Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 22*januari, 30*juni en 17*juli*1981 heeft de Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung ( hierna : de BALM of verweerster in het hoofdgeding ) aan verzoeksters in het hoofdgeding drie uitvoercertificaten afgegeven voor onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen vallende produkten ( glucose en maiszetmeel ), nadat zij waarborgen hadden gesteld tot zekerheid van de nakoming van de verplichting tot uitvoer tijdens de geldigheidsduur van de certificaten . Daarop hebben verzoeksters in het hoofdgeding de betrokken basisprodukten onder douanecontrole geplaatst als bedoeld in artikel*4 van verordening nr.*565/80 van de Raad van 4*maart*1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten.*(1 )
Deze verordening betreft basisprodukten die bestemd zijn om vóór hun uitvoer te worden verwerkt . Luidens artikel*4 mag een bedrag gelijk aan de uitvoerrestitutie worden uitbetaald, "zodra de basisprodukten onder douanecontrole zijn geplaatst, zodat wordt gewaarborgd dat de verwerkte produkten of de goederen binnen een bepaalde termijn worden uitgevoerd ".
Om voor deze regeling in aanmerking te komen, moet bij de douane een waarborg worden gesteld ten einde de terugbetaling te garanderen van een bedrag dat gelijk is aan het uitbetaalde bedrag, verhoogd met 20% ( artikel*6 van de betrokken verordening ). Verzoeksters in het hoofdgeding hebben zulke waarborgen gesteld .
Zodra de produkten onder douanecontrole waren geplaatst, heeft verweerster in het hoofdgeding de voor de uitvoercertificaten gestelde waarborgen vrijgegeven overeenkomstig artikel*29, sub*b, juncto artikel*30, lid*1, sub*b, en lid*2, alsmede artikel*22, lid*1, sub*b, vierde streepje, van verordening nr.*3183/80 van de Commissie van 3*december*1980 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer -, uitvoer - en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten.*(2 )
Nadien bleek dat verzoeksters in het hoofdgeding ten aanzien van een gedeelte van de betrokken waar de termijnen niet in acht hadden genomen die artikel*11 van verordening nr.*798/80 van de Commissie van 31*maart*1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwprodukten, voorschrijft.*(3 )
Naar de mening van verweerster in het hoofdgeding deed zich hier het geval voor bedoeld in artikel*42, lid*1, van verordening nr.*3183/80 van de Commissie, te weten niet-nakoming door verzoeksters in het hoofdgeding van de verplichting tot uitvoer voor de betrokken hoeveelheden produkten . Verweerster in het hoofdgeding achtte zich derhalve bevoegd om overeenkomstig artikel*42, lid*3, van die verordening "mutatis mutandis" de bepalingen van artikel*38, lid*1, sub*c, tweede streepje, toe te passen en te verlangen, dat er naar evenredigheid van de niet-uitgevoerde hoeveelheden opnieuw waarborgen werden gesteld tot zekerheid van de uitvoer .
De waarborgen die in het kader van de douanecontroleregeling overeenkomstig de bepalingen van verordening nr.*565/80 van de Raad van 4*maart*1980 waren gesteld, werden door de bevoegde douaneautoriteiten eveneens gedeeltelijk verbeurdverklaard . Deze beslissing staat in de onderhavige zaak evenwel niet direct ter discussie .
Het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main, waarbij verzoeksters in het hoofdgeding beroep hebben ingesteld tegen het opnieuw stellen van waarborgen voor de uitvoer, vraagt het Hof om de volgende vraag te beantwoorden :
"Is artikel*38, lid*1, sub*c, tweede streepje, van verordening ( EEG)*nr.*3183/80 van de Commissie van 3*december*1980, voor zover daaraan het karakter van een sanctie moet worden toegekend, in strijd met gemeenschapsrecht van hogere rang?"
Blijkens de overwegingen van de verwijzingsbeschikking gaat de verwijzende rechter ervan uit, dat artikel*38, lid*1, sub*c, tweede streepje, van verordening nr.*3183/80 neerkomt op het opleggen van een strafrechtelijke sanctie . Hij acht dit niet in overeenstemming met de algemene rechtsbeginselen "in dubio pro reo", "nulla poena sine culpa" en het "evenredigheidsbeginsel ". Deze beginselen die van toepassing zijn in het strafrecht van de Lid-Staten, gelden volgens het arrest van het Hof van 14*mei*1974 ook voor het gemeenschapsrecht.*(4 )
A - Het belang van de prejudiciële vraag
In hun opmerkingen voeren verzoeksters in het hoofdgeding aan dat de prejudiciële vraag geen belang heeft, waarbij zij steunen op de in het rapport ter terechtzitting sub*II, 1 weergegeven argumenten .
Volgens vaste rechtspraak van het Hof staat het evenwel aan de nationale rechter om in het licht van de concrete feiten te beoordelen of het voor het wijzen van het vonnis noodzakelijk is, een prejudiciële vraag te stellen.*(5 )
B - Het rechtskarakter van de waarborg
De premisse ( het opnieuw stellen van een waarborg = geldstraf ) waarvan de verwijzende rechter uitgaat, verdraagt zich niet met de rechtspraak van het Hof .
In het arrest van 17*december*1970*(6 ) namelijk oordeelde het Hof in de rechtsoverwegingen*17 en 18 :
"Overwegende dat verzoekster in het geding voor de nationale rechter voorts betoogt dat verbeurte van de waarborg als gevolg van niet-nakoming van de in - of uitvoerverplichting in werkelijkheid een geldboete of strafmaatregel is, tot instelling waarvan het Verdrag de Raad en de Commissie niet heeft bevoegd verklaard;
Overwegende dat deze stelling berust op een onjuiste beoordeling van het waarborgstelsel dat niet met een strafsanctie mag worden gelijkgesteld omdat het slechts de nakoming ener vrijwillig aangegane verbintenis garandeert ."
Wanneer verbeurte van de waarborg die zich nog onder het interventiebureau bevindt, dus niet met een strafsanctie mag worden gelijkgesteld, is dit dan anders, wanneer de waarborg reeds is vrijgegeven en vooralsnog opnieuw moet worden gesteld? Ik denk van niet .
In het arrest van 25*september*1984 in de zaak Koenecke*(7 ) verklaarde het Hof, dat "-*al dan niet strafrechtelijke *- sancties slechts kunnen worden opgelegd indien daarvoor een duidelijke een eenduidige rechtsgrondslag bestaat ". Verderop zal blijken, dat in de onderhavige zaak, anders dan in de zaak Koenecke, een dergelijke rechtsgrondslag voorhanden is . Hier dient te worden onderstreept, dat de aangehaalde passage evenals de andere overwegingen van het arrest Koenecke en met name rechtsoverweging*13 duidelijk aantonen, dat verbeurte van een tevoren opnieuw gestelde waarborg naar het oordeel van het Hof weliswaar een sanctie, maar nog geen strafrechtelijke sanctie is .
Dit lijkt mij volkomen logisch .
Vanaf het ogenblik dat een verplichting niet is nagekomen en niet meer kan worden nagekomen, en de tot zekerheid van de nakoming van deze verplichting gestelde waarborg door de bevoegde instantie is verbeurdverklaard, is deze immers niet langer een waarborg en wordt hij een sanctie . Dit geldt zeker, wanneer de waarborg reeds is vrijgegeven . In beide gavallen is de uitvoer binnen de gestelde termijn niet meer mogelijk . Wanneer nu echter de sanctie in het eerste geval niet van strafrechtelijke aard is, kan zij dat in het tweede geval evenmin zijn . Juridisch bestaat er immers geen verschil tussen beide gevallen .
Terecht voert de Commissie aan, dat uit de arresten Internationale Handelsgesellschaft en Koenecke kan worden opgemaakt dat
"verbeurte van een waarborg weliswaar onder bepaalde omstandigheden als een sanctie moet worden aangemerkt, maar niet alleen daarom rechtens met een strafrechtelijke sanctie ( geldstraf ) kan worden gelijkgesteld ".
Een aannemer die zich ertoe heeft verbonden een bouwwerk binnen een bepaalde termijn af te maken op straffe van betaling van bepaalde geldsom voor iedere dag vertraging, kan, indien hij deze termijn niet nakomt, niet stellen dat aangezien het bouwwerk niet meer binnen de gestelde termijn kan worden voltooid, de afgesproken som nu een geldstraf is, tot betaling waarvan hij enkel is gehouden wanneer hij daartoe door een strafrechter wordt veroordeeld en nadat is aangetoond dat hij grove schuld had of met opzet handelde .
Een dergelijke redenering gaat evenmin op voor waarborgen . Een gemeenschapsverordening is wel niet hetzelfde als een civielrechtelijk contract . Ook moet worden toegegeven dat de verplichting tot uitvoer die Maizena op zich heeft genomen, wat het vrijwillige karakter ervan betreft, niet helemaal hetzelfde rechtskarakter heeft als de op een aannemer rustende verplichting.*(8 ) Maizena kon het stellen van een waarborg niet weigeren indien zij wilde uitvoeren, terwijl het voor de aannemer misschien -*althans theoretisch *- mogelijk was het boetebeding niet te accepteren .
Ik ben het dan ook eens met P.*Tiedemann en R.*Barents*(9 ), wanneer zij stellen, dat de waarborg die de in - of uitvoer moet garanderen, niet helemaal met een civielrechtelijke contractuele boete kan worden vergeleken .
Anderzijds is de gelijkenis met de strafrechtelijke veroordeling nog minder uitgesproken . Terecht stelt de Commissie : "De niet-nakoming van de verplichting heeft als zodanig enkel verbeurte van de waarborg tot gevolg, maar brengt generlei morele veroordeling mee ". Daarom wordt verbeurte van een waarborg ook niet in een soort strafregister ingeschreven, en is de persoonlijke situatie van de debiteur niet van belang voor de beslissing betreffende de verbeurte van de waarborg . Met name speelt het geen rol, of er bij de niet-nakoming sprake is van recidive, of dat er andere verzwarende of verzachtende omstandigheden bestaan ( punt*III, 2, laatste alinea, van de opmerkingen van de Commissie ).
Mij dunkt dan ook dat R.*Barents gelijk heeft waar hij in overweging geeft, de techniek van de waarborgstelling te beschouwen "as a separate administrative law phenomenon and to solve the problem of legal protection within this frame-work . This is what the Court has done in its basic decision on the law of deposits in case*11/70" ( blz.*242 van het geciteerde artikel ).
De Commissie wijst er trouwens terecht op, dat ook de nationale rechtsstelsels, inzonderheid in het douane - en belastingrecht, regelingen kennen waarin "in het algemeen belang in heel wat gevallen nadelige economische gevolgen ( in de vorm van betalingsverplichtingen ) worden verbonden aan bepaalde, evenwel niet noodzakelijkerwijs onwettige ( of zelfs strafbare ) handelingen" ( punt*III, 3, van de opmerkingen van de Commissie ).
In het moderne recht duiken trouwens de begrippen "objectieve aansprakelijkheid" of "aansprakelijkheid zonder schuld" steeds vaker op . Ik denk hier in het bijzonder aan het Verdrag van Den Haag van 2*oktober*1973 inzake de toepasselijke wet bij produktaansprakelijkheid, het in het kader van de Raad van Europa gesloten verdrag van 27*januari*1977 inzake de aansprakelijkheid voor lichamelijke schade en overlijdensschade veroorzaakt door produkten, en aan de richtlijn van de Raad van 25*juli*1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken.*(10 In dit laatste document heet het, dat "de producent aansprakelijk ( is ) voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn produkt" ( artikel*1 ), aangezien "alleen wanneer de producent ook buiten schuld aansprakelijk wordt gesteld, een passende oplossing kan worden gevonden voor het aan onze tijd van voortschrijdende techniek eigen probleem, waarbij het gaat om een rechtvaardige toewijzing van de met de moderne technische produktie samenhangende risico' s" ( tweede overweging van de considerans ). Volgens de richtlijn staat het aan de producent zich van zijn aansprakelijkheid te bevrijden, door het bewijs van bepaalde feiten die zijn aansprakelijkheid opheffen ( artikel*7 ).
De sterk hierop gelijkende kenmerken van de waarborgregeling op landbouwgebied wijzen dus hoegenaamd niet op een archaïsche zienswijze*(11 ), maar sluiten aan bij een ontwikkeling in het moderne recht .
Niet alle instrumenten van het gemeenschapsrecht kunnen zonder meer met reeds bestaande begrippen van de nationale rechtssystemen op een lijn worden gesteld, en zelfs binnen deze rechtssystemen heeft de economische ontwikkeling geleid tot bijzondere reglementeringen die noch in de bestaande categorieën van het burgerlijke recht, noch in die van het strafrecht kunnen worden ingedeeld .
Wat telt is, dat de grondrechten van de burgers door deze nieuwe rechtstechnieken niet worden geschonden, waarbij het evenwel "in de rechtsorde van de Gemeenschap gerechtvaardigd voorkomt met betrekking tot deze rechten het voorbehoud te maken dat bepaalde grenzen die hun rechtvaardiging vinden in de doelstellingen van algemeen belang welke de Gemeenschap nastreeft, moeten worden in acht genomen zolang aan het wezen dier rechten geen afbreuk wordt gedaan".(12 )
In het arrest Internationale Handelsgesellschaft heeft het Hof de waarborgregeling als zodanig reeds getoetst aan de beginselen, die destijds door het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main waren aangevoerd, en kwam het tot de conclusie, dat de regeling "geen inbreuk op enigerlei grondrecht maakt" ( r.o.*20 ).
Thans vraagt het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main zich af, of bepaalde andere beginselen, die het als beginselen van het strafrecht kwalificeert, door deze regeling worden geschonden .
Het is verleidelijk om aan de verwijzende rechter te antwoorden, dat de strafrechtelijke beginselen niet op de waarborg van toepassing zijn, omdat deze niet het karakter van een strafrechtelijke sanctie heeft . Bij grondrechten is evenwel de grootste nauwkeurigheid geboden, en beginselen die voor de enen van strafrechtelijke aard zijn, kunnen voor anderen mogelijk gewoon grondrechten of administratiefrechtelijke beginselen zijn, die de marktdeelnemers een passende rechtsbescherming beogen te waarborgen . Laten wij derhalve nagaan, of een van de door het Verwaltungsgericht of door verzoeksters in het hoofdgeding genoemde beginselen in de onderhavige zaak toepasselijk kan zijn en, zo ja, of dat beginsel door artikel*38 van verordening nr.*3183/80 wordt geschonden .
C - Geldigheid van artikel*38, lid*1, sub*c, van verordening nr.*3183/80
De geldigheid van deze bepaling moet natuurlijk aan het gemeenschapsrecht van hogere rang en niet aan bepalingen en begrippen van het nationale recht worden getoetst.*(13 )
Als hogere regels van gemeenschapsrecht noemt de verwijzende rechter de volgende beginselen :
- in dubio pro reo,
- nulla poena sine culpa,
- het evenredigheidsbeginsel .
Verder beroepen verzoeksters in het hoofdgeding zich in hun opmerkingen voor het Hof op de rechtsbeginselen :
- nulla poena sine lege,
- ne bis in idem .
Om tot een logische redenering te komen, zou ik met deze laatste twee beginselen willen beginnen .
1 . Het beginsel "nullum crimen, nulla poena sine lege" ( legaliteitsbeginsel )
Het beginsel dat een straf enkel krachtens de wet kan worden opgelegd en ten uitvoer gelegd, is in het gemeenschapsrecht niet onbekend . Zo heeft het Hof getoetst of een door de Commissie aan een staalproducent wegens overschrijding van zijn produktiequota opgelegde boete verenigbaar was met het legaliteitsbeginsel.*(14 )
Zoals ik reeds heb gezegd, heeft het Hof in de zaak Koenecke overwogen, dat een -*al dan niet strafrechtelijke *- sanctie slechts kan worden opgelegd indien daarvoor een duidelijke en eenduidige rechtsgrondslag bestaat .
Verzoeksters in het hoofdgeding, die zich op dit arrest beroepen, betogen dat ook in de onderhavige zaken een dergelijke rechtsgrondslag ontbreekt . Artikel*38 heeft volgens hen immers betrekking op een heel bijzonder geval, te weten de douanebehandeling van produkten die na te zijn uitgevoerd, weer in de Gemeenschap worden ingevoerd ( regeling "terugkerende goederen "). Een regeling die in dit kader gerechtvaardigd kan zijn, is dat niet noodzakelijkerwijs in andere omstandigheden .
Voorts is volgens verzoeksters in het hoofdgeding niet duidelijk, wat met de uitdrukking "toepassing mutadis mutandis" is bedoeld .
Hierover wil ik het volgende opmerken . Vaststaat, dat artikel*38 op zich enkel de "regeling terugkerende goederen" betreft . Het is evenwel volkomen duidelijk, dat artikel*42 de instantie die het uitvoercertificaat heeft afgegeven, verplicht om de bepalingen van artikel*38, lid*1, sub*c toe te passen, wanneer een produkt onder douanecontrole is geplaatst ( artikel*4 van verordening nr.*565/80 ) en de voor uitvoer gestelde termijn niet in acht is genomen ( artikel*11 van verordening nr.*798/80 ).
De vordering van de BALM om de waarborg opnieuw te stellen, steunt dus op een duidelijke en ondubbelzinnige rechtsgrondslag .
Het "mutatis mutandis" toepassen van een bepaling op een vergelijkbare, maar niet identieke rechtssituatie is een welbekende rechtstechniek . In de onderhavige zaak heeft geen van de partijen de betekenis van die verwijzing en de inhoud van de toe te passen bepaling verkeerd begrepen .
Ten slotte is ook de grief, dat artikel*42, lid*3, enkel is gericht tot "de instantie die het certificaat heeft gegeven" en niet tot de houder van het certificaat, niet steekhoudend . Zelfs wanneer men aanneemt, dat in het strafrecht elke strafbepaling noodzakelijkerwijs moet zijn gesteld in de bewoordingen "Hij die zich schuldig maakt aan ..., wordt gestraft met ...", blijkt hoe dan ook uit de rechtspraak van het Hof, dat de bepalingen van de verordeningen die voorzien in het niet vrijgeven van een waarborg of die het opnieuw stellen van de waarborg voorschrijven, daarom nog geen strafrechtelijke sancties zijn .
In dit verband wil ik er enkel op wijzen, dat de uitdrukking "de waarborg opnieuw stellen" hier niet juist is . Het begrip "waarborg" impliceert het begrip zekerheid . Gelijk het Hof in de zaak Koenecke evenwel overwoog ( r.o.*10 ), kan niet worden verlangd dat de zekerheid opnieuw wordt gesteld wanneer het risico met het oog waarop zij aanvankelijk was gesteld, zich al heeft verwezenlijkt . Het ware juister geweest te spreken van een "bedrag dat gelijk is aan de waarborg ".
2 . Het "ne bis in idem"-beginsel
Verzoeksters in het hoofdgeding stellen verder, dat men hen twee keer wil straffen voor dezelfde feiten, aangezien de in artikel*6 van verordening nr.*565/80 voorziene verwerkingswaarborg eveneens beoogt de uitvoer van de waar te garanderen .
Volgens dit artikel garandeert de verwerkingswaarborg "de terugbetaling ... van een bedrag dat gelijk is aan het uitbetaalde bedrag, verhoogd met een extra bedrag ". Wat is ( vooruit -) betaald, is de uitvoerrestitutie . De waarborg moet de terugbetaling daarvan garanderen voor het geval dat de uitvoer uiteindelijk toch niet plaatsvindt .
Wat de verhoging met 20% betreft, deze is bedoeld om "te voorkomen dat de betrokken exporteur een ongerechtvaardigd voordeel zou genieten . In de gevallen waarin van de voorfinancieringsregeling gebruik wordt gemaakt, zouden de marktdeelnemers immers ten onrechte kosteloos krediet genieten wanneer later zou blijken dat geen aanspraak op restitutie bestond".(15 )
Het "ne*bis*in*idem"-beginsel kan derhalve niet in de weg staan aan het opnieuw stellen van de uitvoerwaarborg .
3 . Het beginsel "in dubio pro reo"
In de zaak Internationale Handelsgesellschaft had het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main de vraag opgeworpen, of de waarborgregeling rechtmatig was, omdat de waarborg slechts in geval van overmacht niet wordt verbeurd .
Het Hof heeft op die vraag geantwoord :
"dat de communautaire wetgever derhalve door het doen vervallen van de uitvoerverplichting en het vrijgeven van de waarborgsom tot gevallen van overmacht te beperken, kennelijk een regeling heeft getroffen welke, zonder de importeurs of exporteurs in onevenredige mate te belasten, zich ertoe leent de normale werking van de ordening van de graanmarkt - in het algemeen belang zoals dat in artikel*39 van het Verdrag is omschreven - te verzekeren;
dat de voorschriften waarin het vrijgeven van de waarborg tot gevallen van overmacht wordt beperkt, derhalve geen enkele grond tot betwisting van de rechtsgeldigheid der waarborgregeling blijken op te leveren" ( r.o.*25 ).
Het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main is evenwel van mening, dat het beginsel "in dubio pro reo" niet is gerespecteerd, omdat de betrokkene en niet de bevoegde instantie de overmacht moet bewijzen .
Het is echter ondenkbaar, dat de bevoegde instantie verplicht zou zijn in elk concreet geval aan te tonen, dat geen geval van overmacht de onderneming belette de waar binnen de termijn uit te voeren . Het aantal theoretisch mogelijke gevallen van overmacht is immers groot . Van de administratie kan niet worden verlangd, dat zij probeert zich voor te stellen welk geval van overmacht zich zou hebben kunnen voorgedaan .
Zelfs in het strafrecht moet de verdachte aangeven op welke rechtvaardigingsgrond hij zich beroept, gedetailleerd beschrijven wat is voorgevallen, en alle bewijsmiddelen aanvoeren waarover hij beschikt . Daardoor ontlokt hij een discussie met het openbaar ministerie, dat eventueel op zijn beurt zal trachten te bewijzen, dat de aangevoerde feiten de verdachte niet kunnen disculperen . Uiteindelijk is het de opponent met de beste argumenten, die het pleit zal winnen .
Mijns inziens is het a*fortiori volkomen verenigbaar met de fundamentele rechten van het individu, dat de zaken in het kader van de waarborgregeling op dezelfde wijze verlopen, zij het dat de discussie hier in eerste instantie plaats heeft tussen de importeur/exporteur en het interventiebureau, om vervolgens, indien nodig, niet voor een strafrechter, maar voor een administratieve of burgerlijke rechter te worden voortgezet . Mij dunkt trouwens, dat het Hof in zijn arrest van 11*juli*1968 ( Schwarzwaldmilch)*(16 ) de geldigheid van deze bewijsregeling reeds impliciet heeft erkend, waar het overwoog "dat het stelsel van artikel*6 der verordening medebrengt, dat de importeur heeft te bewijzen, dat de voorwaarden waaronder overmacht mag worden aangenomen, vervuld zijn ".
4 . "Nulla poena sine culpa"
Zoals ik reeds heb uiteengezet, hebben wij hier te maken met een van de gevallen waarin het toepasselijke recht geen ruimte laat voor enigerlei beoordeling van de oorzaken die tot de niet-nakoming van de verplichting tot uitvoer hebben geleid, het geval van overmacht daargelaten . De voorziene sanctie heeft niet het karakter van een "poena", dit wil zeggen van een strafrechtelijke sanctie . Derhalve behoeft enkel het argument van het Verwaltungsgericht Frankfurt te worden onderzocht, dat een sanctie tegen een rechtspersoon niet mogelijk is .
In het gemeenschapsrecht is het evenwel in sommige gevallen aanvaard, dat rechtspersonen echte geldboeten worden opgelegd . Ik heb reeds gerefereerd aan gevallen* 14 waarin het Hof de door de Commissie aan een staalonderneming opgelegde geldboete heeft bevestigd . Voorts kan hier artikel*15 van verordening nr.*17 van de Raad*(17 ) worden geciteerd, dat bepaalt : "De Commissie kan ... aan ondernemingen of ondernemingsverenigingen geldboeten opleggen ..."
Dit geldt te meer, wanneer het een sanctie betreft die niet een geldstraf is .
5 . Het evenredigheidsbeginsel
Volgens het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main is het evenredigheidsbeginsel geschonden, omdat "de hoogte van de boete niet afhankelijk is van de mate van schuld en omdat geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende vormen van schuld, te weten schuld, grove schuld en opzet ".
Ik kan in dit verband enkel herhalen, dat wij in de onderliggende zaak te maken hebben met een systeem van objectieve aansprakelijkheid, waarin elk beroep op het subjectieve schuldbegrip is uitgesloten .
Artikel*38 kan dan ook niet ongeldig worden geacht wegens schending van het evenredigheidsbeginsel .
Alvorens af te sluiten, wil ik er enkel nog aan herinneren, dat de gemeenschapsregeling vooral onder invloed van de rechtspraak van het Hof is aangepast, om telkens met de aard van de geschonden verplichting en de ernst van die schending rekening te kunnen houden .
In dit verband moet worden verwezen naar verordening nr.*2220/85 van de Commissie van 22*juli*1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwprodukten ( PB*1985, L*205, blz.*5 ). Deze verordening, die op alle landbouwsectoren van toepassing is, onderscheidt tussen primaire, secundaire en ondergeschikte verplichtingen .
De waarborgregeling wordt dus niet langer gekarakteriseerd door dezelfde starheid als in het verleden .
D - Conclusie
Op grond van het voorafgaande geef ik in overweging, de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt :
"Bij onderzoek van de door het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel*38, lid*1, sub*c, tweede streepje, van verordening ( EEG)*nr.*3183/80 van de Commissie van 3*december*1980 ."
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1)*PB*1980, L*62, blz.*5 .
( 2)*PB*1980, L 338, blz.*1 .
( 3)*PB*1980, L*87, blz.*42 .
( 4)*Zaak 4/73, Nold, Jurispr.*1974, blz.*491, r.o.*13 .
( 5)*Zie b.v . de arresten van 16*december*1981, zaak*244/80, Foglia, Jurispr.*1981, blz.*3045, r.o.*15; 14*februari*1984, zaak*278/82, Rewe, Jurispr.*1984, blz.*721, r.o.*8; 28*juni*1984, zaak*180/83, Moser, Jurispr.*1984, blz.*2539, r.o.*6 en 12 juni*1986, gevoegde zaken*98, 162 en 258/85, Bertini, Jurispr.*1986, blz.*1885, r.o.*8 .
( 6)*Arrest van 17*december*1970, zaak*11/70, Internationale Handelsgesellschaft, Jurispr.*1970, blz.*1125 .
( 7)*Zaak*117/83, Jurispr.*1984, blz.*3291, 3302, r.o.*11 .
( 8)*Zie Tiedemann, P .: "Das Kautionsrecht der EWG - ein verdecktes Strafrecht?", Neue Juristische Wochenschrift, 1983, blz.*2727-2731 .
( 9)*Barents R .: "The System of deposits in community agricultural law", Efficiency v . Proportionnality, European Law Review, Augustus*1985, blz.*239-249 .
( 10)*PB*1985, L*210, blz.*29 .
( 11)*Zie het reeds geciteerde artikel van P.*Tiedemann, blz.*2727 .
( 12)*Arrest van 14*mei*1974, zaak*4/73, Nold, Jurispr.*1974, blz.*491, r.o.*14 .
( 13)*Zie de arresten van 17*december*1970, zaak*11/70, Internationale Handelsgesellschaft, reeds aangehaald, r.o.*3, en van 8*oktober*1986, zaak*234/85, Keller, Jurispr.*1986, blz.*2897, r.o.*7 .
( 14)*Arrest van 17*mei*1984, zaak*83/83, Estel, Jurispr.*1984, blz.*2195; het Hof vermeldt het beginsel in de arresten van 28*maart*1984, zaak*8/83, Bertoli, Jurispr.*1984, blz.*1649, r.o.*27 en van 3*maart*1982, zaak*14/81, Alpha Steel, Jurispr.*1982, blz.*749, r.o.*29 .
( 15)*Arrrest van 5 februari 1987, zaak*288/85, Hauptzollamt Hamburg-Jonas, Jurispr.*1987, blz.*611, r.o.*14 .
( 16 ) Zaak*4/68, Schwarzwaldmilch, Jurispr.*1968, blz.*525, 538 .
( 17 ) PB 1962, blz.*204 .
Full & Egal Universal Law Academy