had en bij de zwangerschap van verzoekers echtgenote complicaties optraden.
Bij brieven van 5 juli en 3 september 1983 diende Gül opnieuw een aanvraag in voor een permanente vergunning. Ditmaal stelde hij echter, in verband met de Britse nationaliteit van zijn gezinsleden en de beroepswerkzaamheden van zijn echtgenote er op grond van artikel 11 van verordening nr. 1612/68 recht op te hebben, in Duitsland arbeid in loondienst te verrichten. Daarbij wees hij er tevens op, dat zijn verblijfsvergunning op 30 september 1986 zou aflopen, dat het salaris van zijn vrouw, die als kapster werkzaam was, zijn gezin geen behoorlijk bestaan kon verzekeren en dat, wanneer de vergunning hem niet zou worden verleend, hij gedwongen zou zijn terug te keren naar Turkije of Cyprus.
Bij brief van 19 oktober 1983 deelde de Regierungspräsident Gül mee, dat hij zijn verzoek als een aanvraag om erkenning als arts beschouwde („Approbation”); aangezien deze aanvraag op grond van de geldende wetgeving niet kon worden ingewilligd, vroeg hij hem of hij zijn aanvraag handhaafde. In zijn antwoord van 19 oktober 1983 preciseerde Gül, dat hij enkel om een verlenging van de vergunning met twee jaar verzocht. Bij beschikking van 2 november 1983 wees de Regierungspräsident het verzoek af op grond dat niet aan de in paragraaf 10, leden 2 en 3, van de Bundesärzteordnung 1977 (hierna: BÄO) gestelde voorwaarden was voldaan. Volgens de bestuurspraktijk werd de vergunning van paragraaf 10, lid 3, BÄO weliswaar verleend aan buitenlandse artsen die met een Duitse onderdaan zijn gehuwd en die in loondienst werkzaam zijn, omdat zij een recht van verblijf hebben, doch niet aan buitenlandse artsen die met onderdanen van een Lid-Staat van de EEG zijn gehuwd; van hen mag worden verlangd, dat zij hun beroep uitoefenen in het vaderland van de huwelijkspartner, van wie kan worden aangenomen dat hij ondanks zijn recht om zich in Duitsland te vestigen, ten slotte toch naar zijn land van herkomst terugkeert.
Nadat zijn klacht was afgewezen, kwam Gül in beroep bij het Verwaltungsgericht te Gelsenkirchen met het verzoek, de beschikking van 2 november 1983 nietig te verklaren en verweerder te veroordelen om hem een vergunning voor onbepaalde tijd dan wel voor een periode van twee jaar te verlenen. In een tegelijkertijd aanhangig gemaakte procedure in kort geding wees de verwijzende rechter bij beschikking van 6 maart 1984 Guls vordering toe, op grond dat het gemeenschapsrecht van toepassing was, en gelastte de Regierungspräsident om een voorlopige vergunning voor de duur van twee jaar te verlenen; hij verbond hieraan evenwel de voorwaarde, dat Guls echtgenote op Duits grondgebied in loondienst werkzaam bleef.
Op beroep van verweerder werd deze beschikking door de IIIe kamer van het Oberverwaltungsgericht te Munster bij beschikking van 19 september 1984 nietigverklaard wegens onjuiste toepassing van het gemeenschapsrecht. Nadat de bodemprocedure was hervat, heeft de VIIe kamer van het Verwaltungsgericht te Gelsenkirchen de behandeling van de zaak op 25 maart 1985 evenwel geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1)
Kan het recht van een onderdaan van een derde land om ingevolge artikel 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2), op het gehele grondgebied van de betrokken Lid-Staat arbeid in loondienst te aanvaarden, ook de grondslag vormen voor een aanspraak op afgifte van een bijzondere vergunning voor de uitoefening van een bepaald beroep, wanneer dit beroep (in casu : het beroep van arts) naar nationaal recht slechts op grond van een door de overheid krachtens een bijzondere wettelijke beroepsregeling afgegeven vergunning mag worden uitgeoefend, voor zover de betrokkene aan de overige voorwaarden daarvoor voldoet ?
2)
Zo ja:
Kan een onderdaan van een derde land, die het in artikel 11 van deze verordening bedoelde recht bezit, een beroep doen op artikel 3, lid 1, eerste alinea, eerste streepje, van deze verordening ?
3)
Zo ja:
Kan een onderdaan van een derde land, die het in artikel 11 van de verordening bedoelde recht bezit, met betrekking tot de toegang tot en het verrichten van arbeid op grond van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van de verordening aanspraak erop maken, gelijk te worden behandeld als de eigen onderdanen van de betrokken staat ? Zo neen, welke is dan de juridische betekenis van deze bepaling ?
4)
Bij een bevestigend antwoord op de vragen 1-3:
Kan men bij de beoordeling van de vraag, of de voor de toelating tot een bepaald beroep geldende nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve praktijken voor vreemdelingen discriminerend zijn, ermee volstaan de voor toepassing in het concrete geval in aanmerking komende bepalingen (in casu: paragraaf 10 van de Bundesärzteordnung — BÄO —, zoals gewijzigd bij wet van 16.8.1977 — BGBl. I, blz. 1581) elk afzonderlijk te onderzoeken, of is een onderzoek van de werking van alle voor toelating tot dat beroep geldende nationale bepalingen (in casu: in het bijzonder paragrafen 2, 3 en 10 BÄO juncto artikel 12 van het Grundgesetz van de Bondsrepubliek Duitsland) in hun onderling verband noodzakelijk ?
5)
Bij een bevestigend antwoord op de vragen 1-3:
Bestaat er met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van arts ook dan aanspraak op gelijke behandeling als de eigen onderdanen, wanneer iemand uit een derde land, die het in artikel 11 van de verordening bedoelde recht heeft, enkel in het bezit is van een andere titel in de zin van artikel 1, lid 5, juncto artikel 6 van de richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts (75/363/EEG) (PB 1975, L 167, blz. 14), op grond waarvan de Lid-Staat volgens zijn nationale wettelijke bepalingen de toegang tot de werkzaamheden van arts en de uitoefening ervan toestaat aan zijn eigen onderdanen en de onderdanen van alle overige Lid-Staten ?
6)
Bij een ontkennend antwoord op vraag 5:
Kan een Lid-Staat tegenover een onderdaan van een derde land, die het in artikel 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 bedoelde recht heeft en die op grond van een in een derde land behaald artsendiploma meer dan zes jaar lang in deze Lid-Staat met diens toestemming als arts werkzaam is geweest en in deze staat een aan artikel 2 van de richtlijn nr. 75/363/EEG beantwoordend diploma van specialist heeft verworven, nog een beroep doen op het feit dat de betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden voor de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van arts, als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze richtlijn ?”
3.
Voor een beter begrip van het prejudiciële verzoek geef ik een kort overzicht van de Duitse wettelijke regeling inzake de toegang tot het beroep van arts en van het gemeenschapsrecht ter zake. De Duitse regeling is neergelegd in de reeds genoemde BÄO. Volgens paragraaf 2, lid 1, hiervan moet hij die het beroep van arts wil uitoefenen, in het bezit zijn van een erkenning („Approbation”). Aanspraak op verlening van de erkenning hebben evenwel slechts de volgende drie categorieën van personen, mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen: Duitse onderdanen (in de zin van artikel 116 van de grondwet), onderdanen van andere Lid-Staten van de Gemeenschap en staatlozen. Onderdanen van derde landen kunnen de erkenning alleen maar in bijzondere gevallen verkrijgen (bij voorbeeld wanneer de volksgezondheid dat vereist: paragraaf 3, lid 3, BÄO).
Zonder erkenning kan het beroep van arts voorlopig worden uitgeoefend op grond van een vergunning (paragraaf 10 BÄO). Deze wordt voor maximaal vier jaar verleend, maar kan naar believen van de bevoegde autoriteit worden verlengd; daarbij onderzoekt zij of door een verlenging de verhouding tussen het aantal artsen en het aantal inwoners, eventueel in een bepaalde streek, kan worden verbeterd. Sedert een wetswijziging in maart 1985 van paragraaf 10, lid 3, kan de vergunning ook worden verlengd in geval van verlening van politiek asiel aan de aanvrager of huwelijk met een Duits onderdaan. Voordat de wetswijziging van kracht werd, was de tweede mogelijkheid reeds als verlengingsgrond erkend in een circulaire van de Minister für Arbeit, Gesundheit und Soziales van het land Nordrhein-Westfalen (Ministerialblatt nr. 78, 6.4.1980, blz. 1751).
De verschillen tussen de erkenning en de vergunning zijn aanzienlijk, zelfs afgezien van het discretionaire karakter van de tweede maatregel. Voor de vergunning is enkel een „voltooide” medische opleiding vereist; voor de erkenning is daarentegen vereist, dat de opleiding van de aanvrager gelijkwaardig is aan de Duitse opleiding.
SPE01 Wat het gemeenschapsrecht betreft, komt in de eerste plaats in aanmerking verordening nr. 1612/68. Zoals bekend, vereist het recht van het vrije verkeer volgens de vijfde overweging, „dat de gelijkheid van behandeling in alles wat de uitoefening van arbeid in loondienst... betreft, in feite en in rechte verzekerd is, en... dat de belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers uit de weg worden geruimd, met name wat betreft het recht van de werknemer om zijn familie te doen overkomen en de voorwaarden voor de integratie van deze familie in het land van ontvangst”. In deze geest bepaalt artikel 3, lid 1, eerste alinea, eerste streepje, dat „niet van toepassing zijn de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of de administratieve handelwijzen van een Lid-Staat, die aanbiedingen van en aanvragen om werk, de toegang tot arbeid in loondienst en de uitoefening daarvan door vreemdelingen beperken of aan voowaarden onderwerpen die niet voor eigen onderdanen gelden”. In deze zaak is de kernbepaling echter artikel 11, luidende: „De echtgenoot van een onderdaan van een Lid-Staat die op het grondgebied van een Lid-Staat arbeid al of niet in loondienst verricht, alsmede de kinderen onder de 21 jaar of die te zijnen laste zijn hebben het recht, zelfs indien zij niet de nationaliteit van een Lid-Staat bezitten, om op het gehele grondgebied van die Lid-Staat iedere arbeid in loondienst te aanvaarden.”
4.
Ik kom nu tot de vragen. Allereerst vraagt de verwijzende rechter, of de garantie die de zojuist aangehaalde bepaling aan de onderdaan van een derde land biedt, het recht omvat op toegang tot de uitoefening van een beroep waarvoor volgens de beroepsregels van een Lid-Staat een vergunning is vereist. Het antwoord hangt af van de uitlegging die moet worden gegeven aan de woorden „hebben het recht... om... iedere arbeid in loondienst te aanvaarden”, waarmee artikel 11 deze garantie omschrijft. Men moet zich in het bijzonder afvragen, of het door de Regierungspräsident gemaakte verschil tussen de toegang tot de algemene arbeidsmarkt en de toegang tot werkzaamheden waarvoor bijzondere vergunningen zijn voorgeschreven, terecht is.
Met Gül en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ben ik van mening, dat de tekst en de strekking van artikel 11 zonder meer tegen de stelling van verweerder pleiten, dat deze bepaling uitsluitend de toegang tot de algemene arbeidsmarkt betreft. De aan de letterlijke tekst te ontlenen argumenten zijn bekend. Verweerder kan zich baseren op de Duitse versie van de bepaling, die inderdaad onderscheid maakt tussen „eine Tätigkeit im Lohn- oder Gehaltsver-hältenis”. De andere taalversies daarentegen (Frans: toute activité; Engels: any activity; Italiaans: qualsiasi attività) sluiten met alle zekerheid uit, dat tussen de twee soorten van toegang zou kunnen worden onderscheiden. In deze richting gaat overigens ook 's Hofs arrest van 13 februari 1985 in zaak 267/83 (Diatta, Jurispr. 1985, blz. 567, r.o. 19).
Deze conclusie vindt ook steun in het doel van verordening nr. 1612/68. Deze op artikel 49 EEG-Verdrag gebaseerde verordening strekt ertoe, het verkeer van werknemers geheel vrij te maken door aan migrerende werknemers dezelfde behandeling als aan nationale werknemers te waarborgen. Deze gelijkstelling beperkt zich echter niet tot de arbeidsverhouding. Gelijk advocaatgeneraal Trabucchi heeft opgemerkt in zijn conclusie in zaak 7/75, (Echtelieden F., Jurispr. 1975, blz. 696); „De... werknemer kon in het gemeenschapsrecht — [evenals] in nationale rechtsstelsels — niet eenvoudig als arbeidsleverancier worden beschouwd, maar wordt in zijn gehele menselijke verschijningsvorm gezien. De gemeenschapswetgeving heeft hem dan ook niet alleen gelijkheid van beloning en sociale voorzieningen in verband met de arbeidsverhouding willen verschaffen, maar heeft tevens als eis erkend dat de belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers uit de weg worden geruimd, met name wat betreft de ‚voorwaarde voor de integratie van de familie in het land van ontvangst’(verordening nr. 1612/68, vijfde overweging).”
Het doel van artikel 11 zou dan ook in gevaar worden gebracht, als het de onderdaan van een derde land, die gehuwd is met een gemeenschapsonderdaan, werd verboden de betrekking te aanvaarden waarvoor hij op grond van zijn beroepsopleiding kiest. Dit zou immers de integratie van het gezin in de staat waarnaar zijn echtgenoot is geëmigreerd, op zijn minst bemoeilijken en daardoor juist een negatieve invloed hebben op het recht van vrij verkeer dat artikel 48 EEG-Verdrag aan deze laatste garandeert. Anders gezegd, een dergelijk verbod zou een van de typische hindernissen zijn die de wetgever met verordening nr. 1612/68 uit de weg heeft willen ruimen.
Wat dit punt betreft, ben ik derhalve van mening, dat de uitdrukking „iedere arbeid in loondienst” betrekking moet hebben op alle beroepswerkzaamheden in dienstbetrekking, met inbegrip van die werkzaamheden waarvoor volgens de desbetreffende beroepsregeling een vergunning is vereist. Het is immers duidelijk dat als deze voorschriften zouden zijn uitgesloten en de daarin vervatte regeling aan de beginselen van het gemeenschapsrecht onttrokken zou zijn, de Lid-Staten het in artikel 48 neegelegde recht op vrij verkeer voor tal van in loondienst beoefende beroepen van zijn nuttig effect zouden kunnen beroven.
Hiertegen kan niet worden ingebracht dat, wat de toegang tot het medisch beroep betreft, op de erkenning van dit recht uitzonderingen mogen worden gemaäkt uit hoofde van de volksgezondheid. Verweerder, die deze stelling voor het Hof heeft verdedigd, heeft haar niet goed met logische argumenten onderbouwd; in het bijzonder heeft hij niet uiteengezet, waarom in de bestuurspraktijk van het land Nordrhein-Westfalen een dergelijke uitzondering wordt gemaakt voor onderdanen van derde landen, die zijn gehuwd met een onderdaan van een andere Lid-Staat dan de Bondsrepubliek, doch niet voor de onderdanen van derde landen, die het geluk hebben met een Duitse onderdaan gehuwd te zijn.
5.
De tweede vraag betreft de verhouding tussen de artikelen 11 en 3, lid 1, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1612/68. De verwijzende rechter wenst in het bijzonder te vernemen, of de onderdaan van een derde land, die het in de eerste bepaling gegeven recht heeft, zich ook kan beroepen op de tweede bepaling volgens welke, als gezegd, „niet van toepassing zijn de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of de administratieve handelwijzen van een Lid-Staat, die... de toegang tot arbeid in loondienst... beperken of aan voorwaarden onderwerpen die niet voor eigen onderdanen gelden”. Mijns inziens moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Verzoeker in het hoofdgeding en de Commissie geven het Hof eveneens in overweging, zich in deze zin uit te spreken. Hoewel zij tot dezelfde slotsom komen, is hun argumentatie verschillend.
Naar de mening van de Commissie betreft titel I (de artikelen 1 tot en met 6) van de verordening, waarin de toegang tot arbeid in loondienst wordt geregeld, alleen onderdanen van de Gemeenschap: artikel 3, lid 1, eerste alinea, eerste streepje, geldt derhalve niet voor onderdanen van derde landen. Op hen zou evenwel artikel 11 van toepassing zijn, dat staat in titel III (familie van de werknemers). In het systeem van de verordening evenwel zou de echtgenoot van een werknemer uit de Gemeenschap, ongeacht zijn nationaliteit, afgeleide rechten hebben, in omvang overeenkomend met de aan de werknemer toegekende primaire rechten. Gelet op deze algemene regel en op het verband met artikel 48 EEG-Verdrag zou dan uit artikel 11 volgen — ook al wordt dit niet met zoveel woorden gezegd —, dat ook de onderdanen van derde landen, die zijn gehuwd met een werknemer uit de Gemeenschap, recht hebben op gelijke behandeling wat betreft de toegang tot arbeid in loondienst.
De argumentatie van Gül volgt een andere weg die mij minder ingewikkeld en overtuigender voorkomt. Weliswaar staat artikel 3 in de titel betreffende arbeid in loondienst en artikel 11 in de titel betreffende de familie van de werknemers, toch valt niet te ontkennen, dat de tweede bepaling uitdrukkelijk het recht geeft om iedere arbeid in loondienst te „aanvaarden”. Bovendien schrijft artikel 3 voor, dat onderdanen en „vreemdelingen” gelijk moeten worden behandeld: deze categorie omvat in het systeem van de vérordening zowel de onderdanen van de Gemeenschap als de in artikel 11 genoemde onderdanen van derde landen. Omdat de verordening moet worden beschouwd als een samenhangend en logisch normenstelsel, moet artikel 3 dientengevolge ook betrekking hebben op de onderdaan van een derde land, die gehuwd is met een onderdaan van de Gemeenschap.
6.
In de derde vraag gaat het erom, of de onderdaan van een derde land, die onder de toepassing van artikel 11 valt, ingevolge artikel 3, lid 1, met betrekking tot de toegang tot arbeid het recht heeft om gelijk te worden behandeld als de eigen onderdanen van de betrokken staat.
Gelijk ik zoëven heb uiteengezet, is artikel 3 volledig van toepassing op degenen die onder artikel 11 vallen. Voorschriften en praktijken die de toegang tot arbeid in loondienst en de uitoefening daarvan beperken of aan voorwaarden onderwerpen die niet voor eigen onderdanen gelden, zijn te hunnen aanzien krachteloos. Aan deze duidelijke conclusie wil ik nog dit toevoegen:
a)
De opsomming van deze bepalingen en praktijken in artikel 3, lid 2, is niet limitatief, maar enuntiatief, zoals blijkt uit de woorden „met name” in de aanhef van deze bepaling;
b)
volgens artikel 3, lid 1, tweede alinea, is de enig toegestane beperking de wegens de aard van de te verrichten arbeid vereiste talenkennis.
7.
Met de vierde vraag wil het Verwaltungsgericht vernemen, hoever het onderzoek van het interne recht zich moet uitstrekken voor de bepaling of de voorschriften betreffende toelating tot een beroep voor vreemdelingen discriminerend zijn. In de verwijzingsbeschikking wordt immers opgemerkt, dat paragraaf 10 BÄO ondanks zijn ogenschijnlijk neutrale formulering een speciaal ten gunste van binnenlandse artsen voorzien middel ter regulering van de arbeidsmarkt vormt.
Het staat buiten kijf, dat het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag niet bevoegd is het nationale recht uit te leggen of zich uit te spreken over de verenigbaarheid ervan met het gemeenschapsrecht. Het staat derhalve aan de nationale rechter uit te maken, of de onder artikel 11 van verordening nr. 1612/68 vallende personen door de nationale voorschriften betreffende de toelating tot het beroep van arts — rechtstreeks of verkapt — worden gediscrimineerd. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zal de nationale rechter bij dit onderzoek de rechtssituatie voor de eigen onderdanen moeten vergelijken met die voor degenen die rechten ontlenen aan artikel 11, alsook de wijze waarop de nationale regeling wordt toegepast op onderdanen van derde landen, die zijn gehuwd met eigen onderdanen of met onderdanen van andere Lid-Staten. Het lijkt zinvol daarbij na te gaan, of de weigering om de onder artikel 11 vallende personen tot de uitoefening van het beroep van arts toe te laten, verband houdt met, bij voorbeeld, de behoefte aan artsen in verhouding tot het inwonertal.
Als verdere aanwijzing voor de verwijzende rechter zij erop gewezen, dat van de door het Verdrag en de uitvoeringsregelingen toegekende rechten geen afstand kan worden gedaan.
8.
Het doel van de vijfde vraag is te vernemen, of ook dan aanspraak op gelijke behandeling als de eigen onderdanen bestaat, wanneer de onderdaan van een derde land, die het in artikel 11 bedoelde recht heeft, „andere titels” bezit in de zin van artikel 1, lid 5, juncto artikel 6 van richtlijn nr. 75/363 van 16 juni 1975.
Op dit punt wil ik mij beperken tot de volgende opmerkingen: a) De door de verwijzende rechter genoemde regeling maakt deel uit van een stelsel dat hoofdzakelijk is bedoeld om de erkenning van de diploma's van de Lid-Staten te regelen met het oog op de coördinatie van de bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts; b) zij geldt niet rechtstreeks voor de door derde landen verleende diploma's; artikel 1, lid 5, laat de Lid-Staten evenwel de mogelijkheid, de toegang tot de werkzaamheden van arts ook toe te staan aan houders van in derde landen verkregen diploma's; c) nochtans schept bedoelde regeling geen rechten op het gebied van het vrije verkeer. De regel van de nationale behandeling en, in verband daarmee, de ontoelaatbaarheid van belemmeringen bij de erkenning van diploma's moeten derhalve rechtstreeks worden afgeleid uit artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag (zie nr. 4 hierboven), vooral wanneer de Lid-Staat van de sub b bedoelde mogelijkheid gebruik heeft gemaakt.
Gelet op het voorgaande behoeft de zesde vraag geen beantwoording meer.
9.
Al het voorafgaande in aanmerking genomen, geef ik het Hof in overweging, de door de VIIe kamer van het Verwaltungsgericht te Gelsenkirchen bij beschikking van 28 mei 1985 in het aldaar aanhangig geding tussen Emir Gül en de Regierungspräsident Düsseldorf gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
1)
De echtgenoten van onderdanen van de Lid-Staten, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen en daar al dan niet in loondienst arbeid verrichten, hebben op grond van artikel 11 van verordening nr. 1612/68 het recht om in die Lid-Staat iedere arbeid in loondienst te verrichten. Dit recht strekt zich ook uit tot arbeid waarvan de verrichting naar nationaal recht afhankelijk is gesteld van een overeenkomstig specifieke beroepsregels verleende vergunning, indien de betrokkene aan alle voorwaarden daarvoor voldoet.
2)
De onderdaan van een derde land, op wie artikel 11 van verordening nr. 1612/68 van toepassing is, kan zich beroepen op artikel 3, lid 1, eerste alinea, eerste streepje, van deze verordening.
3)
Degene die rechten kan ontlenen aan artikel 11, heeft op grond van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1612/68 recht op een gelijke behandeling als de eigen onderdanen.
4)
De nationale rechter dient de regels betreffende de toegang tot het beroep van arts in hun geheel te beoordelen, ten einde vast te stellen of zij vreemdelingen discrimineren.
5)
Het recht op nationale behandeling houdt tevens in, dat aan degenen die rechten kunnen ontlenen aan artikel 11 van verordening nr. 1612/68, geen belemmeringen in, de weg mogen worden gelegd bij de erkenning van artsendiploma's, vooral wanneer een Lid-Staat gebruik heeft gemaakt van de in artikel 1, lid 5, van richtlijn nr. 75/363 voorziene mogelijkheid.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy