CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 7 oktober 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Sinds 1936 is de meelfabricage in Frankrijk onderworpen aan een reglementering, waarbij aan iedere maalderij een jaarlijks maalcontingent wordt toegekend voor tot meel te verwerken zachte tarwe die bestemd is voor binnenlandse menselijke consumptie.
De maalcapaciteit van de maalderijen mag binnen bepaalde grenzen worden vergroot, hetzij door de samenvoeging van maalderijen, hetzij door de aankoop van maalrechten.
De meelfabriek die haar maalcontingent overschrijdt, krijgt een boete, die wordt vastgesteld in functie van het aantal kwintalen tarwe dat wederrechtelijk is vermalen, met verbeurdverklaring van het betrokken meel.
In 1982 en 1983 overschreed de SA Minoterie Forest haar maalcontingent voor tarwe, waarop de onderneming en haar directeur, M.-L. Forest, door de direction générale des impôts werden gedagvaard voor het tribunal de grande instance te Mâcon.
Nadat verweersters hadden aangevoerd dat de Franse regeling in strijd is met een aantal bepalingen van het EEG-Verdrag of van de ter uitvoering daarvan vastgestelde gemeenschapsverordeningen, heeft het tribunal de grande instance, van oordeel dat er inderdaad een probleem bestond, het Hof de volgende vraag gesteld:
„Moet de Franse regeling, vervat in het decreet van 24 april 1936, zoals met name gewijzigd bij decreet 61-1033 van 11 september 1961, waarbij het maalcontingent voor tarwe is ingevoerd en de produktiecapaciteit van de maalderijen is beperkt, in strijd worden geacht met verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, of met de bepalingen van de artikelen 30 tot en met 37 EEG-Verdrag ?”
Aangezien het Hof van Justitie zich in het kader van artikel 177 niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van nationale voorschriften met het gemeenschapsrecht, moet de vraag van het tribunal te Mâcon anders worden geformuleerd. In wezen wordt gevraagd of 's Raads verordening nr. 2727/75 van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, ofwel de artikelen 30 tot en met 37 EEG-Verdrag, aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan bepalingen zoals die welke in de bedoelde nationale regeling zijn vervat.
Gedurende de schriftelijke en mondelinge behandeling is niet betwist, dat de Franse wettelijke regeling tot doel heeft de produktiecapaciteit van de meelindustrie te beperken, die door de daling van het broodverbruik te groot was geworden. Meer bepaald beoogt zij de abrupte en ongerechtvaardigde verdwijning te voorkomen van ondernemingen die — al zijn ze klein of middelgroot — als rendabel of nuttig voor het algemeen belang kunnen worden beschouwd.
Zoals advocaatgeneraal H. Mayras met betrekking tot dezelfde wettelijke regeling heeft uiteengezet in zaak 190/73 (Van Haaster, Jurispr. 1974, blz. 1129, in het bijzonder blz. 1144, eerste kolom, tweede alinea), „hadden deze maatregelen ten doel de verwerkingsindustrie van landbouwprodukten te saneren en niet om de teelt van deze produkten te beperken”.
Verder staat tussen partijen vast dat:
a)
deze regeling de capaciteit van de maalderijen enkel beperkt voor zover het gaat om voor de binnenlandse menselijke consumptie bestemde tarwe, ongeacht de herkomst ervan;
b)
de contingentering bijgevolg niet van toepassing is op tarwe die bestemd is om na verwerking te worden uitgevoerd of heruitgevoerd ;
c)
de invoer in Frankrijk van tarwe of meel niet wordt beperkt; de Franse meelfabrikanten kunnen desgewenst dus alle tarwe die zij willen verwerken, in het buitenland aankopen.
Ofschoon de verdragsbepalingen betreffende de afschaffing van tarief- en handelsbelemmeringen voor het intracommunautaire handelsverkeer zijn te beschouwen als een integrerend onderdeel van de gemeenschappelijke marktordeningen (zie arrest van 29 november 1978, zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347, r. o. 52 tot 55), geef ik duidelijkheidshalve en wegens de formulering van de vraag, er de voorkeur aan, de verenigbaarheid met de artikelen 30 en volgende van het Verdrag van een regeling als voor de nationale rechter in geding is, afzonderlijk te onderzoeken.
Achtereenvolgens zal ik dus nagaan welke regels op een dergelijke regeling van toepassing zijn krachtens:
—
de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag;
—
‚s Raads verordening nr. 2727/75 houdende een gemeenschappelijke marktordening in de sector granen;
—
de gecombineerde bepalingen van de artikelen 5 en 85 EEG-Verdrag.
A — De artikelen 30-37 EEG-Verdrag
Door verweersters in het hoofdgeding wordt aangevoerd, dat „de Franse regeling tot contingentering van de capaciteit der maalderijen, door Franse maalderijen te beletten naar believen tarwe te kopen — met name tarwe die in andere Lid-Staten is voortgebracht en op de Franse markt wordt aangeboden en voor zover het eruit verkregen meel bestemd is om op de Franse markt te worden verhandeld —, de intracommunautaire handel ten minste potentieel ongunstig beïnvloedt en bijgevolg te beschouwen is als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag”.
De Commissie is daarentegen van mening, dat „er uit die regeling rechtstreeks noch onrechtstreeks een beperking lijkt voort te vloeien van de invoer of uitvoer van meel, die in strijd zou kunnen zijn met de artikelen 30 en 34 van het Verdrag (die een integrerend deel uitmaken van de marktordening) ...” Na vervolgens de gevolgen van dit stelsel met betrekking tot tarwe te hebben onderzocht, besluit de Commissie dat „volgens de gegevens waarover de Commissie beschikt, de Franse regeling geen beperkend doel of gevolg heeft”.
De regering van de Franse Republiek merkt op, dat „de vrijheid van het intracommunautaire handelsverkeer... niet in gevaar wordt gebracht, aangezien het stelsel noch voor de invoer noch voor de uitvoer van meel of tarwe tot kwantitatieve beperkingen leidt. Evenmin kan enig onrechtstreeks of potentieel beperkend effect op invoer uit de EEG worden gesteld”.
Ik wil allereerst opmerken dat de bepalingen van de artikelen 34 (uitvoerbeperkingen) en 37 (nationale monopolies) in de onderhavige zaak geen rol kunnen spelen.
Voorts stel ik vast, dat uit de hiervóór weergegeven doelstellingen van de betrokken regeling blijkt, dat zij „niet tot doel had de handelsstromen te regelen” (arrest van 11 juli 1985, gevoegde zaken 60 en 61/84, „videocassettes”, Jurispr. 1985, blz. 2605, r. o. 21). Evenmin houdt de regeling een formele discriminatie in. Zij is zonder onderscheid van toepassing op Franse en ingevoerde tarwe.
Hiervan uitgaande, moeten wij thans onderzoeken, of de regeling niettemin „de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren” (zie bij voorbeeld zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, of zaak 35/76, Simmenthal, Jurispr. 1976, blz. 1871, r. o. 11 en 12), en of mogelijke belemmeringen die eruit zouden voortvloeien, eventueel moeten worden aanvaard omdat de regeling noodzakelijk is ten einde aan „dwingende vereisten” te voldoen.
Daarbij moeten wij nogmaals vaststellen, dat iedereen, meelfabrikant of handelaar, vrij is om tarwe of meel in onbeperkte hoeveelheden in Frankrijk in te voeren.
Er is bijgevolg geen daadwerkelijke of rechtstreekse belemmering van de intracommunautaire handel.
Blijft nog de vraag, of de contingentering van maalrechten niettemin onrechtstreeks en potentieel de invoer kan verhinderen die mogelijk zou zijn indien dat stelsel niet bestond, of die invoer moeilijker of duurder kan maken.
Neemt men aan dat alle Franse meelfabrikanten zich voor hun gehele contingent in de andere landen van de Gemeenschap met tarwe zouden willen bevoorraden — een beslissing waarin zij geheel vrij zijn —, dan blijkt dat alle voor de dekking van de binnenlandse meelconsumptie nodige tarwe-importen zonder problemen zouden kunnen plaatsvinden, aangezien het totaal van de maalrechten veel hoger ligt dan die consumptie. (Hierbij komt, dat tarwe die bestemd is om als meel weer te worden uitgevoerd, niet onder de regeling valt).
Beschouwt men vervolgens de individuele situatie van de meelfabrikanten, dan moet men het volgende vaststellen.
Iedere maalderij heeft een precies omschreven jaarlijkse produktiecapaciteit, die afhangt van haar technische installaties.
Welnu, het is niet onredelijk om aan te nemen dat het contingent van tal van maalderijen sedert lang gelijk moet zijn aan hun jaarlijkse produktiecapaciteit.
Het besluit van 27 juni 1938, waarbij de contingenten zijn vastgesteld, bepaalt immers dat „het aantal kwintalen tarwe dat iedere molen jaarlijks mag vermalen voor binnenlands verbruik, gelijk is aan het rekenkundige gemiddelde van de grootste daadwerkelijk vermalen hoeveelheid — de onder tijdelijke vergunningen vallende tarwe niet inbegrepen — vastgesteld in de loop van de jaren 1927-1935 en de jaarlijkse maalcapaciteit van de maalderij berekend op driehonderd dagen per jaar, waarbij de laatste factor in ieder geval een maximum vormt”.
Sindsdien hebben tal van maalderijen waarvan het oorspronkelijke contingent het jaarlijkse maalvermogen niet bereikte, de maalrechten moeten kopen die hun ontbraken om dat niveau te halen.
Ook de maalderijen die sinds 1938 door modernisering hun produktiecapaciteit vergrootten, konden extra maalrechten kopen.
Zoals blijkt uit de statistieken die bij de antwoorden van de Franse regering op vragen van het Hof zijn gevoegd, is het aantal maalderijen alleen al tussen 1968 en 1984 met 1528 verminderd, waardoor een grote hoeveelheid maalrechten beschikbaar kwam.
Tussen 1981 en 1984 hebben 492 maalderijen maalrechten gekocht voor een totaal van 550982 ton tarwe.
Anderzijds is het voor maalderijen niet altijd noodzakelijk om over zo veel maalrechten te beschikken, dat haar totale produktiecapaciteit is gedekt. Het komt regelmatig voor, dat ondernemingen van allerlei aard beneden hun maximale capaciteit werken. Van belang is, dat de maalrechten voldoende zijn voor de bij het bedrijf geplaatste bestellingen.
Die rechten nu kunnen ook achteraf, aan het einde van het jaar, worden aangekocht tegen een prijs die niet prohibitief lijkt, namelijk volgens de Commissie 13% van de waarde van het gereed produkt, volgens verweersters in het hoofdgeding 16%. Zij blijven definitief verworven.
Wel is het zo, dat een meelfabrikant die, uit vrees op het einde van het jaar niet over de nodige maalrechten te beschikken, in de loop van het jaar zou besluiten om niet alle bestellingen te aanvaarden, zou moeten afzien van de aankoop van de met deze bestellingen overeenstemmende hoeveelheid tarwe. Al naar gelang de meelfabrikant van plan was om zich in Frankrijk dan wel in het buitenland te bevoorraden, zou die beperking gevolgen hebben voor de aankoop van Franse respectievelijk ingevoerde tarwe.
Dit „risico van niet kopen” is dus voor ingevoerde produkten niet groter dan voor produkten die op de Franse binnenlandse markt worden gekocht.
Om de formulering van advocaatgeneraal Sir Gordon Slynn in zijn conclusie in de gevoegde zaken 60 en 61/84 („videocassettes”) te parafraseren: „De redenen waarom een Franse meelfabrikant geen tarwe zou kopen van een Franse producent, zullen hem er evenzeer van weerhouden om ze te kopen bij een producent in een andere Lid-Staat.” Deze twee groepen van tarweproducenten bevinden zich dus in dezelfde situatie.
Het gewraakte stelsel leidt er bijgevolg niet toe, dat de binnenlandse produktie wordt bevoordeeld boven die van de andere Lid-Staten (naar de formulering van het Hof in het arrest „videocassettes”, Jurispr. 1985, blz. 2605, r. o. 21), en evenmin dat uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten worden achtergesteld bij produkten uit eigen land (arrest van 10 juli 1980 in zaak152/78, „reclame voor alcohol”, Jurispr. 1980, blz. 2299, r. o. 14).
Zoals ik heb aangetoond, kan de toepassing van een dergelijke regeling in bepaalde concrete situaties een individuele meelfabrikant ertoe brengen, af te zien hetzij van aankoop op de nationale markt hetzij van invoer. Potentieel kan zij dus een belemmering vormen voor sommige handelstransacties.
In dat geval is de in die regeling vervatte beperking van het recht om tarwe te malen, slechts verenigbaar met het in het EEG-Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van goederen, indien de daardoor veroorzaakte belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer niet verder gaan dan noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken, en dit doel naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is (zie arrest „videocassettes”; r. o. 22).
Mijns inziens kan een dergelijke rechtvaardiging niet worden ontzegd aan een regeling die de maalrechten beperkt met betrekking tot tarwe die bestemd is voor het binnenlands meelverbruik van een Lid-Staat, wanneer het totaal van deze maalrechten het volume van dat binnenlandse verbruik overtreft en de betrokken regeling tot doel heeft een geordende herstructurering van de maalderijsector mogelijk te maken en het behoud van maalderijen in alle regio's van de betrokken Lid-Staat te verzekeren.
Het betreft hier een „rechtmatige sociaaleconomische beleidskeuze, die in de lijn ligt van de in het Verdrag nagestreefde doelstellingen van algemeen belang” (zie arrest van 14 juli 1981, zaak 155/80, Oebel, Jurispr. 1981, blz. 1993, r. o. 12).
B — De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen
1. Het beginsel van de restbevoegdheid
Vóór alles moet worden opgehelderd of een Lid-Staat ook na de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke marktordening voor granen en produkten in eerste graad van bewerking een wettelijke regeling als hier bedoeld mag handhaven.
Verzoeksters in het hoofdgeding geven toe, dat de Lid-Staten een dergelijke restbevoegdheid hebben, maar zij menen dat de betwiste regeling buiten het kader van die bevoegdheid valt, omdat zij niet noodzakelijk is om het doel van artikel 39 te bereiken en in strijd is met de beginselen van de gemeenschappelijke marktordening en met de bepalingen van verordening nr. 2727/75.
De Commissie is van oordeel, dat zolang de Gemeenschap geen gemeenschappelijke regelingen heeft getroffen, een Lid-Staat niet kan worden verhinderd om een nationale wetgeving inzake geordende herstructurering van het maalderijwezen te handhaven, voor zover die niet onverenigbaar is met de gemeenschappelijke marktordening in de sector granen en noch op de invoer, noch op de uitvoer van toepassing is. De Commissie komt tot deze conclusie op grond van het arrest van 7 februari 1984 (zaak 237/83, Jongeneel Kaas, Jurispr. 1984, blz. 483) en meer bepaald r. o. 13 die luidt als volgt: „Waar elk communautair voorschrift omtrent de kwaliteit van kaasprodukten ontbreekt, is het Hof van oordeel, dat de Lid-Staten de bevoegdheid hebben behouden om de op hun grondgebied gevestigde kaasproducenten dergelijke voorschriften op te leggen. Deze bevoegdheid betreft niet enkel voorschriften die voor de bescherming van de consument of van de volksgezondheid noodzakelijk worden geacht, maar ook die welke de Lid-Staat wenselijk acht ter bevordering van de kwaliteit van de nationale produktie. Die voorschriften mogen echter niet tot discriminatie van ingevoerde produkten leiden of de invoer van produkten uit andere Lid-Staten belemmeren.”
Aangezien verordening nr. 2727/75 geen enkele bepaling bevat die rechtstreeks of onrechtstreeks verwijst naar de activiteit van maalderijen, en een voorstel van de Commissie voor een verordening „inzake sanering van de markt van produkten die afkomstig zijn van het malen van te plannen granen” tot op vandaag niet door de Raad is vastgesteld, ben ook ik van mening dat de Lid-Staten nog bevoegd zijn om op dit gebied wetgevend op te treden.
Blijft nog te onderzoeken of een wettelijke regeling zoals de Franse feitelijk afbreuk kan doen aan de doelstellingen van artikel 39 EEG-Verdrag of aan de bepalingen van de gemeenschappelijke marktordening in de betrokken sector.
2. De uitoefening van de restbevoegdheid
a) De doelstellingen van artikel 39 EEG-Verdrag
Op dit punt kan ik zeer kort zijn. Er is immers niet aangetoond, hoe een regeling zoals die welke in Frankrijk van kracht is, afbreuk zou kunnen doen aan de produktiviteitsstijging in de landbouw en aan een optimaal gebruik van de produktiefactoren, de levensstandaard van de landbouwbevolking, de stabilisering der markten of de zekerheid van voorziening in gevaar zou kunnen brengen of de vaststelling van redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers zou kunnen verhinderen.
Men kan juist stellen dat een dergelijke regeling, door op een geordende manier de vermindering mogelijk te maken van de overcapaciteiten in het maalderijwezen, bijdraagt tot een optimaal gebruik van de produktiefactoren en bijgevolg tot een daling van de verwerkingskosten. Zij draagt ook bij tot de zekerheid van de voorziening, door het bestaan veilig te stellen van maalderijen met kleine of middelgrote capaciteit in de nabijheid van de tarweproducenten en de meelverbruikers; zo waren er in 1984 op een totaal van 1267 maalderijen nog 238 met een maalcontingent van minder dan 500 ton en 491 met een contingent van minder dan 1000 ton.
b) De beginselen van de gemeenschappelijke marktordening voor graan
In de inleiding van deze conclusie heb ik kunnen vaststellen, dat de Franse regeling geen enkele kwantitatieve beperking inhoudt van de handel in meel of tarwe tussen Frankrijk en de andere Lid-Staten of derde landen, noch voor de invoer, noch voor de uitvoer.
Onder A heb ik uiteengezet waarom een regeling zoals de Franse naar mijn mening niet onder de werkingssfeer valt van artikel 30 EEG-Verdrag, dat moet worden beschouwd als een integrerend deel van de gemeenschappelijke marktordening.
Bijgevolg moet die regeling ook worden geacht verenigbaar te zijn met artikel 18, lid 2, van verordening nr. 2727/75, waarbij de beginselen van artikel 30 van toepassing zijn verklaard op de handel met derde landen.
Een dergelijke regeling leidt evenmin tot een beperking van de produktie van meel of tarwe.
Verweersters in het hoofdgeding beroepen zich ten onrechte op de arresten van het Hof in de zaken Van Haaster en Van den Hazel.
In zijn voornoemde conclusie van 2 oktober 1974 in zaak 190/73 (Van Haaster) had advocaatgeneraal Mayras er reeds op gewezen, dat er geen enkele overeenkomst bestaat tussen een wettelijke regeling die de hyacintenteelt aan een kwantitatieve beperking onderwerpt, en de Franse regeling inzake het maalderijwezen.
Hetzelfde geldt voor de beperking van de produktie van slachtpluimvee, waarop de zaak Van den Hazel betrekking had (arrest van 18 mei 1977, zaak 111/76, Jurispr. 1977, blz. 901).
Men kan niet anders dan vaststellen dat de Franse meelproduktie zich vrij kan ontwikkelen zolang het totaal van de maalrechten groter is dan het Franse binnenlandse verbruik en terzelfder tijd de produktie van voor uitvoer bestemd meel aan geen enkele beperking wordt onderworpen.
Welnu, er is niet gesteld dat het totaal van de maalrechten ooit lager is geweest dan de hoeveelheid tarwe die nodig is ter dekking van de Franse binnenlandse meelconsumptie, noch dat de Franse regering het voornemen zou hebben om deze toestand in de toekomst te wijzigen (in 1984 hadden de maalrechten betrekking op 55 miljoen kwintalen tarwe, terwijl de binnenlandse meelconsumptie 43 miljoen kwintalen bedroeg).
Evenmin beperkt het stelsel van contingentering de tarweproduktie. Het inzaaien is immers niet alleen afhankelijk van het binnenlandse meelverbruik of van de maalrechten van de maalderijen, maar ook en vooral van het voor deze produktie geschikte akkerland en de door de landbouwers verwachte uitvoermogelijkheden hetzij van tarwe (165 miljoen kwintalen in 1984), hetzij van meel (18 miljoen kwintalen tarwe), of de mogelijkheden van verkoop voor diervoeding (45 miljoen kwintalen).
Zo produceerde Frankrijk in het seizoen 1983-1984 313 miljoen kwintalen tarwe, ondanks het feit dat de binnenlandse menselijke consumptie niet meer bedroeg dan 43 miljoen kwintalen.
c) De in het kader van de marktordening vastgestelde prijsregeling
De gemeenschappelijke ordening van de graanmarkt kent geen stelsel van gemeenschappelijke prijzen voor tarwemeel.
Anderzijds kan ik niet ontdekken op welke wijze de regeling in geding de prijsvorming van meel zou kunnen beïnvloeden.
In 1984 kon op grond van het contingenteringsstelsel een hoeveelheid van 55 miljoen kwintalen tarwe worden verwerkt tot meel voor binnenlands verbruik. In feite bestond er slechts vraag naar 43 miljoen kwintalen tarwemeel. Men mag dus aannemen dat zonder deze regeling er geen kwintaal tarwe méér tot meel zou zijn verwerkt.
De geldende regeling heeft bijgevolg niet de minste verstorende invloed kunnen uitoefenen op het vrije spel van vraag en aanbod noch op het prijsmechanisme en de interventieregeling van de gemeenschappelijke marktordening.
Overigens is het duidelijk dat in een land als Frankrijk, waar de tarwe die tot meel voor binnenlands verbruik wordt verwerkt, slechts ongeveer 14% van de totale tarweproduktie vertegenwoordigt, de tarweprijs bepaald wordt door de omvang van de totale produktie.
C — De mededingingsregels van het Verdrag
Hoewel de verwijzende rechter geen vraag heeft gesteld over de verenigbaarheid van een regeling als hierbedoeld met de mededingingsregels van het Verdrag, zijn verweersters in het hoofdgeding breedvoerig op dit punt ingegaan. Hun opmerkingen zijn tamelijk uitvoerig samengevat in het rapport ter terechtzitting, zodat ik ze hier niet behoef te herhalen.
De enige verdragsbepaling die hier een rol zou kunnen spelen, is artikel 85. Dit heeft betrekking op overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de Lid-Staten. Het Hof heeft evenwel herhaaldelijk geoordeeld, dat de Lid-Staten „niettemin ingevolge artikel 5, tweede alinea, EEG-Verdrag gehouden zijn, door hun nationale wetgeving geen afbreuk te doen aan de volledige en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en aan de werking van handelingen tot uitvoering ervan, en geen maatregelen, zij het ook van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, te nemen of te handhaven, welke aan de op de onderneming toepasselijke mededingingsregels hun nuttig effect kunnen ontnemen” (arrest van 10 januari 1985, zaak 229/83, Association des centres distributeurs Edouard Leclerc, Jurispr. 1985, blz. 1, r. o. 14; zie ook de arresten van 13 februari 1969, zaak 14/68, Wilhelm, Jurispr. 1969, blz. 1, en 16 november 1977, zaak 13/77, Inno, Jurispr. 1977, blz. 2115).
Welnu, ik meen dat de Commissie en de Franse regering overtuigend hebben aangetoond, dat de Franse regeling aan de maalderijen geen gedragingen oplegt die door artikel 85 verboden zijn, en dat zij dergelijke gedragingen evenmin aanmoedigt noch toestaat.
Het feit dat die regeling door de invoering van maalrechten overeenkomsten in verband met deze rechten materieel mogelijk heeft gemaakt, lijkt mij geen afbreuk te doen aan het nuttig effect van de mededingingsregels. Met de Commissie ben ik van mening, dat de Franse regeling enkel onder het verbod van de artikelen 3, sub f, 5, tweede lid, en 85 van het Verdrag zou vallen, indien zij dergelijke afspraken juridisch mogelijk — in de zin van wettig — zou maken.
Een tweede reden waarom artikel 85 in de onderhavige zaak geen rol speelt, is dat de regeling de handel tussen Lid-Staten niet ongunstig kan beïnvloeden.
In zijn arrest van 5 april 1984 (gevoegde zaken 177 en 178/82, Van de Haar en Kaveka, Jurispr. 1984, blz. 1797) heeft het Hof eraan herinnerd, dat „deze bepaling slechts geldt voor mededingingsbeperkende overeenkomsten, besluiten of feitelijke gedragingen die de intracommunautaire handel merkbaar ongunstig beïnvloeden„(r. o. 11), terwijl „artikel 30 EEG-Verdrag ten aanzien van maatregelen die kunnen worden aangemerkt als maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, geen onderscheid maakt naar gefang de mate waarin de handel tussen Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed”(ï. o. 13).
Welnu, het lijkt me niet mogelijk om tot de conclusie te komen, dat het Franse stelsel van contingentering der maalrechten de intracommunautaire handel merkbaar ongunstig kan beïnvloeden.
Ik heb hierboven uiteengezet, dat wanneer alle Franse meelfabrikanten zouden besluiten om de tarwe die voor het binnenlandse meelverbruik nodig is, in het buitenland te kopen, zij dit zonder problemen kunnen doen.
Anderzijds kan het feit, dat een individuele meelfabrikant in bepaalde omstandigheden zou moeten afzien van de aankoop van een extra hoeveelheid tarwe, hetzij bij een Franse, hetzij bij een buitenlandse leverancier, niet „de vrije handel tussen de Lid-Staten op zodanige wijze... beïnvloeden, dat de verwerkelijking van de doelstellingen van de gemeenschappelijke markt wordt geschaad” (arrest van 13 juli 1966, gevoegde zaken 56 en 58/64, Consten en Grundig, Jurispr. 1966, blz. 515).
In het geval dat een aantal meelfabrikanten een overeenkomst zou hebben gesloten om ongebruikte maalrechten niet te verkopen, zou het de taak zijn van de Franse bevoegde instanties om deze overeenkomst aan de nationale wetgeving te toetsen.
Het gemeenschapsrecht zou slechts een rol kunnen spelen indien door die „oppotting” het totaal der beschikbare maalrechten zou dalen tot onder het peil van het binnenlandse verbruik, hetgeen louter theoretisch lijkt.
Concluderend geef ik het Hof in overweging, de vraag van de tribunal de grande instance te Macon te beantwoorden als volgt:
„Artikel 30 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de bepalingen van verordening nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, kunnen niet aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale regeling waarbij de produktiecapaciteit van maalderijen wordt beperkt met betrekking tot meel dat bestemd is voor menselijke consumptie in de betrokken Lid-Staat, wanneer de totale hoeveelheid van de maalrechten voor tarwe, die uit deze regeling voortvloeit, groter is dan de hoeveelheid tarwe die voor die binnenlandse meelconsumptie nodig is en wanneer de eventuele, uit de toepassing van deze regeling voortvloeiende belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer niet verder gaan dan noodzakelijk is ter verzekering van een geordende herstructurering van het maalderijwezen in die Lid-Staat.”
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy